Zynquista 200 mg

SAMENVATTING VAN DE PRODUCTKENMERKEN
G
en
ee
sm
id
de
ln
ie
tl
an
ge
1
rg
BIJLAGE I
er
eg
is
tre
er
d
Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Daardoor kan snel nieuwe
veiligheidsinformatie worden vastgesteld. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg worden verzocht alle
vermoedelijke bijwerkingen te melden. Zie rubriek 4.8 voor het rapporteren van bijwerkingen.
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Zynquista 200 mg filmomhulde tabletten
2.
KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Elke tablet bevat 200 mg sotagliflozine.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3.
FARMACEUTISCHE VORM
4.2
Dosering en wijze van toediening
Behandeling met Zynquista moet worden geïnitieerd en begeleid door een arts met ervaring in het beheersen
van diabetes mellitus type 1.
-
-
-
G
Alvorens een behandeling met sotagliflozine 200 mg op te starten of alvorens de dosis te verhogen naar
sotagliflozine 400 mg:
Risicofactoren voor diabetische ketoacidose (DKA) dienen te worden vastgesteld en de
ketonenwaarden moeten normaal zijn. Zijn de ketonengehaltes verhoogd (bètahydroxybutyraat [BHB]
in het bloed > 0,6 mmol/l of een ketonurietest van één plus [+]), initieer dan geen behandeling met
sotagliflozine of verhoog de dosis niet naar 400 mg tot de ketonenwaarden zijn genormaliseerd (zie
rubriek 4.4).
Het wordt aanbevolen om bij patiënten als baseline meerdere ketonenwaarden van bloed of urine te
bepalen gedurende een tot twee weken alvorens een behandeling met sotagliflozine op te starten;
bovendien dienen patiënten vertrouwd te raken met hoe hun gedrag en de omstandigheden hun
ketonenwaarden kunnen beïnvloeden.
Patiënten moeten in staat zijn om zelf om te gaan met de dagelijkse aspecten van hun ziekte inclusief
het zelf monitoren van glucose en ketonen.
2
en
ee
De aanbevolen dosering is 200 mg sotagliflozine eenmaal per dag, vóór de eerste maaltijd van de dag. Als na
minimaal 3 maanden blijkt dat aanvullende glykemische controle nodig is, kan bij patiënten die de dosis van
200 mg sotagliflozine verdragen, de dosis worden verhoogd naar 400 mg eenmaal per dag.
sm
Dosering
id
de
ln
ie
Zynquista is geïndiceerd als aanvulling op een insulinebehandeling, om de glykemische controle te
verbeteren bij volwassenen met diabetes mellitus type 1 met een
body mass index
(BMI) ≥ 27 kg/m
2
die,
ondanks optimale insulinebehandeling, hun adequate glykemische controle niet hebben kunnen bereiken.
tl
an
4.1
Therapeutische indicaties
ge
4.
KLINISCHE GEGEVENS
rg
er
Ovale, blauwe, filmomhulde tablet met de opdruk ‘2456’ aan één kant met zwarte inkt (lengte tablet:
14,2 mm, breedte tablet: 8,7 mm).
eg
Filmomhulde tablet (tablet).
is
tre
er
d
-
-
Patiënten moeten middels een speciale training over DKA geïnformeerd worden hoe de risicofactoren,
signalen en verschijnselen van DKA te herkennen, hoe en wanneer de ketonenwaarden te monitoren
en welke acties moeten worden ondernomen als de ketonenwaarden verhoogd zijn (zie rubriek 4.4).
Correctie van volumedepletie voorafgaand aan initiatie van sotagliflozine wordt aanbevolen bij
patiënten met deze aandoening (zie rubriek 4.4).
Tabel 1: Te ondernemen acties in geval van verhoogde ketonenwaarden
id
de
ln
ie
tl
an
Klinisch
stadium
Ketonemie of
Ketonurie
Spoor of zwak
+
ge
Bloedketonen (bèta-
hydroxybutyraat)
0,6-1,5 mmol/l
Ketonurietest
ee
sm
G
Dreigende
DKA
en
> 1,5-3,0 mmol/l
Matig
++
3
rg
er
Acties
Ketonenmonitoring tijdens de behandeling:
Tijdens de eerste één tot twee weken behandeling met sotagliflozine moeten de ketonen regelmatig
gecontroleerd worden. Na opstarten van de behandeling moet de frequentie van ketonenbepaling (bloed of
urine) geïndividualiseerd worden, afhankelijk van de levensstijl en/of andere risicofactoren van de patiënt
(zie rubriek 4.4).
Patiënten moeten worden voorgelicht over welke acties moeten worden ondernomen als de ketonenwaarden
verhoogd zijn. De aanbevolen acties staan vermeld in tabel 1. Meting van het ketonengehalte in het bloed
heeft de voorkeur boven urine.
Het kan zijn dat de patiënt
extra snelwerkende insuline
moet gebruiken en water moet
drinken. Extra koolhydraten
dienen ingenomen te worden
als de glucosespiegels normaal
of laag zijn.
Ketonenwaarden moeten na
twee uur opnieuw worden
gemeten.
Controleer de glucosespiegels
regelmatig om hyperglykemie
of hypoglykemie te vermijden.
De patiënt moet onmiddellijk
medisch advies inwinnen en
stoppen met het nemen van
sotagliflozine als de waarden
verhoogd blijven en
symptomen optreden.
De patiënt moet onmiddellijk
medisch advies inwinnen en
stoppen met het nemen van
sotagliflozine.
Het kan zijn dat de patiënt
extra snelwerkende insuline
moet gebruiken en water moet
drinken. Extra koolhydraten
eg
is
tre
er
d
Sotagliflozine dient alleen te worden gebruikt als aanvulling op insuline. Om hypoglykemie bij de eerste
dosis sotagliflozine te vermijden, kan bij het opstarten van de behandeling met sotagliflozine de eerste
bolusinsuline bij de maaltijd met 20% worden verlaagd.
Daaropvolgende bolusdoses moeten individueel worden aangepast, afhankelijk van de bloedglucosewaarden.
Bij initiatie van sotagliflozine wordt geen verlaging van basale insuline aanbevolen. Daarna dient men de
basale insuline aan te passen naargelang de bloedglucosewaarden. Indien nodig moeten de insulinedoses heel
voorzichtig worden verlaagd om ketose en DKA te voorkomen.
dienen ingenomen te worden
als de glucosespiegels normaal
of laag zijn.
Ketonenwaarden moeten na
twee uur opnieuw worden
gemeten.
Controleer de glucosespiegels
regelmatig om hyperglykemie
of hypoglykemie te vermijden.
De patiënt moet onmiddellijk
naar de spoedafdeling gaan en
stoppen met het gebruik van
sotagliflozine.
Waarschijnlijke > 3,0 mmol/l
DKA
Sterk tot zeer sterk
+++ / ++++
Speciale populaties
Sotagliflozine mag niet worden gebruikt bij patiënten met ernstig verminderde nierfunctie, terminale
nierziekte (end-stage renal disease, ESRD) of bij dialysepatiënten, aangezien het middel bij deze patiënten
niet is onderzocht (zie rubriek 4.4 en 5.2).
Verminderde leverfunctie
Bij patiënten met een licht verminderde leverfunctie wordt geen dosisaanpassing aanbevolen. Sotagliflozine
wordt niet aanbevolen bij patiënten met matig en ernstig verminderde leverfunctie (zie rubriek 4.4 en 5.2).
Pediatrische patiënten
De veiligheid en werkzaamheid van sotagliflozine bij kinderen en adolescenten zijn niet vastgesteld. Er zijn
geen gegevens beschikbaar.
G
en
Initiatie van sotagliflozine wordt niet aanbevolen als de geschatte glomerulaire filtratieratio (eGFR) lager is
dan 60 ml/min/1,73 m
2
en het gebruik van sotagliflozine moet worden gestopt als de eGFR aanhoudend lager
blijft dan 45 ml/min/1,73 m
2
(zie rubriek 4.4 en 4.8).
ee
sm
Verminderde nierfunctie
Er wordt aanbevolen om de nierfunctie te beoordelen voor het opstarten van een behandeling met
sotagliflozine en tijdens de periode daarna (zie rubriek 4.4).
id
de
Ouderen
Er wordt geen dosisaanpassing aanbevolen op basis van de leeftijd.
Bij patiënten van 65 jaar en ouder dient men rekening te houden met de nierfunctie en met een toegenomen
risico op volumedepletie (zie rubriek 4.4 en 4.8). Voor patiënten van 75 jaar en ouder is de therapeutische
ervaring met sotagliflozine beperkt en daarom is opstarten van sotagliflozinetherapie niet aanbevolen.
ln
ie
tl
an
4
ge
Gemiste dosis
Als er een dosis is gemist, moet deze worden ingenomen zodra de patiënt eraan denkt. Men mag niet op
dezelfde dag een dubbele dosis innemen.
rg
er
Het kan zijn dat de patiënt
extra snelwerkende insuline
moet gebruiken en water moet
drinken. Extra koolhydraten
dienen ingenomen te worden
als de glucosespiegels normaal
of laag zijn.
eg
is
tre
er
d
Wijze van toediening
Oraal gebruik
Sotagliflozine wordt oraal ingenomen, eenmaal per dag vóór de eerste maaltijd van de dag.
4.3
Contra-indicaties
Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstof(fen).
4.4
Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Diabetische ketoacidose
Natrium-glucose-cotransporter-2- (SGLT2-) remmers dienen voorzichtig te worden gebruikt bij patiënten
met een verhoogd risico op DKA. In klinische onderzoeken (pool van twee 52 weken durende
placebogecontroleerde onderzoeken) met sotagliflozine was de incidentie van diabetische ketoacidose
(DKA) hoger in de groep die werd behandeld met sotagliflozine dan in de placebogroep (zie rubriek 4.8).
Vóór de initiatie van sotagliflozine
Voordat een behandeling wordt opgestart, moeten patiënten worden beoordeeld op DKA-risico.
Sotagliflozine mag niet opgestart worden bij patiënten met een hoger risico op DKA, zoals:
-
patiënten met lage insulinebehoefte,
-
patiënten die niet de optimale insulinedosis krijgen of recent problemen hadden met therapietrouw, of
die terugkomende problemen hebben met insulinedosering en bij wie het niet mogelijk is een adequate
insulinedosering te handhaven,
-
patiënten met een recente of herhaalde voorgeschiedenis van DKA (bijv. 1 episode in de afgelopen 3
maanden of meer dan 1 episode in de afgelopen 6 maanden),
-
patiënten met een verhoogde insulinebehoefte als gevolg van acute medische ziekte of chirurgie,
-
patiënten met verhoogde ketonenwaarden (BHB-waarde is hoger dan 0,6 mmol/l of de ketonurie is één
plus [+]). Behandeling met sotagliflozine mag niet gestart worden als de ketonen verhoogd zijn (BHB-
waarde is hoger dan 0,6 mmol/l) tot de ketonenwaarden normaal zijn (zie rubriek 4.2).
-
patiënten die de ketonenwaarden niet kunnen of willen controleren,
-
patiënten die staan op het handhaven van caloriebeperking, koolhydraatbeperking of een ketogeen
dieet of die zichzelf chronisch te weinig insuline toedienen (bijvoorbeeld om een lipolytische status te
behouden),
-
patiënten die drugs of overmatig alcohol gebruiken.
Patiënten die een insuline-infusiepomp gebruiken, hebben een hoger risico op DKA en moeten ervaring
hebben met het gebruik van de pomp, het wegnemen van veelvoorkomende oorzaken voor onderbrekingen
van de insulinetoediening via de pomp (problemen met de inbrengplaats, verstopte slang, leeg reservoir, etc.)
en het gebruik van aanvullende insuline-injecties met pen of spuit, zoals nodig bij een pompstoring.
Patiënten moeten overwegen om drie tot vier uur na het wisselen van pompmateriaal de ketonenwaarden te
controleren. Patiënten die een pomp gebruiken, moeten ook hun ketonenwaarden controleren bij een
vermoede insulineonderbreking, ongeacht de bloedglucosewaarden. Insuline-injecties moeten worden
gegeven binnen 2 uur na een onverklaarbaar hoge bloedglucosewaarde en de behandeling met sotagliflozine
moet worden onderbroken. Als de ketonen hoog zijn, volg dan de instructies in tabel 1 (zie rubriek 4.2).
Sotagliflozine mag alleen worden gegeven aan patiënten:
- met toegang tot ketonentestmaterialen en onmiddellijke toegang tot een arts als de bloed- of de
urineketonen verhoogd zijn,
- die ketonenwaarden kunnen controleren en getraind zijn wanneer ze dat moeten doen.
Tijdens een speciale counselingsessie met de patiënt op het moment van het eerste voorschrift van
sotagliflozine, laat u de Leidraad voor patiënten/verzorgers en de Patiëntenwaarschuwingskaart zien (ook
beschikbaar via de QR-code of website). De Patiëntenwaarschuwingskaart is ook beschikbaar in de
productverpakking.
5
G
en
ee
sm
id
de
ln
ie
tl
an
ge
rg
er
eg
is
tre
er
d
De patiënten dienen geïnformeerd te worden over:
- hoe de risicofactoren te herkennen die hen vatbaar maken voor ketose en DKA (inclusief, maar niet
beperkt tot, een recente of herhaalde voorgeschiedenis van DKA, gemiste of afgenomen
insulinedoses, verlaging van de calorie-inname of ernstige uitdroging, zware inspanning, acute
bijkomende ziekte, chirurgie, alcoholmisbruik en bij patiënten die een insulinepomp gebruiken:
insuline-infusie onderbreking),
- hoe de signalen en symptomen van DKA te herkennen, waarbij benadrukt moet worden dat DKA ook
kan optreden bij bloedglucosewaarden onder de 14 mmol/l (250 mg/dl),
- wanneer te stoppen met de sotagliflozinebehandeling (zie rubriek 4.2),
- welke acties te nemen als ketose/DKA wordt vermoed.
Het wordt aanbevolen dat patiënten als baseline meerdere ketonenwaarden van bloed of urine gaan meten
gedurende een tot twee weken voorafgaand aan de initiatie van een behandeling met sotagliflozine.
Bovendien moeten patiënten leren welk gedrag/welke omstandigheden in verband staan met verhoogde
ketonenwaarden en hoe ze hiermee om kunnen gaan.
Beheersen van het risico op DKA
Het risico op diabetische ketoacidose moet in overweging worden genomen in het geval van niet-specifieke
symptomen zoals nausea, braken, anorexie, abdominale pijn, overmatige dorst, moeite met ademen,
verwarring, ongewone vermoeidheid of slaperigheid. Het is mogelijk dat bijwerkingen van sotagliflozine
vergelijkbaar zijn met de symptomen van DKA. Patiënten dienen onmiddellijk onderzocht te worden op
ketoacidose als deze symptomen voorkomen, door het meten van urine- of bloedketonen, ongeacht de
bloedglucosewaarden. DKA-episodes tijdens sotagliflozinebehandeling kunnen atypisch zijn, met
bloedglucosewaarden die niet zo hoog zijn als verwacht. Deze atypische DKA-presentatie (d.w.z. normale of
licht verhoogde bloedglucosewaarden) kan de diagnose en behandeling vertragen.
Tijdens de behandeling met sotagliflozine
-
De patiënt dient op de optimale insulinedosering te blijven.
-
Indien nodig om hypoglykemie te voorkomen moet de insulinedosis voorzichtig worden verlaagd om
ketose en DKA te voorkomen (zie rubriek 4.2).
-
Overweeg het stopzetten van sotagliflozine als men met deze behandeling niet tot adequate insuline-
instelling komt.
De behandeling met sotagliflozine moet worden stopgezet bij patiënten die in het ziekenhuis worden
opgenomen voor grote chirurgische ingrepen of acute ernstige medische aandoeningen.
Ketonenmonitoring tijdens behandeling
Na initiatie van sotagliflozine dient men de ketonenwaarden regelmatig te controleren tijdens de eerste een
tot twee weken, daarna dient de frequentie van de ketonenwaardenbepaling op individuele basis te gebeuren,
gebaseerd op de levensstijl en/of risicofactoren van de patiënt. Voor alle patiënten wordt aanbevolen dat men
de ketonen controleert bij een verandering in de normale routine, waaronder verminderde
koolhydrateninname, tussentijdse ziekte, verminderde totale dagdosis aan insuline, fysieke activiteit en
stress. Ketonen moeten herhaaldelijk worden gemeten als er symptomen zijn die overeenkomen met DKA of
euglykemische DKA. Het meten van de ketonenwaarden in het bloed heeft de voorkeur boven urine.
Patiënten moeten geïnformeerd worden over welke acties moeten worden ondernomen als de
ketonenwaarden verhoogd zijn. De aanbevolen acties staan vermeld in tabel 1 (zie rubriek 4.2).
Het beheersen van DKA
Bij patiënten bij wie DKA wordt vermoed of gediagnosticeerd, moet de behandeling met sotagliflozine
onmiddellijk worden gestaakt.
Met sotagliflozine kan DKA aanwezig zijn met lage, normale of hoge bloedglucosewaarden. DKA dient te
worden behandeld volgens de standaardzorg. Aanvullende koolhydraten kunnen nodig zijn afhankelijk van
de glucosewaarden, alsook hydratie en additionele snelwerkende insuline (zie tabel 1 in rubriek 4.2).
G
en
ee
sm
id
de
ln
ie
tl
an
6
ge
rg
er
eg
is
tre
er
d
Het wordt niet aanbevolen opnieuw met sotagliflozine te starten, tenzij de oorzaak van de ketoacidose wordt
vastgesteld en opgelost (bijv. falen van de pomp, een acute bijkomende kwaal, overmatige vermindering van
insuline).
Verminderde nierfunctie
Abnormale nierfunctie (verhoogde serumcreatinine en verlaagde eGFR) kunnen optreden na initiatie van
sotagliflozine (zie rubriek 4.8). Patiënten met hypovolemie lopen mogelijk meer kans op deze veranderingen.
Sotagliflozine dient niet te worden geïnitieerd bij patiënten met een eGFR van < 60 ml/min en dient te
worden stopgezet wanneer de eGFR aanhoudend lager is dan 45 ml/min (zie rubriek 4.2 en 4.8).
Sotagliflozine mag niet worden gebruikt bij patiënten met ernstige nierinsufficiëntie, terminale nierziekte
(ESRD) of bij dialysepatiënten, aangezien het middel bij deze patiënten niet is onderzocht (zie rubriek 4.2).
Het controleren van de nierfunctie wordt als volgt aanbevolen:
-
voorafgaand aan de initiatie van sotagliflozine en periodiek erna, ten minste eenmaal per jaar (zie
rubriek 4.2),
-
voorafgaand aan de start van gelijktijdig gebruikte geneesmiddelen die de nierfunctie kunnen
verminderen en daarna periodiek,
-
frequentere controle van de nierfunctie, minstens 2 tot 4 keer per jaar, bij patiënten met een eGFR
onder 60 ml/min/1,73 m
2 .
Verminderde leverfunctie
Er is beperkte ervaring met klinisch onderzoek bij patiënten met matige en ernstige verminderde
leverfunctie. Sotagliflozine wordt niet aanbevolen bij patiënten met matige en ernstige verminderde
leverfunctie, omdat blootstelling aan sotagliflozine is toegenomen bij die patiënten (zie rubriek 4.2 en 5.2).
Hypotensie/volumedepletie
Gebaseerd op het werkingsmechanisme van natrium-glucose-cotransporter-2- (SGLT2-) remmers, induceert
sotagliflozine een osmotische diurese, door de glucose-excretie via de urine (UGE) te verhogen, hetgeen het
intravasculair volume kan verminderen en de bloeddruk kan verlagen (zie rubriek 4.8 en 5.1). Sotagliflozine
kan intravasculaire volumecontractie veroorzaken (zie rubriek 4.8). Na initiatie van sotagliflozine kan
symptomatische hypotensie optreden, met name bij patiënten met verminderde nierfunctie, ouderen,
patiënten met lage systolische bloeddruk en patiënten die diuretica gebruiken. Voordat sotagliflozine wordt
opgestart, dient de volumecontractie te worden beoordeeld en moet zo nodig de volumestatus worden
gecorrigeerd. Patiënten moeten worden gecontroleerd op tekenen en symptomen van hypotensie na initiatie
van de behandeling.
In geval van omstandigheden die kunnen leiden tot vloeistofverlies (bijv. gastro-intestinale aandoeningen), is
het aanbevolen om zorgvuldig de volumestatus (bijv. via lichamelijk onderzoek, bloeddrukmeting,
laboratoriumtests waaronder hematocriet) en elektrolyten te controleren bij patiënten die sotagliflozine
gebruiken. Een tijdelijke stopzetting van de behandeling met sotagliflozine kan worden overwogen tot het
vloeistofverlies is gecorrigeerd.
Genitale mycotische infecties
Overeenkomstig het mechanisme van SGLT2-remmers met verhoogde UGE, verhoogt sotagliflozine het
risico op genitale mycotische infecties, zoals is gemeld in klinische onderzoeken (zie rubriek 4.8).
Patiënten met een voorgeschiedenis van chronische of herhaalde genitale mycotische infecties lopen meer
kans op het ontwikkelen ervan. Patiënten moeten op passende wijze worden gecontroleerd en behandeld.
Urineweginfecties
Tijdelijke stopzetting van sotagliflozine dient te worden overwogen tijdens het behandelen van pyelonefritis
en urosepsis.
Ouderen
7
G
en
ee
sm
id
de
ln
ie
tl
an
ge
rg
er
eg
is
tre
er
d
Ouderen kunnen een verhoogd risico hebben op volumedepletie (zie rubriek 4.2).
Amputatie van de onderste ledematen
Er is een toename waargenomen van amputaties van de onderste ledematen (voornamelijk van de teen) in
lopende klinische langetermijnonderzoeken met andere SGLT2-remmers. Het is niet bekend of dit een
klasse-effect is. Zoals bij alle patiënten met diabetes is het belangrijk patiënten te wijzen op routinematige
preventieve voetverzorging.
Necrotiserende fasciitis van het perineum (Fournier-gangreen)
Na het in de handel brengen van andere SGLT2-remmers werden gevallen gemeld van necrotiserende
fasciitis van het perineum (ook bekend als Fournier-gangreen), bij vrouwelijke en mannelijke gebruikers. Dit
is een zeldzame, maar ernstige en mogelijk levensbedreigende gebeurtenis die dringende chirurgische
ingreep en behandeling met antibiotica vereist.
Patiënten moeten worden geadviseerd om medische hulp in te roepen als ze een combinatie van symptomen
ervaren van pijn, gevoeligheid, erytheem of zwelling in het genitale of perineale gebied, met koorts of
malaise. Wees u ervan bewust dat ofwel urogenitale infectie of perineaal abces kunnen voorafgaan aan
necrotiserende fasciitis. Als Fournier-gangreen wordt vermoed, moet sotagliflozine worden stopgezet en
moet directe behandeling (inclusief antibiotica en chirurgisch debridement) worden ingesteld.
Laboratoriumanalysesvan urine
Gezien het werkingsmechanisme zullen patiënten die sotagliflozine gebruiken positief testen op glucose in
de urine.
4.5
Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Effecten van sotagliflozine op andere geneesmiddelen
Er is een toename in AUC
0-inf
en C
max
van digoxine (respectievelijk 27% en 52%) bij gelijktijdige toediening
met sotagliflozine 400 mg, als gevolg van remming van P-glycoproteïne door sotagliflozine. Patiënten die
sotagliflozine gelijktijdig met digoxine gebruiken, dienen op toepasselijke wijze te worden gecontroleerd.
Een ongeveer 1,2- en 1,4-voudige toename van de totale blootstelling en C
max
van rosuvastatine werd
waargenomen bij gelijktijdige toediening met sotagliflozine en wordt niet klinisch relevant geacht. Echter,
het mechanisme achter de beperkte toename in blootstelling wordt niet geheel duidelijk, aangezien
sotagliflozine en M19 (sotagliflozine-3-O-glucuronide) worden gekenmerkt als BCRP-remmers
in vitro
en
M19 ook als een OATP1B3- en OAT3-remmer. Rosuvastatine is een bekend OATP-, BCRP- en OAT3-
8
G
Interactieonderzoeken bij gezonde vrijwilligers toonden aan dat metformine, metoprolol, midazolam,
rosuvastatine en orale anticonceptiva geen klinisch relevant effect hadden op de farmacokinetiek van
sotagliflozine.
en
ee
Effecten van andere geneesmiddelen op sotagliflozine
Gelijktijdige toediening van meerdere doses rifampicine, een inductor van diverse uridinedifosfaat-
glucuronosyltransferase- (UGT-) en cytochroom P450- (CYP-) metaboliserende enzymen, met een enkele
dosis van 400 mg sotagliflozine, resulteerde in een afname in de AUC
0-inf
(60%) en C
max
(40%) van
sotagliflozine. Deze verminderde blootstelling aan sotagliflozine kan de werkzaamheid doen afnemen. Als
een enzyminductor (bijv. rifampicine, fenytoïne, fenobarbital, ritonavir) gelijktijdig moet worden toegediend
met sotagliflozine, overweeg dan frequente controle van de glucosewaarde.
sm
id
de
ln
ie
Interferentie met 1,5-anhydroglucitol- (1,5-AG-) test
Het opvolgen van de glykemische controle via een 1,5-AG-test wordt niet aanbevolen, aangezien metingen
van 1,5-AG niet betrouwbaar zijn voor gebruik bij de glykemische controle van patiënten die
geneesmiddelen gebruiken die SGLT2 inhiberen. Alternatieve methoden zouden gebruikt moeten worden
voor de glykemische controle.
tl
an
ge
Geneesmiddel-laboratoriumtestinterferentie
rg
er
eg
is
tre
er
d
substraat. Het kan niet worden uitgesloten dat sotagliflozine een wisselwerking heeft met andere gevoelige
OAT3-, OATP- en/of BCRP-substraten (bijv. fexofenadine, paclitaxel, bosentan, methotrexaat, furosemide,
benzylpenicilline) waardoor de blootstelling mogelijk groter is dan bij rosuvastatine. Men dient te
beoordelen of er extra veiligheidsmonitoring nodig is bij het gebruik van deze substraten.
Gebaseerd op in-vitrogegevens kan een inductie van CYP2C9, CYP2B6 en CYP1A2 niet worden
uitgesloten. Substraten van deze enzymen dienen te worden gecontroleerd op afname van werkzaamheid.
Interactieonderzoeken uitgevoerd bij gezonde vrijwilligers toonden aan dat sotagliflozine geen klinisch
relevant effect had op de farmacokinetiek van metformine, metoprolol, midazolam en orale anticonceptiva.
Insuline
Insuline kan het risico op hypoglykemie doen toenemen. Mogelijk is een lagere dosis insuline nodig om het
risico op hypoglykemie te minimaliseren wanneer het wordt gebruikt in combinatie met sotagliflozine (zie
rubriek 4.2).
4.6
Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
4.7
Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Zynquista heeft geen of een verwaarloosbare invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om machines
te bedienen.
Patiënten dienen echter op de hoogte te zijn van het risico op hypoglykemie als sotagliflozine wordt gebruikt
in combinatie met insuline.
4.8
Samenvatting van het veiligheidsprofiel
De vaakst gemelde bijwerkingen waren genitale mycotische infecties, diabetische ketoacidose en diarree.
Tabel met lijst van bijwerkingen
De volgende bijwerkingen zijn geïdentificeerd in de pool van twee 52 weken durende placebogecontroleerde
klinische onderzoeken die hierboven staan beschreven. De hieronder opgesomde bijwerkingen zijn
gerangschikt volgens frequentie en systeem/orgaanklasse (SOC). Frequenties zijn gedefinieerd als volgt: zeer
9
G
en
Bijwerkingen
ee
sm
Vruchtbaarheid
Er is voor sotagliflozine geen onderzoek uitgevoerd naar vruchtbaarheid bij de mens. De resultaten van
dieronderzoek duiden niet op directe of indirecte schadelijke effecten wat betreft vruchtbaarheid (zie rubriek
5.3).
id
de
Borstvoeding
Er zijn bij de mens geen gegevens beschikbaar over het uitscheiden van sotagliflozine in moedermelk.
Uit beschikbare toxicologische gegevens bij dieren blijkt dat sotagliflozine in melk wordt uitgescheiden (zie
rubriek 5.3 voor bijzonderheden).
Risico voor pasgeborenen/zuigelingen kan niet worden uitgesloten.
Zynquista mag niet worden gebruikt in de periode dat borstvoeding wordt gegeven.
ln
ie
tl
an
Zwangerschap
Er zijn geen gegevens over het gebruik van sotagliflozine bij zwangere vrouwen.
Dieronderzoek heeft aangetoond dat sotagliflozine de placenta passeert.
De resultaten van dieronderzoek duiden niet op directe of indirecte schadelijke effecten wat betreft
reproductietoxiciteit (zie rubriek 5.3). Farmacologisch gerelateerde, omkeerbare veranderingen in de nieren
werden waargenomen in een postnataal onderzoek bij ratten, overeenkomstig het tweede en derde trimester
van menselijke zwangerschap (zie rubriek 5.3). Zynquista wordt daarom niet aanbevolen tijdens het tweede
en derde trimester van de zwangerschap.
De behandeling met sotagliflozine dient uit voorzorg te worden stopgezet bij vaststelling van een
zwangerschap.
ge
rg
er
eg
is
tre
er
d
vaak
(≥
1/10); vaak
(≥
1/100, < 1/10); soms
(≥
1/1.000, < 1/100); zelden
(≥
1/10.000, < 1/1.000); zeer zelden
(< 1/10.000); niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald).
Tabel 2: Tabel met lijst van bijwerkingen
Systeem/orgaanklasse
Zeer vaak
Infecties en parasitaire
Genitale
aandoeningen
mycotische
infecties bij
vrouwen
*, a, †
Voedings- en
stofwisselingsstoornissen
Bloedvataandoeningen
Maagdarmstelselaandoeningen
Nier- en
urinewegaandoeningen
Frequentie van optreden
Vaak
Soms
Genitale mycotische
infecties bij mannen
*, b, †
urineweginfecties
*, †
Diabetische ketoacidose
*, †
Volumedepletie
*, c, †
Diarree, flatulentie
Toegenomen mictie
d,
bloedcreatinine
verhoogd/glomerulaire
filtratie verlaagd
Bloedketonlichamen
verhoogd, serumlipiden
verhoogd
e
, hematocriet
verhoogd
f
Beschrijving van geselecteerde bijwerkingen
Diabetische ketoacidose
In placebogecontroleerde klinische onderzoeken met sotagliflozine werd patiënten geadviseerd de urine- of
bloedketonen te controleren ingeval van vermoede symptomen van DKA, en medische hulp te zoeken als
hun zelfgemeten bloedketonenwaarde > 0,6 mmol/l was. In de gepoolde gegevens van 52 weken was de
incidentie van DKA op dosisafhankelijke wijze verhoogd voor sotagliflozine (respectievelijk 2,9% en 3,8%
voor sotagliflozine 200 mg en 400 mg) in vergelijking met placebo (0,2%). De voor blootstelling aangepaste
incidentieverhouding was 3,12, 4,19 en 0,21 proefpersonen per 100 patiëntjaren voor sotagliflozine 200 mg,
sotagliflozine 400 mg en placebo. Vijftien van de 35 gevallen (43%) kreeg te maken met DKA met
glucosewaarden in het glykemisch bereik van 8 tot 14 mmol/l. In een uitgebreidere pool met alle patiënten
met diabetes mellitus type 1 in de fase 2- en 3-onderzoeken, was de voor blootstelling aangepaste
incidentieverhouding 3,07, 5,29 en 0,76 proefpersonen per 100 patiëntjaren voor sotagliflozine 200 mg,
sotagliflozine 400 mg en placebo (zie rubriek 4.4).
10
G
en
ee
sm
id
de
ln
ie
tl
an
ge
*
Zie rubriek 4.4.
Zie de subrubrieken voor aanvullende informatie.
a
Groepering van bijwerkingen is inclusief maar niet beperkt tot vulvovaginale mycotische infectie,
vaginale infectie, vulvitis, vulvovaginale candidiasis, genitale ontsteking, genitale candidiasis, genitale
mycotische infectie, vulvovaginitis, urogenitale infectiedoor schimmels.
b
Groepering van bijwerkingen is inclusief maar niet beperkt tot balanopostitis, genitale mycotische
infectie, balanitis candida, epididymitis.
c
Groepering van bijwerkingen is inclusief dehydratie, hypovolemie, posturale duizeligheid,
orthostatische hypotensie, hypotensie, syncope en presyncope wanneer gemeld in verband met
volumedepletie.
d
Groepering van bijwerkingen is inclusief urine outputverhoogd, polydipsie, dringende urinelozing,
nachtelijke mictie, pollakisurie en polyurie.
e
Gemiddelde percentages voor de veranderingen vanaf baseline voor sotagliflozine 200 mg en 400 mg
versus placebo waren respectievelijk HDL-C 3,3% en 4,2% versus 0,5%; LDL-C 5,0% en 6,1% versus
3,3%; triglyceriden 5,7% en 5,4% versus 2,7%.
f
Het aandeel proefpersonen dat voldeed aan het criterium hematocriet > 50% was hoger in de groepen
met sotagliflozine 200 mg en 400 mg (6,7% en 8,2%) in vergelijking met de placebogroep (2,7%).
rg
er
Onderzoeken
eg
is
tre
er
d
Volumedepletie
Sotagliflozine veroorzaakt osmotische diurese, wat kan leiden tot intravasculaire volumecontractie en
bijwerkingen die in verband staan met volumedepletie. Bijwerkingen die in verband staan met
volumedepletie (bijv. hypovolemie, verlaagde bloeddruk, verlaagde systolische bloeddruk, dehydratie,
hypotensie, orthostatische hypotensie en syncope) werden gemeld door respectievelijk 2,7%, 1,1% en 1,0%
van de patiënten die werden behandeld met sotagliflozine 200 mg, sotagliflozine 400 mg en placebo.
Sotagliflozine kan het risico op hypotensie verhogen voor patiënten met risico op volumecontractie (zie
rubriek 4.4).
Genitale mycotische infecties
De incidentie van genitale infecties bij vrouwen (bijv. vulvovaginale mycotische infectie, vaginale infectie,
vulvovaginale candidiasis en vulvitis) was verhoogd in de sotagliflozine 200 mg en 400 mg groepen
(respectievelijk 15% en 17%) in vergelijking met placebo (4,7%). De meeste voorvallen waren licht of matig
van aard en er is geen ernstig geval gemeld. Stopzetting als gevolg van genitale mycotische infecties trad op
bij respectievelijk 1,2%, 1,1% en 0,8% van de patiënten die werden behandeld met sotagliflozine 200 mg,
sotagliflozine 400 mg en placebo.
De incidentie van genitale infecties bij mannen (bijv. balanopostitis, genitale mycotische infectie) was
verhoogd voor sotagliflozine 200 mg (3,0%), sotagliflozine 400 mg (6,3%) in vergelijking met placebo
(1,1%). Alle voorvallen waren licht of matig van aard en er waren geen ernstige gevallen. Stopzetting als
gevolg van genitale mycotische infecties trad op bij respectievelijk 0%, 0,4% en 0,4% van de patiënten die
werden behandeld met sotagliflozine 200 mg, sotagliflozine 400 mg en placebo.
Urineweginfecties
De totale frequentie van gemelde urineweginfecties was 7,1% en 5,5% voor sotagliflozine 200 mg en
sotagliflozine 400 mg in vergelijking met 6,1% voor placebo. De incidentie van urineweginfecties bij
vrouwelijke proefpersonen was 12%, 7% en 11%, en de incidentie van urineweginfecties bij mannelijke
proefpersonen was 2,3%, 4,0% en 1,8% voor respectievelijk sotagliflozine 200 mg, sotagliflozine 400 mg en
placebo. Alle gevallen van urineweginfectie waren licht of matig van aard, behalve één ernstig geval
(mannelijke proefpersoon in de sotagliflozine 400 mg groep). Twee voorvallen (twee gevallen van cystitis)
waren ernstig; beide traden op bij mannelijke proefpersonen in de groep met sotagliflozine 400 mg.
Bloedcreatinine verhoogd/glomerulaire filtratie verlaagd en renaal gerelateerde voorvallen
Sotagliflozine werd geassocieerd met afnames van de gemiddelde eGFR bij week 4 (-4,0% en -4,3% voor
sotagliflozine 200 mg en 400 mg) versus placebo (-1,3%), die over het algemeen omkeerbaar waren bij het
voortzetten van de behandeling. Gemiddelde toenames in serumcreatinine vanaf baseline tot week 4 waren
respectievelijk 4,0%, 4,3% en 1,4% voor sotagliflozine 200 mg, sotagliflozine 400 mg en placebo. Bij week
24 en 52 was de verandering van de creatinine vanaf baseline gelijk aan of minder dan 0,02 mg/dl voor
zowel sotagliflozine 200 mg als sotagliflozine 400 mg.
De incidentie van renaal gerelateerde voorvallen was laag en was vergelijkbaar in alle groepen (1,5%, 1,5%
en 1,3% voor sotagliflozine 200 mg, sotagliflozine 400 mg en placebo).
Tabel 3: Wijzigingen vanaf baseline in serumcreatinine en eGFR in de pool van twee 52-weekse
placebogecontroleerde studies
Placebo
Sotagliflozine
Sotagliflozine
(n = 526)
200 mg
400 mg
(n = 524)
(n = 525)
Gemiddelde
n
526
524
525
baselinewaarden
Creatinine
0,85
0,85
0,85
(mg/dl)
eGFR
90,2
89,3
89,1
2
(ml/min/1,73 m )
Gemiddelde
n
511
502
505
verandering vanaf
Creatinine
0,01
0,03
0,04
baseline bij week 4
(mg/dl)
G
en
ee
sm
id
de
ln
ie
tl
an
11
ge
rg
er
eg
is
tre
er
d
Gemiddelde
verandering vanaf
baseline bij week 24
Gemiddelde
verandering vanaf
baseline bij week 52
eGFR
(ml/min/1,73 m
2
)
n
Creatinine
(mg/dl)
eGFR
(ml/min/1,73 m
2
)
n
Creatinine
(mg/dl)
eGFR
(ml/min/1,73 m
2
-1,15
481
0,01
-1,06
374
0,01
-0,70
-3,57
479
0,02
-1,79
392
0,02
-2,14
-3,81
477
0,02
-1,66
380
0,01
-0,57
4.9
Overdosering
De eliminatie van sotagliflozine door middel van hemodialyse is niet onderzocht.
5.1
Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: diabetesgeneesmiddelen, natrium-glucose-cotransporter-2- (SGLT2-)
remmers, ATC-code: A10BK06
Sotagliflozine is een dubbele remmer van natrium-glucose-cotransporter type 1 (SGLT1) en type 2 (SGLT2).
Plaatselijke intestinale remming van SGLT1, de voornaamste transporter voor glucoseabsorptie, vertraagt en
vermindert de glucoseabsorptie in het proximale deel van de darm, wat resulteert in een afzwakking en
vertraging van postprandiale hyperglykemie. SGLT2 is de voornaamste transporter die verantwoordelijk is
voor reabsorptie van glucose uit het glomerulair filtraat terug de circulatie in. Door remming van SGLT2
vermindert sotagliflozine de renale reabsorptie van gefilterde glucose en verlaagt het de renale drempel voor
glucose, waardoor de glucose-excretie via de urine toeneemt.
Farmacodynamische effecten
Urinaire glucose-excretie
Consistent met SGLT2-remming was, in een 12 weken durend dosisbereikonderzoek, de voor placebo
gecorrigeerde verandering vanaf baseline in urineglucose-excretie (UGE) per 24 uur toegenomen met 57,7
gram (p < 0,001) en 70,5 gram (p < 0,001) bij patiënten met type 1-diabetes die respectievelijk sotagliflozine
200 mg en 400 mg gebruikten, wat overeenkomt met SGLT2-remming.
G
en
ee
sm
Werkingsmechanisme
id
de
ln
ie
5.
FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
tl
an
12
ge
In het geval van een overdosis dient toepasselijke ondersteunende behandeling te worden opgestart,
overeenkomstig de klinische status van de patiënt.
rg
Bij gezonde vrijwilligers werden meerdere doses van 800 mg eenmaal daags toegediend en deze doses
werden goed verdragen.
er
eg
is
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze
wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd.
Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via
het nationale meldsysteem zoals vermeld in
aanhangsel V.
tre
er
d
Postprandiale glucosereductie
Consistent met SGLT1-remming was, in een 12 weken durend dosisbereikonderzoek, de voor placebo
gecorrigeerde verandering vanaf baseline in de postprandiale glucose (PPG) na 2 uur, gemeten na een
gestandaardiseerde gemengde maaltijd, afgenomen met 1,52 mmol/l (p = 0,15) en 2,73 mmol/l (p = 0,006)
bij patiënten die respectievelijk 200 mg en 400 mg sotagliflozine gebruikten, wat overeenkomt met SGLT1-
remming.
Klinische werkzaamheid en veiligheid
De werkzaamheid en veiligheid van sotagliflozine bij patiënten met type 1-diabetes die onvoldoende
beheersing bereikten met hun huidige insulinetherapie, werden beoordeeld in drie dubbelblinde,
placebogecontroleerde onderzoeken. In InTandem1 (onderzoek 1) en InTandem2 (onderzoek 2) werd
sotagliflozine als aanvulling gebruikt op geoptimaliseerde insuline, en in InTandem3 (onderzoek 3) werd
sotagliflozine als aanvulling gebruikt op elk bestaand insulineschema bij patiënten die hun HbA1c-
streefwaarden niet behaalden.
Onderzoek 1 en onderzoek 2
Met een achtergrond van geoptimaliseerde insuline werden de werkzaamheid en veiligheid van sotagliflozine
200 mg of 400 mg eenmaal per dag ten opzichte van enkel insuline beoordeeld in twee dubbelblinde,
placebogecontroleerde onderzoeken (onderzoek 1 en 2), uitgevoerd bij 1.575 patiënten met diabetes type 1
die gebruik maakten van een insulinepomp of meerdere dagelijkse injecties. Elk onderzoek duurde 52
weken, met primaire en belangrijke secundaire eindpunten na 24 weken.
Vanaf 6 weken voorafgaand aan randomisatie werd de insulinedosis aangepast (geoptimaliseerd) om de
volgende glykemische streefwaarden te bereiken: zelfgecontroleerde bloedglucose (SMBG)
vastend/preprandiaal van 4,4-7,2 mmol/l, en SMBG postprandiaal 2 uur/piek van < 10 mmol/l.
Patiënten bleven daarna op geoptimaliseerde insuline en werden gerandomiseerd om sotagliflozine 200 mg,
sotagliflozine 400 mg of enkel insuline te ontvangen. Voor de eerste maaltijd op dag 1 werden patiënten
geïnstrueerd om hun berekende (of gewoonlijke) op maaltijd (koolhydraten) afgestemde bolusinsuline te
verlagen met 30%. De insulineoptimalisatie werd voortgezet gedurende het hele onderzoek.
In onderzoek 1 werden in totaal 793 patiënten geïncludeerd. De gemiddelde leeftijd van de patiënten was 46
jaar, 8,1% was 65 jaar of ouder. De gemiddelde duur van de diabetes was 24,4 jaar, 60% van de patiënten
gebruikten een insulinepomp en 40% dienden dagelijks meerdere injecties toe. In het onderzoek was 48%
man, 92% was blank en 84% van de gerandomiseerde patiënten heeft het onderzoek afgerond. De
gemiddelde eGFR was 87 ml/min/1,73 m
2
en 5,7% van de patiënten had een eGFR tussen 45 en
60 ml/min/1,73 m
2
. De gemiddelde BMI was 30 kg/m
2
en 23% van de patiënten had een systolische
bloeddruk (SBD) van
130 mmHg. Bij screening was de HbA1c 8,21%, 8,26% en 8,20% voor
respectievelijk insuline, insuline + sotagliflozine 200 mg, en insuline + sotagliflozine 400 mg.
In onderzoek 2 werden in totaal 782 patiënten geïncludeerd. De gemiddelde leeftijd van de patiënten was 41
jaar, 4,2% was 65 jaar of ouder. De gemiddelde duur van de diabetes was 18 jaar, 26% van de patiënten
gebruikten een insulinepomp en 74% dienden dagelijks meerdere injecties toe. In het onderzoek was 52%
man, 96,2% was blank en 87% van de gerandomiseerde patiënten heeft het onderzoek afgerond. De
gemiddelde eGFR was 92 ml/min/1,73 m
2
en 3,3% van de patiënten had een eGFR tussen 45 en
60 ml/min/1,73 m
2
. De gemiddelde BMI was 28 kg/m
2
en 32% van de patiënten had een systolische
bloeddruk (SBD) van
130 mmHg. Bij screening was de HbA1c 8,42%, 8,35% en 8,38% voor
respectievelijk insuline, insuline + sotagliflozine 200 mg, en insuline + sotagliflozine 400 mg.
Bij week 24 gaf de behandeling met 200 mg of 400 mg sotagliflozine statistisch belangrijke verlagingen van
de HbA1c (p-waarde < 0,001) in vergelijking met insuline alleen. De behandeling met sotagliflozine
resulteerde ook in een afname van lichaamsgewicht en nuchter plasmaglucose (FPG) in vergelijking met
insuline alleen (zie tabel 4).
De belangrijkste resultaten voor insulinedosering en voor de vragenlijsten ’Diabetes Treatment Satisfaction
Questionnaire’ en ’Diabetes Distress Screening Scale’ worden weergegeven in tabel 4.
13
G
en
ee
sm
id
de
ln
ie
tl
an
ge
rg
er
eg
is
tre
er
d
Tabel 4: Resultaten van 24 weken onderzoek met sotagliflozine bij patiënten met diabetes mellitus type
1 met onvoldoende controle met insuline (onderzoek 1 – onderzoek 2)
G
en
ee
sm
id
de
ln
ie
tl
an
14
ge
rg
er
eg
is
tre
er
d
Insuline
n
268
HbA1c (%)
Baseline (na 6
7,54
7,61
7,56
weken insuline-
optimalisatie),
gemiddeld
Bij week 24,
7,50
7,17
7,08
gemiddeld
Verandering
-0,07
-0,43
-0,48
vanaf baseline,
LS-gemiddelde
Gemiddelde van
N.v.t.
-0,36
*
-0,41
*
insuline alleen,
LS-gemiddelde
[-0,45,
[-0,50,
[95%-BI]
-0,27]
-0,32]
HbA1c < 7,0%
61
97 (36,9)
123 (46,9)
bij week 24, n
(22,8)
(%)
Lichaamsgewicht (kg)
Baseline,
87,30
86,96
86,50
gemiddeld
Verandering
0,78
-1,57
-2,67
vanaf baseline,
LS-gemiddelde
Verschil met
N.v.t.
-2,35
*
-3,45
*
insuline alleen,
LS-
[-2,5,
[-3,95,
gemiddelde[95%
-1,85]
-2,94]
-BI]
Bolusinsulinedosis (eenheden/dag)
Baseline,
31,72
30,27
30,75
gemiddeld
% verandering
3,89
-1,80
-8,78
vanaf baseline,
LS-gemiddelde
% verschil met
N.v.t.
-5,70
-12,67
*
enkel insuline,
aangepast
[-12,82, 1,42]
[-19,79,
gemiddelde
-5,55]
[95%-BI]
Diabetes Treatment Satisfaction Questionnaire
Baseline
28,9
28,4
29,2
gemiddeld
Verschil met
N.v.t.
2,5
2,5
placebo, LS-
gemiddelde
[1,7, 3,3]
[1,8, 3,3]
[95%-BI]
Diabetes Distress Screening Scale
Baseline-score,
5,0
5,1
4,9
gemiddeld
Onderzoek 1
Insuline +
Insuline +
sotagliflozine sotagliflozine
200 mg
400 mg
263
262
Insuline
258
7,79
Onderzoek 2
Insuline +
Insuline +
sotagliflozine sotagliflozine
200 mg
400 mg
261
263
7,74
7,71
7,79
-0,02
7,36
-0,39
7,35
rg
er
39
(15,1)
81,08
0,11
eg
[-0,48,
-0,25]
87 (33,3)
tre
81,93
-1,88
-1,98
*
[-2,53,
-1,44]
31,12
-7,04
-12,95
*
28,3
2,0
5,6
N.v.t.
-0,37
*
is
N.v.t.
32,08
-5,90
N.v.t.
[-20,50,
-5,38]
28,2
N.v.t.
5,3
ge
an
tl
id
de
ln
ie
sm
ee
G
en
[1,3, 2,7]
15
er
d
-0,37
-0,35*
[-0,47,
-0,24]
89 (33,8)
82,97
-2,47
-2,58
*
[-3,12, -2,04]
31,89
-10,47
-16,37
*
[-23,90, -8,83]
28,4
1,7
[1,0, 2,4]
5,5
Insuline
CGM-subonderzoek: 2-uurs-PPG en tijd binnen bereik
Vanuit onderzoek 1 en onderzoek 2 deden 278 patiënten mee aan een geblindeerd subonderzoek van
continue glucosebewaking (CGM) (zie tabel 5).
G
en
Aan het einde van de 52 weken waren de verlaging in lichaamsgewicht, de gemiddelde dagelijkse dosis
bolusinsuline en FPG behouden in vergelijking met insuline alleen.
ee
Werkzaamheid gedurende een periode van 52 weken
Aan het einde van de 24 weken was de verlaging in HbA1c -0,36% en -0,38% en na 52 weken -0,23% en -
0,32% met sotagliflozine 200 mg en 400 mg, respectievelijk. Het aandeel patiënten met A1C < 7,0% na 24
weken was 19,0% voor placebo, 35,1% voor sotagliflozine 200 mg, 40,4% voor sotagliflozine 400 mg, en na
52 weken was het 18,3%, 28,6% en 31,6% voor placebo, sotagliflozine 200 mg en 400 mg respectievelijk.
sm
id
de
In de gecombineerde onderzoeken 1 en 2 waren de voltooiingspercentages na 24 weken respectievelijk
89,5% bij patiënten met alleen insuline en 91,4% en 90,7% bij patiënten die 200 mg en 400 mg
sotagliflozine kregen. De voltooiingspercentages na 52 weken waren respectievelijk 84,2%, 86,6% en
85,3%.
ln
ie
tl
Er kon geen verschil worden gevonden in HbA1c-verlaging in de subgroepen naar leeftijd, geslacht, ras,
geografische regio, BMI op baseline, leeftijd bij diagnose, HbA1c op baseline, eGFR, duur van de ziekte en
toedieningswijze van insuline.
an
16
ge
*p < 0,001
p = 0,12
p = 0,034
rg
er
n: alle gerandomiseerde en behandelde patiënten
LS (least squares): kleinste-kwadratenmethode
LS-gemiddelden na baseline, verschillen in LS-gemiddelden, 95%-BI’s en p-waarden voor elk individueel onderzoek werden
verkregen het invullen van ontbrekende gegevens
eg
is
Verschil met
N.v.t.
placebo, LS-
gemiddelde
[-0,9, -0,4]
[95%-BI]
Basale insulinedosis (eenheden/dag)
Baseline,
35,06
34,84
gemiddeld
% verandering
3,77
-1,73
vanaf baseline,
LS-gemiddelde
% verschil met
N.v.t.
-5,51
*
insuline alleen,
LS-gemiddelde
[-8,71,
[95%-BI]
-2,30]
Onderzoek 1
Insuline +
Insuline +
sotagliflozine sotagliflozine
200 mg
400 mg
-0,7
*
-0,8
*
[-1,0, -0,5]
Insuline
N.v.t.
Onderzoek 2
Insuline +
Insuline +
sotagliflozine sotagliflozine
200 mg
400 mg
-0,3
*
-0,4
*
[-0,6, -0,0]
[-0,7, -0,2]
33,39
-5,35
-9,12
*
[-12,32,
-5,91]
29,76
1,66
29,18
-4,16
29,50
-3,01
N.v.t.
-5,82
[-10,04,
-1,59]
tre
er
d
-4,67
[-8,88,
-0,47]
De behandeling met sotagliflozine had ook in een afname van lichaamsgewicht en bolusinsulinedosis tot
gevolg in vergelijking met insuline alleen (zie tabel 6). De behandeling met sotagliflozine resulteerde ook
een afname van lichaamsgewicht en systolische bloeddruk (bij patiënten met SBD op baseline
≥ 130 mmHg)
in vergelijking met insuline alleen (zie tabel 6). De gemiddelde resultaten van insulinebehandeling worden
weergegeven in tabel 6.
G
en
ee
Na 24 weken waren de resultaten van de behandeling met sotagliflozine 400 mg vóór de eerste maaltijd van
de dag: een statistisch significant hoger aantal patiënten die het primair eindpunt van nettovoordeel bereikten
(aandeel patiënten met HbA1c < 7,0% in week 24 en geen episode van ernstige hypoglykemie, en geen
episode van DKA vanaf randomisatie tot week 24) in vergelijking met insuline alleen (28,6% t.o.v. 15,2%)
(p-waarde < 0,001) en een statistisch significante daling in de gemiddelde HbA1c (p-waarde < 0,001).
sm
id
de
De gemiddelde leeftijd van de patiënten was 43 jaar, 7,2% was 65 jaar of ouder. De gemiddelde duur van de
diabetes was 20 jaar, 39% van de patiënten gebruikte een insulinepomp en 61% had een insulinebehandeling
zonder pomp.
In het onderzoek was 50% man, 88 % was blank en 87% van de gerandomiseerde patiënten heeft het
onderzoek afgerond.
De gemiddelde eGFR was 92 ml/min/1,73 m
2
en 5% van de patiënten had een eGFR tussen 45 en
60 ml/min/1,73 m
2
. De gemiddelde BMI was 28 kg/m
2
en 29% van de patiënten had een systolische
bloeddruk (SBD) van
130 mmHg.
ln
ie
tl
an
17
ge
Voor de eerste maaltijd op dag 1 werden patiënten geïnstrueerd om hun berekende (of gewoonlijke) op
maaltijd (koolhydraten) afgestemde bolusinsuline te verlagen met 30%.
rg
Onderzoek 3
InTandem 3 (onderzoek 3) was een 24 weken durend onderzoek, uitgevoerd tegen een achtergrond van een
bestaand insulineschema bij patiënten met diabetes type 1, die bij screening een HbA1c van
7,0% tot
11,0% hadden, voor het beoordelen van de werkzaamheid en veiligheid van sotagliflozine 400 mg eenmaal
per dag in vergelijking met insuline alleen.
er
eg
is
tre
Tabel 5: Resultaten van het CGM-subonderzoek bij week 24 (gepoolde gegevens, onderzoek 1 en
onderzoek 2)
Insuline Insuline +
Insuline +
Kenmerk
sotagliflozine sotagliflozine
200 mg
400 mg
n
93
89
96
Percentage tijd binnen bereik 3,9-10,0 mmol/l
Baseline (na 6 weken insulineoptimalisatie), LS-gemiddelde
52,30
52,19
50,66
Verandering vanaf baseline, LS-gemiddelde
-1,26
4,09
10,45
Verschil met insuline alleen, LS-gemiddelde % (p-waarde)
N.v.t.
5,35 (0,026)*
11,71 (< 0,001)
2-uurs-postprandiale glucose na een gestandaardiseerde
gemengde maaltijd, mmol/l
Baseline (na 6 weken insulineoptimalisatie), gemiddeld
12,76
11,75
11,64
Verandering vanaf baseline, LS-gemiddelde
-0,44
-2,37
-2,71
Verschil met insuline alleen, LS-gemiddelde (p-waarde)
N.v.t.
-1,93 (0,004)
-2,27 (< 0,001)
* 5,35% meer tijd binnen bereik, komt overeen met 1,3 uur
11,71% meer tijd binnen bereik, komt overeen met 2,8 uur
er
d
G
en
p < 0,001
p = 0,002
ee
* De systolische bloeddruk werd beoordeeld in week 16
LS-gemiddelde: kleinste-kwadratengemiddelde
sm
Tabel 6: Werkzaamheidsresultaten van een 24 weken durend placebogecontroleerd onderzoek met
sotagliflozine als aanvulling op een insulinebehandeling bij patiënten die niet voldoen aan hun HbA1c-
streefwaarden (onderzoek 3):
Insuline
Insuline +
Kenmerk
sotagliflozine
400 mg
n
703
699
HbA1c (%)
Baseline, LS-gemiddelde
8,21
8,26
Verandering vanaf baseline, gemiddeld
-0,33
-0,79
Verschil van insuline alleen, LS-
N.v.t.
-0,46
gemiddelde [95%-BI]
[-0,54, -0,38]
HbA1c < 7,0% bij week 24, n (%)
111 (15,8)
207 (29,6)
Lichaamsgewicht (kg)
Baseline, gemiddeld
81,55
82,40
Verandering vanaf baseline, LS-
0,77
-2,21
gemiddelde
Verschil met insuline alleen, LS-
N.v.t.
-2,98
gemiddelde [95%-BI]
[-3,31, -2,66]
Bolusinsuline
Baseline, gemiddeld in eenheden
28,72
27,34
% verandering vanaf baseline, LS-
6,62
-5,71
gemiddelde
% verschil met enkel insuline, LS-
N.v.t.
-12,32
gemiddelde
Basale insuline
Baseline, gemiddeld in eenheden/dag
29,63
29,54
% verandering vanaf baseline, LS-
6,76
-3,11
gemiddelde
% verschil met insuline alleen, LS-
N.v.t.
-9,88
gemiddelde
Systolische bloeddruk bij mensen met baseline-SBD
130 mmHg*
n
203
203
Baseline, gemiddelde in mmHg
139,9
140,5
Verandering vanaf baseline, LS-
-5,7
-9,2
gemiddelde
Verschil met insuline alleen, aangepast
N.v.t.
-3,5
gemiddelde [95%-BI]
[-5,7, -1,3]
id
de
ln
ie
tl
an
18
ge
rg
er
eg
is
tre
er
d
Hypoglykemie
In de 52 weken durende onderzoeken was de incidentie van ernstige hypoglykemie en aantallen
gedocumenteerde hypoglykemie (totaal en tijdens de nacht) lager met sotagliflozine in vergelijking met
insuline alleen, zoals weergegeven in tabel 7.
b
In onderzoek 3 waren de incidenties van ernstige hypoglykemie na 24 weken 2,4% en 3,0% bij
respectievelijk placebo en sotagliflozine 400 mg en de vermindering in het percentage hypoglykemische
voorvallen na 24 weken (bloedglucose
3,1 mmol/l) voor sotagliflozine 400 mg was 22% (p < 0,001)
vergeleken met alleen insuline.
Patiënten met een verminderde nierfunctie
In de 3 gerandomiseerde klinische fase 3-onderzoeken bij patiënten met type 1-diabetes werden patiënten
met een eGFR < 45 ml/min/1,73 m
2
uitgesloten; 79 patiënten die werden blootgesteld aan sotagliflozine
hadden een eGFR < 60 ml/min/1,73 m
2
en 841 patiënten hadden een eGFR
60 tot
90 ml/min/1,73 m
2.
Een HbA1c-afname waargenomen bij patiënten met eGFR
60 tot < 90 ml/min/1,73 m
2
was vergelijkbaar
met een HbA1c-afname waargenomen bij patiënten met een eGFR
90 ml/min/1,73 m
2
. Bij patiënten met
19
G
en
a
p = 0.28
p = 0.04
c
p < 0,01
ee
*Gedefinieerd als een voorval dat consistent is met hypoglykemie, waarbij de patiënt de hulp van
een andere persoon nodig had om te herstellen, waarbij verlies van bewustzijn optrad of men een
insult heeft ervaren (ongeacht of er biochemische documentatie van een lage glucosewaarde was).
Alle voorgelegde ernstige gevallen van hypoglykemie zijn positief beoordeeld.
Gedefinieerd als een gedocumenteerde SMBG- of laboratoriumbloedglucosewaarde onder of
gelijk aan de drempel van 3,1 of 3,9 mmol/l.
Gedefinieerd als een voorval dat optrad tussen 00:00 en 05:59 uur.
sm
id
de
ln
Tabel 7: Incidentie van ernstige hypoglykemie en aantallen gedocumenteerde (totaal en tijdens de
nacht) hypoglykemische voorvallen in de pool van twee 52 weken durende, placebogecontroleerde
klinische onderzoeken
Insuline
Insuline +
Insuline +
(n = 526)
sotagliflozine
sotagliflozine
200 mg
400 mg
(n = 524)
(n = 525)
Incidentie van ernstige
7,4
5,7
4,4
hypoglykemie (%)*
Verlaging van het risico van
-
24
a
41
b
ernstige hypoglykemie in
vergelijking met insuline alleen
(%)
Aantal gedocumenteerde
3,1 mmol/l: 19,0
3,1 mmol/l: 14,9
3,1 mmol/l: 15,0
hypoglykemievoorvallen
(per
3,9 mmol/l: 95,6
3,9 mmol/l: 81,3
3,9 mmol/l: 83,7
patiëntjaar) bij drempels van
3,1 of
3,9 mmol/l
Verlaging van het risico van
-
21
c
18
c
gedocumenteerde
hypoglykemie in vergelijking
met insuline alleen bij drempels
van
3,1 mmol/l (%)
Aantal gedocumenteerde
3,1 mmol/l: 2,7
3,1 mmol/l: 2,3
3,1 mmol/l: 2,3
nachtelijke
3,9 mmol/l: 12,2
3,9 mmol/l: 11,0
3,9 mmol/l: 11,1
hypoglykemievoorvallen (per
patiëntjaar) bij drempels van
3,1 of
3,9 mmol/l
ie
tl
an
ge
rg
er
eg
is
tre
er
d
een eGFR < 60 ml/min/1,73 m² werd een numerieke HbA1c-reductie waargenomen. Er werden geen globale
verschillen in veiligheid vastgesteld bij de behandeling met sotagliflozine in vergelijking met insuline alleen
bij patiënten met een eGFR tussen 45 en 60 ml/min/1,73 m
2
.
Nuchter plasmaglucose
In een vooraf gespecificeerde gepoolde analyse van onderzoek 1 en onderzoek 2 resulteerde de behandeling
met sotagliflozine als aanvulling op insuline in veranderingen in LS-gemiddelden vanaf baseline in FPG van
-0,56 mmol/l voor sotagliflozine 200 mg en -0,87 mmol/l voor sotagliflozine 400 mg, vergeleken met
insuline alleen (0,32 mmol/l) bij week 24.
In onderzoek 3 was er bij week 24 een significante verlaging in FPG van 0,79 mmol/l (p < 0,001) met
sotagliflozine 400 mg, vergeleken met insuline alleen.
Bloeddruk
In een vooraf gespecificeerde gepoolde analyse van onderzoek 1 en onderzoek 2 resulteerde de behandeling
met sotagliflozine als aanvulling op insuline in een verlaging van de systolische bloeddruk (SBD) (-
0,6 mmHg voor placebo, -2,6 mmHg voor sotagliflozine 200 mg en -4,1 mmHg voor sotagliflozine 400 mg)
bij week 12. Een gepoolde analyse van verandering in de systolische bloeddruk bij patiënten met een
systolische bloeddruk op baseline van
130 mmHg, vertoonde een grotere afname in systolische bloeddruk
bij week 12 (-5,4 mmHg voor placebo, -9,0 mmHg voor sotagliflozine 200 mg en -10,7 mmHg voor
sotagliflozine 400 mg).
Pediatrische patiënten
Het Europees Geneesmiddelenbureau heeft besloten tot uitstel van de verplichting voor de fabrikant om de
resultaten in te dienen van onderzoek met Zynquista in een of meerdere subgroepen van pediatrische
patiënten met diabetes mellitus type 1 (zie rubriek 4.2 voor informatie over pediatrisch gebruik).
Distributie
Zowel sotagliflozine als de belangrijkste humane metaboliet 3-O-glucuronide (M19), vertoonden
in vitro
een
hoge mate van binding aan humane plasmaproteïnen (niet-gebonden fractie ongeveer 2%), die niet
afhankelijk was van de concentratie van sotagliflozine en M19. De hoge mate van eiwitbinding werd
bevestigd in klinische onderzoeken en werd niet beïnvloed door verminderde nier- of leverfunctie.
Het schijnbare distributievolume van sotagliflozine na toediening van een enkele orale dosis van 400 mg
[
14
C]-sotagliflozine bleek zeer hoog te zijn met een gemiddelde waarde van 9392 l.
G
en
De geneesmiddelfractie die werd geabsorbeerd na toediening van een eenmalige dosis [
14
C]-sotagliflozine
werd geschat op ten minste 71%, gebaseerd op het detecteerbaar dosispercentage radioactiviteit in de urine
en voor de sotagliflozinemetabolieten in de ontlasting.
Wanneer sotagliflozinetabletten werden toegediend bij een hoogcalorisch ontbijt, was de plasmablootstelling
aan sotagliflozine, zoals gemeten via C
max
en AUC
0 inf,
ongeveer respectievelijk het 2,5- en 1,5-voudige, in
vergelijking met nuchtere toestand.
ee
sm
id
de
Absorptie
De gemiddelde T
max
varieerde van 1,25 tot 3 uur, gemeten over een eenmalige-dosisbereik van 400 tot
2000 mg. Na toediening van meerdere doses (dosis van 400 en 800 mg) varieerden de mediane T
max
-waarden
van 2,5 tot 4 uur.
ln
ie
De farmacokinetische (PK-) kenmerken van sotagliflozine zijn vastgesteld bij gezonde proefpersonen en bij
diabetespatiënten. Tussen de twee populaties werden geen klinisch relevante verschillen gevonden.
tl
an
5.2
Farmacokinetische eigenschappen
20
ge
rg
er
eg
is
tre
er
d
Biotransformatie
Bij gezonde proefpersonen werd na toediening van een enkele dosis van 400 mg [
14
C]-sotagliflozine
waargenomen dat sotagliflozine uitgebreid werd gemetaboliseerd, voornamelijk tot M19, welke 94% van de
radioactiviteit in het plasma vertegenwoordigde.
De primaire metabolisatieroute van sotagliflozine bij mensen is via glucuronidering door uridine-5’-
difosfaat-glucuronosyltransferases primair via UGT1A9 en in veel mindere mate door UGT1A1 en UGT2B7
evenals via oxidatie door CYP3A4.
Na incubatie van sotagliflozine met UGT1A9 was M19 de voornaamste waargenomen conjugaat. Er werden
geen acylglucuronides van sotagliflozine gevonden.
In in-vitro-onderzoeken had sotagliflozine geen remmende werking op CYP1A2, -2C9, -2C19, -2D6, of -
3A4, en geen inducerende werking op CYP1A2, -2B6, of -3A4.
Sotagliflozine en M19 hadden geen significant vermogen voor remming van OCT1, OCT2, OAT1, OAT3,
OATP1B1 en OATP1B3.
M19 is een inductor en remmer van CYP3A4 en een remmer van CYP2D6.
In vitro
vertoonde sotagliflozine een remmend effect op P-glycoproteïne en BCRP (borstkankerresistent
eiwit). M19 toonde
in vitro
remmende effecten aan op OATP1B1/B3 en MRP2.
Eliminatie/excretie
Na toediening van een enkele dosis van 400 mg [
14
C]-sotagliflozine werd een excretie van radioactiviteit in
urine en ontlasting waargenomen van respectievelijk 57% en 37%. Deze resultaten geven aan dat de
voornaamste eliminatieroute renaal is.
In urine was M19 de voornaamste metaboliet die werd aangetroffen en vertegenwoordigde gemiddeld 33%
van de toegediende radioactieve dosis. Onveranderde [
14
C]-sotagliflozine vormde de voornaamste
radioactieve piek in fecale monsters en vertegenwoordigde gemiddeld 23% van de totaal toegediende
radioactieve dosis. Bij gezonde vrijwilligers varieerde de gemiddelde totale schijnbare klaring (CL/F) van
sotagliflozine van 261 tot 374 l/u. De geschatte CL/F bij gebruik van populatiefarmacokinetiek, welke
voornamelijk patiënten met type 1-diabetes beoordeelde, was 239 l/u. Gemiddelde terminale halfwaardetijd
(T
1/2
) varieerde van 21 tot 35 uur voor sotagliflozine en van 19 tot 26 uur voor M19.
Lineariteit/non-lineariteit
De farmacokinetiek van sotagliflozine lijkt dosisproportioneel te zijn in het therapeutisch dosisbereik van
200 mg tot 400 mg per dag.
Speciale populaties
De schijnbare klaring van sotagliflozine nam af met de afname in nierfunctie. In een PK-populatiemodel met
geïntegreerde gegevens van patiënten met verminderde nierfunctie en gezonde proefpersonen, werd geschat
dat bij proefpersonen met chronische nierziekte (CKD) stadium II (eGFR
60 en < 90 ml/min/1,73 m
2
) en
chronische nierziekte stadium IIIa (eGFR
45 en < 60 ml/min/1,73 m
2
) de blootstellingen aan sotagliflozine
1,5 maal hoger waren in vergelijking met proefpersonen met een normale nierfunctie. Voor proefpersonen
met chronische nierziekte stadium IIIb (eGFR
30 en < 45 ml/min/1,73 m
2
) en chronische nierziekte
stadium IV (eGFR
15 en < 30 ml/min/1,73 m
2
) waren de blootstellingen aan sotagliflozine 1,95 en 2,25
maal hoger in vergelijking met proefpersonen met een normale nierfunctie.
Verminderde leverfunctie
In een onderzoek met proefpersonen met verminderde leverfunctie was de AUC van sotagliflozine niet
toegenomen bij proefpersonen met lichte leverfunctiestoornis (Child-Pugh-A), maar was ~ 3 keer zo hoog bij
21
G
en
Verminderde nierfunctie
Blootstelling aan sotagliflozine werd beoordeeld in een gericht onderzoek bij proefpersonen met een lichte
(creatinineklaring [CL
cr
]: 60 tot minder dan 90 ml/min) en matige (CL
cr
: 30 tot minder dan 60 ml/min)
nierfunctiestoornis en met normale nierfunctie. Bij proefpersonen met verminderde nierfunctie was de
blootstelling aan sotagliflozine na een enkele dosis van 400 mg ongeveer 1,7 maal hoger bij proefpersonen
met een lichte en tot 2,7 maal hoger bij proefpersonen met matige nierfunctiestoornis, vergeleken met
proefpersonen met een normale nierfunctie.
ee
sm
id
de
ln
ie
tl
an
ge
rg
er
eg
is
tre
er
d
proefpersonen met matige leverfunctiestoornis (Child-Pugh-B) en ~ 6 keer zo hoog bij proefpersonen met
ernstige leverfunctiestoornis (Child-Pugh-C).
Ouderen
Uit een farmacokinetische populatieanalyse bleek dat leeftijd geen klinisch betekenisvol effect had op de
farmacokinetiek van sotagliflozine.
Lichaamsgewicht
Gebaseerd op een farmacokinetische populatieanalyse kan worden gesteld dat de blootstelling aan
sotagliflozine afneemt naarmate het lichaamsgewicht toeneemt. Als gevolg daarvan kunnen patiënten met
een lager gewicht een ietwat verhoogde blootstelling ervaren en patiënten met een hoog gewicht een ietwat
verminderde blootstelling. De verschillen in blootstelling werden echter niet als klinisch betekenisvol gezien,
en daarom is op basis van gewicht geen dosisaanpassing nodig.
Geslacht en ras
Uit een farmacokinetische populatieanalyse bleek dat geslacht en ras geen klinisch betekenisvol effect
hadden op de PK van sotagliflozine.
5.3
Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
In een vruchtbaarheidsonderzoek bij ratten had sotagliflozine geen effect op de voortplantingsfunctie,
vruchtbaarheid en levensvatbaarheid van embryo/foetus.
In een toxicologisch onderzoek bij juveniele ratten werden renale veranderingen waargenomen wanneer
sotagliflozine werd toegediend tijdens een periode van renale ontwikkeling die overeenkomt met het late
tweede en het derde trimester van menselijke zwangerschap. Blootstelling was ongeveer 5 maal (mannelijke
ratten) en 11 maal (vrouwelijke ratten) de klinische blootstelling bij de maximaal aanbevolen menselijke
dosis en dit leidde tot omkeerbare tubulaire dilatatie.
In onderzoeken naar de embryo-foetale ontwikkeling bij ratten en konijnen werd sotagliflozine oraal
toegediend in doses tot 350 mg/kg bij ratten en tot 200 mg/kg bij konijnen. In het onderzoek bij ratten
werden embryoletaliteit, effecten op foetale groei samen met cardiovasculaire en skeletafwijkingen
waargenomen bij een blootstelling van het 158-voudige van de menselijke blootstelling bij 400 mg/dag. De
nadelige effecten op de embryo-foetale ontwikkeling bij 350 mg/kg/dag werden geassocieerd met maternale
toxiciteit (gewichtsverlies/verminderde gewichtstoename en afgenomen voedselconsumptie tijdens dag 6 tot
8 van de dracht. Blootstelling aan het ‘no observed effect level’ bij ratten was 40 maal de blootstelling bij de
MRHD. Er werd geen ontwikkelingstoxiciteit waargenomen bij konijnen, bij doses tot 200 mg/kg/dag, wat
tot 9 keer de menselijke blootstelling is bij de MRHD.
In een pre-/postnataal ontwikkelingsonderzoek werden geen aan sotagliflozine gerelateerde bijwerkingen
waargenomen bij zwangere ratten en lacterende vrouwtjesratten, noch in de ontwikkeling van het nageslacht.
22
G
en
ee
sm
id
de
Sotagliflozine was niet mutageen of clastogeen.
ln
In een onderzoek naar carcinogeniteit bij ratten werd een statistisch belangrijke toename waargenomen in
folliculair schildkliercarcinoom bij mannetjes, bij gebruik van 75 mg/kg/dag, ongeveer 14 maal de maximaal
aanbevolen menselijke dosis (MRHD), de hoogste dosis die werd beoordeeld. In een onderzoek met
herhaalde doses waarbij de mogelijke mechanismen werden onderzocht die verantwoordelijk zijn voor de
toename in incidentie van schildkliercarcinoom waargenomen in het carcinogeniteitsonderzoek bij ratten,
werd geconcludeerd dat de toename in verband stond met een sotagliflozinegerelateerde verhoging van het
thyroïdstimulerend hormoon (TSH). Bij de rat wordt TSH beschouwd als het primair carcinogeen waarbij
sotagliflozine fungeert als secundair carcinogeen. Deze veranderingen worden voor mensen niet als relevant
beschouwd, aangezien TSH bij mensen niet carcinogeen is.
ie
tl
an
ge
rg
er
eg
Pediatrische patiënten
Er zijn geen gegevens beschikbaar.
is
tre
er
d
In een onderzoek waarbij de potentiële effecten van sotagliflozine op de ontwikkeling van juveniele ratten
werden onderzocht, is geen aan sotagliflozine gerelateerde toxiciteit waargenomen na het toedienen van
orale doses tot ongeveer het 18- en 31-voudige van de MRHD (400 mg/dag), respectievelijk voor mannetjes
en vrouwtjes.
6.
6.1
FARMACEUTISCHE GEGEVENS
Lijst van hulpstoffen
30 maanden
6.4
Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
PVC/PCTFE/aluminium opake blisterverpakkingen.
Verpakkingsgrootten van 10, 20, 30, 60, 90, 100, 180 filmomhulde tabletten, en een meervoudige
verpakking van 200 filmomhulde tabletten (2 verpakkingen van 100 filmomhulde tabletten).
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
6.6
Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen
Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale
voorschriften.
G
en
6.5
Aard en inhoud van de verpakking
ee
Voor dit geneesmiddel zijn er geen speciale bewaarcondities.
sm
id
de
6.3
Houdbaarheid
ln
Niet van toepassing.
ie
6.2
Gevallen van onverenigbaarheid
tl
an
Drukinkt
Schellak
IJzeroxide zwart (E172)
Propyleenglycol
23
ge
rg
Filmomhulling
Polyvinylalcohol
Macrogol
Titaniumdioxide (E171)
Talk
Indigokarmijn aluminiumlak (E132)
er
eg
is
tre
Tabletkern
Microkristallijne cellulose (E460i)
Croscarmellosenatrium
Colloïdaal watervrij silica
Magnesiumstearaat
Talk
er
d
7.
HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Guidehouse Germany GmbH
Albrechtstr. 10c
10117 Berlin
Duitsland
8.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
9.
10.
DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
G
en
ee
sm
id
de
ln
ie
Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees
Geneesmiddelenbureau
http://www.ema.europa.eu.
tl
an
24
ge
Datum van eerste verlening van de vergunning: 26 April 2019
rg
DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN DE
VERGUNNING
er
eg
Zynquista 200 mg filmomhulde tabletten:
EU/1/19/1363/001 10 filmomhulde tabletten
EU/1/19/1363/002 20 filmomhulde tabletten
EU/1/19/1363/003 30 filmomhulde tabletten
EU/1/19/1363/004 60 filmomhulde tabletten
EU/1/19/1363/005 90 filmomhulde tabletten
EU/1/19/1363/006 100 filmomhulde tabletten
EU/1/19/1363/007 180 filmomhulde tabletten
EU/1/19/1363/008 200 (2x100) filmomhulde tabletten (multiverpakking)
is
tre
er
d
BIJLAGE II
A.
FABRIKANT(EN) VAN DE BIOLOGISCH WERKZAME
STOF(FEN) EN FABRIKANT(EN) VERANTWOORDELIJK
VOOR VRIJGIFTE
VOORWAARDEN OF BEPERKINGEN TEN AANZIEN VAN
LEVERING EN GEBRUIK
ANDERE VOORWAARDEN EN EISEN DIE DOOR DE
HOUDER VAN DE HANDELSVERGUNNING MOETEN
WORDEN NAGEKOMEN
B.
G
en
ee
sm
id
de
ln
ie
tl
an
25
ge
rg
er
D.
VOORWAARDEN OF BEPERKINGEN MET BETREKKING TOT
EEN VEILIG EN DOELTREFFEND GEBRUIK VAN HET
GENEESMIDDEL
eg
is
C.
tre
er
d
A. FABRIKANT(EN) VERANTWOORDELIJK VOOR VRIJGIFTE
Naam en adres van de fabrikant(en) verantwoordelijk voor vrijgifte
Sanofi Winthrop Industrie
1 rue de la Vierge
Ambares et Lagrave
33565 Carbon Blanc Cedex
Frankrijk
B. VOORWAARDEN OF BEPERKINGEN TEN AANZIEN VAN LEVERING EN GEBRUIK
Aan beperkt medisch voorschrift onderworpen geneesmiddel (zie bijlage I: Samenvatting van de
productkenmerken, rubriek 4.2).
Voorafgaand aan de lancering in elke lidstaat van Zynquista (sotagliflozine) als aanvulling op een
insulinebehandeling, om de glykemische controle te verbeteren bij volwassenen met diabetes mellitus type 1
met een
body mass index
(BMI) ≥ 27 kg/m
2
, die ondanks optimale insulinebehandeling hun geschikte
glykemische controle niet hebben kunnen bereiken, dient de vergunninghouder met de nationale bevoegde
autoriteit overeenstemming te bereiken over de inhoud en de opmaak van de educatieve materialen van
sotagliflozine, waaronder de communicatiemedia, de voorwaarden voor distributie en alle andere aspecten
van het programma.
26
G
Een aanpassing van het RMP wordt ingediend:
op verzoek van het Europees Geneesmiddelenbureau
steeds wanneer het risicomanagementsysteem gewijzigd wordt, met name als gevolg van het
beschikbaar komen van nieuwe informatie die kan leiden tot een belangrijke wijziging van de
bestaande verhouding tussen de voordelen en risico’s of nadat een belangrijke mijlpaal (voor
geneesmiddelenbewaking of voor beperking van de risico’s tot een minimum) is bereikt.
Extra risicobeperkende maatregelen
en
ee
sm
De vergunninghouder voert de noodzakelijke onderzoeken en maatregelen uit ten behoeve van de
geneesmiddelenbewaking, zoals uitgewerkt in het overeengekomen RMP en weergegeven in module 1.8.2
van de handelsvergunning, en in eventuele daaropvolgende overeengekomen RMP-aanpassingen.
id
de
Risk Management Plan (RMP)
ln
D. VOORWAARDEN OF BEPERKINGEN MET BETREKKING TOT EEN VEILIG EN
DOELTREFFEND GEBRUIK VAN HET GENEESMIDDEL
ie
tl
an
De vergunninghouder zal het eerste periodieke veiligheidsverslag voor dit geneesmiddel binnen 6 maanden
na toekenning van de vergunning indienen.
ge
De vereisten voor de indiening van periodieke veiligheidsverslagen worden vermeld in de lijst met Europese
referentiedata (EURD-lijst), waarin voorzien wordt in artikel 107c, onder punt 7 van Richtlijn 2001/83/EG
en eventuele hierop volgende aanpassingen gepubliceerd op het Europese webportaal voor geneesmiddelen.
rg
er
Periodieke veiligheidsverslagen
eg
C. ANDERE VOORWAARDEN EN EISEN DIE DOOR DE HOUDER VAN DE
HANDELSVERGUNNING MOETEN WORDEN NAGEKOMEN
is
tre
er
d
De educatieve materialen zijn bedoeld om richtlijnen te geven voor het beheersen van het risico op
diabetische ketoacidose (DKA) bij patiënten met diabetes type 1.
De vergunninghouder zal erop toezien dat in elke lidstaat waar sotagliflozine in de handel wordt gebracht,
alle beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg die naar verwachting sotagliflozine zullen voorschrijven of
toedienen en alle patiënten/verzorgers die naar verwachting sotagliflozine zullen gebruiken, toegang hebben
tot de volgende voorlichtingsmaterialen:
Leidraad voor beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg inclusief een checklist voor voorschrijvers
Leidraad voor patiënten/verzorgers
Patiëntenwaarschuwingskaart.
Sotagliflozine is geen vervanging voor insuline (en verandert de insulinegevoeligheid niet).
Het risico op DKA is hoger bij een behandeling met sotagliflozine.
Bij behandeling met sotagliflozine zullen de glucosespiegels de insulinebehoefte niet adequaat
weerspiegelen en kan DKA optreden bij patiënten die met sotagliflozine worden behandeld, zelfs als de
bloedglucosewaarden lager zijn dan 14 mmol/l (250 mg/dl). Daarom moet de glucosecontrole worden
aangevuld met ketoncontrole.
Patiënten met euglykemische DKA kunnen naast de standaardzorg voor DKA ook glucose nodig hebben
en sotagliflozine moet worden gestaakt als DKA optreedt.
Richtlijnen voor de arts om te beoordelen of de patiënt in aanmerking komt voor het voorschrijven van
sotagliflozine, bijv. selectiecriteria voor de patiënt waaronder het zich houden aan de insulinebehandeling
en insulinedrempels, bètahydroxybutyraat (BHB) van de patiënt < 0,6 mmol/l of ketonurie < 1+, BMI ≥
27 kg/m2, afwezigheid van risicofactoren voor DKA.
Richtlijnen voor de arts om te beoordelen of de patiënt bereid en betrokken is om zelftests uit te voeren
voor en tijdens de therapie.
Samenvatting van de aanbevelingen voor patiënten, in het bijzonder met betrekking tot
bloedketonenmetingen en de beheersing van ziektedagen.
Aangaande gebruikers van een pomp: beperk het voorschrijven van sotagliflozine tot patiënten met
ervaring in het gebruik van de pomp en het oplossen van veelvoorkomende problemen bij onderbrekingen
van de insulinetoediening door de pomp in geval van een pompstoring.
De patiënt dient te worden begeleid en gecontroleerd bij de naleving van de ketonenmonitoring, terwijl
hij/zij 1 tot 2 weken voor het begin van de behandeling de ketonenwaarden vaststelt als baseline. Zorg
ervoor dat de patiënt:
o
voorlichting/training gekregen heeft in het testen van ketonen en het interpreteren
van/handelen naar testresultaten,
o
bereid/bekwaam is om ketonentests uit te voeren zoals voorgeschreven,
o
adequaat geïnformeerd is over de beheersing van ziektedagen.
Er dient voor gezorgd te worden dat de insulinetherapie van de patiënt optimaal is ingesteld voordat de
behandeling met sotagliflozine wordt gestart.
De behandeling met sotagliflozine moet tijdelijk worden stopgezet voorafgaand aan chirurgische ingrepen
of in geval van ziekenhuisopname wegens acute ernstige ziekte.
Als de toevoeging van sotagliflozine tot een duidelijke vermindering van de insulinebehoefte leidt, moet
het stopzetten van sotagliflozine worden overwogen om een hoog risico van DKA te vermijden.
De Leidraad voor patiënten/verzorgers zal de volgende belangrijke elementen bevatten:
Sotagliflozine is geen vervanging voor insuline.
DKA kan voorkomen bij patiënten die behandeld worden met sotagliflozine, zelfs als de
bloedglucosewaarden onder de 14 mmol/l (250 mg/dl) zijn (dus het begrip ‘euglykemische DKA’ zal
worden uitgelegd).
Tekenen/symptomen van DKA – als DKA niet adequaat behandeld wordt, kan deze ernstig en fataal zijn.
G
en
ee
sm
id
de
ln
ie
tl
an
27
ge
rg
er
eg
is
tre
er
d
De Leidraad voor beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg inclusief de checklist voor voorschrijvers zal
de volgende belangrijke elementen bevatten:
Hoe ketonen gemeten kunnen worden, hoe de resultaten geïnterpreteerd moeten worden en wat te doen
bij hyperketonemie/DKA (neem onmiddellijk contact op met de zorgverlener bij een BHB > 0,6 mmol/l
met symptomen, of bij een BHB > 1,5 mmol/l met of zonder symptomen).
De insulinedosis mag tijdens de behandeling alleen worden verlaagd wanneer dat nodig is ter voorkoming
van hypoglykemie en moet voorzichtig gebeuren om ketose en DKA te voorkomen.
Er mag tijdens de behandeling met sotagliflozine niet met caloriebeperking of koolhydraatbeperking
worden gestart.
De Patiëntenwaarschuwingskaart zal de volgende belangrijke elementen bevatten:
De Patiëntenwaarschuwingskaart moet worden voorgelegd bij ieder bezoek aan uw zorgverlener.
DKA kan voorkomen bij patiënten die behandeld worden met sotagliflozine, zelfs als de
bloedglucosewaarden lager zijn dan 14 mmol/l (250 mg/dl).
Tekenen/symptomen van DKA.
Patiënten met euglykemische DKA moeten glucose, insuline en vloeistoffen voor DKA krijgen,
sotagliflozine moet worden stopgezet.
Sotagliflozine moet tijdelijk worden stopgezet voorafgaand aan chirurgische ingrepen of
ziekenhuisopname wegens acute ernstige ziekte.
Contactgegevens van de voorschrijver van sotagliflozine en de naam van de patiënt.
Beschrijving
rg
sm
id
de
ln
ie
tl
an
28
er
Verplichting tot het nemen van maatregelen na toekenning van de handelsvergunning
De vergunninghouder moet binnen het vastgestelde tijdschema de volgende verplichtingen nakomen:
Uiterste
datum
31-12-2014
Studie naar de veiligheid uitgevoerd na verlening van de handelsvergunning waarbij het
geneesmiddel wordt gebruikt zoals vastgesteld bij verlening van de handelsvergunning
(Non-interventional post-authorisation safety study, PASS):
Om de incidentie van DKA
bij met sotagliflozine behandelde T1DM-patiënten te schatten teneinde de effectiviteit
van de in Europa uitgevoerde risicominimalisatiemaatregelen te beoordelen, moet de
vergunninghouder de resultaten van een observationele cohortstudie uitvoeren en
indienen met gebruikmaking van bestaande gegevensbronnen in Europese landen waar
sotagliflozine voor T1DM zal worden gelanceerd.
G
en
ee
ge
eg
is
tre
er
d
BIJLAGE III
ETIKETTERING EN BIJSLUITER
G
en
ee
sm
id
de
ln
ie
tl
an
29
ge
rg
er
eg
is
tre
er
d
G
ee
sm
id
de
ln
ie
A. ETIKETTERING
en
30
tl
an
ge
rg
er
eg
is
tre
er
d
GEGEVENS DIE OP DE BUITENVERPAKKING MOETEN WORDEN VERMELD
BUITENVERPAKKING (met bluebox)
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Zynquista 200 mg filmomhulde tabletten
sotagliflozine
2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
Elke tablet bevat 200 mg sotagliflozine.
3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Oraal gebruik.
6.
7.
8.
EXP
G
en
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
ee
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET ZICHT EN
BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN
sm
id
de
ln
ie
tl
Filmomhulde tablet
10 filmomhulde tabletten
20 filmomhulde tabletten
30 filmomhulde tabletten
60 filmomhulde tabletten
90 filmomhulde tabletten
100 filmomhulde tabletten
180 filmomhulde tabletten
an
31
ge
rg
er
eg
is
tre
er
d
9.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
10.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN NIET-
GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE AFVALSTOFFEN
(INDIEN VAN TOEPASSING)
11.
NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN
13.
Lot
PARTIJNUMMER
14.
ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING
15.
INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK
16.
INFORMATIE IN BRAILLE
Zynquista
17.
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.
18.
PC:
SN:
NN:
G
en
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK - 2D MATRIXCODE
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK - VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
ee
sm
id
de
ln
ie
tl
an
EU/1/19/1363/001 (200 mg – 10 filmomhulde tabletten)
EU/1/19/1363/002 (200 mg – 20 filmomhulde tabletten)
EU/1/19/1363/003 (200 mg – 30 filmomhulde tabletten)
EU/1/19/1363/004 (200 mg – 60 filmomhulde tabletten)
EU/1/19/1363/005 (200 mg – 90 filmomhulde tabletten)
EU/1/19/1363/006 (200 mg – 100 filmomhulde tabletten)
EU/1/19/1363/007 (200 mg – 180 filmomhulde tabletten)
32
ge
rg
er
eg
12.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
is
tre
Guidehouse Germany GmbH
Albrechtstr. 10c
10117 Berlin
Duitsland
er
d
GEGEVENS DIE OP DE BUITENVERPAKKING MOETEN WORDEN VERMELD
BUITENVERPAKKING multiverpakking (met bluebox)
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Zynquista 200 mg filmomhulde tabletten
sotagliflozine
2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
Elke tablet bevat 200 mg sotagliflozine.
4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
6.
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
9.
10.
G
EXP
en
8.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN NIET-
GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE AFVALSTOFFEN
(INDIEN VAN TOEPASSING)
ee
sm
id
de
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET ZICHT EN
BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN
ln
ie
tl
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Oraal gebruik.
an
5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
33
ge
rg
Filmomhulde tablet
Multiverpakking: 200 (2 verpakkingen van 100) filmomhulde tabletten
er
eg
is
3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
tre
er
d
11.
NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN
Guidehouse Germany GmbH
Albrechtstr. 10c
10117 Berlin
Duitsland
12.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
EU/1/19/1363/008 200 filmomhulde tabletten (2 verpakkingen van 100)
14.
ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING
15.
INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK
G
en
ee
PC:
SN:
NN:
sm
18.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK - VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
id
de
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.
ln
17.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK - 2D MATRIXCODE
ie
tl
Zynquista
an
16.
INFORMATIE IN BRAILLE
34
ge
rg
er
eg
is
Lot
tre
13.
PARTIJNUMMER
er
d
GEGEVENS DIE OP DE BUITENVERPAKKING MOETEN WORDEN VERMELD
BINNENVERPAKKING (zonder bluebox)
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Zynquista 200 mg filmomhulde tabletten
sotagliflozine
2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
Elke tablet bevat 200 mg sotagliflozine.
4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET ZICHT EN
BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN
7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
EXP
9.
10.
G
en
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN NIET-
GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE AFVALSTOFFEN
(INDIEN VAN TOEPASSING)
35
ee
sm
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
id
de
ln
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Oraal gebruik
ie
tl
an
ge
100 filmomhulde tabletten
Deel van een multiverpakking, mag niet afzonderlijk worden verkocht.
rg
Filmomhulde tablet
er
eg
is
3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
tre
er
d
11.
NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN
Guidehouse Germany GmbH
Albrechtstr. 10c
10117 Berlin
Duitsland
12.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
EU/1/19/1363/008 (200 mg – 2 verpakkingen van 100 filmomhulde tabletten)
13.
Lot
PARTIJNUMMER
14.
ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING
16.
INFORMATIE IN BRAILLE
Zynquista
17.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK – 2D MATRIXCODE
18.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK – VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
G
en
ee
sm
id
de
ln
ie
tl
an
36
ge
15.
INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK
rg
er
eg
is
tre
er
d
GEGEVENS DIE IN IEDER GEVAL OP BLISTERVERPAKKINGEN OF STRIPS MOETEN
WORDEN VERMELD
BLISTERVERPAKKINGEN
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Zynquista 200 mg tabletten
sotagliflozine
Guidehouse Germany GmbH
EXP
5.
OVERIGE
G
en
ee
sm
id
de
ln
ie
tl
an
Lot
37
ge
4.
PARTIJNUMMER
rg
er
eg
3.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
is
tre
er
d
2.
NAAM VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL
BRENGEN
Patiëntenwaarschuwingskaart
Patiëntenwaarschuwingskaart:
Deze kaart bevat belangrijke veiligheidsinformatie over diabetische ketoacidose (DKA).
▼Dit
geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Daardoor kan snel nieuwe
veiligheidsinformatie worden vastgesteld. U kunt hieraan bijdragen door melding te maken van alle
bijwerkingen die u eventueel zou ervaren via het Nederlands Bijwerkingencentrum Lareb – website:
www.lareb.nl
Informatie voor de patiënt:
Draag deze kaart altijd bij u en toon hem aan alle beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg die u
raadpleegt, om hen te informeren over uw huidige behandeling met Zynquista.
G
Naam van de patiënt:---------------------------
Datum eerste voorschrijving Zynquista
®
:----------------------------
Naam centrum:---------------------------
Naam behandelend beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg:-------------------
Contactnummer behandelend beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg:-----------------------
en
ee
sm
id
de
ln
ie
tl
an
38
ge
Zynquista verhoogt het risico op DKA. DKA kan bij patiënten die met Zynquista worden behandeld
zelfs optreden als de bloedglucosespiegel lager is dan 14 mmol/l (250 mg/dl). Dit atypische optreden van
DKA kan de diagnose en behandeling vertragen.
Glucose is bij patiënten die Zynquista gebruiken geen betrouwbare marker voor DKA en moet
aangevuld worden met ketonencontrole.
Tekenen en symptomen van DKA kunnen onder andere zijn:
- misselijkheid, braken of buikpijn
- anorexie
- overmatige dorst
- ongebruikelijke vermoeidheid of slaperigheid
- moeite met ademen
- verwardheid
Zet het gebruik van Zynquista onmiddellijk stop bij een BHB-niveau van de patiënt van > 0,6 mmol/l
(ketonurietest 1+) met symptomen, of bij een BHB van > 1,5 mmol/l (ketonurietest 2+) met of zonder
symptomen.
Patiënten met euglykemische DKA moeten glucose, insuline en vloeistoffen voor DKA ontvangen;
sotagliflozine moet worden stopgezet.
Zynquista moet tijdelijk worden stopgezet voorafgaand aan een chirurgische ingreep of
ziekenhuisopname wegens acute ernstige ziekte.
rg
Informatie voor beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg:
Deze patiënt gebruikt Zynquista voor de behandeling van diabetes mellitus type 1 (T1DM). Deze
behandeling is geïndiceerd als aanvulling op een insulinebehandeling, om de glykemische controle te
verbeteren bij volwassenen met T1DM met een BMI
27 kg/m
2
, die ondanks optimale insulinebehandeling
hun gewenste glykemische controle niet hebben kunnen bereiken.
er
eg
is
tre
Raadpleeg de Leidraad voor patiënten/verzorgers voor meer informatie zoals besproken met uw arts over het
innemen van Zynquista en het risico op DKA. Lees de bijsluiter van Zynquista voor de volledige informatie
en gebruiksaanwijzing.
er
d
G
ee
sm
id
de
ln
ie
tl
an
B. BIJSLUITER
en
39
ge
rg
er
eg
is
tre
er
d
Bijsluiter: informatie voor de patiënt
Zynquista 200 mg filmomhulde tabletten
sotagliflozine
Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Daardoor kan snel nieuwe
veiligheidsinformatie worden vastgesteld. U kunt hieraan bijdragen door melding te maken van alle
bijwerkingen die u eventueel zou ervaren. Aan het einde van rubriek 4 leest u hoe u dat kunt doen.
Lees goed de hele bijsluiter voordat u dit geneesmiddel gaat innemen want er staat belangrijke
informatie in voor u.
-
Bewaar deze bijsluiter. Misschien heeft u hem later weer nodig.
-
Heeft u nog vragen? Neem dan contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige.
-
Geef dit geneesmiddel niet door aan anderen, want het is alleen aan u voorgeschreven. Het kan
schadelijk zijn voor anderen, ook al hebben zij dezelfde klachten als u.
-
Krijgt u last van een van de bijwerkingen die in rubriek 4 staan? Of krijgt u of een bijwerking die niet in
deze bijsluiter staat? Neem dan contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige.
1.
Wat is Zynquista en waarvoor wordt dit middel ingenomen?
2.
Wanneer mag u dit middel niet gebruiken?
-
U bent allergisch voor een van de stoffen in dit geneesmiddel. Deze stoffen kunt u vinden in rubriek 6.
Wanneer moet u extra voorzichtig zijn met dit middel?
Diabetische ketoacidose (DKA) is een mogelijk levensbedreigend probleem dat kan optreden bij diabetes,
vanwege een verhoogd gehalte aan ‘ketonlichamen’ in uw bloed of urine, te zien via tests. Als u deze
verschijnselen ontwikkelt, neem dan contact op met uw arts of ga meteen naar het dichtstbijzijnde
ziekenhuis.
40
G
Wordt uw klacht niet minder, of wordt hij zelfs erger? Neem dan contact op met uw arts.
en
Het is belangrijk dat u doorgaat met uw dieet en lichaamsbewegingsplan en dat u de insulinebehandeling
blijft gebruiken zoals u bent overeengekomen met uw arts, apotheker of verpleegkundige.
Wanneer mag u dit middel niet innemen of moet u er extra voorzichtig mee zijn?
ee
sm
Zynquista wordt gebruikt als toevoeging aan een behandeling met insuline bij volwassenen met diabetes type
1 met een
body mass index
(BMI) groter dan of gelijk aan 27. BMI is een meting voor uw gewicht in relatie
tot uw lengte. Diabetes type 1 is een ziekte waarbij het immuunsysteem van uw lichaam de cellen van de
alvleesklier die insuline produceren, vernietigt waardoor het lichaam weinig tot geen insuline, het hormoon
dat normaal gesproken uw bloedglucosespiegel controleert, aanmaakt.
id
de
ln
Zynquista bevat de werkzame stof sotagliflozine, een geneesmiddel dat de bloedglucosespiegel (bloedsuiker)
verlaagt. Sotagliflozine werkt door de absorptie van glucose uit voedsel te vertragen en verminderen, en door
de hoeveelheid glucose die wordt uitgescheiden in de urine te vergroten. Deze twee werkingen samen helpen
om de verhoogde glucosespiegel in het bloed bij diabetespatiënten te verlagen.
ie
tl
an
ge
1.
2.
3.
4.
5.
6.
Wat is Zynquista en waarvoor wordt dit middel ingenomen?
Wanneer mag u dit middel niet innemen of moet u er extra voorzichtig mee zijn?
Hoe neemt u dit middel in?
Mogelijke bijwerkingen
Hoe bewaart u dit middel?
Inhoud van de verpakking en overige informatie
rg
er
eg
Inhoud van deze bijsluiter
is
tre
er
d
Het risico op het ontwikkelen van diabetische ketoacidose kan groter worden door langdurig vasten,
overmatig alcoholgebruik, drugsgebruik, uitdroging, plotselinge verlagingen in de dosis insuline, of een
grotere behoefte aan insuline veroorzaakt door een grote operatie, ernstige ziekte of infectie. Zie ook
rubriek 4.
Naast deze bijsluiter zit er een waarschuwingskaart voor patiënten bij deze verpakking, waarop belangrijke
veiligheidsinformatie staat die u nodig heeft vóór en tijdens behandeling met Zynquista. Uw arts zal een
speciale voorlichtingssessie inplannen om het risico van DKA te bespreken, hoe u DKA-risicofactoren of
verschijnselen kunt herkennen, hoe en wanneer u ketonenwaarden kunt controleren en welke acties u moet
ondernemen wanneer de ketonenwaarden verhoogd zijn.
Neem contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige voordat u dit middel inneemt, en tijdens de
behandeling:
als u een van de volgende verschijnselen heeft, die een teken kunnen zijn van een zeldzame maar
ernstige aandoening, diabetische ketoacidose
(zie ook rubriek 4):
o
misselijkheid, braken of buikpijn
o
overmatige dorst
o
een continu vermoeid gevoel
o
een hoog gehalte aan ketonen in urinetests of bètahydroxybutyraat (BHB) in bloedtests
o
moeilijk ademen / snel, diep ademen
o
een fruitgeur van de adem
o
moeite met concentreren; verwarring
o
snel gewichtsverlies
als u een acute ernstige ziekte of chirurgische ingreep heeft
als u geen toegang heeft tot ketontestmaterialen of geen directe toegang tot een arts als er sprake is van
verhoogde ketonenwaarden in het bloed of de urine
als u een lage dosis insuline gebruikt
als u een caloriebeperking, koolhydraatbeperking of ketogeen dieet volgt
als u een recente of terugkerende geschiedenis van diabetische ketoacidose heeft gehad (bijv. 1 episode
in de afgelopen 3 maanden of meer dan 1 episode in de afgelopen 6 maanden)
als u nierproblemen heeft
als u leverproblemen heeft
als u een infectie heeft van de nieren of de urinewegen. Mogelijk zal uw arts u vragen te stoppen met
Zynquista tot u weer beter bent.
als u een voorgeschiedenis heeft van chronische of herhaalde genitale schimmelinfecties (spruw)
als u mogelijk risico loopt op uitdroging (bijvoorbeeld als u geneesmiddelen neemt die de
urineproductie verhogen [diuretica] of uw bloeddruk verlagen, of als u ouder bent dan 65 jaar). Vraag
naar manieren om uitdroging te voorkomen.
als u een combinatie ontwikkelt van verschijnselen van pijn, gevoeligheid, roodheid of zwelling van de
geslachtsdelen of het gebied tussen de geslachtsdelen en de anus, koorts en zich algemeen onwel
voelen. Deze verschijnselen kunnen een teken zijn van een zeldzame, maar ernstige of zelfs
levensbedreigende infectie, genaamd necrotiserende fasciitis van het perineum of Fournier-gangreen,
die het weefsel onder de huid vernietigt. Fournier-gangreen moet onmiddellijk behandeld worden.
Voetverzorging
Voor alle patiënten met diabetes is het belangrijk om de voeten regelmatig te controleren en het advies over
voetverzorging van uw arts of verpleegkundige op te volgen.
Urineglucose
Vanwege de manier waarop Zynquista werkt zal uw urine positief testen op de aanwezigheid van suiker
tijdens het gebruik van dit geneesmiddel.
Kinderen en jongeren tot 18 jaar
Zynquista wordt niet aanbevolen voor kinderen en jongeren tot 18 jaar, omdat het bij deze patiënten niet is
onderzocht.
Neemt u nog andere geneesmiddelen in?
G
en
ee
sm
id
de
ln
ie
tl
an
41
ge
rg
er
eg
is
tre
er
d
Neemt u naast Zynquista nog andere geneesmiddelen in, heeft u dat kort geleden gedaan of bestaat de
mogelijkheid dat u in de nabije toekomst andere geneesmiddelen gaat innemen? Vertel dat dan uw arts of
apotheker.
Het is met name belangrijk om uw arts te vertellen dat u een van de volgende geneesmiddelen inneemt:
digoxine of digitoxine (geneesmiddelen voor hartproblemen). Mogelijk moet het gehalte aan digoxine
of digitoxine in uw bloed worden gecontroleerd als u deze geneesmiddelen inneemt met Zynquista.
fenytoïne of fenobarbital (epilepsiegeneesmiddelen om aanvallen onder controle te houden)
ritonavir (een geneesmiddel voor de behandeling van een hiv-infectie)
rifampicine (een antibioticum gebruikt om tuberculose te behandelen en sommige andere infecties).
Omdat u Zynquista samen met insuline gebruikt, kan tijdens de behandeling hypoglykemie optreden.
Uw arts kan de dosis insuline verlagen.
Zwangerschap en borstvoeding
Bent u zwanger, denkt u zwanger te zijn, wilt u zwanger worden of geeft u borstvoeding? Neem dan contact
op met uw arts of apotheker voordat u dit geneesmiddel gebruikt. Overleg met uw arts wat de beste manier is
om uw bloedglucose onder controle te houden tijdens uw zwangerschap. Zynquista mag niet gebruikt
worden in de laatste zes maanden van de zwangerschap.
Neem contact op met uw arts voordat u dit geneesmiddel inneemt als u borstvoeding wilt geven of als u
borstvoeding geeft. Het is niet bekend of dit geneesmiddel overgaat in de moedermelk. Neem dit
geneesmiddel niet in als u borstvoeding geeft.
Rijvaardigheid en het gebruik van machines
Het is onwaarschijnlijk dat Zynquista invloed heeft op uw rijvaardigheid of vermogen om machines te
bedienen. Zynquista wordt echter samen met insuline gebruikt, wat ervoor kan zorgen dat uw
bloedglucosewaarden te laag worden (hypoglykemie)en u verschijnselen kunt krijgen zoals trillen, zweten en
veranderingen in het gezichtsvermogen. Dit kan een invloed hebben op uw rijvaardigheid en het vermogen
om machines te bedienen. Rijd niet en gebruik geen gereedschap of machines als u zich duizelig voelt tijdens
uw diabetesbehandeling.
3.
Hoe neemt u dit middel in?
Neem dit geneesmiddel altijd in precies zoals uw arts u dat heeft verteld. Twijfelt u over het juiste gebruik?
Neem dan contact op met uw arts of apotheker.
Hoeveel neemt u in?
De aanbevolen dosering is één tablet van 200 mg eenmaal daags voor de eerste maaltijd van de dag. Uw arts
zal beslissen of u de dosis kunt verhogen naar 400 mg, eenmaal per dag.
Uw arts zal u de correcte dosis voorschrijven. Verander uw dosis niet, tenzij uw arts u dat heeft verteld.
Hoe neemt u dit geneesmiddel in?
Zynquista dient eenmaal daags via de mond te worden ingenomen.
Neem de tablet in vóór de eerste maaltijd van de dag.
Volg de instructies van uw arts betreffende het aanpassen van uw insuline wanneer u Zynquista
gebruikt.
Uw arts zal u Zynquista samen met een insulinebehandeling voorschrijven om het gehalte aan suiker in uw
bloed te verlagen. Volg de instructies van uw arts over hoe dit andere geneesmiddel ingenomen moet worden
voor het beste resultaat voor uw gezondheid.
Heeft u te veel van dit middel ingenomen?
Als u meer tabletten Zynquista heeft ingenomen dan is voorgeschreven, neem dan onmiddellijk contact op
met een arts of ga naar een ziekenhuis. Neem de geneesmiddelverpakking mee.
42
G
en
ee
sm
id
de
ln
ie
tl
an
ge
rg
er
eg
is
tre
er
d
Bent u vergeten dit middel in te nemen?
Als u een dosis heeft gemist, neem deze dan in zodra u eraan denkt.
Neem geen dubbele dosis om een vergeten dosis in te halen.
Als u stopt met het innemen van dit middel
Stop niet met het innemen van Zynquista zonder eerst met uw arts te overleggen. Uw bloedglucosespiegel
kan stijgen als u stopt met Zynquista.
Heeft u nog andere vragen over het gebruik van dit geneesmiddel? Neem dan contact op met uw arts,
apotheker of verpleegkundige.
Zorg ervoor dat u de waarschuwingskaart voor patiënten, die u van uw arts heeft gekregen en die u ook in de
verpakking vindt, altijd bij u draagt. Laat hem aan alle artsen, verpleegkundigen of apothekers zien als u een
behandeling nodig heeft. U kunt ook de waarschuwingskaart voor patiënten krijgen door de QR-code te
scannen of door naar de onderstaande website te gaan:
Andere bijwerkingen:
Zeer vaak (komen voor bij meer dan 1 op de 10 gebruikers)
schimmelinfectie (spruw) van de vagina (tekenen zijn onder andere irritatie, jeuk, ongewone
afscheiding of geur)
Vaak (komen voor bij minder dan 1 op de 10 gebruikers)
diarree
een toename van ‘ketonlichamen’ in uw bloed
43
G
en
ee
Tijdens de behandeling met Zynquista loopt u een hoger risico op DKA. Deze aandoening kan optreden bij
een lage, normale of hoge bloedglucosespiegel. Controleer uw ketonen regelmatig tijdens de eerste twee
weken na het starten met Zynquista. Heeft u een van deze verschijnselen of verkeert u in een situatie waarin
uw risico op DKA kan toenemen, controleer dan uw ketonengehalte, hetzij in uw bloed of via de urine. Als u
een insulinepomp gebruikt, controleer dan uw ketonengehalte drie tot vier uur na het wisselen van de
pompmaterialen. In het geval van mogelijke DKA of bij een verhoogd ketonengehalte neemt u onmiddellijk
contact op met uw arts of gaat u meteen naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis. De arts kan besluiten om de
behandeling met Zynquista tijdelijk stop te zetten.
Tijdens de door uw arts ingeplande speciale voorlichtingssessie, kunt u met uw arts bespreken hoe u met een
verhoogde ketonenwaarde omgaat om DKA te voorkomen (zie rubriek 2).
sm
id
de
ln
ie
Diabetische ketoacidose (DKA); soms (komen voor bij minder dan 1 op de 100 gebruikers)
Dit zijn de tekenen en verschijnselen van diabetische ketoacidose (zie ook rubriek 2, onder
‘Waarschuwingen
en voorzorgsmaatregelen’):
o
misselijkheid, braken of buikpijn
o
overmatige dorst
o
een continu vermoeid gevoel
o
een hoog gehalte aan ketonen in urinetests of bètahydroxybutyraat (BHB) in bloedtests
o
moeilijk ademen / snel, diep ademen
o
een fruitgeur van de adem
o
moeite met concentreren; verwarring
o
snel gewichtsverlies
tl
an
ge
rg
er
eg
is
Neem direct contact op met een arts of met het dichtstbijzijnde ziekenhuis als u een van de volgende
bijwerkingen heeft:
tre
Zoals elk geneesmiddel kan ook dit geneesmiddel bijwerkingen hebben, al krijgt niet iedereen daarmee te
maken.
er
d
4.
Mogelijke bijwerkingen
5.
Hoe bewaart u dit middel?
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
Welke stoffen zitten er in dit middel?
De werkzame stof in dit middel is sotagliflozine.
Elke tablet bevat 200 mg sotagliflozine
De andere stoffen in dit middel zijn:
- Kern van de tablet: microkristallijne cellulose (E460i), natriumcroscarmellose, colloïdaal watervrij
siliciumdioxide; magnesiumstearaat; talk.
- Filmomhulling: polyvinylalcohol; macrogol; titaniumdioxide (E171); talk; indigokarmijn
aluminiumlak (E132).
- Drukinkt: schellak; zwart ijzeroxide (E172); propyleenglycol.
Hoe ziet Zynquista eruit en hoeveel zit er in een verpakking?
Zynquista 200 mg filmomhulde tabletten (tabletten) zijn ovaal, blauw, met de opdruk ‘2456’ aan één kant in
zwarte inkt (lengte tablet: 14,2 mm, breedte tablet: 8,7 mm).
Zynquista is verkrijgbaar in PVC/PCTFE/aluminium opake blisterverpakking.
Verpakkingsgrootten van 10, 20, 30, 60, 90, 100, 180 filmomhulde tabletten, en een meervoudige
verpakking van 200 filmomhulde tabletten (2 verpakkingen van 100 filmomhulde tabletten).
44
G
en
ee
sm
6.
Inhoud van de verpakking en overige informatie
id
de
Spoel geneesmiddelen niet door de gootsteen of de WC en gooi ze niet in de vuilnisbak. Vraag uw apotheker
wat u met geneesmiddelen moet doen die u niet meer gebruikt. Ze worden dan op een verantwoorde manier
vernietigd en komen niet in het milieu terecht.
ln
ie
Neem dit geneesmiddel niet in als u merkt dat de verpakking beschadigd is of het lijkt dat ermee geknoeid is.
tl
Voor dit geneesmiddel zijn er geen speciale bewaarcondities.
an
Gebruik dit geneesmiddel niet meer na de uiterste houdbaarheidsdatum. Die is te vinden op de doos na
‘EXP’. Daar staat een maand en een jaar. De laatste dag van die maand is de uiterste houdbaarheidsdatum.
ge
rg
er
eg
Het melden van bijwerkingen
Krijgt u last van bijwerkingen, neem dan contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige. Dit geldt
ook voor mogelijke bijwerkingen die niet in deze bijsluiter staan. U kunt bijwerkingen ook rechtstreeks
melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in
aanhangsel V.
Door bijwerkingen te melden, kunt u
ons helpen meer informatie te verkrijgen over de veiligheid van dit geneesmiddel.
is
tre
er
d
schimmelinfectie (spruw) van de penis (tekenen zijn onder andere irritatie, jeuk, ongewone
afscheiding of geur)
meer urine uitplassen dan normaal of vaker moeten plassen
urineweginfectie; tekenen zijn een branderig gevoel bij het plassen, urine die troebel lijkt, pijn in het
bekken of middenrugpijn (wanneer de nieren geïnfecteerd zijn)
uitdroging (uw lichaam verliest te veel water; verschijnselen zijn een droge mond, zich duizelig, licht
in het hoofd of zwak voelen, vooral wanneer u opstaat, flauwvallen)
winderigheid
bloedtests kunnen een toename laten zien in de hoeveelheid slechte cholesterol (LDL genoemd – een
soort vet in uw bloed)
bloedtests kunnen een toename laten zien in de hoeveelheid rode bloedcellen in uw bloed (hematocriet
genoemd)
bloedtests kunnen een toename laten zien die iets zegt over de nierfunctie (zoals ‘creatinine’).
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
Houder van de vergunning voor het in de handel brengen en fabrikant
Vergunninghouder:
Guidehouse Germany GmbH
Albrechtstr. 10c
10117 Berlin
Duitsland
Fabrikant
Sanofi Winthrop Industrie
1, rue de la Vierge
Ambarès et Lagrave
F – 33565 Carbon Blanc
Frankrijk
Deze bijsluiter is voor het laatst goedgekeurd in <{MM/JJJJ}>.
G
en
ee
sm
id
de
ln
ie
tl
an
45
ge
Meer informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees
Geneesmiddelenbureau:
http://www/ema.europa.eu/
rg
Andere informatiebronnen
er
eg
is
tre
er
d
geregistreerd
SAMENVATTING VAN DE PRODUCTKENMERKEN
niet langer
Geneesmiddel
veiligheidsinformatie worden vastgesteld. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg worden verzocht alle
vermoedelijke bijwerkingen te melden. Zie rubriek 4.8 voor het rapporteren van bijwerkingen.

1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Zynquista 200 mg filmomhulde tabletten
2.
KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Elke tablet bevat 200 mg sotagliflozine.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3.
FARMACEUTISCHE VORM
Filmomhulde tablet (tablet).
Ovale, blauwe, filmomhulde tablet met de opdruk `2456' aan één kant met zwarte inkt (lengte tablet:
14,2 mm, breedte tablet: 8,7 mm).
geregistreerd

4.
KLINISCHE GEGEVENS

4.1 Therapeutische indicaties
Zynquista is geïndiceerd als aanvulling op een insulinebehandeling, om de glykemische controle te
langer
verbeteren bij volwassenen met diabetes mellitus type 1 met een body mass index (BMI) 27 kg/m2 die,
ondanks optimale insulinebehandeling, hun adequate glykemische controle niet hebben kunnen bereiken.

4.2 Dosering en wijze van toediening niet
Behandeling met Zynquista moet worden geïnitieerd en begeleid door een arts met ervaring in het beheersen
van diabetes mellitus type 1.
Dosering
De aanbevolen dosering is 200 mg sotagliflozine eenmaal per dag, vóór de eerste maaltijd van de dag. Als na
minimaal 3 maanden blijkt dat aanvullende glykemische controle nodig is, kan bij patiënten die de dosis van
200 mg sotagliflozine verdragen, de dosis worden verhoogd naar 400 mg eenmaal per dag.
Alvorens een behandeling met sotagliflozine 200 mg op te starten of alvorens de dosis te verhogen naar
sotagliflozine 400 mg:
Geneesmiddel
-
Risicofactoren voor diabetische ketoacidose (DKA) dienen te worden vastgesteld en de
ketonenwaarden moeten normaal zijn. Zijn de ketonengehaltes verhoogd (bètahydroxybutyraat [BHB]
in het bloed > 0,6 mmol/l of een ketonurietest van één plus [+]), initieer dan geen behandeling met
sotagliflozine of verhoog de dosis niet naar 400 mg tot de ketonenwaarden zijn genormaliseerd (zie
rubriek 4.4).
-
Het wordt aanbevolen om bij patiënten als baseline meerdere ketonenwaarden van bloed of urine te
bepalen gedurende een tot twee weken alvorens een behandeling met sotagliflozine op te starten;
bovendien dienen patiënten vertrouwd te raken met hoe hun gedrag en de omstandigheden hun
ketonenwaarden kunnen beïnvloeden.
-
Patiënten moeten in staat zijn om zelf om te gaan met de dagelijkse aspecten van hun ziekte inclusief
het zelf monitoren van glucose en ketonen.
Patiënten moeten middels een speciale training over DKA geïnformeerd worden hoe de risicofactoren,
signalen en verschijnselen van DKA te herkennen, hoe en wanneer de ketonenwaarden te monitoren
en welke acties moeten worden ondernomen als de ketonenwaarden verhoogd zijn (zie rubriek 4.4).
-
Correctie van volumedepletie voorafgaand aan initiatie van sotagliflozine wordt aanbevolen bij
patiënten met deze aandoening (zie rubriek 4.4).
Sotagliflozine dient alleen te worden gebruikt als aanvulling op insuline. Om hypoglykemie bij de eerste
dosis sotagliflozine te vermijden, kan bij het opstarten van de behandeling met sotagliflozine de eerste
bolusinsuline bij de maaltijd met 20% worden verlaagd.
Daaropvolgende bolusdoses moeten individueel worden aangepast, afhankelijk van de bloedglucosewaarden.
Bij initiatie van sotagliflozine wordt geen verlaging van basale insuline aanbevolen. Daarna dient men de
basale insuline aan te passen naargelang de bloedglucosewaarden. Indien nodig moeten de insulinedoses heel
voorzichtig worden verlaagd om ketose en DKA te voorkomen.
Ketonenmonitoring tijdens de behandeling:
Tijdens de eerste één tot twee weken behandeling met sotagliflozine moeten de ketonen regelmatig
gecontroleerd worden. Na opstarten van de behandeling moet de frequentie van ketonenbepaling (bloed of
urine) geïndividualiseerd worden, afhankelijk van de levensstijl en/of andere risicofactoren van de patiënt
(zie rubriek 4.4).
Patiënten moeten worden voorgelicht over welke acties moeten worden ondernomen als de ketonenwaarden
verhoogd zijn. De aanbevolen acties staan vermeld in tabel 1. Meting van het ketonengehalte in het bloed
heeft de voorkeur boven urine.

Tabel 1: Te ondernemen acties in geval van verhoogde ketonenwaarden geregistreerd
Klinisch
Bloedketonen (bèta-
Ketonurietest
Acties
stadium
hydroxybutyraat)
Ketonemie of
0,6-1,5 mmol/l
Spoor of zwak
Het kan zijn dat de patiënt
Ketonurie
+
extra snelwerkende insuline
moet gebruiken en water moet
langer drinken. Extra koolhydraten
dienen ingenomen te worden
als de glucosespiegels normaal
of laag zijn.
niet
Ketonenwaarden moeten na
twee uur opnieuw worden
gemeten.
Controleer de glucosespiegels
regelmatig om hyperglykemie
of hypoglykemie te vermijden.
De patiënt moet onmiddellijk
medisch advies inwinnen en
stoppen met het nemen van
sotagliflozine als de waarden
Geneesmiddel
verhoogd blijven en
symptomen optreden.
Dreigende
> 1,5-3,0 mmol/l
Matig
De patiënt moet onmiddellijk
DKA
++
medisch advies inwinnen en
stoppen met het nemen van
sotagliflozine.
Het kan zijn dat de patiënt
extra snelwerkende insuline
moet gebruiken en water moet
drinken. Extra koolhydraten
als de glucosespiegels normaal
of laag zijn.
Ketonenwaarden moeten na
twee uur opnieuw worden
gemeten.
Controleer de glucosespiegels
regelmatig om hyperglykemie
of hypoglykemie te vermijden.
Waarschijnlijke > 3,0 mmol/l
Sterk tot zeer sterk
De patiënt moet onmiddellijk
DKA
+++ / ++++
naar de spoedafdeling gaan en
stoppen met het gebruik van
sotagliflozine.
Het kan zijn dat de patiënt
extra snelwerkende insuline
moet gebruiken en water moet
drinken. Extra koolhydraten
dienen ingenomen te worden
als de glucosespiegels normaal
of laag zijn.

geregistreerd
Gemiste dosis
Als er een dosis is gemist, moet deze worden ingenomen zodra de patiënt eraan denkt. Men mag niet op
dezelfde dag een dubbele dosis innemen.
Speciale populaties
langer
Ouderen
Er wordt geen dosisaanpassing aanbevolen op basis van de leeftijd.
Bij patiënten van 65 jaar en ouder dient men rekening te houden met de nierfunctie en met een toegenomen
niet
risico op volumedepletie (zie rubriek 4.4 en 4.8). Voor patiënten van 75 jaar en ouder is de therapeutische
ervaring met sotagliflozine beperkt en daarom is opstarten van sotagliflozinetherapie niet aanbevolen.

Verminderde nierfunctie

Er wordt aanbevolen om de nierfunctie te beoordelen voor het opstarten van een behandeling met
sotagliflozine en tijdens de periode daarna (zie rubriek 4.4).
Initiatie van sotagliflozine wordt niet aanbevolen als de geschatte glomerulaire filtratieratio (eGFR) lager is
dan 60 ml/min/1,73 m2 en het gebruik van sotagliflozine moet worden gestopt als de eGFR aanhoudend lager
blijft dan 45 ml/min/1,73 m2 (zie rubriek 4.4 en 4.8).
Sotagliflozine mag niet worden gebruikt bij patiënten met ernstig verminderde nierfunctie, terminale
nierziekte (end-stage renal disease, ESRD) of
Geneesmiddel bij dialysepatiënten, aangezien het middel bij deze patiënten
niet is onderzocht (zie rubriek 4.4 en 5.2).
Verminderde leverfunctie
Bij patiënten met een licht verminderde leverfunctie wordt geen dosisaanpassing aanbevolen. Sotagliflozine
wordt niet aanbevolen bij patiënten met matig en ernstig verminderde leverfunctie (zie rubriek 4.4 en 5.2).
Pediatrische patiënten
De veiligheid en werkzaamheid van sotagliflozine bij kinderen en adolescenten zijn niet vastgesteld. Er zijn
geen gegevens beschikbaar.

Oraal gebruik
Sotagliflozine wordt oraal ingenomen, eenmaal per dag vóór de eerste maaltijd van de dag.

4.3 Contra-indicaties
Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstof(fen).

4.4 Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik

Diabetische ketoacidose
Natrium-glucose-cotransporter-2- (SGLT2-) remmers dienen voorzichtig te worden gebruikt bij patiënten
met een verhoogd risico op DKA. In klinische onderzoeken (pool van twee 52 weken durende
placebogecontroleerde onderzoeken) met sotagliflozine was de incidentie van diabetische ketoacidose
(DKA) hoger in de groep die werd behandeld met sotagliflozine dan in de placebogroep (zie rubriek 4.8).
Vóór de initiatie van sotagliflozine
Voordat een behandeling wordt opgestart, moeten patiënten worden beoordeeld op DKA-risico.
Sotagliflozine mag niet opgestart worden bij patiënten met een hoger risico op DKA, zoals:
-
patiënten met lage insulinebehoefte,
-
patiënten die niet de optimale insulinedosis krijgen of recent problemen hadden met therapietrouw, of
geregistreerd
die terugkomende problemen hebben met insulinedosering en bij wie het niet mogelijk is een adequate
insulinedosering te handhaven,
-
patiënten met een recente of herhaalde voorgeschiedenis van DKA (bijv. 1 episode in de afgelopen 3
maanden of meer dan 1 episode in de afgelopen 6 maanden),
-
patiënten met een verhoogde insulinebehoefte als gevolg van acute medische ziekte of chirurgie,
-
patiënten met verhoogde ketonenwaarden (BHB-waarde is hoger dan 0,6 mmol/l of de ketonurie is één
langer
plus [+]). Behandeling met sotagliflozine mag niet gestart worden als de ketonen verhoogd zijn (BHB-
waarde is hoger dan 0,6 mmol/l) tot de ketonenwaarden normaal zijn (zie rubriek 4.2).
-
patiënten die de ketonenwaarden niet kunnen of willen controleren,
-
patiënten die staan op het handhaven van caloriebeperking, koolhydraatbeperking of een ketogeen
niet
dieet of die zichzelf chronisch te weinig insuline toedienen (bijvoorbeeld om een lipolytische status te
behouden),
-
patiënten die drugs of overmatig alcohol gebruiken.
Patiënten die een insuline-infusiepomp gebruiken, hebben een hoger risico op DKA en moeten ervaring
hebben met het gebruik van de pomp, het wegnemen van veelvoorkomende oorzaken voor onderbrekingen
van de insulinetoediening via de pomp (problemen met de inbrengplaats, verstopte slang, leeg reservoir, etc.)
en het gebruik van aanvullende insuline-injecties met pen of spuit, zoals nodig bij een pompstoring.
Patiënten moeten overwegen om drie tot vier uur na het wisselen van pompmateriaal de ketonenwaarden te
controleren. Patiënten die een pomp gebruiken, moeten ook hun ketonenwaarden controleren bij een
vermoede insulineonderbreking, ongeacht de bloedglucosewaarden. Insuline-injecties moeten worden
gegeven binnen 2 uur na een onverklaarbaar hoge bloedglucosewaarde en de behandeling met sotagliflozine
Geneesmiddel
moet worden onderbroken. Als de ketonen hoog zijn, volg dan de instructies in tabel 1 (zie rubriek 4.2).
Sotagliflozine mag alleen worden gegeven aan patiënten:
- met toegang tot ketonentestmaterialen en onmiddellijke toegang tot een arts als de bloed- of de
urineketonen verhoogd zijn,
- die ketonenwaarden kunnen controleren en getraind zijn wanneer ze dat moeten doen.
Tijdens een speciale counselingsessie met de patiënt op het moment van het eerste voorschrift van
sotagliflozine, laat u de Leidraad voor patiënten/verzorgers en de Patiëntenwaarschuwingskaart zien (ook
beschikbaar via de QR-code of website). De Patiëntenwaarschuwingskaart is ook beschikbaar in de
productverpakking.
- hoe de risicofactoren te herkennen die hen vatbaar maken voor ketose en DKA (inclusief, maar niet
beperkt tot, een recente of herhaalde voorgeschiedenis van DKA, gemiste of afgenomen
insulinedoses, verlaging van de calorie-inname of ernstige uitdroging, zware inspanning, acute
bijkomende ziekte, chirurgie, alcoholmisbruik en bij patiënten die een insulinepomp gebruiken:
insuline-infusie onderbreking),
- hoe de signalen en symptomen van DKA te herkennen, waarbij benadrukt moet worden dat DKA ook
kan optreden bij bloedglucosewaarden onder de 14 mmol/l (250 mg/dl),
- wanneer te stoppen met de sotagliflozinebehandeling (zie rubriek 4.2),
- welke acties te nemen als ketose/DKA wordt vermoed.
Het wordt aanbevolen dat patiënten als baseline meerdere ketonenwaarden van bloed of urine gaan meten
gedurende een tot twee weken voorafgaand aan de initiatie van een behandeling met sotagliflozine.
Bovendien moeten patiënten leren welk gedrag/welke omstandigheden in verband staan met verhoogde
ketonenwaarden en hoe ze hiermee om kunnen gaan.
Beheersen van het risico op DKA
Het risico op diabetische ketoacidose moet in overweging worden genomen in het geval van niet-specifieke
symptomen zoals nausea, braken, anorexie, abdominale pijn, overmatige dorst, moeite met ademen,
verwarring, ongewone vermoeidheid of slaperigheid. Het is mogelijk dat bijwerkingen van sotagliflozine
vergelijkbaar zijn met de symptomen van DKA. Patiënten dienen onmiddellijk onderzocht te worden op
ketoacidose als deze symptomen voorkomen, door het meten van urine- of bloedketonen, ongeacht de
geregistreerd
bloedglucosewaarden. DKA-episodes tijdens sotagliflozinebehandeling kunnen atypisch zijn, met
bloedglucosewaarden die niet zo hoog zijn als verwacht. Deze atypische DKA-presentatie (d.w.z. normale of
licht verhoogde bloedglucosewaarden) kan de diagnose en behandeling vertragen.
Tijdens de behandeling met sotagliflozine
- De patiënt dient op de optimale insulinedosering te blijven.
langer
- Indien nodig om hypoglykemie te voorkomen moet de insulinedosis voorzichtig worden verlaagd om
ketose en DKA te voorkomen (zie rubriek 4.2).
- Overweeg het stopzetten van sotagliflozine als men met deze behandeling niet tot adequate insuline-
instelling komt.
niet
De behandeling met sotagliflozine moet worden stopgezet bij patiënten die in het ziekenhuis worden
opgenomen voor grote chirurgische ingrepen of acute ernstige medische aandoeningen.
Ketonenmonitoring tijdens behandeling
Na initiatie van sotagliflozine dient men de ketonenwaarden regelmatig te controleren tijdens de eerste een
tot twee weken, daarna dient de frequentie van de ketonenwaardenbepaling op individuele basis te gebeuren,
gebaseerd op de levensstijl en/of risicofactoren van de patiënt. Voor alle patiënten wordt aanbevolen dat men
de ketonen controleert bij een verandering in de normale routine, waaronder verminderde
koolhydrateninname, tussentijdse ziekte, verminderde totale dagdosis aan insuline, fysieke activiteit en
stress. Ketonen moeten herhaaldelijk worden gemeten als er symptomen zijn die overeenkomen met DKA of
euglykemische DKA. Het meten van de ketonenwaarden in het bloed heeft de voorkeur boven urine.
Geneesmiddel
Patiënten moeten geïnformeerd worden over welke acties moeten worden ondernomen als de
ketonenwaarden verhoogd zijn. De aanbevolen acties staan vermeld in tabel 1 (zie rubriek 4.2).
Het beheersen van DKA
Bij patiënten bij wie DKA wordt vermoed of gediagnosticeerd, moet de behandeling met sotagliflozine
onmiddellijk worden gestaakt.
Met sotagliflozine kan DKA aanwezig zijn met lage, normale of hoge bloedglucosewaarden. DKA dient te
worden behandeld volgens de standaardzorg. Aanvullende koolhydraten kunnen nodig zijn afhankelijk van
de glucosewaarden, alsook hydratie en additionele snelwerkende insuline (zie tabel 1 in rubriek 4.2).
vastgesteld en opgelost (bijv. falen van de pomp, een acute bijkomende kwaal, overmatige vermindering van
insuline).
Verminderde nierfunctie
Abnormale nierfunctie (verhoogde serumcreatinine en verlaagde eGFR) kunnen optreden na initiatie van
sotagliflozine (zie rubriek 4.8). Patiënten met hypovolemie lopen mogelijk meer kans op deze veranderingen.
Sotagliflozine dient niet te worden geïnitieerd bij patiënten met een eGFR van < 60 ml/min en dient te
worden stopgezet wanneer de eGFR aanhoudend lager is dan 45 ml/min (zie rubriek 4.2 en 4.8).
Sotagliflozine mag niet worden gebruikt bij patiënten met ernstige nierinsufficiëntie, terminale nierziekte
(ESRD) of bij dialysepatiënten, aangezien het middel bij deze patiënten niet is onderzocht (zie rubriek 4.2).
Het controleren van de nierfunctie wordt als volgt aanbevolen:
-
voorafgaand aan de initiatie van sotagliflozine en periodiek erna, ten minste eenmaal per jaar (zie
rubriek 4.2),
-
voorafgaand aan de start van gelijktijdig gebruikte geneesmiddelen die de nierfunctie kunnen
verminderen en daarna periodiek,
-
frequentere controle van de nierfunctie, minstens 2 tot 4 keer per jaar, bij patiënten met een eGFR
onder 60 ml/min/1,73 m2.
Verminderde leverfunctie
geregistreerd
Er is beperkte ervaring met klinisch onderzoek bij patiënten met matige en ernstige verminderde
leverfunctie. Sotagliflozine wordt niet aanbevolen bij patiënten met matige en ernstige verminderde
leverfunctie, omdat blootstelling aan sotagliflozine is toegenomen bij die patiënten (zie rubriek 4.2 en 5.2).
Hypotensie/volumedepletie
Gebaseerd op het werkingsmechanisme van natrium-glucose-cotransporter-2- (SGLT2-) remmers, induceert
langer
sotagliflozine een osmotische diurese, door de glucose-excretie via de urine (UGE) te verhogen, hetgeen het
intravasculair volume kan verminderen en de bloeddruk kan verlagen (zie rubriek 4.8 en 5.1). Sotagliflozine
kan intravasculaire volumecontractie veroorzaken (zie rubriek 4.8). Na initiatie van sotagliflozine kan
niet
symptomatische hypotensie optreden, met name bij patiënten met verminderde nierfunctie, ouderen,
patiënten met lage systolische bloeddruk en patiënten die diuretica gebruiken. Voordat sotagliflozine wordt
opgestart, dient de volumecontractie te worden beoordeeld en moet zo nodig de volumestatus worden
gecorrigeerd. Patiënten moeten worden gecontroleerd op tekenen en symptomen van hypotensie na initiatie
van de behandeling.
In geval van omstandigheden die kunnen leiden tot vloeistofverlies (bijv. gastro-intestinale aandoeningen), is
het aanbevolen om zorgvuldig de volumestatus (bijv. via lichamelijk onderzoek, bloeddrukmeting,
laboratoriumtests waaronder hematocriet) en elektrolyten te controleren bij patiënten die sotagliflozine
gebruiken. Een tijdelijke stopzetting van de behandeling met sotagliflozine kan worden overwogen tot het
vloeistofverlies is gecorrigeerd.
Genitale mycotische infecties
Geneesmiddel
Overeenkomstig het mechanisme van SGLT2-remmers met verhoogde UGE, verhoogt sotagliflozine het
risico op genitale mycotische infecties, zoals is gemeld in klinische onderzoeken (zie rubriek 4.8).
Patiënten met een voorgeschiedenis van chronische of herhaalde genitale mycotische infecties lopen meer
kans op het ontwikkelen ervan. Patiënten moeten op passende wijze worden gecontroleerd en behandeld.
Urineweginfecties
Tijdelijke stopzetting van sotagliflozine dient te worden overwogen tijdens het behandelen van pyelonefritis
en urosepsis.
Ouderen
Amputatie van de onderste ledematen
Er is een toename waargenomen van amputaties van de onderste ledematen (voornamelijk van de teen) in
lopende klinische langetermijnonderzoeken met andere SGLT2-remmers. Het is niet bekend of dit een
klasse-effect is. Zoals bij alle patiënten met diabetes is het belangrijk patiënten te wijzen op routinematige
preventieve voetverzorging.
Necrotiserende fasciitis van het perineum (Fournier-gangreen)
Na het in de handel brengen van andere SGLT2-remmers werden gevallen gemeld van necrotiserende
fasciitis van het perineum (ook bekend als Fournier-gangreen), bij vrouwelijke en mannelijke gebruikers. Dit
is een zeldzame, maar ernstige en mogelijk levensbedreigende gebeurtenis die dringende chirurgische
ingreep en behandeling met antibiotica vereist.
Patiënten moeten worden geadviseerd om medische hulp in te roepen als ze een combinatie van symptomen
ervaren van pijn, gevoeligheid, erytheem of zwelling in het genitale of perineale gebied, met koorts of
malaise. Wees u ervan bewust dat ofwel urogenitale infectie of perineaal abces kunnen voorafgaan aan
necrotiserende fasciitis. Als Fournier-gangreen wordt vermoed, moet sotagliflozine worden stopgezet en
moet directe behandeling (inclusief antibiotica en chirurgisch debridement) worden ingesteld.
Laboratoriumanalysesvan urine
Gezien het werkingsmechanisme zullen patiënten die sotagliflozine gebruiken positief testen op glucose in
de urine.
geregistreerd
Geneesmiddel-laboratoriumtestinterferentie
Interferentie met 1,5-anhydroglucitol- (1,5-AG-) test
Het opvolgen van de glykemische controle via een 1,5-AG-test wordt niet aanbevolen, aangezien metingen
van 1,5-AG niet betrouwbaar zijn voor gebruik bij de glykemische controle van patiënten die
langer
geneesmiddelen gebruiken die SGLT2 inhiberen. Alternatieve methoden zouden gebruikt moeten worden
voor de glykemische controle.
niet
4.5 Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Effecten van andere geneesmiddelen op sotagliflozine
Gelijktijdige toediening van meerdere doses rifampicine, een inductor van diverse uridinedifosfaat-
glucuronosyltransferase- (UGT-) en cytochroom P450- (CYP-) metaboliserende enzymen, met een enkele
dosis van 400 mg sotagliflozine, resulteerde in een afname in de AUC0-inf (60%) en Cmax (40%) van
sotagliflozine. Deze verminderde blootstelling aan sotagliflozine kan de werkzaamheid doen afnemen. Als
een enzyminductor (bijv. rifampicine, fenytoïne, fenobarbital, ritonavir) gelijktijdig moet worden toegediend
met sotagliflozine, overweeg dan frequente controle van de glucosewaarde.
Interactieonderzoeken bij gezonde vrijwilligers toonden aan dat metformine, metoprolol, midazolam,
rosuvastatine en orale anticonceptiva geen klinisch relevant effect hadden op de farmacokinetiek van
sotagliflozine.
Geneesmiddel
Effecten van sotagliflozine op andere geneesmiddelen
Er is een toename in AUC0-inf en Cmax van digoxine (respectievelijk 27% en 52%) bij gelijktijdige toediening
met sotagliflozine 400 mg, als gevolg van remming van P-glycoproteïne door sotagliflozine. Patiënten die
sotagliflozine gelijktijdig met digoxine gebruiken, dienen op toepasselijke wijze te worden gecontroleerd.
Een ongeveer 1,2- en 1,4-voudige toename van de totale blootstelling en Cmax van rosuvastatine werd
waargenomen bij gelijktijdige toediening met sotagliflozine en wordt niet klinisch relevant geacht. Echter,
het mechanisme achter de beperkte toename in blootstelling wordt niet geheel duidelijk, aangezien
sotagliflozine en M19 (sotagliflozine-3-O-glucuronide) worden gekenmerkt als BCRP-remmers in vitro en
M19 ook als een OATP1B3- en OAT3-remmer. Rosuvastatine is een bekend OATP-, BCRP- en OAT3-
OAT3-, OATP- en/of BCRP-substraten (bijv. fexofenadine, paclitaxel, bosentan, methotrexaat, furosemide,
benzylpenicilline) waardoor de blootstelling mogelijk groter is dan bij rosuvastatine. Men dient te
beoordelen of er extra veiligheidsmonitoring nodig is bij het gebruik van deze substraten.
Gebaseerd op in-vitrogegevens kan een inductie van CYP2C9, CYP2B6 en CYP1A2 niet worden
uitgesloten. Substraten van deze enzymen dienen te worden gecontroleerd op afname van werkzaamheid.
Interactieonderzoeken uitgevoerd bij gezonde vrijwilligers toonden aan dat sotagliflozine geen klinisch
relevant effect had op de farmacokinetiek van metformine, metoprolol, midazolam en orale anticonceptiva.
Insuline
Insuline kan het risico op hypoglykemie doen toenemen. Mogelijk is een lagere dosis insuline nodig om het
risico op hypoglykemie te minimaliseren wanneer het wordt gebruikt in combinatie met sotagliflozine (zie
rubriek 4.2).

4.6 Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Er zijn geen gegevens over het gebruik van sotagliflozine bij zwangere vrouwen.
Dieronderzoek heeft aangetoond dat sotagliflozine de placenta passeert.
De resultaten van dieronderzoek duiden niet op directe of indirecte schadelijke effecten wat betreft
reproductietoxiciteit (zie rubriek 5.3). Farmacologisch gerelateerde, omkeerbare veranderingen in de nieren
werden waargenomen in een postnataal onderzoek bij ratten, overeenkomstig het tweede en derde trimest
geregistreerd er
van menselijke zwangerschap (zie rubriek 5.3). Zynquista wordt daarom niet aanbevolen tijdens het tweede
en derde trimester van de zwangerschap.
De behandeling met sotagliflozine dient uit voorzorg te worden stopgezet bij vaststelling van een
zwangerschap.
langer
Borstvoeding
Er zijn bij de mens geen gegevens beschikbaar over het uitscheiden van sotagliflozine in moedermelk.
Uit beschikbare toxicologische gegevens bij dieren blijkt dat sotagliflozine in melk wordt uitgescheiden (zie
rubriek 5.3 voor bijzonderheden).
niet
Risico voor pasgeborenen/zuigelingen kan niet worden uitgesloten.
Zynquista mag niet worden gebruikt in de periode dat borstvoeding wordt gegeven.
Vruchtbaarheid
Er is voor sotagliflozine geen onderzoek uitgevoerd naar vruchtbaarheid bij de mens. De resultaten van
dieronderzoek duiden niet op directe of indirecte schadelijke effecten wat betreft vruchtbaarheid (zie rubriek
5.3).


4.7 Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Zynquista heeft geen of een verwaarloosbare invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om machines
te bedienen.
Patiënten dienen echter op de hoogte te zijn van het risico op hypoglykemie als sotagliflozine wordt gebruikt
Geneesmiddel
in combinatie met insuline.

4.8 Bijwerkingen
Samenvatting van het veiligheidsprofiel
De vaakst gemelde bijwerkingen waren genitale mycotische infecties, diabetische ketoacidose en diarree.
Tabel met lijst van bijwerkingen
De volgende bijwerkingen zijn geïdentificeerd in de pool van twee 52 weken durende placebogecontroleerde
klinische onderzoeken die hierboven staan beschreven. De hieronder opgesomde bijwerkingen zijn
gerangschikt volgens frequentie en systeem/orgaanklasse (SOC). Frequenties zijn gedefinieerd als volgt: zeer
(< 1/10.000); niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald).
Tabel 2: Tabel met lijst van bijwerkingen
Systeem/orgaanklasse
Frequentie van optreden

Zeer vaak
Vaak
Soms
Infecties en parasitaire
Genitale
Genitale mycotische
aandoeningen
mycotische
infecties bij mannen*,
b,
infecties bij
urineweginfecties*,
vrouwen*,
a,
Voedings- en
Diabetische ketoacidose*,
stofwisselingsstoornissen
Bloedvataandoeningen

Volumedepletie*,
c,
Maagdarmstelselaandoeningen
Diarree, flatulentie
Nier- en
Toegenomen mictied,
urinewegaandoeningen
bloedcreatinine
verhoogd/glomerulaire
filtratie verlaagd
Onderzoeken
Bloedketonlichamen
verhoogd, serumlipiden
verhoogde, hematocriet
geregistreerd
verhoogdf
* Zie rubriek 4.4.
Zie de subrubrieken voor aanvullende informatie.
a Groepering van bijwerkingen is inclusief maar niet beperkt tot vulvovaginale mycotische infectie,
vaginale infectie, vulvitis, vulvovaginale candidiasis, genitale ontsteking, genitale candidiasis, genitale
mycotische infectie, vulvovaginitis, urogenitale infectiedoor schimmels.
langer
b Groepering van bijwerkingen is inclusief maar niet beperkt tot balanopostitis, genitale mycotische
infectie, balanitis candida, epididymitis.
c Groepering van bijwerkingen is inclusief dehydratie, hypovolemie, posturale duizeligheid,
niet
orthostatische hypotensie, hypotensie, syncope en presyncope wanneer gemeld in verband met
volumedepletie.
d Groepering van bijwerkingen is inclusief urine outputverhoogd, polydipsie, dringende urinelozing,
nachtelijke mictie, pollakisurie en polyurie.
e Gemiddelde percentages voor de veranderingen vanaf baseline voor sotagliflozine 200 mg en 400 mg
versus placebo waren respectievelijk HDL-C 3,3% en 4,2% versus 0,5%; LDL-C 5,0% en 6,1% versus
3,3%; triglyceriden 5,7% en 5,4% versus 2,7%.
f Het aandeel proefpersonen dat voldeed aan het criterium hematocriet > 50% was hoger in de groepen
met sotagliflozine 200 mg en 400 mg (6,7% en 8,2%) in vergelijking met de placebogroep (2,7%).
Beschrijving van geselecteerde bijwerkingen
Diabetische ketoacidose
Geneesmiddel
In placebogecontroleerde klinische onderzoeken met sotagliflozine werd patiënten geadviseerd de urine- of
bloedketonen te controleren ingeval van vermoede symptomen van DKA, en medische hulp te zoeken als
hun zelfgemeten bloedketonenwaarde > 0,6 mmol/l was. In de gepoolde gegevens van 52 weken was de
incidentie van DKA op dosisafhankelijke wijze verhoogd voor sotagliflozine (respectievelijk 2,9% en 3,8%
voor sotagliflozine 200 mg en 400 mg) in vergelijking met placebo (0,2%). De voor blootstelling aangepaste
incidentieverhouding was 3,12, 4,19 en 0,21 proefpersonen per 100 patiëntjaren voor sotagliflozine 200 mg,
sotagliflozine 400 mg en placebo. Vijftien van de 35 gevallen (43%) kreeg te maken met DKA met
glucosewaarden in het glykemisch bereik van 8 tot 14 mmol/l. In een uitgebreidere pool met alle patiënten
met diabetes mellitus type 1 in de fase 2- en 3-onderzoeken, was de voor blootstelling aangepaste
incidentieverhouding 3,07, 5,29 en 0,76 proefpersonen per 100 patiëntjaren voor sotagliflozine 200 mg,
sotagliflozine 400 mg en placebo (zie rubriek 4.4).
Sotagliflozine veroorzaakt osmotische diurese, wat kan leiden tot intravasculaire volumecontractie en
bijwerkingen die in verband staan met volumedepletie. Bijwerkingen die in verband staan met
volumedepletie (bijv. hypovolemie, verlaagde bloeddruk, verlaagde systolische bloeddruk, dehydratie,
hypotensie, orthostatische hypotensie en syncope) werden gemeld door respectievelijk 2,7%, 1,1% en 1,0%
van de patiënten die werden behandeld met sotagliflozine 200 mg, sotagliflozine 400 mg en placebo.
Sotagliflozine kan het risico op hypotensie verhogen voor patiënten met risico op volumecontractie (zie
rubriek 4.4).
Genitale mycotische infecties
De incidentie van genitale infecties bij vrouwen (bijv. vulvovaginale mycotische infectie, vaginale infectie,
vulvovaginale candidiasis en vulvitis) was verhoogd in de sotagliflozine 200 mg en 400 mg groepen
(respectievelijk 15% en 17%) in vergelijking met placebo (4,7%). De meeste voorvallen waren licht of matig
van aard en er is geen ernstig geval gemeld. Stopzetting als gevolg van genitale mycotische infecties trad op
bij respectievelijk 1,2%, 1,1% en 0,8% van de patiënten die werden behandeld met sotagliflozine 200 mg,
sotagliflozine 400 mg en placebo.
De incidentie van genitale infecties bij mannen (bijv. balanopostitis, genitale mycotische infectie) was
verhoogd voor sotagliflozine 200 mg (3,0%), sotagliflozine 400 mg (6,3%) in vergelijking met placebo
(1,1%). Alle voorvallen waren licht of matig van aard en er waren geen ernstige gevallen. Stopzetting als
gevolg van genitale mycotische infecties trad op bij respectievelijk 0%, 0,4% en 0,4% van de patiënten die
werden behandeld met sotagliflozine 200 mg, sotagliflozine 400 mg en placebo.
geregistreerd
Urineweginfecties
De totale frequentie van gemelde urineweginfecties was 7,1% en 5,5% voor sotagliflozine 200 mg en
sotagliflozine 400 mg in vergelijking met 6,1% voor placebo. De incidentie van urineweginfecties bij
vrouwelijke proefpersonen was 12%, 7% en 11%, en de incidentie van urineweginfecties bij mannelijke
proefpersonen was 2,3%, 4,0% en 1,8% voor respectievelijk sotagliflozine 200 mg, sotagliflozine 400 mg en
langer
placebo. Alle gevallen van urineweginfectie waren licht of matig van aard, behalve één ernstig geval
(mannelijke proefpersoon in de sotagliflozine 400 mg groep). Twee voorvallen (twee gevallen van cystitis)
waren ernstig; beide traden op bij mannelijke proefpersonen in de groep met sotagliflozine 400 mg.
niet
Bloedcreatinine verhoogd/glomerulaire filtratie verlaagd en renaal gerelateerde voorvallen
Sotagliflozine werd geassocieerd met afnames van de gemiddelde eGFR bij week 4 (-4,0% en -4,3% voor
sotagliflozine 200 mg en 400 mg) versus placebo (-1,3%), die over het algemeen omkeerbaar waren bij het
voortzetten van de behandeling. Gemiddelde toenames in serumcreatinine vanaf baseline tot week 4 waren
respectievelijk 4,0%, 4,3% en 1,4% voor sotagliflozine 200 mg, sotagliflozine 400 mg en placebo. Bij week
24 en 52 was de verandering van de creatinine vanaf baseline gelijk aan of minder dan 0,02 mg/dl voor
zowel sotagliflozine 200 mg als sotagliflozine 400 mg.
De incidentie van renaal gerelateerde voorvallen was laag en was vergelijkbaar in alle groepen (1,5%, 1,5%
en 1,3% voor sotagliflozine 200 mg, sotagliflozine 400 mg en placebo).

Tabel 3: Wijzigingen vanaf baseline in serumcreatinine en eGFR in de pool van twee 52-weekse
placebogecontroleerde studies
Geneesmiddel

Placebo
Sotagliflozine
Sotagliflozine
(n = 526)
200 mg
400 mg
(n = 524)
(n = 525)
Gemiddelde
n
526
524
525
baselinewaarden
Creatinine
0,85
0,85
0,85
(mg/dl)
eGFR
90,2
89,3
89,1
(ml/min/1,73 m2)
Gemiddelde
n
511
502
505
verandering vanaf
Creatinine
0,01
0,03
0,04
baseline bij week 4
(mg/dl)
-1,15
-3,57
-3,81
(ml/min/1,73 m2)
Gemiddelde
n
481
479
477
verandering vanaf
Creatinine
0,01
0,02
0,02
baseline bij week 24
(mg/dl)
eGFR
-1,06
-1,79
-1,66
(ml/min/1,73 m2)
Gemiddelde
n
374
392
380
verandering vanaf
Creatinine
0,01
0,02
0,01
baseline bij week 52
(mg/dl)
eGFR
-0,70
-2,14
-0,57
(ml/min/1,73 m2
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op deze
wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico's van het geneesmiddel voortdurend worden gevolgd.
Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen te melden via
het nationale meldsysteem zoals vermeld in aanhangsel V.

4.9 Overdosering
Bij gezonde vrijwilligers werden meerdere doses van 800 mg eenmaal daags toegediend en deze doses
werden goed verdragen.
geregistreerd
In het geval van een overdosis dient toepasselijke ondersteunende behandeling te worden opgestart,
overeenkomstig de klinische status van de patiënt.
De eliminatie van sotagliflozine door middel van hemodialyse is niet onderzocht.
langer

5.
FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN

5.1 Farmacodynamische eigenschappen niet
Farmacotherapeutische categorie: diabetesgeneesmiddelen, natrium-glucose-cotransporter-2- (SGLT2-)
remmers, ATC-code: A10BK06
Werkingsmechanisme
Sotagliflozine is een dubbele remmer van natrium-glucose-cotransporter type 1 (SGLT1) en type 2 (SGLT2).
Plaatselijke intestinale remming van SGLT1, de voornaamste transporter voor glucoseabsorptie, vertraagt en
vermindert de glucoseabsorptie in het proximale deel van de darm, wat resulteert in een afzwakking en
vertraging van postprandiale hyperglykemie. SGLT2 is de voornaamste transporter die verantwoordelijk is
voor reabsorptie van glucose uit het glomerulair filtraat terug de circulatie in. Door remming van SGLT2
vermindert sotagliflozine de renale reabsorptie van gefilterde glucose en verlaagt het de renale drempel voor
Geneesmiddel
glucose, waardoor de glucose-excretie via de urine toeneemt.
Farmacodynamische effecten

Urinaire glucose-excretie

Consistent met SGLT2-remming was, in een 12 weken durend dosisbereikonderzoek, de voor placebo
gecorrigeerde verandering vanaf baseline in urineglucose-excretie (UGE) per 24 uur toegenomen met 57,7
gram (p < 0,001) en 70,5 gram (p < 0,001) bij patiënten met type 1-diabetes die respectievelijk sotagliflozine
200 mg en 400 mg gebruikten, wat overeenkomt met SGLT2-remming.
Consistent met SGLT1-remming was, in een 12 weken durend dosisbereikonderzoek, de voor placebo
gecorrigeerde verandering vanaf baseline in de postprandiale glucose (PPG) na 2 uur, gemeten na een
gestandaardiseerde gemengde maaltijd, afgenomen met 1,52 mmol/l (p = 0,15) en 2,73 mmol/l (p = 0,006)
bij patiënten die respectievelijk 200 mg en 400 mg sotagliflozine gebruikten, wat overeenkomt met SGLT1-
remming.
Klinische werkzaamheid en veiligheid
De werkzaamheid en veiligheid van sotagliflozine bij patiënten met type 1-diabetes die onvoldoende
beheersing bereikten met hun huidige insulinetherapie, werden beoordeeld in drie dubbelblinde,
placebogecontroleerde onderzoeken. In InTandem1 (onderzoek 1) en InTandem2 (onderzoek 2) werd
sotagliflozine als aanvulling gebruikt op geoptimaliseerde insuline, en in InTandem3 (onderzoek 3) werd
sotagliflozine als aanvulling gebruikt op elk bestaand insulineschema bij patiënten die hun HbA1c-
streefwaarden niet behaalden.
Onderzoek 1 en onderzoek 2
Met een achtergrond van geoptimaliseerde insuline werden de werkzaamheid en veiligheid van sotagliflozine
200 mg of 400 mg eenmaal per dag ten opzichte van enkel insuline beoordeeld in twee dubbelblinde,
placebogecontroleerde onderzoeken (onderzoek 1 en 2), uitgevoerd bij 1.575 patiënten met diabetes type 1
die gebruik maakten van een insulinepomp of meerdere dagelijkse injecties. Elk onderzoek duurde 52
weken, met primaire en belangrijke secundaire eindpunten na 24 weken.
Vanaf 6 weken voorafgaand aan randomisatie werd de insulinedosis aangepast (geoptimaliseerd) om de
geregistreerd
volgende glykemische streefwaarden te bereiken: zelfgecontroleerde bloedglucose (SMBG)
vastend/preprandiaal van 4,4-7,2 mmol/l, en SMBG postprandiaal 2 uur/piek van < 10 mmol/l.
Patiënten bleven daarna op geoptimaliseerde insuline en werden gerandomiseerd om sotagliflozine 200 mg,
sotagliflozine 400 mg of enkel insuline te ontvangen. Voor de eerste maaltijd op dag 1 werden patiënten
geïnstrueerd om hun berekende (of gewoonlijke) op maaltijd (koolhydraten) afgestemde bolusinsuline te
verlagen met 30%. De insulineoptimalisatie werd voortgezet gedurende het hele onderzoek.
langer
In onderzoek 1 werden in totaal 793
patiënten geïncludeerd. De gemiddelde leeftijd van de patiënten was 46
jaar, 8,1% was 65 jaar of ouder. De gemiddelde duur van de diabetes was 24,4 jaar, 60% van de patiënten
niet
gebruikten een insulinepomp en 40% dienden dagelijks meerdere injecties toe. In het onderzoek was 48%
man, 92% was blank en 84% van de gerandomiseerde patiënten heeft het onderzoek afgerond. De
gemiddelde eGFR was 87 ml/min/1,73 m2 en 5,7% van de patiënten had een eGFR tussen 45 en
60 ml/min/1,73 m2. De gemiddelde BMI was 30 kg/m2 en 23% van de patiënten had een systolische
bloeddruk (SBD) van 130 mmHg. Bij screening was de HbA1c 8,21%, 8,26% en 8,20% voor
respectievelijk insuline, insuline + sotagliflozine 200 mg, en insuline + sotagliflozine 400 mg.
In onderzoek 2 werden in totaal 782 patiënten geïncludeerd. De gemiddelde leeftijd van de patiënten was 41
jaar, 4,2% was 65 jaar of ouder. De gemiddelde duur van de diabetes was 18 jaar, 26% van de patiënten
gebruikten een insulinepomp en 74% dienden dagelijks meerdere injecties toe. In het onderzoek was 52%
man, 96,2% was blank en 87% van de gerandomiseerde patiënten heeft het onderzoek afgerond. De
gemiddelde eGFR was 92 ml/min/1,73 m2 en 3,3% van de patiënten had een eGFR tussen 45 en
60 ml/min/1,73 m2. De gemiddelde BMI was 28 kg/m2 en 32% van de patiënten had een systolische
Geneesmiddel
bloeddruk (SBD) van 130 mmHg. Bij screening was de HbA1c 8,42%, 8,35% en 8,38% voor
respectievelijk insuline, insuline + sotagliflozine 200 mg, en insuline + sotagliflozine 400 mg.
Bij week 24 gaf de behandeling met 200 mg of 400 mg sotagliflozine statistisch belangrijke verlagingen van
de HbA1c (p-waarde < 0,001) in vergelijking met insuline alleen. De behandeling met sotagliflozine
resulteerde ook in een afname van lichaamsgewicht en nuchter plasmaglucose (FPG) in vergelijking met
insuline alleen (zie tabel 4).
De belangrijkste resultaten voor insulinedosering en voor de vragenlijsten 'Diabetes Treatment Satisfaction
Questionnaire' en 'Diabetes Distress Screening Scale' worden weergegeven in tabel 4.

1 met onvoldoende controle met insuline (onderzoek 1 ­ onderzoek 2)
geregistreerd
langer
niet
Geneesmiddel
Onderzoek 1
Onderzoek 2

Insuline
Insuline +
Insuline +
Insuline
Insuline +
Insuline +

sotagliflozine sotagliflozine
sotagliflozine sotagliflozine
200 mg
400 mg
200 mg
400 mg
n
268
263
262
258
261
263
HbA1c (%)
Baseline (na 6
7,54
7,61
7,56
7,79
7,74
7,71
weken insuline-
optimalisatie),
gemiddeld
Bij week 24,
7,50
7,17
7,08
7,79
7,36
7,35
gemiddeld
Verandering
-0,07
-0,43
-0,48
-0,02
-0,39
-0,37
vanaf baseline,
LS-gemiddelde
Gemiddelde van
N.v.t.
-0,36*
-0,41*
N.v.t.
-0,37*
-0,35*
insuline alleen,


LS-gemiddelde
[-0,45,
[-0,50,
[-0,48,
[-0,47,
[95%-BI]
-0,27]
-0,32]
-0,25]
-0,24]
HbA1c < 7,0%
61
97 (36,9)
123 (46,9)
39
87 (33,3)
89 (33,8)
bij week 24, n
(22,8)
(15,1)
(%)
Lichaamsgewicht (kg)
geregistreerd
Baseline,
87,30
86,96
86,50
81,08
81,93
82,97
gemiddeld
Verandering
0,78
-1,57
-2,67
0,11
-1,88
-2,47
vanaf baseline,
LS-gemiddelde
Verschil met
N.v.t.
-2,35*
-3,45*
N.v.t.
-1,98*
-2,58*
langer
insuline alleen,


LS-
[-2,5,
[-3,95,
[-2,53,
[-3,12, -2,04]
gemiddelde[95%
-1,85]
-2,94]
-1,44]
niet
-BI]
Bolusinsulinedosis (eenheden/dag)
Baseline,
31,72
30,27
30,75
32,08
31,12
31,89
gemiddeld
% verandering
3,89
-1,80
-8,78
-5,90
-7,04
-10,47
vanaf baseline,
LS-gemiddelde
% verschil met
N.v.t.
-5,70
-12,67*
N.v.t.
-12,95*
-16,37*
enkel insuline,


aangepast
[-12,82, 1,42]
[-19,79,
[-20,50,
[-23,90, -8,83]
gemiddelde
-5,55]
-5,38]
[95%-BI]
Diabetes Treatment Satisfaction Questionnaire
Geneesmiddel
Baseline
28,9
28,4
29,2
28,2
28,3
28,4
gemiddeld
Verschil met
N.v.t.
2,5
2,5
N.v.t.
2,0
1,7
placebo, LS-


gemiddelde
[1,7, 3,3]
[1,8, 3,3]
[1,3, 2,7]
[1,0, 2,4]
[95%-BI]
Diabetes Distress Screening Scale
Baseline-score,
5,0
5,1
4,9
5,3
5,6
5,5
gemiddeld
Onderzoek 1
Onderzoek 2

Insuline
Insuline +
Insuline +
Insuline
Insuline +
Insuline +

sotagliflozine sotagliflozine
sotagliflozine sotagliflozine
200 mg
400 mg
200 mg
400 mg
Verschil met
N.v.t.
-0,7*
-0,8*
N.v.t.
-0,3*
-0,4*
placebo, LS-


gemiddelde
[-0,9, -0,4]
[-1,0, -0,5]
[-0,6, -0,0]
[-0,7, -0,2]
[95%-BI]
Basale insulinedosis (eenheden/dag)
Baseline,
35,06
34,84
33,39
29,76
29,18
29,50
gemiddeld
% verandering
3,77
-1,73
-5,35
1,66
-4,16
-3,01
vanaf baseline,
LS-gemiddelde
% verschil met
N.v.t.
-5,51*
-9,12*
N.v.t.
-5,82
-4,67
insuline alleen,


LS-gemiddelde
[-8,71,
[-12,32,
[-10,04,
[-8,88,
[95%-BI]
-2,30]
-5,91]
-1,59]
-0,47]
n: alle gerandomiseerde en behandelde patiënten
LS (least squares): kleinste-kwadratenmethode
LS-gemiddelden na baseline, verschillen in LS-gemiddelden, 95%-BI's en p-waarden voor elk individueel onderzoek werden
verkregen het invullen van ontbrekende gegevens
*p < 0,001
geregistreerd
p = 0,12
p = 0,034
Er kon geen verschil worden gevonden in HbA1c-verlaging in de subgroepen naar leeftijd, geslacht, ras,
geografische regio, BMI op baseline, leeftijd bij diagnose, HbA1c op baseline, eGFR, duur van de ziekte en
toedieningswijze van insuline.
langer
In de gecombineerde onderzoeken 1 en 2 waren de voltooiingspercentages na 24 weken respectievelijk
89,5% bij patiënten met alleen insuline en 91,4% en 90,7% bij patiënten die 200 mg en 400 mg
niet
sotagliflozine kregen. De voltooiingspercentages na 52 weken waren respectievelijk 84,2%, 86,6% en
85,3%.
Werkzaamheid gedurende een periode van 52 weken
Aan het einde van de 24 weken was de verlaging in HbA1c -0,36% en -0,38% en na 52 weken -0,23% en -
0,32% met sotagliflozine 200 mg en 400 mg, respectievelijk. Het aandeel patiënten met A1C < 7,0% na 24
weken was 19,0% voor placebo, 35,1% voor sotagliflozine 200 mg, 40,4% voor sotagliflozine 400 mg, en na
52 weken was het 18,3%, 28,6% en 31,6% voor placebo, sotagliflozine 200 mg en 400 mg respectievelijk.
Aan het einde van de 52 weken waren de verlaging in lichaamsgewicht, de gemiddelde dagelijkse dosis
bolusinsuline en FPG behouden in vergelijking met insuline alleen.
CGM-subonderzoek: 2-uurs-PPG en tijd binnen bereik
Geneesmiddel
Vanuit onderzoek 1 en onderzoek 2 deden 278 patiënten mee aan een geblindeerd subonderzoek van
continue glucosebewaking (CGM) (zie tabel 5).

onderzoek 2)

Insuline Insuline +
Insuline +
Kenmerk
sotagliflozine sotagliflozine
200 mg
400 mg
n
93
89
96
Percentage tijd binnen bereik 3,9-10,0 mmol/l

Baseline (na 6 weken insulineoptimalisatie), LS-gemiddelde
52,30
52,19
50,66
Verandering vanaf baseline, LS-gemiddelde
-1,26
4,09
10,45
Verschil met insuline alleen, LS-gemiddelde % (p-waarde)
N.v.t.
5,35 (0,026)*
11,71 (< 0,001)
2-uurs-postprandiale glucose na een gestandaardiseerde


gemengde maaltijd, mmol/l
Baseline (na 6 weken insulineoptimalisatie), gemiddeld
12,76
11,75
11,64
Verandering vanaf baseline, LS-gemiddelde
-0,44
-2,37
-2,71
Verschil met insuline alleen, LS-gemiddelde (p-waarde)
N.v.t.
-1,93 (0,004)
-2,27 (< 0,001)
* 5,35% meer tijd binnen bereik, komt overeen met 1,3 uur
11,71% meer tijd binnen bereik, komt overeen met 2,8 uur
Onderzoek 3
InTandem 3 (onderzoek 3) was een 24 weken durend onderzoek, uitgevoerd tegen een achtergrond van een
bestaand insulineschema bij patiënten met diabetes type 1, die bij screening een HbA1c van 7,0% tot
11,0% hadden, voor het beoordelen van de werkzaamheid en veiligheid van sotagliflozine 400 mg eenmaal
per dag in vergelijking met insuline alleen.
geregistreerd
Voor de eerste maaltijd op dag 1 werden patiënten geïnstrueerd om hun berekende (of gewoonlijke) op
maaltijd (koolhydraten) afgestemde bolusinsuline te verlagen met 30%.
De gemiddelde leeftijd van de patiënten was 43 jaar, 7,2% was 65 jaar of ouder. De gemiddelde duur van de
langer
diabetes was 20 jaar, 39% van de patiënten gebruikte een insulinepomp en 61% had een insulinebehandeling
zonder pomp.
In het onderzoek was 50% man, 88 % was blank en 87% van de gerandomiseerde patiënten heeft het
onderzoek afgerond.
niet
De gemiddelde eGFR was 92 ml/min/1,73 m2 en 5% van de patiënten had een eGFR tussen 45 en
60 ml/min/1,73 m2. De gemiddelde BMI was 28 kg/m2 en 29% van de patiënten had een systolische
bloeddruk (SBD) van 130 mmHg.
Na 24 weken waren de resultaten van de behandeling met sotagliflozine 400 mg vóór de eerste maaltijd van
de dag: een statistisch significant hoger aantal patiënten die het primair eindpunt van nettovoordeel bereikten
(aandeel patiënten met HbA1c < 7,0% in week 24 en geen episode van ernstige hypoglykemie, en geen
episode van DKA vanaf randomisatie tot week 24) in vergelijking met insuline alleen (28,6% t.o.v. 15,2%)
(p-waarde < 0,001) en een statistisch significante daling in de gemiddelde HbA1c (p-waarde < 0,001).
De behandeling met sotagliflozine had ook in een afname van lichaamsgewicht en bolusinsulinedosis tot
gevolg in vergelijking met insuline alleen (zie tabel 6). De behandeling met sotagliflozine resulteerde ook
Geneesmiddel
een afname van lichaamsgewicht en systolische bloeddruk (bij patiënten met SBD op baseline 130 mmHg)
in vergelijking met insuline alleen (zie tabel 6). De gemiddelde resultaten van insulinebehandeling worden
weergegeven in tabel 6.
sotagliflozine als aanvulling op een insulinebehandeling bij patiënten die niet voldoen aan hun HbA1c-
streefwaarden (onderzoek 3):

Insuline
Insuline +
Kenmerk
sotagliflozine
400 mg
n
703
699
HbA1c (%)
Baseline, LS-gemiddelde
8,21
8,26
Verandering vanaf baseline, gemiddeld
-0,33
-0,79
Verschil van insuline alleen, LS-
N.v.t.
-0,46
gemiddelde [95%-BI]
[-0,54, -0,38]
HbA1c < 7,0% bij week 24, n (%)
111 (15,8)
207 (29,6)
Lichaamsgewicht (kg)
Baseline, gemiddeld
81,55
82,40
Verandering vanaf baseline, LS-
gemiddelde
0,77
-2,21
Verschil met insuline alleen, LS-
N.v.t.
-2,98
gemiddelde [95%-BI]
[-3,31, -2,66]
Bolusinsuline
Baseline, gemiddeld in eenheden
28,72
27,34
% verandering vanaf baseline, LS-
gemiddelde
6,62
-5,71
geregistreerd
% verschil met enkel insuline, LS-
N.v.t.
-12,32
gemiddelde
Basale insuline
Baseline, gemiddeld in eenheden/dag
29,63
29,54
% verandering vanaf baseline, LS-
6,76
-3,11
gemiddelde
langer
% verschil met insuline alleen, LS-
N.v.t.
-9,88
gemiddelde
Systolische bloeddruk bij mensen met baseline-SBD 130 mmHg*
niet
n
203
203
Baseline, gemiddelde in mmHg
139,9
140,5
Verandering vanaf baseline, LS-
-5,7
-9,2
gemiddelde
Verschil met insuline alleen, aangepast
N.v.t.
-3,5
gemiddelde [95%-BI]
[-5,7, -1,3]
* De systolische bloeddruk werd beoordeeld in week 16
LS-gemiddelde: kleinste-kwadratengemiddelde
p < 0,001
p = 0,002
Geneesmiddel
In de 52 weken durende onderzoeken was de incidentie van ernstige hypoglykemie en aantallen
gedocumenteerde hypoglykemie (totaal en tijdens de nacht) lager met sotagliflozine in vergelijking met
insuline alleen, zoals weergegeven in tabel 7.


Tabel 7: Incidentie van ernstige hypoglykemie en aantallen gedocumenteerde (totaal en tijdens de

nacht) hypoglykemische voorvallen in de pool van twee 52 weken durende, placebogecontroleerde
klinis
che onderzoeken
Insuline
Insuline +
Insuline +
(n = 526)
sotagliflozine
sotagliflozine
200 mg
400 mg
(n = 524)
(n = 525)
Incidentie van ernstige
7,4
5,7
4,4
hypoglykemie (%)*
Verlaging van het risico van
-
24a
41b
ernstige hypoglykemie in
vergelijking met insuline alleen
(%)
Aantal gedocumenteerde
3,1 mmol/l: 19,0 3,1 mmol/l: 14,9
3,1 mmol/l: 15,0
hypoglykemievoorvallen (per 3,9 mmol/l: 95,6 3,9 mmol/l: 81,3
3,9 mmol/l: 83,7
patiëntjaar) bij drempels van
3,1 of 3,9 mmol/l
geregistreerd
Verlaging van het risico van
-
21c
18c
gedocumenteerde
hypoglykemie in vergelijking
met insuline alleen bij drempels
van 3,1 mmol/l (%)
Aantal gedocumenteerde
3,1 mmol/l: 2,7
3,1 mmo
langer l/l: 2,3 3,1 mmol/l: 2,3
nachtelijke
3,9 mmol/l: 12,2 3,9 mmol/l: 11,0
3,9 mmol/l: 11,1
hypoglykemievoorvallen (per
patiëntjaar) bij drempels van
niet
3,1 of 3,9 mmol/l


*Gedefinieerd als een voorval dat consistent is met hypoglykemie, waarbij de patiënt de hulp van
een andere persoon nodig had om te herstellen, waarbij verlies van bewustzijn optrad of men een
insult heeft ervaren (ongeacht of er biochemische documentatie van een lage glucosewaarde was).
Alle voorgelegde ernstige gevallen van hypoglykemie zijn positief beoordeeld.
Gedefinieerd als een gedocumenteerde SMBG- of laboratoriumbloedglucosewaarde onder of
gelijk aan de drempel van 3,1 of 3,9 mmol/l.
Gedefinieerd als een voorval dat optrad tussen 00:00 en 05:59 uur.
a p = 0.28
b p = 0.04
c
p < 0,01
Geneesmiddel
In onderzoek 3 waren de incidenties van ernstige hypoglykemie na 24 weken 2,4% en 3,0% bij
respectievelijk placebo en sotagliflozine 400 mg en de vermindering in het percentage hypoglykemische
voorvallen na 24 weken (bloedglucose 3,1 mmol/l) voor sotagliflozine 400 mg was 22% (p < 0,001)
vergeleken met alleen insuline.
Patiënten met een verminderde nierfunctie
In de 3 gerandomiseerde klinische fase 3-onderzoeken bij patiënten met type 1-diabetes werden patiënten
met een eGFR < 45 ml/min/1,73 m2 uitgesloten; 79 patiënten die werden blootgesteld aan sotagliflozine
hadden een eGFR < 60 ml/min/1,73 m2 en 841 patiënten hadden een eGFR 60 tot 90 ml/min/1,73 m2.
Een HbA1c-afname waargenomen bij patiënten met eGFR 60 tot < 90 ml/min/1,73 m2 was vergelijkbaar
met een HbA1c-afname waargenomen bij patiënten met een eGFR 90 ml/min/1,73 m2. Bij patiënten met
verschillen in veiligheid vastgesteld bij de behandeling met sotagliflozine in vergelijking met insuline alleen
bij patiënten met een eGFR tussen 45 en 60 ml/min/1,73 m2.
Nuchter plasmaglucose
In een vooraf gespecificeerde gepoolde analyse van onderzoek 1 en onderzoek 2 resulteerde de behandeling
met sotagliflozine als aanvulling op insuline in veranderingen in LS-gemiddelden vanaf baseline in FPG van
-0,56 mmol/l voor sotagliflozine 200 mg en -0,87 mmol/l voor sotagliflozine 400 mg, vergeleken met
insuline alleen (0,32 mmol/l) bij week 24.
In onderzoek 3 was er bij week 24 een significante verlaging in FPG van 0,79 mmol/l (p < 0,001) met
sotagliflozine 400 mg, vergeleken met insuline alleen.
Bloeddruk
In een vooraf gespecificeerde gepoolde analyse van onderzoek 1 en onderzoek 2 resulteerde de behandeling
met sotagliflozine als aanvulling op insuline in een verlaging van de systolische bloeddruk (SBD) (-
0,6 mmHg voor placebo, -2,6 mmHg voor sotagliflozine 200 mg en -4,1 mmHg voor sotagliflozine 400 mg)
bij week 12. Een gepoolde analyse van verandering in de systolische bloeddruk bij patiënten met een
systolische bloeddruk op baseline van 130 mmHg, vertoonde een grotere afname in systolische bloeddruk
bij week 12 (-5,4 mmHg voor placebo, -9,0 mmHg voor sotagliflozine 200 mg en -10,7 mmHg voor
sotagliflozine 400 mg).
Pediatrische patiënten
Het Europees Geneesmiddelenbureau heeft besloten tot uitstel van de verplichting voor de fabrikant om de
geregistreerd
resultaten in te dienen van onderzoek met Zynquista in een of meerdere subgroepen van pediatrische
patiënten met diabetes mellitus type 1 (zie rubriek 4.2 voor informatie over pediatrisch gebruik).

5.2 Farmacokinetische eigenschappen
langer
De farmacokinetische (PK-) kenmerken van sotagliflozine zijn vastgesteld bij gezonde proefpersonen en bij
diabetespatiënten. Tussen de twee populaties werden geen klinisch relevante verschillen gevonden.
Absorptie
niet
De gemiddelde Tmax varieerde van 1,25 tot 3 uur, gemeten over een eenmalige-dosisbereik van 400 tot
2000 mg. Na toediening van meerdere doses (dosis van 400 en 800 mg) varieerden de mediane Tmax-waarden
van 2,5 tot 4 uur.
De geneesmiddelfractie die werd geabsorbeerd na toediening van een eenmalige dosis [14C]-sotagliflozine
werd geschat op ten minste 71%, gebaseerd op het detecteerbaar dosispercentage radioactiviteit in de urine
en voor de sotagliflozinemetabolieten in de ontlasting.
Wanneer sotagliflozinetabletten werden toegediend bij een hoogcalorisch ontbijt, was de plasmablootstelling
aan sotagliflozine, zoals gemeten via Cmax en AUC0 inf, ongeveer respectievelijk het 2,5- en 1,5-voudige, in
vergelijking met nuchtere toestand.
Distributie
Geneesmiddel
Zowel sotagliflozine als de belangrijkste humane metaboliet 3-O-glucuronide (M19), vertoonden in vitro een
hoge mate van binding aan humane plasmaproteïnen (niet-gebonden fractie ongeveer 2%), die niet
afhankelijk was van de concentratie van sotagliflozine en M19. De hoge mate van eiwitbinding werd
bevestigd in klinische onderzoeken en werd niet beïnvloed door verminderde nier- of leverfunctie.
Het schijnbare distributievolume van sotagliflozine na toediening van een enkele orale dosis van 400 mg
[14C]-sotagliflozine bleek zeer hoog te zijn met een gemiddelde waarde van 9392 l.

Bij gezonde proefpersonen werd na toediening van een enkele dosis van 400 mg [14C]-sotagliflozine
waargenomen dat sotagliflozine uitgebreid werd gemetaboliseerd, voornamelijk tot M19, welke 94% van de
radioactiviteit in het plasma vertegenwoordigde.
De primaire metabolisatieroute van sotagliflozine bij mensen is via glucuronidering door uridine-5'-
difosfaat-glucuronosyltransferases primair via UGT1A9 en in veel mindere mate door UGT1A1 en UGT2B7
evenals via oxidatie door CYP3A4.
Na incubatie van sotagliflozine met UGT1A9 was M19 de voornaamste waargenomen conjugaat. Er werden
geen acylglucuronides van sotagliflozine gevonden.
In in-vitro-onderzoeken had sotagliflozine geen remmende werking op CYP1A2, -2C9, -2C19, -2D6, of -
3A4, en geen inducerende werking op CYP1A2, -2B6, of -3A4.
Sotagliflozine en M19 hadden geen significant vermogen voor remming van OCT1, OCT2, OAT1, OAT3,
OATP1B1 en OATP1B3.
M19 is een inductor en remmer van CYP3A4 en een remmer van CYP2D6.
In vitro vertoonde sotagliflozine een remmend effect op P-glycoproteïne en BCRP (borstkankerresistent
eiwit). M19 toonde in vitro remmende effecten aan op OATP1B1/B3 en MRP2.
Eliminatie/excretie
Na toediening van een enkele dosis van 400 mg [14C]-sotagliflozine werd een excretie van radioactiviteit in
urine en ontlasting waargenomen van respectievelijk 57% en 37%. Deze resultaten geven aan dat de
voornaamste eliminatieroute renaal is.
In urine was M19 de voornaamste metaboliet die werd aangetroffen en vertegenwoordigde gemiddeld 33
geregistreerd%
van de toegediende radioactieve dosis. Onveranderde [14C]-sotagliflozine vormde de voornaamste
radioactieve piek in fecale monsters en vertegenwoordigde gemiddeld 23% van de totaal toegediende
radioactieve dosis. Bij gezonde vrijwilligers varieerde de gemiddelde totale schijnbare klaring (CL/F) van
sotagliflozine van 261 tot 374 l/u. De geschatte CL/F bij gebruik van populatiefarmacokinetiek, welke
voornamelijk patiënten met type 1-diabetes beoordeelde, was 239 l/u. Gemiddelde terminale halfwaardetijd
langer
(T1/2) varieerde van 21 tot 35 uur voor sotagliflozine en van 19 tot 26 uur voor M19.
Lineariteit/non-lineariteit
De farmacokinetiek van sotagliflozine lijkt dosisproportioneel te zijn in het therapeutisch dosisbereik van
niet
200 mg tot 400 mg per dag.
Speciale populaties
Verminderde nierfunctie
Blootstelling aan sotagliflozine werd beoordeeld in een gericht onderzoek bij proefpersonen met een lichte
(creatinineklaring [CLcr]: 60 tot minder dan 90 ml/min) en matige (CLcr: 30 tot minder dan 60 ml/min)
nierfunctiestoornis en met normale nierfunctie. Bij proefpersonen met verminderde nierfunctie was de
blootstelling aan sotagliflozine na een enkele dosis van 400 mg ongeveer 1,7 maal hoger bij proefpersonen
met een lichte en tot 2,7 maal hoger bij proefpersonen met matige nierfunctiestoornis, vergeleken met
proefpersonen met een normale nierfunctie.
Geneesmiddel
De schijnbare klaring van sotagliflozine nam af met de afname in nierfunctie. In een PK-populatiemodel met
geïntegreerde gegevens van patiënten met verminderde nierfunctie en gezonde proefpersonen, werd geschat
dat bij proefpersonen met chronische nierziekte (CKD) stadium II (eGFR 60 en < 90 ml/min/1,73 m2) en
chronische nierziekte stadium IIIa (eGFR 45 en < 60 ml/min/1,73 m2) de blootstellingen aan sotagliflozine
1,5 maal hoger waren in vergelijking met proefpersonen met een normale nierfunctie. Voor proefpersonen
met chronische nierziekte stadium IIIb (eGFR 30 en < 45 ml/min/1,73 m2) en chronische nierziekte
stadium IV (eGFR 15 en < 30 ml/min/1,73 m2) waren de blootstellingen aan sotagliflozine 1,95 en 2,25
maal hoger in vergelijking met proefpersonen met een normale nierfunctie.

Verminderde leverfunctie

In een onderzoek met proefpersonen met verminderde leverfunctie was de AUC van sotagliflozine niet
toegenomen bij proefpersonen met lichte leverfunctiestoornis (Child-Pugh-A), maar was ~ 3 keer zo hoog bij
ernstige leverfunctiestoornis (Child-Pugh-C).
Ouderen
Uit een farmacokinetische populatieanalyse bleek dat leeftijd geen klinisch betekenisvol effect had op de
farmacokinetiek van sotagliflozine.
Lichaamsgewicht
Gebaseerd op een farmacokinetische populatieanalyse kan worden gesteld dat de blootstelling aan
sotagliflozine afneemt naarmate het lichaamsgewicht toeneemt. Als gevolg daarvan kunnen patiënten met
een lager gewicht een ietwat verhoogde blootstelling ervaren en patiënten met een hoog gewicht een ietwat
verminderde blootstelling. De verschillen in blootstelling werden echter niet als klinisch betekenisvol gezien,
en daarom is op basis van gewicht geen dosisaanpassing nodig.
Geslacht en ras
Uit een farmacokinetische populatieanalyse bleek dat geslacht en ras geen klinisch betekenisvol effect
hadden op de PK van sotagliflozine.
Pediatrische patiënten
Er zijn geen gegevens beschikbaar.

5.3 Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
geregistreerd
In een onderzoek naar carcinogeniteit bij ratten werd een statistisch belangrijke toename waargenomen in
folliculair schildkliercarcinoom bij mannetjes, bij gebruik van 75 mg/kg/dag, ongeveer 14 maal de maximaal
aanbevolen menselijke dosis (MRHD), de hoogste dosis die werd beoordeeld. In een onderzoek met
herhaalde doses waarbij de mogelijke mechanismen werden onderzocht die verantwoordelijk zijn voor de
toename in incidentie van schildkliercarcinoom waargenomen in het carcinogeniteitsonderzoek bij ratten,
werd geconcludeerd dat de toename in verband stond met een sotagliflozinegerelateerde verhoging van het
langer
thyroïdstimulerend hormoon (TSH). Bij de rat wordt TSH beschouwd als het primair carcinogeen waarbij
sotagliflozine fungeert als secundair carcinogeen. Deze veranderingen worden voor mensen niet als relevant
beschouwd, aangezien TSH bij mensen niet carcinogeen is.
niet
Sotagliflozine was niet mutageen of clastogeen.
In een vruchtbaarheidsonderzoek bij ratten had sotagliflozine geen effect op de voortplantingsfunctie,
vruchtbaarheid en levensvatbaarheid van embryo/foetus.
In een toxicologisch onderzoek bij juveniele ratten werden renale veranderingen waargenomen wanneer
sotagliflozine werd toegediend tijdens een periode van renale ontwikkeling die overeenkomt met het late
tweede en het derde trimester van menselijke zwangerschap. Blootstelling was ongeveer 5 maal (mannelijke
ratten) en 11 maal (vrouwelijke ratten) de klinische blootstelling bij de maximaal aanbevolen menselijke
dosis en dit leidde tot omkeerbare tubulaire dilatatie.
In onderzoeken naar de embryo-foetale ontwikkeling bij ratten en konijnen werd sotagliflozine oraal
Geneesmiddel
toegediend in doses tot 350 mg/kg bij ratten en tot 200 mg/kg bij konijnen. In het onderzoek bij ratten
werden embryoletaliteit, effecten op foetale groei samen met cardiovasculaire en skeletafwijkingen
waargenomen bij een blootstelling van het 158-voudige van de menselijke blootstelling bij 400 mg/dag. De
nadelige effecten op de embryo-foetale ontwikkeling bij 350 mg/kg/dag werden geassocieerd met maternale
toxiciteit (gewichtsverlies/verminderde gewichtstoename en afgenomen voedselconsumptie tijdens dag 6 tot
8 van de dracht. Blootstelling aan het `no observed effect level' bij ratten was 40 maal de blootstelling bij de
MRHD. Er werd geen ontwikkelingstoxiciteit waargenomen bij konijnen, bij doses tot 200 mg/kg/dag, wat
tot 9 keer de menselijke blootstelling is bij de MRHD.
In een pre-/postnataal ontwikkelingsonderzoek werden geen aan sotagliflozine gerelateerde bijwerkingen
waargenomen bij zwangere ratten en lacterende vrouwtjesratten, noch in de ontwikkeling van het nageslacht.
werden onderzocht, is geen aan sotagliflozine gerelateerde toxiciteit waargenomen na het toedienen van
orale doses tot ongeveer het 18- en 31-voudige van de MRHD (400 mg/dag), respectievelijk voor mannetjes
en vrouwtjes.
6.
FARMACEUTISCHE GEGEVENS

6.1 Lijst van hulpstoffen

Tabletkern
Microkristallijne cellulose (E460i)
Croscarmellosenatrium
Colloïdaal watervrij silica
Magnesiumstearaat
Talk
Filmomhulling
Polyvinylalcohol
Macrogol
Titaniumdioxide (E171)
Talk
Indigokarmijn aluminiumlak (E132)
geregistreerd
Drukinkt
Schellak
IJzeroxide zwart (E172)
Propyleenglycol
langer

6.2 Gevallen van onverenigbaarheid
Niet van toepassing.
niet

6.3 Houdbaarheid
30 maanden

6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Voor dit geneesmiddel zijn er geen speciale bewaarcondities.

6.5 Aard en inhoud van de verpakking
PVC/PCTFE/aluminium opake blisterverpakkingen.
Verpakkingsgrootten van 10, 20, 30, 60, 90, 100, 180 filmomhulde tabletten, en een meervoudige
Geneesmiddel
verpakking van 200 filmomhulde tabletten (2 verpakkingen van 100 filmomhulde tabletten).
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.

6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen
Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale
voorschriften.
HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Guidehouse Germany GmbH
Albrechtstr. 10c
10117 Berlin
Duitsland
8.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

Zynquista 200 mg filmomhulde tabletten:
EU/1/19/1363/001 10 filmomhulde tabletten
EU/1/19/1363/002 20 filmomhulde tabletten
EU/1/19/1363/003 30 filmomhulde tabletten
EU/1/19/1363/004 60 filmomhulde tabletten
EU/1/19/1363/005 90 filmomhulde tabletten
EU/1/19/1363/006 100 filmomhulde tabletten
EU/1/19/1363/007 180 filmomhulde tabletten
EU/1/19/1363/008 200 (2x100) filmomhulde tabletten (multiverpakking)
9.
DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN DE
VERGUNNING
geregistreerd

Datum van eerste verlening van de vergunning: 26 April 2019
10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
langer
Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees
Geneesmiddelenbureau http://www.ema.europa.eu.

niet
Geneesmiddel
BIJLAGE II

A.
FABRIKANT(EN) VAN DE BIOLOGISCH WERKZAME
STOF(FEN) EN FABRIKANT(EN) VERANTWOORDELIJK
VOOR VRIJGIFTE

B.
VOORWAARDEN OF BEPERKINGEN TEN AANZIEN VAN
LEVERING EN GEBRUIK

C.
ANDERE VOORWAARDEN EN EISEN DIE DOOR DE
HOUDER VAN DE HANDELSVERGUNNING MOETEN
WORDEN NAGEKOMEN

D.
VOORWAARDEN OF BEPERKINGEN MET BETREKKING TOT
EEN VEILIG EN DOELTREFFEND GEBRUIK VAN HET
GENEESMIDDEL
geregistreerd

langer
niet
Geneesmiddel
Naam en adres van de fabrikant(en) verantwoordelijk voor vrijgifte
Sanofi Winthrop Industrie
1 rue de la Vierge
Ambares et Lagrave
33565 Carbon Blanc Cedex
Frankrijk
B. VOORWAARDEN OF BEPERKINGEN TEN AANZIEN VAN LEVERING EN GEBRUIK
Aan beperkt medisch voorschrift onderworpen geneesmiddel (zie bijlage I: Samenvatting van de
productkenmerken, rubriek 4.2).
C. ANDERE VOORWAARDEN EN EISEN DIE DOOR DE HOUDER VAN DE
HANDELSVERGUNNING MOETEN WORDEN NAGEKOMEN
· Periodieke veiligheidsverslagen
De vereisten voor de indiening van periodieke veiligheidsverslagen worden vermeld in de lijst met Europese
geregistreerd
referentiedata (EURD-lijst), waarin voorzien wordt in artikel 107c, onder punt 7 van Richtlijn 2001/83/EG
en eventuele hierop volgende aanpassingen gepubliceerd op het Europese webportaal voor geneesmiddelen.
De vergunninghouder zal het eerste periodieke veiligheidsverslag voor dit geneesmiddel binnen 6 maanden
na toekenning van de vergunning indienen.
langer

D. VOORWAARDEN OF BEPERKINGEN MET BETREKKING TOT EEN VEILIG EN
DOELTREFFEND GEBRUIK VAN HET GENEESMIDDEL
niet
·
Risk Management Plan (RMP)
De vergunninghouder voert de noodzakelijke onderzoeken en maatregelen uit ten behoeve van de
geneesmiddelenbewaking, zoals uitgewerkt in het overeengekomen RMP en weergegeven in module 1.8.2
van de handelsvergunning, en in eventuele daaropvolgende overeengekomen RMP-aanpassingen.

Een aanpassing van het RMP wordt ingediend:
· op verzoek van het Europees Geneesmiddelenbureau
· steeds wanneer het risicomanagementsysteem gewijzigd wordt, met name als gevolg van het
beschikbaar komen van nieuwe informatie die kan leiden tot een belangrijke wijziging van de
bestaande verhouding tussen de voordelen en risico's of nadat een belangrijke mijlpaal (voor
geneesmiddelenbewaking of voor beperking van de risico's tot een minimum) is bereikt.
Geneesmiddel
·
Extra risicobeperkende maatregelen
Voorafgaand aan de lancering in elke lidstaat van Zynquista (sotagliflozine) als aanvulling op een
insulinebehandeling, om de glykemische controle te verbeteren bij volwassenen met diabetes mellitus type 1
met een body mass index (BMI) 27 kg/m2, die ondanks optimale insulinebehandeling hun geschikte
glykemische controle niet hebben kunnen bereiken, dient de vergunninghouder met de nationale bevoegde
autoriteit overeenstemming te bereiken over de inhoud en de opmaak van de educatieve materialen van
sotagliflozine, waaronder de communicatiemedia, de voorwaarden voor distributie en alle andere aspecten
van het programma.
diabetische ketoacidose (DKA) bij patiënten met diabetes type 1.

De vergunninghouder zal erop toezien dat in elke lidstaat waar sotagliflozine in de handel wordt gebracht,
alle beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg die naar verwachting sotagliflozine zullen voorschrijven of
toedienen en alle patiënten/verzorgers die naar verwachting sotagliflozine zullen gebruiken, toegang hebben
tot de volgende voorlichtingsmaterialen:
· Leidraad voor beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg inclusief een checklist voor voorschrijvers
· Leidraad voor patiënten/verzorgers
· Patiëntenwaarschuwingskaart.

De Leidraad voor beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg inclusief de checklist voor voorschrijvers zal
de volgende belangrijke elementen bevatten:
· Sotagliflozine is geen vervanging voor insuline (en verandert de insulinegevoeligheid niet).
· Het risico op DKA is hoger bij een behandeling met sotagliflozine.
· Bij behandeling met sotagliflozine zullen de glucosespiegels de insulinebehoefte niet adequaat
weerspiegelen en kan DKA optreden bij patiënten die met sotagliflozine worden behandeld, zelfs als de
bloedglucosewaarden lager zijn dan 14 mmol/l (250 mg/dl). Daarom moet de glucosecontrole worden
aangevuld met ketoncontrole.
· Patiënten met euglykemische DKA kunnen naast de standaardzorg voor DKA ook glucose nodig hebben
en sotagliflozine moet worden gestaakt als DKA optreedt.
geregistreerd
· Richtlijnen voor de arts om te beoordelen of de patiënt in aanmerking komt voor het voorschrijven van
sotagliflozine, bijv. selectiecriteria voor de patiënt waaronder het zich houden aan de insulinebehandeling
en insulinedrempels, bètahydroxybutyraat (BHB) van de patiënt < 0,6 mmol/l of ketonurie < 1+, BMI
27 kg/m2, afwezigheid van risicofactoren voor DKA.
· Richtlijnen voor de arts om te beoordelen of de patiënt bereid en betrokken is om zelftests uit te voeren
voor en tijdens de therapie.
langer
· Samenvatting van de aanbevelingen voor patiënten, in het bijzonder met betrekking tot
bloedketonenmetingen en de beheersing van ziektedagen.
· Aangaande gebruikers van een pomp: beperk het voorschrijven van sotagliflozine tot patiënten met
niet
ervaring in het gebruik van de pomp en het oplossen van veelvoorkomende problemen bij onderbrekingen
van de insulinetoediening door de pomp in geval van een pompstoring.
· De patiënt dient te worden begeleid en gecontroleerd bij de naleving van de ketonenmonitoring, terwijl
hij/zij 1 tot 2 weken voor het begin van de behandeling de ketonenwaarden vaststelt als baseline. Zorg
ervoor dat de patiënt:
o voorlichting/training gekregen heeft in het testen van ketonen en het interpreteren
van/handelen naar testresultaten,
o bereid/bekwaam is om ketonentests uit te voeren zoals voorgeschreven,
o adequaat geïnformeerd is over de beheersing van ziektedagen.
· Er dient voor gezorgd te worden dat de insulinetherapie van de patiënt optimaal is ingesteld voordat de
behandeling met sotagliflozine wordt gestart.
· De behandeling met sotagliflozine moet tijdelijk worden stopgezet voorafgaand aan chirurgische ingrepen
of in geval van ziekenhuisopname wegens acute ernstige ziekte.
Geneesmiddel
· Als de toevoeging van sotagliflozine tot een duidelijke vermindering van de insulinebehoefte leidt, moet
het stopzetten van sotagliflozine worden overwogen om een hoog risico van DKA te vermijden.
De Leidraad voor patiënten/verzorgers zal de volgende belangrijke elementen bevatten:

· Sotagliflozine is geen vervanging voor insuline.
· DKA kan voorkomen bij patiënten die behandeld worden met sotagliflozine, zelfs als de
bloedglucosewaarden onder de 14 mmol/l (250 mg/dl) zijn (dus het begrip `euglykemische DKA' zal
worden uitgelegd).
· Tekenen/symptomen van DKA ­ als DKA niet adequaat behandeld wordt, kan deze ernstig en fataal zijn.
bij hyperketonemie/DKA (neem onmiddellijk contact op met de zorgverlener bij een BHB > 0,6 mmol/l
met symptomen, of bij een BHB > 1,5 mmol/l met of zonder symptomen).
· De insulinedosis mag tijdens de behandeling alleen worden verlaagd wanneer dat nodig is ter voorkoming
van hypoglykemie en moet voorzichtig gebeuren om ketose en DKA te voorkomen.
· Er mag tijdens de behandeling met sotagliflozine niet met caloriebeperking of koolhydraatbeperking
worden gestart.
De Patiëntenwaarschuwingskaart zal de volgende belangrijke elementen bevatten:
· De Patiëntenwaarschuwingskaart moet worden voorgelegd bij ieder bezoek aan uw zorgverlener.
· DKA kan voorkomen bij patiënten die behandeld worden met sotagliflozine, zelfs als de
bloedglucosewaarden lager zijn dan 14 mmol/l (250 mg/dl).
· Tekenen/symptomen van DKA.
· Patiënten met euglykemische DKA moeten glucose, insuline en vloeistoffen voor DKA krijgen,
sotagliflozine moet worden stopgezet.
· Sotagliflozine moet tijdelijk worden stopgezet voorafgaand aan chirurgische ingrepen of
ziekenhuisopname wegens acute ernstige ziekte.
· Contactgegevens van de voorschrijver van sotagliflozine en de naam van de patiënt.
·
Verplichting tot het nemen van maatregelen na toekenning van de handelsvergunning
De vergunninghouder moet binnen het vastgestelde tijdschema de volgende verplichtingen nakomen:
geregistreerd
Beschrijving
Uiterste
datum
Studie naar de veiligheid uitgevoerd na verlening van de handelsvergunning waarbij het 31-12-2014
geneesmiddel wordt gebruikt zoals vastgesteld bij verlening van de handelsvergunning
(Non-interventional post-authorisation safety study, PASS): Om de incidentie van DKA
langer
bij met sotagliflozine behandelde T1DM-patiënten te schatten teneinde de effectiviteit
van de in Europa uitgevoerde risicominimalisatiemaatregelen te beoordelen, moet de
vergunninghouder de resultaten van een observationele cohortstudie uitvoeren en
indienen met gebruikmaking van bestaande gegevensbronnen in Europese landen waar
niet
sotagliflozine voor T1DM zal worden gelanceerd.





Geneesmiddel





BIJLAGE III
geregistreerd

ETIKETTERING EN BIJSLUITER


langer
niet
Geneesmiddel
A. ETIKETTERING
geregistreerd
langer
niet
Geneesmiddel

BUITENVERPAKKING (met bluebox)
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Zynquista 200 mg filmomhulde tabletten
sotagliflozine

2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
Elke tablet bevat 200 mg sotagliflozine.
3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Filmomhulde tablet
10 filmomhulde tabletten
geregistreerd
20 filmomhulde tabletten
30 filmomhulde tabletten
60 filmomhulde tabletten
90 filmomhulde tabletten
100 filmomhulde tabletten
langer
180 filmomhulde tabletten
5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
niet
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Oraal gebruik.
6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET ZICHT EN
BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
Geneesmiddel


8.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
10. BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN NIET-
GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE AFVALSTOFFEN
(INDIEN VAN TOEPASSING)
11. NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN
Guidehouse Germany GmbH
Albrechtstr. 10c
10117 Berlin
Duitsland
12. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
EU/1/19/1363/001 (200 mg ­ 10 filmomhulde tabletten)
EU/1/19/1363/002 (200 mg ­ 20 filmomhulde tabletten)
EU/1/19/1363/003 (200 mg ­ 30 filmomhulde tabletten)
geregistreerd
EU/1/19/1363/004 (200 mg ­ 60 filmomhulde tabletten)
EU/1/19/1363/005 (200 mg ­ 90 filmomhulde tabletten)
EU/1/19/1363/006 (200 mg ­ 100 filmomhulde tabletten)
EU/1/19/1363/007 (200 mg ­ 180 filmomhulde tabletten)
langer
13. PARTIJNUMMER

Lot
niet
14. ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING


15. INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK
16. INFORMATIE IN BRAILLE
Zynquista
Geneesmiddel

17.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK - 2D MATRIXCODE
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.
18.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK - VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
PC:
SN:
NN:


BUITENVERPAKKING multiverpakking (met bluebox)

1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Zynquista 200 mg filmomhulde tabletten
sotagliflozine

2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
Elke tablet bevat 200 mg sotagliflozine.
3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Filmomhulde tablet
geregistreerd
Multiverpakking: 200 (2 verpakkingen van 100) filmomhulde tabletten
5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
langer
Oraal gebruik.
niet
6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET ZICHT EN
BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP
Geneesmiddel

9.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
10. BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN NIET-
GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE AFVALSTOFFEN
(INDIEN VAN TOEPASSING)
HANDEL BRENGEN
Guidehouse Germany GmbH
Albrechtstr. 10c
10117 Berlin
Duitsland
12. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
EU/1/19/1363/008 200 filmomhulde tabletten (2 verpakkingen van 100)
13. PARTIJNUMMER

Lot
14. ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING
geregistreerd
15. INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK
16. INFORMATIE IN BRAILLE
Zynquista
langer
17.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK - 2D MATRIXCODE
niet
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.
18.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK - VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
PC:
SN:
NN:

Geneesmiddel

BINNENVERPAKKING (zonder bluebox)
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Zynquista 200 mg filmomhulde tabletten
sotagliflozine

2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
Elke tablet bevat 200 mg sotagliflozine.
3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Filmomhulde tablet
geregistreerd
100 filmomhulde tabletten
Deel van een multiverpakking, mag niet afzonderlijk worden verkocht.
5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
langer
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Oraal gebruik
niet

6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET ZICHT EN
BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG

8.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
Geneesmiddel
EXP
9.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
10. BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN NIET-
GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE AFVALSTOFFEN
(INDIEN VAN TOEPASSING)

HANDEL BRENGEN
Guidehouse Germany GmbH
Albrechtstr. 10c
10117 Berlin
Duitsland
12. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
EU/1/19/1363/008 (200 mg ­ 2 verpakkingen van 100 filmomhulde tabletten)
13. PARTIJNUMMER

Lot
14. ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING

geregistreerd

15. INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK
16. INFORMATIE IN BRAILLE
langer
Zynquista
niet
17.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK ­ 2D MATRIXCODE
18.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK ­ VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS


Geneesmiddel
WORDEN VERMELD

BLISTERVERPAKKINGEN

1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL

Zynquista 200 mg tabletten
sotagliflozine

2.
NAAM VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL
BRENGEN
Guidehouse Germany GmbH
3.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP
geregistreerd
4.
PARTIJNUMMER
Lot
langer
5.
OVERIGE
niet
Geneesmiddel

Patiëntenwaarschuwingskaart:
Deze kaart bevat belangrijke veiligheidsinformatie over diabetische ketoacidose (DKA).
Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Daardoor kan snel nieuwe
veiligheidsinformatie worden vastgesteld. U kunt hieraan bijdragen door melding te maken van alle
bijwerkingen die u eventueel zou ervaren via het Nederlands Bijwerkingencentrum Lareb ­ website:
www.lareb.nl

Informatie voor de patiënt:
Draag deze kaart altijd bij u en toon hem aan alle beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg die u
raadpleegt, om hen te informeren over uw huidige behandeling met Zynquista.
Raadpleeg de Leidraad voor patiënten/verzorgers voor meer informatie zoals besproken met uw arts over het
innemen van Zynquista en het risico op DKA. Lees de bijsluiter van Zynquista voor de volledige informatie
en gebruiksaanwijzing.

Informatie voor beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg:
Deze patiënt gebruikt Zynquista voor de behandeling van diabetes mellitus type 1 (T1DM). Deze
behandeling is geïndiceerd als aanvulling op een insulinebehandeling, om de glykemische controle te
verbeteren bij volwassenen met T1DM met een BMI 27 kg/m2, die ondanks optimale insulinebehandeling
hun gewenste glykemische controle niet hebben kunnen bereiken.
geregistreerd
· Zynquista verhoogt het risico op DKA. DKA kan bij patiënten die met Zynquista worden behandeld
zelfs optreden als de bloedglucosespiegel lager is dan 14 mmol/l (250 mg/dl). Dit atypische optreden van
DKA kan de diagnose en behandeling vertragen.
· Glucose is bij patiënten die Zynquista gebruiken geen betrouwbare marker voor DKA en moet
aangevuld worden met ketonencontrole.
langer
· Tekenen en symptomen van DKA kunnen onder andere zijn:
- misselijkheid, braken of buikpijn
- anorexie
niet
- overmatige dorst
- ongebruikelijke vermoeidheid of slaperigheid
- moeite met ademen
- verwardheid
· Zet het gebruik van Zynquista onmiddellijk stop bij een BHB-niveau van de patiënt van > 0,6 mmol/l
(ketonurietest 1+) met symptomen, of bij een BHB van > 1,5 mmol/l (ketonurietest 2+) met of zonder
symptomen.
· Patiënten met euglykemische DKA moeten glucose, insuline en vloeistoffen voor DKA ontvangen;
sotagliflozine moet worden stopgezet.
· Zynquista moet tijdelijk worden stopgezet voorafgaand aan een chirurgische ingreep of
ziekenhuisopname wegens acute ernstige ziekte.
Geneesmiddel
Naam van de patiënt:---------------------------
Datum eerste voorschrijving Zynquista®:----------------------------
Naam centrum:---------------------------
Naam behandelend beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg:-------------------
Contactnummer behandelend beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg:-----------------------


geregistreerd
B. BIJSLUITER
langer
niet
Geneesmiddel

Zynquista 200 mg filmomhulde tabletten
sotagliflozine
Dit geneesmiddel is onderworpen aan aanvullende monitoring. Daardoor kan snel nieuwe
veiligheidsinformatie worden vastgesteld. U kunt hieraan bijdragen door melding te maken van alle
bijwerkingen die u eventueel zou ervaren. Aan het einde van rubriek 4 leest u hoe u dat kunt doen.

Lees goed de hele bijsluiter voordat u dit geneesmiddel gaat innemen want er staat belangrijke
informatie in voor u.
-
Bewaar deze bijsluiter. Misschien heeft u hem later weer nodig.
-
Heeft u nog vragen? Neem dan contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige.
-
Geef dit geneesmiddel niet door aan anderen, want het is alleen aan u voorgeschreven. Het kan
schadelijk zijn voor anderen, ook al hebben zij dezelfde klachten als u.
-
Krijgt u last van een van de bijwerkingen die in rubriek 4 staan? Of krijgt u of een bijwerking die niet in
deze bijsluiter staat? Neem dan contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige.

Inhoud van deze bijsluiter
1. Wat is Zynquista en waarvoor wordt dit middel ingenomen?
2. Wanneer mag u dit middel niet innemen of moet u er extra voorzichtig mee zijn?
3. Hoe neemt u dit middel in?
geregistreerd
4. Mogelijke bijwerkingen
5. Hoe bewaart u dit middel?
6. Inhoud van de verpakking en overige informatie
1.
Wat is Zynquista en waarvoor wordt dit middel ingenomen?
langer
Zynquista bevat de werkzame stof sotagliflozine, een geneesmiddel dat de bloedglucosespiegel (bloedsuiker)
verlaagt. Sotagliflozine werkt door de absorptie van glucose uit voedsel te vertragen en verminderen, en door
de hoeveelheid glucose die wordt uitgescheiden in de urine te vergroten. Deze twee werkingen samen helpen
niet
om de verhoogde glucosespiegel in het bloed bij diabetespatiënten te verlagen.
Zynquista wordt gebruikt als toevoeging aan een behandeling met insuline bij volwassenen met diabetes type
1 met een body mass index (BMI) groter dan of gelijk aan 27. BMI is een meting voor uw gewicht in relatie
tot uw lengte. Diabetes type 1 is een ziekte waarbij het immuunsysteem van uw lichaam de cellen van de
alvleesklier die insuline produceren, vernietigt waardoor het lichaam weinig tot geen insuline, het hormoon
dat normaal gesproken uw bloedglucosespiegel controleert, aanmaakt.
Het is belangrijk dat u doorgaat met uw dieet en lichaamsbewegingsplan en dat u de insulinebehandeling
blijft gebruiken zoals u bent overeengekomen met uw arts, apotheker of verpleegkundige.
Wordt uw klacht niet minder, of wordt hij zelfs erger? Neem dan contact op met uw arts.
Geneesmiddel
2.
Wanneer mag u dit middel niet innemen of moet u er extra voorzichtig mee zijn?

Wanneer mag u dit middel niet gebruiken?
-
U bent allergisch voor een van de stoffen in dit geneesmiddel. Deze stoffen kunt u vinden in rubriek 6.

Wanneer moet u extra voorzichtig zijn met dit middel?
Diabetische ketoacidose (DKA) is een mogelijk levensbedreigend probleem dat kan optreden bij diabetes,
vanwege een verhoogd gehalte aan `ketonlichamen' in uw bloed of urine, te zien via tests. Als u deze
verschijnselen ontwikkelt, neem dan contact op met uw arts of ga meteen naar het dichtstbijzijnde
ziekenhuis.
overmatig alcoholgebruik, drugsgebruik, uitdroging, plotselinge verlagingen in de dosis insuline, of een
grotere behoefte aan insuline veroorzaakt door een grote operatie, ernstige ziekte of infectie. Zie ook
rubriek 4.
Naast deze bijsluiter zit er een waarschuwingskaart voor patiënten bij deze verpakking, waarop belangrijke
veiligheidsinformatie staat die u nodig heeft vóór en tijdens behandeling met Zynquista. Uw arts zal een
speciale voorlichtingssessie inplannen om het risico van DKA te bespreken, hoe u DKA-risicofactoren of
verschijnselen kunt herkennen, hoe en wanneer u ketonenwaarden kunt controleren en welke acties u moet
ondernemen wanneer de ketonenwaarden verhoogd zijn.
Neem contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige voordat u dit middel inneemt, en tijdens de
behandeling:
· als u een van de volgende verschijnselen heeft, die een teken kunnen zijn van een zeldzame maar
ernstige aandoening, diabetische ketoacidose
(zie ook rubriek 4):
o misselijkheid, braken of buikpijn
o overmatige dorst
o een continu vermoeid gevoel
o een hoog gehalte aan ketonen in urinetests of bètahydroxybutyraat (BHB) in bloedtests
o moeilijk ademen / snel, diep ademen
o een fruitgeur van de adem
o moeite met concentreren; verwarring
o snel gewichtsverlies
· als u een acute ernstige ziekte of chirurgische ingreep heeft
geregistreerd
· als u geen toegang heeft tot ketontestmaterialen of geen directe toegang tot een arts als er sprake is van
verhoogde ketonenwaarden in het bloed of de urine
· als u een lage dosis insuline gebruikt
· als u een caloriebeperking, koolhydraatbeperking of ketogeen dieet volgt
· als u een recente of terugkerende geschiedenis van diabetische ketoacidose heeft gehad (bijv. 1 episode
in de afgelopen 3 maanden of meer dan 1 episode in de afgelopen 6 maanden)
langer
· als u nierproblemen heeft
· als u leverproblemen heeft
· als u een infectie heeft van de nieren of de urinewegen. Mogelijk zal uw arts u vragen te stoppen met
niet
Zynquista tot u weer beter bent.
· als u een voorgeschiedenis heeft van chronische of herhaalde genitale schimmelinfecties (spruw)
· als u mogelijk risico loopt op uitdroging (bijvoorbeeld als u geneesmiddelen neemt die de
urineproductie verhogen [diuretica] of uw bloeddruk verlagen, of als u ouder bent dan 65 jaar). Vraag
naar manieren om uitdroging te voorkomen.
· als u een combinatie ontwikkelt van verschijnselen van pijn, gevoeligheid, roodheid of zwelling van de
geslachtsdelen of het gebied tussen de geslachtsdelen en de anus, koorts en zich algemeen onwel
voelen. Deze verschijnselen kunnen een teken zijn van een zeldzame, maar ernstige of zelfs
levensbedreigende infectie, genaamd necrotiserende fasciitis van het perineum of Fournier-gangreen,
die het weefsel onder de huid vernietigt. Fournier-gangreen moet onmiddellijk behandeld worden.
Voetverzorging
Voor alle patiënten met diabetes is het belangrijk om de voeten regelmatig te controleren en het advies over
voetverzorging van uw arts of verpleegkundige op te volgen.
Geneesmiddel

Urineglucose
Vanwege de manier waarop Zynquista werkt zal uw urine positief testen op de aanwezigheid van suiker
tijdens het gebruik van dit geneesmiddel.

Kinderen en jongeren tot 18 jaar
Zynquista wordt niet aanbevolen voor kinderen en jongeren tot 18 jaar, omdat het bij deze patiënten niet is
onderzocht.

Neemt u nog andere geneesmiddelen in?
mogelijkheid dat u in de nabije toekomst andere geneesmiddelen gaat innemen? Vertel dat dan uw arts of
apotheker.
Het is met name belangrijk om uw arts te vertellen dat u een van de volgende geneesmiddelen inneemt:
·
digoxine of digitoxine (geneesmiddelen voor hartproblemen). Mogelijk moet het gehalte aan digoxine
of digitoxine in uw bloed worden gecontroleerd als u deze geneesmiddelen inneemt met Zynquista.
·
fenytoïne of fenobarbital (epilepsiegeneesmiddelen om aanvallen onder controle te houden)
·
ritonavir (een geneesmiddel voor de behandeling van een hiv-infectie)
·
rifampicine (een antibioticum gebruikt om tuberculose te behandelen en sommige andere infecties).
Omdat u Zynquista samen met insuline gebruikt, kan tijdens de behandeling hypoglykemie optreden.
Uw arts kan de dosis insuline verlagen.

Zwangerschap en borstvoeding
Bent u zwanger, denkt u zwanger te zijn, wilt u zwanger worden of geeft u borstvoeding? Neem dan contact
op met uw arts of apotheker voordat u dit geneesmiddel gebruikt. Overleg met uw arts wat de beste manier is
om uw bloedglucose onder controle te houden tijdens uw zwangerschap. Zynquista mag niet gebruikt
worden in de laatste zes maanden van de zwangerschap.
Neem contact op met uw arts voordat u dit geneesmiddel inneemt als u borstvoeding wilt geven of als u
borstvoeding geeft. Het is niet bekend of dit geneesmiddel overgaat in de moedermelk. Neem dit
geneesmiddel niet in als u borstvoeding geeft.
geregistreerd
Rijvaardigheid en het gebruik van machines
Het is onwaarschijnlijk dat Zynquista invloed heeft op uw rijvaardigheid of vermogen om machines te
bedienen. Zynquista wordt echter samen met insuline gebruikt, wat ervoor kan zorgen dat uw
bloedglucosewaarden te laag worden (hypoglykemie)en u verschijnselen kunt krijgen zoals trillen, zweten en
veranderingen in het gezichtsvermogen. Dit kan een invloed hebben op uw rijvaardigheid en het vermogen
om machines te bedienen. Rijd niet en gebruik geen gereedschap of machines als u zich duizelig voelt tijdens
langer
uw diabetesbehandeling.
3.
Hoe neemt u dit middel in?
niet
Neem dit geneesmiddel altijd in precies zoals uw arts u dat heeft verteld. Twijfelt u over het juiste gebruik?
Neem dan contact op met uw arts of apotheker.

Hoeveel neemt u in?
De aanbevolen dosering is één tablet van 200 mg eenmaal daags voor de eerste maaltijd van de dag. Uw arts
zal beslissen of u de dosis kunt verhogen naar 400 mg, eenmaal per dag.
Uw arts zal u de correcte dosis voorschrijven. Verander uw dosis niet, tenzij uw arts u dat heeft verteld.

Hoe neemt u dit geneesmiddel in?

·
Zynquista dient eenmaal daags via de mond te worden ingenomen.
Geneesmiddel
·
Neem de tablet in vóór de eerste maaltijd van de dag.
·
Volg de instructies van uw arts betreffende het aanpassen van uw insuline wanneer u Zynquista
gebruikt.
Uw arts zal u Zynquista samen met een insulinebehandeling voorschrijven om het gehalte aan suiker in uw
bloed te verlagen. Volg de instructies van uw arts over hoe dit andere geneesmiddel ingenomen moet worden
voor het beste resultaat voor uw gezondheid.

Heeft u te veel van dit middel ingenomen?

Als u meer tabletten Zynquista heeft ingenomen dan is voorgeschreven, neem dan onmiddellijk contact op
met een arts of ga naar een ziekenhuis. Neem de geneesmiddelverpakking mee.
Als u een dosis heeft gemist, neem deze dan in zodra u eraan denkt.
Neem geen dubbele dosis om een vergeten dosis in te halen.

Als u stopt met het innemen van dit middel

Stop niet met het innemen van Zynquista zonder eerst met uw arts te overleggen. Uw bloedglucosespiegel
kan stijgen als u stopt met Zynquista.
Heeft u nog andere vragen over het gebruik van dit geneesmiddel? Neem dan contact op met uw arts,
apotheker of verpleegkundige.
4.
Mogelijke bijwerkingen
Zoals elk geneesmiddel kan ook dit geneesmiddel bijwerkingen hebben, al krijgt niet iedereen daarmee te
maken.

Neem direct contact op met een arts of met het dichtstbijzijnde ziekenhuis als u een van de volgende
bijwerkingen heeft:

Diabetische ketoacidose (DKA); soms (komen voor bij minder dan 1 op de 100 gebruikers)
Dit zijn de tekenen en verschijnselen van diabetische ketoacidose (zie ook rubriek 2, onder
`
Waarschuwingen en voorzorgsmaatregelen'):
o misselijkheid, braken of buikpijn
geregistreerd
o overmatige dorst
o een continu vermoeid gevoel
o een hoog gehalte aan ketonen in urinetests of bètahydroxybutyraat (BHB) in bloedtests
o moeilijk ademen / snel, diep ademen
o een fruitgeur van de adem
langer
o moeite met concentreren; verwarring
o snel gewichtsverlies
Tijdens de behandeling met Zynquista loopt u een hoger risico op DKA. Deze aandoening kan optreden bij
niet
een lage, normale of hoge bloedglucosespiegel. Controleer uw ketonen regelmatig tijdens de eerste twee
weken na het starten met Zynquista. Heeft u een van deze verschijnselen of verkeert u in een situatie waarin
uw risico op DKA kan toenemen, controleer dan uw ketonengehalte, hetzij in uw bloed of via de urine. Als u
een insulinepomp gebruikt, controleer dan uw ketonengehalte drie tot vier uur na het wisselen van de
pompmaterialen. In het geval van mogelijke DKA of bij een verhoogd ketonengehalte neemt u onmiddellijk
contact op met uw arts of gaat u meteen naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis. De arts kan besluiten om de
behandeling met Zynquista tijdelijk stop te zetten.
Tijdens de door uw arts ingeplande speciale voorlichtingssessie, kunt u met uw arts bespreken hoe u met een
verhoogde ketonenwaarde omgaat om DKA te voorkomen (zie rubriek 2).
Zorg ervoor dat u de waarschuwingskaart voor patiënten, die u van uw arts heeft gekregen en die u ook in de
verpakking vindt, altijd bij u draagt. Laat hem aan alle artsen, verpleegkundigen of apothekers zien als u een
Geneesmiddel
behandeling nodig heeft. U kunt ook de waarschuwingskaart voor patiënten krijgen door de QR-code te
scannen of door naar de onderstaande website te gaan:


Andere bijwerkingen:

Zeer vaak (komen voor bij meer dan 1 op de 10 gebruikers)

·
schimmelinfectie (spruw) van de vagina (tekenen zijn onder andere irritatie, jeuk, ongewone
afscheiding of geur)

Vaak (komen voor bij minder dan 1 op de 10 gebruikers)
·
diarree
·
een toename van `ketonlichamen' in uw bloed
schimmelinfectie (spruw) van de penis (tekenen zijn onder andere irritatie, jeuk, ongewone
afscheiding of geur)
·
meer urine uitplassen dan normaal of vaker moeten plassen
·
urineweginfectie; tekenen zijn een branderig gevoel bij het plassen, urine die troebel lijkt, pijn in het
bekken of middenrugpijn (wanneer de nieren geïnfecteerd zijn)
·
uitdroging (uw lichaam verliest te veel water; verschijnselen zijn een droge mond, zich duizelig, licht
in het hoofd of zwak voelen, vooral wanneer u opstaat, flauwvallen)
·
winderigheid
·
bloedtests kunnen een toename laten zien in de hoeveelheid slechte cholesterol (LDL genoemd ­ een
soort vet in uw bloed)
·
bloedtests kunnen een toename laten zien in de hoeveelheid rode bloedcellen in uw bloed (hematocriet
genoemd)
·
bloedtests kunnen een toename laten zien die iets zegt over de nierfunctie (zoals `creatinine').

Het melden van bijwerkingen
Krijgt u last van bijwerkingen, neem dan contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige. Dit geldt
ook voor mogelijke bijwerkingen die niet in deze bijsluiter staan. U kunt bijwerkingen ook rechtstreeks
melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in aanhangsel V. Door bijwerkingen te melden, kunt u
ons helpen meer informatie te verkrijgen over de veiligheid van dit geneesmiddel.
5.
Hoe bewaart u dit middel?
geregistreerd
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
Gebruik dit geneesmiddel niet meer na de uiterste houdbaarheidsdatum. Die is te vinden op de doos na
`EXP'. Daar staat een maand en een jaar. De laatste dag van die maand is de uiterste houdbaarheidsdatum.
Voor dit geneesmiddel zijn er geen speciale bewaarcondities.
langer
Neem dit geneesmiddel niet in als u merkt dat de verpakking beschadigd is of het lijkt dat ermee geknoeid is.
niet
Spoel geneesmiddelen niet door de gootsteen of de WC en gooi ze niet in de vuilnisbak. Vraag uw apotheker
wat u met geneesmiddelen moet doen die u niet meer gebruikt. Ze worden dan op een verantwoorde manier
vernietigd en komen niet in het milieu terecht.
6.
Inhoud van de verpakking en overige informatie

Welke stoffen zitten er in dit middel?
·
De werkzame stof in dit middel is sotagliflozine.
Elke tablet bevat 200 mg sotagliflozine
·
De andere stoffen in dit middel zijn:
- Kern van de tablet: microkristallijne cellulose (E460i), natriumcroscarmellose, colloïdaal watervrij
siliciumdioxide; magnesiumstearaat; talk.
Geneesmiddel
- Filmomhulling: polyvinylalcohol; macrogol; titaniumdioxide (E171); talk; indigokarmijn
aluminiumlak (E132).
- Drukinkt: schellak; zwart ijzeroxide (E172); propyleenglycol.

Hoe ziet Zynquista eruit en hoeveel zit er in een verpakking?
Zynquista 200 mg filmomhulde tabletten (tabletten) zijn ovaal, blauw, met de opdruk `2456' aan één kant in
zwarte inkt (lengte tablet: 14,2 mm, breedte tablet: 8,7 mm).
Zynquista is verkrijgbaar in PVC/PCTFE/aluminium opake blisterverpakking.
Verpakkingsgrootten van 10, 20, 30, 60, 90, 100, 180 filmomhulde tabletten, en een meervoudige
verpakking van 200 filmomhulde tabletten (2 verpakkingen van 100 filmomhulde tabletten).

Houder van de vergunning voor het in de handel brengen en fabrikant

Vergunninghouder
:
Guidehouse Germany GmbH
Albrechtstr. 10c
10117 Berlin
Duitsland

Fabrikant
Sanofi Winthrop Industrie
1, rue de la Vierge
Ambarès et Lagrave
F ­ 33565 Carbon Blanc
Frankrijk
Deze bijsluiter is voor het laatst goedgekeurd in <{MM/JJJJ}>.
Andere informatiebronnen
geregistreerd
Meer informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees
Geneesmiddelenbureau: http://www/ema.europa.eu/
langer
niet
Geneesmiddel

Heb je dit medicijn gebruikt? Zynquista 200 mg te vormen.

Je ervaring helpt anderen een beeld over het gebruik van Zynquista 200 mg te vormen.

Deel als eerste jouw ervaring over Zynquista 200 mg

Opgepast

  • Gebruik geen geneesmiddelen zonder het advies van je geneesheer
  • Vertrouw enkel de bijsluiter die meegeleverd werd met je geneesmiddel
  • Gebruik geen geneesmiddelen waarvan de houdbaarheidsdatum verstreken is
  • Bijsluiters zijn aangeleverd door het FAGG
  • FAGG