Technescan mag 3 1 mg

Technescan MAG3 IB1 B nl 130129
1/11
SAMENVATTING VAN DE PRODUCTKENMERKEN
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Technescan MAG3, 1 mg kit voor radiofarmaceutisch preparaat
2.
KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Elke injectieflacon bevat:
Betiatide
1 mg
Het radionuclide maakt geen deel uit van deze kit.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3.
FARMACEUTISCHE VORM
Kit voor radiofarmaceutisch preparaat.
Moet worden gereconstitueerd met natriumpertechnetaat-(
99m
Tc-) oplossing voor injectie (niet
meegeleverd in deze kit).
4.
4.1
KLINISCHE GEGEVENS
Therapeutische indicaties
Dit geneesmiddel is uitsluitend voor diagnostisch gebruik.
Na radiolabelling met natriumpertechnetaat (
99m
Tc) oplossing kan dit diagnostisch product
worden gebruikt bij onderzoek naar de morfologie, de doorbloeding en het functioneren van
nieren en urinewegen, ter beoordeling van nefrologische en urologische aandoeningen.
4.2
Dosering en wijze van toediening
Dosering:
Volwassenen
37-185 MBq, afhankelijk van de te bestuderen pathologie en de te gebruiken methode.
Bestudering van de nierdoorbloeding of van het transport door de ureters vraagt in het
algemeen hogere dosering dan de bestudering van intra-renaal transport. Renografie kan
met lagere doseringen worden verricht dan sequentiële scintigrafie.
Ouderen
Er is geen speciaal doseringsregime voor oudere patiënten.
Pediatrische patiënten
Hoewel TechneScan MAG3 mag worden toegediend aan kinderen, is er formeel geen
onderzoek naar het gebruik in kinderen gedaan.
Het gebruik bij kinderen en adolescenten dient zorgvuldig te worden overwogen. De klinische
behoefte en de voordeel/risico analyse moet in acht worden genomen.
Klinische ervaring duidt erop dat bij gebruik in kinderen de hoeveelheid activiteit
verminderd dient te worden. Vanwege de variabele verhouding tussen lengte en
lichaamsgewicht van de patiënten is het soms beter om de hoeveelheid activiteit aan te
passen aan het lichaamsoppervlakte.
RQ
Technescan MAG3 IB1 B nl 130129
2/11
In de praktijk is onderstaand, door de werkgroep pediatrie van de "European Association of
Nuclear Medicine" aanbevolen, schema goed bruikbaar.
Activiteiten t.b.v. kinderen. Fractie van de hoeveelheid activiteit van volwassenen
(Paediatric Task Group EANM, 1990).
3 kg = 0,1
22 kg = 0,50
42 kg = 0,78
4 kg = 0,14
24 kg = 0,53
44 kg = 0,80
6 kg = 0,19
26 kg = 0,56
46 kg = 0,82
8 kg = 0,23
28 kg = 0,58
48 kg = 0,85
10 kg = 0,27
30 kg = 0,62
50 kg = 0,88
12 kg = 0,32
32 kg = 0,65
52-54 kg = 0,90
14 kg = 0,36
34 kg = 0,68
56-58 kg = 0,92
16 kg = 0,40
36 kg = 0,71
60-62 kg = 0,96
18 kg = 0,44
38 kg = 0,73
64-66 kg = 0,98
20 kg = 0,46
40 kg = 0,76
68 kg = 0,99
De gebruikte activiteit dient in elk geval zo laag te zijn als redelijkerwijs praktisch is.
Algemeen
Vermindering van de hoeveelheid activiteit tot minder dan 10% van de activiteit voor
volwassenen leidt tot scintigrafische procedures die technisch gezien niet afdoende zijn.
Over het algemeen zijn de risico's gerelateerd aan het stralingsniveau, aangezien de
chemische doseringen vrij klein zijn (ongeveer 0,2 mg voor 185 MBq).
Combineren van de toediening van TechneScan MAG3 met diuretica of met ACE-remmers
tijdens een diagnostische procedure wordt gebruikt om te differentiëren tussen werkelijke
en pseudo-obstructies bij bestaande dilatatie van nierbekken of ureter.
Wijze van toediening
Multidoses injectieflacon.
Toediening door intraveneuze injectie. Dit geneesmiddel moet worden gereconstitueerd voor
toediening aan de patiënt.
Voor instructies over reconstitutie van het geneesmiddel voorafgaand aan toediening, zie rubriek 12.
Voor de voorbereiding van de patiënt, zie rubriek 4.4.
Verkrijgen van beelden
Het scintigrafisch onderzoek zal in het algemeen direct aansluitend aan de toediening
dienen te worden begonnen.
4.3
Contra-indicaties
Overgevoeligheid voor het werkzaam bestanddeel of voor één van de in rubriek 6.1 vermelde
hulpstoffen of voor één van de bestanddelen van het radioactieve geneesmiddel.
4.4
Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Individuele voordeel/risico justificatie
Voor iedere patiënt moet de blootstelling aan ioniserende straling vanuit een oogpunt van
waarschijnlijk voordeel gerechtvaardigd zijn. De toegediende radioactiviteit moet zodanig zijn dat de
stralingsdosis als gevolg daarvan zo laag mogelijk wordt gehouden, rekening houdend met het
beoogde diagnostische resultaat.
Pediatrische patiënten
Voor meer informatie over het gebruik bij kinderen en adolescenten, zie rubriek 4.2.
RQ
Technescan MAG3 IB1 B nl 130129
3/11
De noodzaak voor gebruik van het product moet zorgvuldig overwogen worden omdat de effectieve
dosis hoger is dan bij een volwassene (zie rubriek 11).
Voorbereiding van de patiënt
De patiënt moet voor de aanvang van het onderzoek voldoende gehydrateerd zijn. Er moet
bij de patiënten op aangedrongen worden om gedurende de eerste uren na het onderzoek de
blaas zo frequent mogelijk te ledigen om zodoende de stralingsbelasting te beperken.
Bijzondere waarschuwingen
Het product is voor nauwkeurige bepaling van de ERPF/ERBF in patiënten met een ernstig
gestoorde nierfunctie niet geschikt.
Tijdens de labeling kunnen kleine hoeveelheden met
99m
Tc-gelabelde onzuiverheden
gevormd worden. Een deel van deze verontreinigingen accumuleert in de lever en wordt via
de galblaas uitgescheiden. Hierdoor kan de late fase (na 30 min.) van een dynamische
nierstudie beïnvloed worden doordat nier en lever elkaar in het onderzoeksveld enigszins
overlappen.
Hulpstoffen:
De injectie bevat natrium: 3,54 mg/ml. Hiermee moet rekening gehouden worden bij patiënten die op
hun zoutinname moeten letten.
4.5
Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Er zijn geen aanwijzingen dat toediening van
99m
Tc-tiatide onverenigbaar is met de
gebruikelijke medicatie voor de groep patiënten die in aanmerking komen voor onderzoek
met Technetium (
99m
Tc) Tiatide (dit omvat onder andere alle anti-hypertensiva en de thans
gebruikelijke therapie ter voorkoming van afstoting van een niertransplantaat).
Toegediende contrastmiddelen kunnen tubulaire excretie verminderen en daardoor de
tiatide klaring beïnvloeden.
99m
Tc-
Toediening van een ACE-remmer, voorafgaand aan de toediening van
99m
Tc-tiatide, wordt
gebruikt in de differentiaal diagnostiek van hypertensie ten gevolge van nierarteriestenose.
De toepassing van een diureticum (bijv. furosemide) aansluitend aan de toediening van
99m
Tc-tiatide versnelt de uitscheiding van de radioactief gemerkte verbinding. Door dit
onderzoek kan bij obstructies van de urine-afvoerwegen de plaats en het gedrag van de
afsluiting worden vastgesteld.
4.6
Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Vruchtbare vrouwen
Indien het noodzakelijk is om radioactieve geneesmiddelen toe te dienen aan vruchtbare vrouwen,
moet altijd informatie worden ingewonnen over eventuele zwangerschap. Van iedere vrouw die
overtijd is, moet worden aangenomen dat ze zwanger is totdat het tegendeel is aangetoond. In geval
van onzekerheid (de vrouw is overtijd, heeft een onregelmatige cyclus, …) moeten alternatieve
methoden (als die bestaan), waarbij geen ioniserende straling vrijkomt, aangeboden worden aan de
patiënte.
Zwangerschap
Technieken met radionucliden die bij zwangeren worden toegepast, houden ook in dat de foetus aan
straling wordt blootgesteld.
Bij zwangerschap dienen slechts dringend noodzakelijke onderzoeken te worden uitgevoerd, wanneer
RQ
Technescan MAG3 IB1 B nl 130129
4/11
het waarschijnlijke voordeel opweegt tegen het door de moeder en haar foetus te lopen risico.
Borstvoeding
Voordat radiofarmaca worden toegediend aan een moeder die borstvoeding geeft, dient te worden
overwogen of het redelijkerwijs mogelijk is om het onderzoek uit te stellen tot de moeder is gestopt
met het geven van borstvoeding en of de juiste keuze van radiofarmaca is gemaakt, waarbij rekening
moet worden gehouden met het uitscheiden van activiteit in de moedermelk.
Meer dan 100 MBq: Er zal de moeder aangeraden worden de borstvoeding te onderbreken tot de
metingen in de afgekolfde melk aantonen dat de melk voor het kind geen hogere stralingsdosis met
zich meebrengt dan 1 mSv.
Minder dan 100 MBq: Onderbreken van de borstvoeding is niet nodig.
4.7
Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
TechneScan MAG3 heeft geen of een verwaarloosbare invloed op de rijvaardigheid en op het
vermogen om machines te bedienen.
4.8
Bijwerkingen
Enkele milde anafylactoïde reacties gekarakteriseerd door urticaria, zwellen van de
oogleden en hoest, zijn gerapporteerd.
Hoewel de kans op het optreden van bijwerkingen gering is, verdient het aanbeveling
adrenaline, corticosteroïden en antihistaminica voor onmiddellijk gebruik beschikbaar te
houden. Milde vasovagale reacties zijn sporadisch waargenomen na intraveneuze
toediening van Technetium (
99m
Tc) Tiatide.
Congenitale en familiale/genetische aandoeningen
Frequentie niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden
bepaald)
Zenuwstelselaandoeningen:
Frequentie niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden
bepaald)
Neoplasma goed- en kwaadaardig (inbegrepen cysten en poliepen)
Frequentie niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden
bepaald)
Immuunsysteemaandoeningen:
Zelden tot zeer zelden (<1/1 000)
1
Erfelijke defecten
1
.
Cerebrale convulsies
2
.
Kanker inductie
1
.
Anafylactoïde reacties zoals urticaria,
zwellen van de oogleden en hoest
in verband gebracht met ioniserende straling.
gezien in een kind van 15 dagen. Er kon geen causaal verband aangetoond worden.
2
Blootstelling aan ioniserende straling wordt in verband gebracht met de inductie van
kanker en met het mogelijk ontstaan van overerfelijke afwijkingen. Met betrekking tot
diagnostische nucleair geneeskundige onderzoeken geldt volgens huidig inzicht dat deze
ongewenste werkingen zelden zullen optreden doordat er slechts een geringe stralingsdosis
wordt opgelopen.
De toegediende stralingsdosis (ED) is minder dan 20 mSv voor het merendeel van het
diagnostisch nucleair geneeskundige onderzoek. In sommige klinische omstandigheden
kunnen hogere doses verantwoord zijn.
4.9
Overdosering
In geval van toediening van een stralingsoverdosis van technetium (
99m
Tc) MAG3 dient de
door de patiënt geabsorbeerde dosis daar waar mogelijk te worden verlaagd door het
radionuclide door middel van geforceerde diurese en frequente lediging van de blaas uit het
lichaam te verwijderen. Het kan nuttig zijn om de effectieve dosis die toegepast werd te
bepalen.
RQ
Technescan MAG3 IB1 B nl 130129
5/11
5
5.1
FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: diagnostische radiofarmaca voor het renaal systeem, ATC code:
V09CA03.
5.2
Farmacokinetische eigenschappen
Technetium (
99m
Tc) Tiatide wordt, na intraveneuze injectie, snel uit het bloed geklaard door
de nieren. In dit opzicht vertoont het gedrag van
99m
Tc-tiatide overeenkomsten met het
uitscheidingspatroon van o-joodhippuurzuur. Door meting van de activiteit boven de nieren
kunnen zowel renale doorbloeding als tubulaire passagetijd en de uitscheiding voor beide
nieren afzonderlijk worden gemeten. Technetium (
99m
Tc) Tiatide heeft een veel hogere
binding aan plasma-eiwitten dan o-joodhippuurzuur en heeft daardoor een kleinere
verdelingsvolume. Bij vergelijkend onderzoek was de klaring van
99m
Tc-tiatide gemiddeld
55% en 61% van de o-joodhippuurzuur-klaring. Bij een normale nierfunctie is 70% van de
toegediende dosis uitgescheiden in 30 min. en meer dan 95% in 3 uur. De klaring van
Technetium (
99m
Tc) Tiatide is nagenoeg gelijk aan die van o-joodhippuurzuur.
5.3
Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Geen bijzonderheden.
6.
6.1
FARMACEUTISCHE GEGEVENS
Lijst van hulpstoffen
Tin(II)chloride 0,04 mg
Dinatriumtartraat
Stikstof
Na reconstitutie van de inhoud van de flacon en na radiolabeling met het eluaat uit een
99m
Tc generator (gewoonlijk 0,9% natrium chloride) zal de waterige oplossing naast
natriumchloride ook dinatriumtartraat en tin (II) chloride bevatten.
Eigenschappen van het geneesmiddel na radiolabeling:
- heldere tot licht opale, kleurloze, waterige oplossing
- pH: 5,0-6,0
- osmolaliteit: licht hypertoon
6.2
Gevallen van onverenigbaarheid
Belangrijke onverenigbaarheden: niet bekend. Om de stabiliteit van het
99m
Tc-tiatide
complex niet te beïnvloeden, dienen geen andere geneesmiddelen tegelijkertijd toegediend
te worden.
6.3
1 jaar
Na radiolabelling:
4 uur, indien de radiolabeling is uitgevoerd in een eindvolume van 10 ml.
Houdbaarheid
RQ
Technescan MAG3 IB1 B nl 130129
6/11
1 uur, indien de radiolabeling is uitgevoerd in een eindvolume van 4 ml.
Bewaren in de koelkast (2°C - 8 °C).
6.4
Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Bewaren in de koelkast (2°C - 8 °C).
Voor de bewaarcondities van het geneesmiddel na radiolabelling, zie rubriek 6.3.
Radiofarmaca dienen te worden bewaard in overeenstemming met de nationale regelgeving voor
radioactieve materialen.
6.5
Aard en inhoud van de verpakking
10 ml glazen injectieflacon (type I Ph.Eur), gesloten met een butylrubber stop (Ph.Eur),
vastgezet met een aluminium felscapsule.
Verpakkingsgrootte: 5 injectieflacons.
6.6
Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies
Algemene waarschuwingen
Radiofarmaca mogen alleen door daartoe bevoegde personen in specifieke klinische omstandigheden
in ontvangst worden genomen, worden gebruikt en toegediend. De ontvangst, opslag, gebruik,
transport en vernietiging ervan vallen onder de voorschriften en/of de desbetreffende vergunningen
van de plaatselijke, bevoegde officiële instanties.
Radiofarmaca dienen op zodanige wijze door de gebruiker te worden bereid dat zowel aan de eisen
van de stralingsveiligheid als aan de eisen ten aanzien van de farmaceutische kwaliteit wordt voldaan.
Er dienen gepaste aseptische voorzorgsmaatregelen te worden genomen.
De inhoud van de injectieflacon is uitsluitend bestemd voor gebruik bij de bereiding van Technetium
(
99m
Tc) –MAG3 en mag niet direct aan de patiënt worden toegediend zonder eerst volgens voorschrift
te zijn bereid.
Voor instructies over reconstitutie van het geneesmiddel voorafgaand aan toediening, zie rubriek 12.
Zoals voor elk geneesmiddel geldt, mag dit middel niet worden gebruikt wanneer op enig moment
tijdens de bereiding de injectieflacon is beschadigd.
De manier van toedienen moet rekening houden met een minimaal risico op contaminatie van het
geneesmiddel en de stralingsblootstelling van de persoon die het product manipuleert. Adequate
afscherming is verplicht.
De inhoud van de kit is vóór de extempore bereiding niet radioactief. Nadat echter
natriumpertechnetaat (
99m
Tc) is toegevoegd, dient het uiteindelijke preparaat voortdurend afdoende te
worden afgeschermd.
De toediening van radiofarmaca vormt risico's voor andere personen, in de vorm van uitwendige
straling of contaminatie door gemorste urine, braaksel enz. Daarom dienen
stralingsbeschermingsmaatregelen te worden genomen conform de nationale richtlijnen.
Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale
voorschriften.
RQ
Technescan MAG3 IB1 B nl 130129
7/11
7.
HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Mallinckrodt Belgium BVBA, Generaal de Wittelaan 9/5, BE 2800 Mechelen
8.
NUMMER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
BE153851
9.
10.
DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/HERNIEUWING
VAN DE VERGUNNING
DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
04/2013
Datum van laatste goedkeuring van de SKP: 04/2013
Afleveringswijze:
geneesmiddel op medisch voorschrift
11.
DOSIMETRIE
(
99m
Tc)-technetium wordt geproduceerd door een
99
Mo
/
99m
Tc generator en valt uiteen onder
emissie van gammastraling met een gemiddelde energie van 140 keV en een halveringstijd
van 6,02 uur tot (
99
Tc)-technetium, dat door zijn lange halfwaardetijd van 2,13 x 10
5
jaar zo
goed als stabiel kan worden beschouwd.
Geschatte geabsorbeerde dosis (berekend volgens de MIRD methode). De gegevens in
onderstaande tabel komen uit de ICRP-publicatie 80 en zijn berekend met de volgende
veronderstellingen:
In een normaal geval: na intraveneuze toediening van MAG3 wordt de stof snel verdeeld in het
extracellulair weefsel en volledig geëxcreteerd door het renale systeem (blaas – nier). De totale
lichaamsretentie wordt beschreven als een drie exponentiële functie. De renale transit tijd is 4
minuten (zoals voor hippuran).
Wanneer de renale functie bilateraal verminderd is, wordt ervan uitgegaan dat de klaringssnelheid
maar één tiende is van normaal en dat de renale transit verhoogd is tot 20 minuten, en dat een fractie
van 0,04 wordt opgenomen in de lever.
Als een voorbeeld van een acute unilaterale nierblokkage, wordt ervan uitgegaan dat een fractie van
0,5 van het toegediend radiofarmacon wordt opgenomen door één nier en traag wordt vrijgegeven aan
het bloed met een halfwaardetijd van 5 dagen. Daarna wordt het geëxcreteerd door de andere normaal
functionerende nier.
Normale renale functie:
Geabsorbeerde dosis
99m
Tc MAG3,
99m
Tc 6.02 h
Geabsorbeerde dosis per toegediende hoeveelheid activiteit [mGy/MBq]
Orgaan
Bijnierklieren
Blaaswand
Botoppervlak
Hersenen
Borsten
Galblaas
Volwassene
3,9E-04
1,1E-01
1,3E-03
1,0E-04
1,0E-04
5,7E-04
15-jarige
5,1E-04
1,4E-01
1,6E-03
1,3E-04
1,4E-04
8,7E-04
10-jarige
8,2E-04
1,7E-01
2,1E-03
2,2E-04
2,4E-04
2,.0E-03
5-jarige
1,2E-03
1,8E-01
2,4E-03
3,5E-04
3,9E-04
1,7E-03
1-jarige
2,5E-03
3,2E-01
4,3E-03
6,1E-04
8,2E-04
2,8E-03
-
-
-
RQ
Technescan MAG3 IB1 B nl 130129
8/11
Spijsverteringskanaal
Maag
Dunne darm
Dikke darm
ULI
LLI
Hart
Nieren
Lever
Longen
Spieren
Oesofagus
Ovaria
Pancreas
Beenmerg
Huid
Milt
Testikels
Thymus
Schildklier
Uterus
Overige organen
Effectieve dosis
(mSv/MBq)
3,9E-04
2,3E-03
3,4E-03
1,7E-03
5,7E-03
1,8E-04
3,4E-03
3,1E-04
1,5E-04
1,4E-03
1,3E-04
5,4E-03
4,0E-04
9,3E-04
4,6E-04
3,6E-04
3,7E-03
1,3E-04
1,3E-04
1,2E-02
1,3E-03
7,0E-03
4,9E-04
3,0E-03
4,3E-03
2,3E-03
7,0E-03
2,4E-04
4,2E-03
4,3E-04
2,1E-04
1,7E-03
1,8E-04
6,9E-03
5,0E-04
12E-03
57E-04
49E-04
53E-03
18E-04
16E-04
14E-02
1,6E-03
9,0E-03
9,7E-04
4,2E-03
5,9E-03
3,4E-03
9,2E-03
3,7E-04
5,9E-03
7,5E-04
3,3E-04
2,2E-03
2,8E-04
8,7E-03
9,3E-04
1,6E-03
8,3E-04
7,9E-04
8,1E-03
2,8E-04
2,7E-04
1,9E-02
2,1E-03
1,2E-02
1,3E-03
4,6E-03
6,0E-03
4,0E-03
8,7E-03
5,7E-04
8,4E-03
1,1E-03
5,0E-04
2,4E-03
4,4E-04
8,7E-03
1,3E-03
1,5E-03
9,7E-04
1,2E-03
8,7E-03
4,4E-04
4,4E-04
1,9E-02
2,2E-03
1,2E-02
2,5E-03
7,8E-03
9,8E-03
6,7E-03
1,4E-02
1,2E-03
1,5E-02
2,1E-03
1,0E-03
4,1E-03
8,2E-04
1,4E-02
2,5E-03
2,1E-03
1,8E-03
2,3E-03
1,6E-02
8,2E-04
8,2E-04
3,1E-02
3,6E-03
2,2E-02
De blaaswand neemt 80 % van de effectieve dosis op.
Effectieve dosis bij een blaaslediging 1 of 0,5 uur na toediening:
1 uur
30 min.
2,5E-03
1,7E-03
3,1E-03
2,1E-03
4,5E-03
2,9E-03
6,4E-03
3,9E-03
6,4E-03
6,8E-03
Voor de toediening van de activiteit van 185 MBq (maximale dosis) is de effectieve dosis 1,3 mSv.
De geabsorbeerde dosis in het doelorgaan (nier) is 0,63 mGy en de typische stralingsdosis voor het
kritisch orgaan (blaaswand) is 20 mGy.
Abnormale renale functie:
Geabsorbeerde dosis
99m
Tc MAG3,
99m
Tc 6.02 h
Geabsorbeerde dosis per toegediende hoeveelheid activiteit [mGy/MBq]
Volwassene
15-jarige
10-jarige
5-jarige
1-jarige
1,6E-03
2,1E-03
3,2E-03
4,8E-03
8,6E-03
8,3E-02
1,1E-01
1,3E-01
1,3E-01
2,3E-01
2,2E-03
6,1E-04
5,4E-04
1,.6E-03
1,2E-03
2,7E-03
3,5E-03
2,2E-03
5,1E-03
9,1E-04
1,4E-02
1,4E-03
2,7E-03
7,7E-04
7,0E-04
2,2E-03
1,5E-03
3,5E-03
4,4E-03
3,0E-03
6,3E-03
1,2E-03
1,7E-02
1,8E-03
3,8E-03
1,3E-03
1,1E-03
3,8E-03
2,6E-03
5,0E-03
6,1E-03
4,3E-03
8,5E-03
1,8E-03
2,4E-02
2,7E-03
5,0E-03
2,0E-03
1,7E-03
4,6E-03
3,5E-03
6,0E-03
6,9E-03
5,6E-03
8,6E-03
2,7E-03
3,4E-02
3,8E-03
9,1E-03
3,6E-03
3,2E-03
6,4E-03
6,1E-03
1,0E-02
1,1E-02
9,3E-03
1,4E-02
4,8E-03
5,9E-02
6,6E-03
Orgaan
Bijnierklieren
Blaaswand
Botoppervlak
Hersenen
Borsten
Galblaas
Spijsverteringskanaal
Maag
Dunne darm
Dikke darm
ULI
LLI
Hart
Nieren
Lever
RQ
Technescan MAG3 IB1 B nl 130129
9/11
Longen
Spieren
Oesofagus
Ovaria
Pancreas
Beenmerg
Huid
Milt
Testikels
Thymus
Schildklier
Uterus
Overige organen
Effectieve dosis
(mSv/MBq)
7,9E-04
1,7E-03
7,4E-04
4,9E-03
1,5E-03
1,5E-03
7,8E-04
1,5E-03
3,4E-03
7,4E-04
7,3E-04
1,0E-02
1,7E-03
6,1E-03
1,1E-03
2,1E-03
9,7E-04
6,3E-03
1,9E-03
1,9E-03
9,6E-04
1,9E-03
4,7E-03
9,7E-04
9,5E-04
1,2E-02
2,1E-03
7,8E-03
1,6E-03
2,9E-03
1,5E-03
8,1E-03
2,9E-03
2,6E-03
1,5E-03
2,9E-03
7,1E-03
1,5E-03
1,5E-03
1,6E-02
2,8E-03
1,0E-02
2,4E-03
3,6E-03
2,3E-03
8,7E-03
4,3E-03
3,1E-03
2,0E-03
4,3E-03
7,8E-03
2,3E-03
2,4E-03
1,6E-02
3,4E-03
1,1E-02
4,5E-03
6,4E-03
4,1E-03
1,4E-02
7,4E-03
5,0E-03
3,8E-03
7,4E-03
1,4E-02
4,1E-03
4,4E-03
2,7E-02
6,0E-03
1,9E-02
Voor de toediening van de maximale activiteit van 185 MBq is de effectieve dosis 1,1 mSv.
De geabsorbeerde dosis in het doelorgaan (nier) is 2,6 mGy en de typische stralingsdosis voor het
kritisch orgaan (blaaswand) is 15 mGy.
Acute unilaterale renale functie:
Geabsorbeerde dosis
99m
Tc MAG3,
99m
Tc 6.02 h
Geabsorbeerde dosis per toegediende hoeveelheid activiteit [mGy/MBq]
Volwassene
15-jarige
10-jarige
5-jarige
1-jarige
1,1E-02
1,4E-02
2,2E-02
3,2E-02
5,5E-02
5,6E-02
7,1E-02
9,1E-02
9,3E-02
1,7E-01
3,1E-03
1,1E-04
3,8E-04
6,2E-03
3,9E-03
4,3E-03
3,9E-03
4,0E-03
3,8E-03
1,3E-03
2,0E-01
4,4E-03
1,1E-03
2,2E-03
3,8E-04
3,8E-03
7,4E-03
3,0E-03
8,2E-04
9,8E-03
2,0E-03
3,8E-04
1,7E-04
7,2E-03
4,0E-03
1,4E-04
5,1E-04
7,3E-03
4,4E-03
5,5E-03
5,0E-03
5,1E-03
4,8E-03
1,6E-03
2,4E-01
5,4E-03
1,6E-03
2,7E-03
5,4E-04
5,1E-03
9,0E-03
3,6E-03
1,0E-03
1,2E-02
2,9E-03
5,.4E-04
2,3E-04
8,7E-03
5,8E-03
2,3E-04
1,0E-03
1,0E-02
7,0E-03
8,5E-03
7,2E-03
7,6E-03
6,7E-03
2,7E-03
3,3E-01
8,1E-03
2,5E-03
3,7E-03
8,5E-04
7,1E-03
1,3E-02
5,0E-03
1,5E-03
1,8E-02
4,5E-03
8,5E-04
4,5E-04
1,2E-02
8,4E-03
3,9E-04
1,6E-03
1,6E-02
9,3E-03
1,2E-02
9,2E-03
1,0E-02
8,2E-03
4,0E-03
4,7E-01
1,1E-02
3,9E-03
5,1E-03
1,5E-03
9,2E-03
1,8E-02
6,0E-03
2,2E-03
2,6E-02
5,0E-03
1,5E-03
9,2E-04
1,3E-02
1,7E-02
7,5E-04
3,0E-03
2,3E-02
1,2E-02
1,9E-02
1,5E-03
1,6E-02
1,3E-02
6,1E-03
8,1E-01
1.7E-02
7.2E-03
8.9E-03
2.3E-03
1.5E-02
2.9E-02
8,3E-03
4,2E-03
4,0E-02
9,8E-03
2,3E-03
1,6E-03
2,2E-02
Orgaan
Bijnierklieren
Blaaswand
Botoppervlak
Hersenen
Borsten
Galblaas
Spijsverterings-kanaal
Maag
Dunne darm
Dikke darm
ULI
LLI
Hart
Nieren
Lever
Longen
Spieren
Esofagus
Ovaria
Pancreas
Beenmerg
Huid
Milt
Testikels
Thymus
Schildklier
Uterus
RQ
Technescan MAG3 IB1 B nl 130129
10/11
Overige organen
Effectieve dosis
(mSv/MBq)
2,1E-03
1,0E-02
2,6E-03
1,2E-02
3,6E-03
1,7E-02
4,7E-03
2,2E-02
8,.0E-03
3,8E-02
Voor de toediening van de maximale activiteit van 185 MBq is de effectieve dosis 1,85 mSv.
De geabsorbeerde dosis in het doelorgaan (nier) is 37 mGy en de typische stralingsdosis voor het
kritisch orgaan (blaaswand) is 10 mGy.
12. INSTRUCTIES VOOR DE BEREIDING VAN RADIOACTIEVE GENEESMIDDELEN
Zoals voor elk geneesmiddel geldt, mag dit middel niet worden gebruikt wanneer op enig moment
tijdens de bereiding de injectieflacon is beschadigd.
Instructies voor de bereiding van Technetium (
99m
Tc) Tiatide:
De flaconinhoud dient gelabeld te worden met natriumpertechnetaat(
99m
Tc) injectie (fission
of non-fission, Ph.Eur.). Door koken van betiatide in aanwezigheid van de
99m
Tc bevattende
fysiologische zoutoplossing ontstaat het actieve bestanddeel
99m
Tc-tiatide.
De vorming van gelabelde verontreinigingen is minimaal bij gebruik van een zo klein
mogelijk volume eluaat. Daarom dient de labeling uitgevoerd te worden met een eluaat met
de hoogst mogelijke radioactieve concentratie. Alleen een eluaat van een
99m
Tc-generator,
welke niet langer dan 24 uur geleden is geëlueerd, mag gebruikt worden.
Verdunning van de bereiding dient uitgevoerd te worden met een fysiologische
zoutoplossing.
Instructies voor radiolabeling:
Voor labeling wordt aanbevolen een eluaat met een zo hoog mogelijke radioactieve
concentratie te gebruiken, omdat de vorming van gelabelde onzuiverheden het geringst is
bij het gebruik van een zo klein mogelijk volume eluaat. Gebruik alleen eluaten afkomstig
van een
99m
Tc-generator welke niet ouder is dan 1 week.
Elueer een technetium generator in een volume van 5 ml volgens de gefractioneerde
elutietechniek. (Volg de gebruiksaanwijzing voor de generator). Gebruik 3 ml eluaat. De
gewenste hoeveelheid Technetium-99m (maximaal 1 110 MBq (30 mCi)) verdunnen tot een
volume van 10 ml met een fysiologische zoutoplossing (0,9 %). Voeg de oplossing toe aan
een flacon TechneScan MAG3. Gebruik hiervoor een dunne naald (G20 of hoger), zodat de
steekopening zich weer geheel sluit. Dit om te vermijden dat tijdens het koken en afkoelen
water in de flacon komt.
Verhit de flacon onmiddellijk gedurende 10 min. in kokend water. Tijdens het verhitten
dient de flacon rechtop te staan om te voorkomen dat metaalsporen uit de rubberstop het
labelingsproces ongunstig beïnvloeden. Koel de flacon af tot kamertemperatuur in koud
water. Het preparaat is nu klaar voor toediening.
Dit gelabelde
99m
Tc preparaat, met maximale concentratie van 1 110 MBq in 10 ml, kan tot
4 uur na het einde van de verhittingsstap gebruikt worden.
Om een meer geconcentreerd preparaat te verkrijgen, dient niet meer dan 1 ml eluaat met
een maximale activiteit van 925 MBq (25 mCi) verdund te worden tot 4 ml met een
fysiologische zoutoplossing (0,9%). Volg de procedure zoals hierboven beschreven om de
bereiding te voltooien. Een dergelijk preparaat is houdbaar gedurende 1 uur.
Gebruik bij voorkeur een eluaat verkregen door gefractioneerde elutie. Volg de
voorgeschreven gebruiksaanwijzing van de generator.
Voorzorgsmaatregel voor radiolabeling:
Ter controle op contaminatie van de flaconinhoud tijdens het verhitten en afkoelen wordt
RQ
Technescan MAG3 IB1 B nl 130129
11/11
geadviseerd een geschikt kleurmiddel aan de beide waterbaden toe te voegen (bijv.
methyleenblauw met een eindconcentratie van 10 g/l of natriumfluoresceïne met een
eindconcentratie van 1 g/l).
Het gelabeld product dient, voordat het vrijgegeven wordt, voor gebruik gecontroleerd te
worden (met inachtneming van afdoende radiologische beschermende maatregelen) op
contaminatie.
Instructies voor kwaliteitscontrole:
1. HPLC methode:
Bepaling van de radiochemische zuiverheid van het gelabeld product vindt plaats door
middel van HPLC met een geschikte detector op een 25 cm RP 18 kolom, flowsnelheid 1,0
ml/min.
Mobiele fase A is een mengsel van 19:1 fosfaat-oplossing: ethanol
Mobiele fase B is een mengsel van 1:9 water: methanol.
De fosfaatoplossing bestaat uit 1000 delen 0,01 M NaH
2
PO
4
en 114 delen 0,01 M Na
2
HPO
4
;
de pH van de oplossing is op 6 gebracht.
Gebruik een gradiënt elutieprogramma met de volgende parameters:
Tijd (min):
10
7
4
Flow (ml/min.):
1
1
2
%A
100
0
100
%B
0
100
0
De tiatide piek verschijnt aan het eind van de mobiele fase A. Het injectie volume is 5 µl
en de totale telsnelheid per kanaal is niet meer dan 30 000.
De eisen zijn:
Tiatide
Total front fractions
Methanol fraction
N.B.
initieel
96,0 %
3,0 %
4,0 %
na 4 uur
95,0 %
3,0 %
4,0 %
Deze waarden gelden alleen voor de bovenbeschreven HPLC methode!
2. TLC methode
Het is ook mogelijk om een controle uit te voeren op de
99m
Tc-binding d.m.v. TLC op een
reversed fase TLC plaat. De ontwikkeltijd is ongeveer 3 uur.
Gebruik Merck RP 18 platen, nr. 15683.
Bereid de mobiel fase door 55 delen 0,9% natriumchloride te mengen met 45 delen
methanol en 1 deel azijnzuur.
Een monster van 3 µl wordt opgebracht op een van te voren goed gedroogde RP 18 plaat en
ontwikkeld over een lengte van 15 cm.
Gehydrolyseerd/gereduceerd technetium blijft op de opbrengplaats achter (R
f
0,0 - 0,1),
pertechnetaat bevindt zich aan het vloeistoffront (R
f
0,8 - 0,9) en
99m
Tc-tiatide bevindt zich
in het gebied met een R
f
-waarde van 0,35 - 0,45.
De eisen zijn:
99m
Tc-tiatide
Gehydrolyseerd/gereduceerd technetium
Pertechnetaat
96,0%
2,0%
2,0%
RQ
1/11
SAMENVATTING VAN DE PRODUCTKENMERKEN
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Technescan MAG3, 1 mg kit voor radiofarmaceutisch preparaat
2.
KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Elke injectieflacon bevat:
Betiatide
1 mg
Het radionuclide maakt geen deel uit van deze kit.
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3.
FARMACEUTISCHE VORM
Kit voor radiofarmaceutisch preparaat.
Moet worden gereconstitueerd met natriumpertechnetaat-(99mTc-) oplossing voor injectie (niet
meegeleverd in deze kit).
4.
KLINISCHE GEGEVENS
4.1
Therapeutische indicaties
Dit geneesmiddel is uitsluitend voor diagnostisch gebruik.
Na radiolabelling met natriumpertechnetaat (99mTc) oplossing kan dit diagnostisch product
worden gebruikt bij onderzoek naar de morfologie, de doorbloeding en het functioneren van
nieren en urinewegen, ter beoordeling van nefrologische en urologische aandoeningen.
4.2
Dosering en wijze van toediening
Dosering:
Volwassenen
37-185 MBq, afhankelijk van de te bestuderen pathologie en de te gebruiken methode.
Bestudering van de nierdoorbloeding of van het transport door de ureters vraagt in het
algemeen hogere dosering dan de bestudering van intra-renaal transport. Renografie kan
met lagere doseringen worden verricht dan sequentiële scintigrafie.
Ouderen
Er is geen speciaal doseringsregime voor oudere patiënten.
Pediatrische patiënten
Hoewel TechneScan MAG3 mag worden toegediend aan kinderen, is er formeel geen
onderzoek naar het gebruik in kinderen gedaan.
Het gebruik bij kinderen en adolescenten dient zorgvuldig te worden overwogen. De klinische
behoefte en de voordeel/risico analyse moet in acht worden genomen.
Klinische ervaring duidt erop dat bij gebruik in kinderen de hoeveelheid activiteit
verminderd dient te worden. Vanwege de variabele verhouding tussen lengte en
lichaamsgewicht van de patiënten is het soms beter om de hoeveelheid activiteit aan te
passen aan het lichaamsoppervlakte.
2/11
In de praktijk is onderstaand, door de werkgroep pediatrie van de "European Association of
Nuclear Medicine" aanbevolen, schema goed bruikbaar.
Activiteiten t.b.v. kinderen. Fractie van de hoeveelheid activiteit van volwassenen
(Paediatric Task Group EANM, 1990).
3 kg = 0,1
22 kg = 0,50
42 kg = 0,78
4 kg = 0,14
24 kg = 0,53
44 kg = 0,80
6 kg = 0,19
26 kg = 0,56
46 kg = 0,82
8 kg = 0,23
28 kg = 0,58
48 kg = 0,85
10 kg = 0,27
30 kg = 0,62
50 kg = 0,88
12 kg = 0,32
32 kg = 0,65
52-54 kg = 0,90
14 kg = 0,36
34 kg = 0,68
56-58 kg = 0,92
16 kg = 0,40
36 kg = 0,71
60-62 kg = 0,96
18 kg = 0,44
38 kg = 0,73
64-66 kg = 0,98
20 kg = 0,46
40 kg = 0,76
68 kg = 0,99
De gebruikte activiteit dient in elk geval zo laag te zijn als redelijkerwijs praktisch is.
Algemeen
Vermindering van de hoeveelheid activiteit tot minder dan 10% van de activiteit voor
volwassenen leidt tot scintigrafische procedures die technisch gezien niet afdoende zijn.
Over het algemeen zijn de risico's gerelateerd aan het stralingsniveau, aangezien de
chemische doseringen vrij klein zijn (ongeveer 0,2 mg voor 185 MBq).
Combineren van de toediening van TechneScan MAG3 met diuretica of met ACE-remmers
tijdens een diagnostische procedure wordt gebruikt om te differentiëren tussen werkelijke
en pseudo-obstructies bij bestaande dilatatie van nierbekken of ureter.
Wijze van toediening
Multidoses injectieflacon.
Toediening door intraveneuze injectie. Dit geneesmiddel moet worden gereconstitueerd voor
toediening aan de patiënt.
Voor instructies over reconstitutie van het geneesmiddel voorafgaand aan toediening, zie rubriek 12.
Voor de voorbereiding van de patiënt, zie rubriek 4.4.
Verkrijgen van beelden
Het scintigrafisch onderzoek zal in het algemeen direct aansluitend aan de toediening
dienen te worden begonnen.
4.3
Contra-indicaties
Overgevoeligheid voor het werkzaam bestanddeel of voor één van de in rubriek 6.1 vermelde
hulpstoffen of voor één van de bestanddelen van het radioactieve geneesmiddel.
4.4
Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Individuele voordeel/risico justificatie
Voor iedere patiënt moet de blootstelling aan ioniserende straling vanuit een oogpunt van
waarschijnlijk voordeel gerechtvaardigd zijn. De toegediende radioactiviteit moet zodanig zijn dat de
stralingsdosis als gevolg daarvan zo laag mogelijk wordt gehouden, rekening houdend met het
beoogde diagnostische resultaat.
Pediatrische patiënten
Voor meer informatie over het gebruik bij kinderen en adolescenten, zie rubriek 4.2.
3/11
De noodzaak voor gebruik van het product moet zorgvuldig overwogen worden omdat de effectieve
dosis hoger is dan bij een volwassene (zie rubriek 11).
Voorbereiding van de patiënt
De patiënt moet voor de aanvang van het onderzoek voldoende gehydrateerd zijn. Er moet
bij de patiënten op aangedrongen worden om gedurende de eerste uren na het onderzoek de
blaas zo frequent mogelijk te ledigen om zodoende de stralingsbelasting te beperken.
Bijzondere waarschuwingen
Het product is voor nauwkeurige bepaling van de ERPF/ERBF in patiënten met een ernstig
gestoorde nierfunctie niet geschikt.
Tijdens de labeling kunnen kleine hoeveelheden met 99mTc-gelabelde onzuiverheden
gevormd worden. Een deel van deze verontreinigingen accumuleert in de lever en wordt via
de galblaas uitgescheiden. Hierdoor kan de late fase (na 30 min.) van een dynamische
nierstudie beïnvloed worden doordat nier en lever elkaar in het onderzoeksveld enigszins
overlappen.
Hulpstoffen:
De injectie bevat natrium: 3,54 mg/ml. Hiermee moet rekening gehouden worden bij patiënten die op
hun zoutinname moeten letten.
4.5
Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Er zijn geen aanwijzingen dat toediening van 99mTc-tiatide onverenigbaar is met de
gebruikelijke medicatie voor de groep patiënten die in aanmerking komen voor onderzoek
met Technetium (99mTc) Tiatide (dit omvat onder andere alle anti-hypertensiva en de thans
gebruikelijke therapie ter voorkoming van afstoting van een niertransplantaat).
Toegediende contrastmiddelen kunnen tubulaire excretie verminderen en daardoor de 99mTc-
tiatide klaring beïnvloeden.
Toediening van een ACE-remmer, voorafgaand aan de toediening van 99mTc-tiatide, wordt
gebruikt in de differentiaal diagnostiek van hypertensie ten gevolge van nierarteriestenose.
De toepassing van een diureticum (bijv. furosemide) aansluitend aan de toediening van
99mTc-tiatide versnelt de uitscheiding van de radioactief gemerkte verbinding. Door dit
onderzoek kan bij obstructies van de urine-afvoerwegen de plaats en het gedrag van de
afsluiting worden vastgesteld.
4.6
Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Vruchtbare vrouwen
Indien het noodzakelijk is om radioactieve geneesmiddelen toe te dienen aan vruchtbare vrouwen,
moet altijd informatie worden ingewonnen over eventuele zwangerschap. Van iedere vrouw die
overtijd is, moet worden aangenomen dat ze zwanger is totdat het tegendeel is aangetoond. In geval
van onzekerheid (de vrouw is overtijd, heeft een onregelmatige cyclus, ...) moeten alternatieve
methoden (als die bestaan), waarbij geen ioniserende straling vrijkomt, aangeboden worden aan de
patiënte.
Zwangerschap
Technieken met radionucliden die bij zwangeren worden toegepast, houden ook in dat de foetus aan
straling wordt blootgesteld.
Bij zwangerschap dienen slechts dringend noodzakelijke onderzoeken te worden uitgevoerd, wanneer
4/11
het waarschijnlijke voordeel opweegt tegen het door de moeder en haar foetus te lopen risico.
Borstvoeding
Voordat radiofarmaca worden toegediend aan een moeder die borstvoeding geeft, dient te worden
overwogen of het redelijkerwijs mogelijk is om het onderzoek uit te stellen tot de moeder is gestopt
met het geven van borstvoeding en of de juiste keuze van radiofarmaca is gemaakt, waarbij rekening
moet worden gehouden met het uitscheiden van activiteit in de moedermelk.
Meer dan 100 MBq: Er zal de moeder aangeraden worden de borstvoeding te onderbreken tot de
metingen in de afgekolfde melk aantonen dat de melk voor het kind geen hogere stralingsdosis met
zich meebrengt dan 1 mSv.
Minder dan 100 MBq: Onderbreken van de borstvoeding is niet nodig.
4.7
Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
TechneScan MAG3 heeft geen of een verwaarloosbare invloed op de rijvaardigheid en op het
vermogen om machines te bedienen.
4.8
Bijwerkingen
Enkele milde anafylactoïde reacties gekarakteriseerd door urticaria, zwellen van de
oogleden en hoest, zijn gerapporteerd.
Hoewel de kans op het optreden van bijwerkingen gering is, verdient het aanbeveling
adrenaline, corticosteroïden en antihistaminica voor onmiddellijk gebruik beschikbaar te
houden. Milde vasovagale reacties zijn sporadisch waargenomen na intraveneuze
toediening van Technetium (99mTc) Tiatide.

Congenitale en familiale/genetische aandoeningen
Frequentie niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden
Erfelijke defecten 1.
bepaald)
Zenuwstelselaandoeningen:
Frequentie niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden
Cerebrale convulsies2.
bepaald)
Neoplasma goed- en kwaadaardig (inbegrepen cysten en poliepen)
Frequentie niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden
Kanker inductie1.
bepaald)
Immuunsysteemaandoeningen:
Anafylactoïde reacties zoals urticaria,
Zelden tot zeer zelden (<1/1 000)
zwellen van de oogleden en hoest
1 in verband gebracht met ioniserende straling.
2 gezien in een kind van 15 dagen. Er kon geen causaal verband aangetoond worden.
Blootstelling aan ioniserende straling wordt in verband gebracht met de inductie van
kanker en met het mogelijk ontstaan van overerfelijke afwijkingen. Met betrekking tot
diagnostische nucleair geneeskundige onderzoeken geldt volgens huidig inzicht dat deze
ongewenste werkingen zelden zullen optreden doordat er slechts een geringe stralingsdosis
wordt opgelopen.
De toegediende stralingsdosis (ED) is minder dan 20 mSv voor het merendeel van het
diagnostisch nucleair geneeskundige onderzoek. In sommige klinische omstandigheden
kunnen hogere doses verantwoord zijn.
4.9
Overdosering
In geval van toediening van een stralingsoverdosis van technetium ( 99mTc) MAG3 dient de
door de patiënt geabsorbeerde dosis daar waar mogelijk te worden verlaagd door het
radionuclide door middel van geforceerde diurese en frequente lediging van de blaas uit het
lichaam te verwijderen. Het kan nuttig zijn om de effectieve dosis die toegepast werd te
bepalen.
5/11
5
FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1
Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: diagnostische radiofarmaca voor het renaal systeem, ATC code:
V09CA03.
5.2
Farmacokinetische eigenschappen
Technetium (99mTc) Tiatide wordt, na intraveneuze injectie, snel uit het bloed geklaard door
de nieren. In dit opzicht vertoont het gedrag van 99mTc-tiatide overeenkomsten met het
uitscheidingspatroon van o-joodhippuurzuur. Door meting van de activiteit boven de nieren
kunnen zowel renale doorbloeding als tubulaire passagetijd en de uitscheiding voor beide
nieren afzonderlijk worden gemeten. Technetium (99mTc) Tiatide heeft een veel hogere
binding aan plasma-eiwitten dan o-joodhippuurzuur en heeft daardoor een kleinere
verdelingsvolume. Bij vergelijkend onderzoek was de klaring van 99mTc-tiatide gemiddeld
55% en 61% van de o-joodhippuurzuur-klaring. Bij een normale nierfunctie is 70% van de
toegediende dosis uitgescheiden in 30 min. en meer dan 95% in 3 uur. De klaring van
Technetium (99mTc) Tiatide is nagenoeg gelijk aan die van o-joodhippuurzuur.
5.3
Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Geen bijzonderheden.
6.
FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6.1
Lijst van hulpstoffen
Tin(II)chloride 0,04 mg
Dinatriumtartraat
Stikstof
Na reconstitutie van de inhoud van de flacon en na radiolabeling met het eluaat uit een
99mTc generator (gewoonlijk 0,9% natrium chloride) zal de waterige oplossing naast
natriumchloride ook dinatriumtartraat en tin (II) chloride bevatten.
Eigenschappen van het geneesmiddel na radiolabeling:
- heldere tot licht opale, kleurloze, waterige oplossing
- pH: 5,0-6,0
- osmolaliteit: licht hypertoon
6.2
Gevallen van onverenigbaarheid
Belangrijke onverenigbaarheden: niet bekend. Om de stabiliteit van het 99mTc-tiatide
complex niet te beïnvloeden, dienen geen andere geneesmiddelen tegelijkertijd toegediend
te worden.
6.3
Houdbaarheid
1 jaar
Na radiolabelling:
·
4 uur, indien de radiolabeling is uitgevoerd in een eindvolume van 10 ml.
6/11
- 1 uur, indien de radiolabeling is uitgevoerd in een eindvolume van 4 ml.
Bewaren in de koelkast (2°C - 8 °C).
6.4
Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Bewaren in de koelkast (2°C - 8 °C).
Voor de bewaarcondities van het geneesmiddel na radiolabelling, zie rubriek 6.3.
Radiofarmaca dienen te worden bewaard in overeenstemming met de nationale regelgeving voor
radioactieve materialen.
6.5
Aard en inhoud van de verpakking
10 ml glazen injectieflacon (type I Ph.Eur), gesloten met een butylrubber stop (Ph.Eur),
vastgezet met een aluminium felscapsule.
Verpakkingsgrootte: 5 injectieflacons.
6.6
Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies
Algemene waarschuwingen
Radiofarmaca mogen alleen door daartoe bevoegde personen in specifieke klinische omstandigheden
in ontvangst worden genomen, worden gebruikt en toegediend. De ontvangst, opslag, gebruik,
transport en vernietiging ervan vallen onder de voorschriften en/of de desbetreffende vergunningen
van de plaatselijke, bevoegde officiële instanties.
Radiofarmaca dienen op zodanige wijze door de gebruiker te worden bereid dat zowel aan de eisen
van de stralingsveiligheid als aan de eisen ten aanzien van de farmaceutische kwaliteit wordt voldaan.
Er dienen gepaste aseptische voorzorgsmaatregelen te worden genomen.
De inhoud van de injectieflacon is uitsluitend bestemd voor gebruik bij de bereiding van Technetium
(99mTc) ­MAG3 en mag niet direct aan de patiënt worden toegediend zonder eerst volgens voorschrift
te zijn bereid.
Voor instructies over reconstitutie van het geneesmiddel voorafgaand aan toediening, zie rubriek 12.
Zoals voor elk geneesmiddel geldt, mag dit middel niet worden gebruikt wanneer op enig moment
tijdens de bereiding de injectieflacon is beschadigd.
De manier van toedienen moet rekening houden met een minimaal risico op contaminatie van het
geneesmiddel en de stralingsblootstelling van de persoon die het product manipuleert. Adequate
afscherming is verplicht.
De inhoud van de kit is vóór de extempore bereiding niet radioactief. Nadat echter
natriumpertechnetaat (99mTc) is toegevoegd, dient het uiteindelijke preparaat voortdurend afdoende te
worden afgeschermd.
De toediening van radiofarmaca vormt risico's voor andere personen, in de vorm van uitwendige
straling of contaminatie door gemorste urine, braaksel enz. Daarom dienen
stralingsbeschermingsmaatregelen te worden genomen conform de nationale richtlijnen.
Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale
voorschriften.
7/11
7.
HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Mallinckrodt Belgium BVBA, Generaal de Wittelaan 9/5, BE 2800 Mechelen
8.
NUMMER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
BE153851
9.
DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/HERNIEUWING
VAN DE VERGUNNING

10.
DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
04/2013
Datum van laatste goedkeuring van de SKP: 04/2013
Afleveringswijze: geneesmiddel op medisch voorschrift
11.
DOSIMETRIE
(99mTc)-technetium wordt geproduceerd door een 99Mo/99mTc generator en valt uiteen onder
emissie van gammastraling met een gemiddelde energie van 140 keV en een halveringstijd
van 6,02 uur tot (99Tc)-technetium, dat door zijn lange halfwaardetijd van 2,13 x 105 jaar zo
goed als stabiel kan worden beschouwd.
Geschatte geabsorbeerde dosis (berekend volgens de MIRD methode). De gegevens in
onderstaande tabel komen uit de ICRP-publicatie 80 en zijn berekend met de volgende
veronderstellingen:
- In een normaal geval: na intraveneuze toediening van MAG3 wordt de stof snel verdeeld in het
extracellulair weefsel en volledig geëxcreteerd door het renale systeem (blaas ­ nier). De totale
lichaamsretentie wordt beschreven als een drie exponentiële functie. De renale transit tijd is 4
minuten (zoals voor hippuran).
- Wanneer de renale functie bilateraal verminderd is, wordt ervan uitgegaan dat de klaringssnelheid
maar één tiende is van normaal en dat de renale transit verhoogd is tot 20 minuten, en dat een fractie
van 0,04 wordt opgenomen in de lever.
- Als een voorbeeld van een acute unilaterale nierblokkage, wordt ervan uitgegaan dat een fractie van
0,5 van het toegediend radiofarmacon wordt opgenomen door één nier en traag wordt vrijgegeven aan
het bloed met een halfwaardetijd van 5 dagen. Daarna wordt het geëxcreteerd door de andere normaal
functionerende nier.
Normale renale functie:
Geabsorbeerde dosis 99mTc MAG3, 99mTc 6.02 h
Geabsorbeerde dosis per toegediende hoeveelheid activiteit [mGy/MBq]
Orgaan
Volwassene
15-jarige
10-jarige
5-jarige
1-jarige
Bijnierklieren
3,9E-04
5,1E-04
8,2E-04
1,2E-03
2,5E-03
Blaaswand
1,1E-01
1,4E-01
1,7E-01
1,8E-01
3,2E-01
Botoppervlak
1,3E-03
1,6E-03
2,1E-03
2,4E-03
4,3E-03
Hersenen
1,0E-04
1,3E-04
2,2E-04
3,5E-04
6,1E-04
Borsten
1,0E-04
1,4E-04
2,4E-04
3,9E-04
8,2E-04
Galblaas
5,7E-04
8,7E-04
2,.0E-03
1,7E-03
2,8E-03
8/11
Spijsverteringskanaal
Maag
3,9E-04
4,9E-04
9,7E-04
1,3E-03
2,5E-03
Dunne darm
2,3E-03
3,0E-03
4,2E-03
4,6E-03
7,8E-03
Dikke darm
3,4E-03
4,3E-03
5,9E-03
6,0E-03
9,8E-03
ULI
1,7E-03
2,3E-03
3,4E-03
4,0E-03
6,7E-03
LLI
5,7E-03
7,0E-03
9,2E-03
8,7E-03
1,4E-02
Hart
1,8E-04
2,4E-04
3,7E-04
5,7E-04
1,2E-03
Nieren
3,4E-03
4,2E-03
5,9E-03
8,4E-03
1,5E-02
Lever
3,1E-04
4,3E-04
7,5E-04
1,1E-03
2,1E-03
Longen
1,5E-04
2,1E-04
3,3E-04
5,0E-04
1,0E-03
Spieren
1,4E-03
1,7E-03
2,2E-03
2,4E-03
4,1E-03
Oesofagus
1,3E-04
1,8E-04
2,8E-04
4,4E-04
8,2E-04
Ovaria
5,4E-03
6,9E-03
8,7E-03
8,7E-03
1,4E-02
Pancreas
4,0E-04
5,0E-04
9,3E-04
1,3E-03
2,5E-03
Beenmerg
9,3E-04
12E-03
1,6E-03
1,5E-03
2,1E-03
Huid
4,6E-04
57E-04
8,3E-04
9,7E-04
1,8E-03
Milt
3,6E-04
49E-04
7,9E-04
1,2E-03
2,3E-03
Testikels
3,7E-03
53E-03
8,1E-03
8,7E-03
1,6E-02
Thymus
1,3E-04
18E-04
2,8E-04
4,4E-04
8,2E-04
Schildklier
1,3E-04
16E-04
2,7E-04
4,4E-04
8,2E-04
Uterus
1,2E-02
14E-02
1,9E-02
1,9E-02
3,1E-02
Overige organen
1,3E-03
1,6E-03
2,1E-03
2,2E-03
3,6E-03
Effectieve dosis
(mSv/MBq)

7,0E-03
9,0E-03
1,2E-02
1,2E-02
2,2E-02
De blaaswand neemt 80 % van de effectieve dosis op.
Effectieve dosis bij een blaaslediging 1 of 0,5 uur na toediening:
1 uur
2,5E-03
3,1E-03
4,5E-03
6,4E-03
6,4E-03
30 min.
1,7E-03
2,1E-03
2,9E-03
3,9E-03
6,8E-03
Voor de toediening van de activiteit van 185 MBq (maximale dosis) is de effectieve dosis 1,3 mSv.
De geabsorbeerde dosis in het doelorgaan (nier) is 0,63 mGy en de typische stralingsdosis voor het
kritisch orgaan (blaaswand) is 20 mGy.
Abnormale renale functie:
Geabsorbeerde dosis 99mTc MAG3, 99mTc 6.02 h
Geabsorbeerde dosis per toegediende hoeveelheid activiteit [mGy/MBq]
Orgaan
Volwassene
15-jarige
10-jarige
5-jarige
1-jarige
Bijnierklieren
1,6E-03
2,1E-03
3,2E-03
4,8E-03
8,6E-03
Blaaswand
8,3E-02
1,1E-01
1,3E-01
1,3E-01
2,3E-01
Botoppervlak
2,2E-03
2,7E-03
3,8E-03
5,0E-03
9,1E-03
Hersenen
6,1E-04
7,7E-04
1,3E-03
2,0E-03
3,6E-03
Borsten
5,4E-04
7,0E-04
1,1E-03
1,7E-03
3,2E-03
Galblaas
1,.6E-03
2,2E-03
3,8E-03
4,6E-03
6,4E-03
Spijsverteringskanaal
Maag
1,2E-03
1,5E-03
2,6E-03
3,5E-03
6,1E-03
Dunne darm
2,7E-03
3,5E-03
5,0E-03
6,0E-03
1,0E-02
Dikke darm
3,5E-03
4,4E-03
6,1E-03
6,9E-03
1,1E-02
ULI
2,2E-03
3,0E-03
4,3E-03
5,6E-03
9,3E-03
LLI
5,1E-03
6,3E-03
8,5E-03
8,6E-03
1,4E-02
Hart
9,1E-04
1,2E-03
1,8E-03
2,7E-03
4,8E-03
Nieren
1,4E-02
1,7E-02
2,4E-02
3,4E-02
5,9E-02
Lever
1,4E-03
1,8E-03
2,7E-03
3,8E-03
6,6E-03
9/11
Longen
7,9E-04
1,1E-03
1,6E-03
2,4E-03
4,5E-03
Spieren
1,7E-03
2,1E-03
2,9E-03
3,6E-03
6,4E-03
Oesofagus
7,4E-04
9,7E-04
1,5E-03
2,3E-03
4,1E-03
Ovaria
4,9E-03
6,3E-03
8,1E-03
8,7E-03
1,4E-02
Pancreas
1,5E-03
1,9E-03
2,9E-03
4,3E-03
7,4E-03
Beenmerg
1,5E-03
1,9E-03
2,6E-03
3,1E-03
5,0E-03
Huid
7,8E-04
9,6E-04
1,5E-03
2,0E-03
3,8E-03
Milt
1,5E-03
1,9E-03
2,9E-03
4,3E-03
7,4E-03
Testikels
3,4E-03
4,7E-03
7,1E-03
7,8E-03
1,4E-02
Thymus
7,4E-04
9,7E-04
1,5E-03
2,3E-03
4,1E-03
Schildklier
7,3E-04
9,5E-04
1,5E-03
2,4E-03
4,4E-03
Uterus
1,0E-02
1,2E-02
1,6E-02
1,6E-02
2,7E-02
Overige organen
1,7E-03
2,1E-03
2,8E-03
3,4E-03
6,0E-03
Effectieve dosis
(mSv/MBq)

6,1E-03
7,8E-03
1,0E-02
1,1E-02
1,9E-02
Voor de toediening van de maximale activiteit van 185 MBq is de effectieve dosis 1,1 mSv.
De geabsorbeerde dosis in het doelorgaan (nier) is 2,6 mGy en de typische stralingsdosis voor het
kritisch orgaan (blaaswand) is 15 mGy.
Acute unilaterale renale functie:
Geabsorbeerde dosis 99mTc MAG3, 99mTc 6.02 h
Geabsorbeerde dosis per toegediende hoeveelheid activiteit [mGy/MBq]
Orgaan
Volwassene
15-jarige
10-jarige
5-jarige
1-jarige
Bijnierklieren
1,1E-02
1,4E-02
2,2E-02
3,2E-02
5,5E-02
Blaaswand
5,6E-02
7,1E-02
9,1E-02
9,3E-02
1,7E-01
Botoppervlak
3,1E-03
4,0E-03
5,8E-03
8,4E-03
1,7E-02
Hersenen
1,1E-04
1,4E-04
2,3E-04
3,9E-04
7,5E-04
Borsten
3,8E-04
5,1E-04
1,0E-03
1,6E-03
3,0E-03
Galblaas
6,2E-03
7,3E-03
1,0E-02
1,6E-02
2,3E-02
Spijsverterings-kanaal
Maag
3,9E-03
4,4E-03
7,0E-03
9,3E-03
1,2E-02
Dunne darm
4,3E-03
5,5E-03
8,5E-03
1,2E-02
1,9E-02
Dikke darm
3,9E-03
5,0E-03
7,2E-03
9,2E-03
1,5E-03
ULI
4,0E-03
5,1E-03
7,6E-03
1,0E-02
1,6E-02
LLI
3,8E-03
4,8E-03
6,7E-03
8,2E-03
1,3E-02
Hart
1,3E-03
1,6E-03
2,7E-03
4,0E-03
6,1E-03
Nieren
2,0E-01
2,4E-01
3,3E-01
4,7E-01
8,1E-01
Lever
4,4E-03
5,4E-03
8,1E-03
1,1E-02
1.7E-02
Longen
1,1E-03
1,6E-03
2,5E-03
3,9E-03
7.2E-03
Spieren
2,2E-03
2,7E-03
3,7E-03
5,1E-03
8.9E-03
Esofagus
3,8E-04
5,4E-04
8,5E-04
1,5E-03
2.3E-03
Ovaria
3,8E-03
5,1E-03
7,1E-03
9,2E-03
1.5E-02
Pancreas
7,4E-03
9,0E-03
1,3E-02
1,8E-02
2.9E-02
Beenmerg
3,0E-03
3,6E-03
5,0E-03
6,0E-03
8,3E-03
Huid
8,2E-04
1,0E-03
1,5E-03
2,2E-03
4,2E-03
Milt
9,8E-03
1,2E-02
1,8E-02
2,6E-02
4,0E-02
Testikels
2,0E-03
2,9E-03
4,5E-03
5,0E-03
9,8E-03
Thymus
3,8E-04
5,.4E-04
8,5E-04
1,5E-03
2,3E-03
Schildklier
1,7E-04
2,3E-04
4,5E-04
9,2E-04
1,6E-03
Uterus
7,2E-03
8,7E-03
1,2E-02
1,3E-02
2,2E-02
10/11
Overige organen
2,1E-03
2,6E-03
3,6E-03
4,7E-03
8,.0E-03
Effectieve dosis
(mSv/MBq)

1,0E-02
1,2E-02
1,7E-02
2,2E-02
3,8E-02
Voor de toediening van de maximale activiteit van 185 MBq is de effectieve dosis 1,85 mSv.
De geabsorbeerde dosis in het doelorgaan (nier) is 37 mGy en de typische stralingsdosis voor het
kritisch orgaan (blaaswand) is 10 mGy.
12. INSTRUCTIES VOOR DE BEREIDING VAN RADIOACTIEVE GENEESMIDDELEN
Zoals voor elk geneesmiddel geldt, mag dit middel niet worden gebruikt wanneer op enig moment
tijdens de bereiding de injectieflacon is beschadigd.
Instructies voor de bereiding van Technetium (99mTc) Tiatide:
De flaconinhoud dient gelabeld te worden met natriumpertechnetaat( 99mTc) injectie (fission
of non-fission, Ph.Eur.). Door koken van betiatide in aanwezigheid van de 99mTc bevattende
fysiologische zoutoplossing ontstaat het actieve bestanddeel 99mTc-tiatide.
De vorming van gelabelde verontreinigingen is minimaal bij gebruik van een zo klein
mogelijk volume eluaat. Daarom dient de labeling uitgevoerd te worden met een eluaat met
de hoogst mogelijke radioactieve concentratie. Alleen een eluaat van een 99mTc-generator,
welke niet langer dan 24 uur geleden is geëlueerd, mag gebruikt worden.
Verdunning van de bereiding dient uitgevoerd te worden met een fysiologische
zoutoplossing.
Instructies voor radiolabeling:
Voor labeling wordt aanbevolen een eluaat met een zo hoog mogelijke radioactieve
concentratie te gebruiken, omdat de vorming van gelabelde onzuiverheden het geringst is
bij het gebruik van een zo klein mogelijk volume eluaat. Gebruik alleen eluaten afkomstig
van een 99mTc-generator welke niet ouder is dan 1 week.
Elueer een technetium generator in een volume van 5 ml volgens de gefractioneerde
elutietechniek. (Volg de gebruiksaanwijzing voor de generator). Gebruik 3 ml eluaat. De
gewenste hoeveelheid Technetium-99m (maximaal 1 110 MBq (30 mCi)) verdunnen tot een
volume van 10 ml met een fysiologische zoutoplossing (0,9 %). Voeg de oplossing toe aan
een flacon TechneScan MAG3. Gebruik hiervoor een dunne naald (G20 of hoger), zodat de
steekopening zich weer geheel sluit. Dit om te vermijden dat tijdens het koken en afkoelen
water in de flacon komt.
Verhit de flacon onmiddellijk gedurende 10 min. in kokend water. Tijdens het verhitten
dient de flacon rechtop te staan om te voorkomen dat metaalsporen uit de rubberstop het
labelingsproces ongunstig beïnvloeden. Koel de flacon af tot kamertemperatuur in koud
water. Het preparaat is nu klaar voor toediening.
Dit gelabelde 99mTc preparaat, met maximale concentratie van 1 110 MBq in 10 ml, kan tot
4 uur na het einde van de verhittingsstap gebruikt worden.
Om een meer geconcentreerd preparaat te verkrijgen, dient niet meer dan 1 ml eluaat met
een maximale activiteit van 925 MBq (25 mCi) verdund te worden tot 4 ml met een
fysiologische zoutoplossing (0,9%). Volg de procedure zoals hierboven beschreven om de
bereiding te voltooien. Een dergelijk preparaat is houdbaar gedurende 1 uur.
Gebruik bij voorkeur een eluaat verkregen door gefractioneerde elutie. Volg de
voorgeschreven gebruiksaanwijzing van de generator.
Voorzorgsmaatregel voor radiolabeling:
Ter controle op contaminatie van de flaconinhoud tijdens het verhitten en afkoelen wordt
11/11
geadviseerd een geschikt kleurmiddel aan de beide waterbaden toe te voegen (bijv.
methyleenblauw met een eindconcentratie van 10 g/l of natriumfluoresceïne met een
eindconcentratie van 1 g/l).
Het gelabeld product dient, voordat het vrijgegeven wordt, voor gebruik gecontroleerd te
worden (met inachtneming van afdoende radiologische beschermende maatregelen) op
contaminatie.
Instructies voor kwaliteitscontrole:
1. HPLC methode:
Bepaling van de radiochemische zuiverheid van het gelabeld product vindt plaats door
middel van HPLC met een geschikte detector op een 25 cm RP 18 kolom, flowsnelheid 1,0
ml/min.
Mobiele fase A is een mengsel van 19:1 fosfaat-oplossing: ethanol
Mobiele fase B is een mengsel van 1:9 water: methanol.
De fosfaatoplossing bestaat uit 1000 delen 0,01 M NaH2PO4 en 114 delen 0,01 M Na2HPO4;
de pH van de oplossing is op 6 gebracht.
Gebruik een gradiënt elutieprogramma met de volgende parameters:
Tijd (min):
Flow (ml/min.):
% A
% B
10
1
100
0
7
1
0
100
4
2
100
0
De tiatide piek verschijnt aan het eind van de mobiele fase A. Het injectie volume is 5 µl
en de totale telsnelheid per kanaal is niet meer dan 30 000.
De eisen zijn:
initieel
na 4 uur
Tiatide
96,0 %
95,0 %
Total front fractions
3,0 %
3,0 %
Methanol fraction
4,0 %
4,0 %
N.B.
Deze waarden gelden alleen voor de bovenbeschreven HPLC methode!
2. TLC methode
Het is ook mogelijk om een controle uit te voeren op de 99mTc-binding d.m.v. TLC op een
reversed fase TLC plaat. De ontwikkeltijd is ongeveer 3 uur.
Gebruik Merck RP 18 platen, nr. 15683.
Bereid de mobiel fase door 55 delen 0,9% natriumchloride te mengen met 45 delen
methanol en 1 deel azijnzuur.
Een monster van 3 µl wordt opgebracht op een van te voren goed gedroogde RP 18 plaat en
ontwikkeld over een lengte van 15 cm.
Gehydrolyseerd/gereduceerd technetium blijft op de opbrengplaats achter (R f 0,0 - 0,1),
pertechnetaat bevindt zich aan het vloeistoffront (Rf 0,8 - 0,9) en 99mTc-tiatide bevindt zich
in het gebied met een Rf-waarde van 0,35 - 0,45.
De eisen zijn:
99mTc-tiatide
96,0%
Gehydrolyseerd/gereduceerd technetium
2,0%
Pertechnetaat
2,0%

Opgepast

  • Gebruik geen geneesmiddelen zonder het advies van je geneesheer
  • Vertrouw enkel de bijsluiter die meegeleverd werd met je geneesmiddel
  • Gebruik geen geneesmiddelen waarvan de houdbaarheidsdatum verstreken is
  • Bijsluiters zijn aangeleverd door het FAGG
  • FAGG