Signifor 10 mg

BIJLAGE I
SAMENVATTING VAN DE PRODUCTKENMERKEN
1
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 0,3 mg oplossing voor injectie
Signifor 0,6 mg oplossing voor injectie
Signifor 0,9 mg oplossing voor injectie
2.
KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Signifor 0,3 mg oplossing voor injectie
Één ampul van 1 ml bevat 0,3 mg pasireotide (als pasireotidedi-aspartaat).
Signifor 0,6 mg oplossing voor injectie
Één ampul van 1 ml bevat 0,6 mg pasireotide (als pasireotidedi-aspartaat).
Signifor 0,9 mg oplossing voor injectie
Één ampul van 1 ml bevat 0,9 mg pasireotide (als pasireotidedi-aspartaat).
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3.
FARMACEUTISCHE VORM
Oplossing voor injectie (injectie).
Heldere, kleurloze oplossing.
4.
4.1
KLINISCHE GEGEVENS
Therapeutische indicaties
Behandeling van volwassen patiënten met de ziekte van Cushing voor wie een operatie niet mogelijk
is of bij wie een operatie niet is geslaagd.
4.2
Dosering en wijze van toediening
Dosering
De aanbevolen aanvangsdosis is 0,6 mg pasireotide via subcutane injectie tweemaal daags.
Twee maanden na de start van behandeling met Signifor moeten patiënten op een klinisch gunstig
effect worden beoordeeld. Patiënten bij wie de concentratie vrij cortisol in de urine (urinary
free
cortisol
[UFC]) aanzienlijk daalt, moeten met Signifor behandeld blijven worden zolang het gunstige
effect aanhoudt. Afhankelijk van de respons op de behandeling mag een dosisverhoging tot 0,9 mg
worden overwogen, zolang de 0,6 mg dosering goed wordt verdragen door de patiënt. Bij patiënten die
na twee maanden behandeling nog niet op Signifor hebben gereageerd, moet stopzetting van de
behandeling worden overwogen.
Behandeling van vermoede bijwerkingen op enig moment tijdens de behandeling kan een tijdelijke
dosisverlaging van Signifor vereisen. Aanbevolen wordt de dosis in stappen van 0,3 mg tweemaal
daags te verlagen.
Indien een dosis van Signifor wordt gemist, dient de volgende injectie op het geplande tijdstip te
worden toegediend. De dosis mag niet worden verdubbeld om te compenseren voor een overgeslagen
dosis.
2
Overschakelen van de intramusculaire naar de subcutane formulering
Er zijn geen gegevens beschikbaar met betrekking tot het overschakelen van de intramusculaire naar
de subcutane formulering van pasireotide. Indien een dergelijke overschakeling nodig is, wordt
aanbevolen een interval van minimaal 28 dagen aan te houden tussen de laatste intramusculaire
injectie en de eerste subcutane injectie en de subcutane injecties te starten met een dosis van 0,6 mg
pasireotide tweemaal daags. De patiënt dient gecontroleerd te worden op respons en verdraagbaarheid
en verdere dosisaanpassingen kunnen noodzakelijk zijn.
Speciale populaties
Pediatrische patiënten
De veiligheid en werkzaamheid van Signifor bij kinderen en jongeren in de leeftijd van 0 tot 18 jaar
zijn niet vastgesteld. Er zijn geen gegevens beschikbaar.
Oudere patiënten (≥65 jaar)
Er zijn beperkte gegevens over gebruik van Signifor bij patiënten ouder dan 65 jaar, maar er zijn geen
aanwijzingen die suggereren dat bij deze patiënten de dosis moet worden aangepast (zie rubriek 5.2).
Nierfunctiestoornis
Bij patiënten met een gestoorde nierfunctie hoeft de dosis niet te worden aangepast (zie rubriek 5.2).
Leverfunctiestoornis
Bij patiënten met een lichte leverfunctiestoornis (Child Pugh A) hoeft de dosis niet te worden
aangepast. De aanbevolen aanvangsdosis voor patiënten met matige leverfunctiestoornis (Child
Pugh B) is 0,3 mg tweemaal daags (zie rubriek 5.2). De maximale aanbevolen dosis voor deze
patiënten is 0,6 mg tweemaal daags. Signifor mag niet worden gebruikt bij patiënten met ernstige
leverfunctiestoornissen (Child Pugh C) (zie rubrieken 4.3 en 4.4).
Wijze van toediening
Signifor dient door zelfinjectie subcutaan te worden toegediend. Patiënten moeten van de arts of een
andere zorgverlener instructies krijgen over het subcutaan injecteren van Signifor.
Het is niet aanbevolen om dezelfde injectieplaats voor twee opeenvolgende injecties te gebruiken.
Plaatsen met verschijnselen van ontsteking of irritatie moeten vermeden worden. Voorkeurslocaties
voor subcutane injectie zijn de bovenkant van de dijen en de buik (met uitzondering van de navel of de
taille).
Voor meer informatie over instructies, zie rubriek 6.6.
4.3
Contra-indicaties
Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen.
Ernstige leverfunctiestoornis (Child Pugh C).
4.4
Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Glucosemetabolisme
Bij met pasireotide behandelde gezonde vrijwilligers en patiënten zijn vaak veranderingen in de
bloedglucosespiegels gemeld. Bij deelnemers aan klinisch onderzoek met pasireotide is
hyperglykemie en minder vaak, hypoglykemie waargenomen (zie rubriek 4.8).
De mate van hyperglykemie bleek hoger te zijn bij patiënten met prediabetische aandoeningen of
vastgestelde diabetes mellitus. Tijdens de hoofdstudie stegen de HbA
1c
-waarden significant en ze
3
stabiliseerden maar keerden niet terug naar de uitgangswaarden (zie rubriek 4.8). Meer gevallen van
beëindiging van de behandeling en een hogere meldingsfrequentie van ernstige bijwerkingen door
hyperglykemie werden gemeld bij patiënten die behandeld werden met een dosis van 0,9 mg tweemaal
daags.
Het ontstaan van hyperglykemie lijkt verband te houden met een verminderde afgifte van insuline (met
name in de periode na de dosis) en van incretinehormonen (te weten
glucagon-like peptide-1
[GLP-1]
en
glucose-dependent insulinotropic polypeptide
[GIP]).
De glykemische status (nuchter plasmaglucose/hemoglobine A
1c
[FPG/HbA
1c
]) moet vóór instelling
van behandeling met pasireotide worden beoordeeld. FPG/HbA
1c
-monitoring tijdens de behandeling
moet volgens de vastgestelde richtlijnen plaatsvinden. Zelfmonitoring van de bloedglucosespiegel
en/of FPG-beoordelingen moeten gedurende de eerste twee tot drie maanden wekelijks plaatsvinden
en vervolgens periodiek, daar waar klinisch aangewezen, alsook gedurende de eerste twee tot vier
weken na iedere dosisverhoging. Daarnaast dient controle van de FPG 4 weken en HbA
1c
drie
maanden na het einde van de behandeling te worden uitgevoerd.
Als hyperglykemie optreedt bij een patiënt die met Signifor wordt behandeld, wordt het opstarten of
een aanpassing van antidiabetische behandeling aanbevolen, volgens de gevestigde
behandelingsrichtlijnen voor de behandeling van hyperglykemie. Als ongereguleerde hyperglykemie
aanhoudt ondanks adequate medicamenteuze behandeling, moet de dosis Signifor worden verlaagd of
moet de behandeling met Signifor worden stopgezet (zie ook rubriek 4.5).
Er zijn postmarketinggevallen van ketoacidose geweest met Signifor bij patiënten met en zonder
voorgeschiedenis van diabetes. Patiënten die verschijnselen en klachten vertonen die overeenstemmen
met ernstige metabole acidose moeten worden getest voor ketoacidose, ongeacht een voorgeschiedenis
van diabetes.
Bij patiënten met slechte glykemische regulering (gedefinieerd door HbA
1c
-waarden >8% bij
behandeling met antidiabetica) dient de diabetesbehandeling en het toezicht voorafgaand aan de start
en tijdens de pasireotidetherapie te worden geïntensiveerd.
Leveronderzoeken
Milde voorbijgaande verhogingen van aminotransferases zijn vaak waargenomen bij patiënten
behandeld met pasireotide. Zeldzame gevallen van gelijktijdige verhoging van ALT
(alanineaminotransferase) groter dan 3 x ULN en bilirubine groter dan 2 x ULN zijn ook
waargenomen (zie rubriek 4.8). Controle van de leverfunctie is aan te bevelen vóór behandeling met
pasireotide en na een, twee, vier, acht en twaalf weken gedurende de behandeling. Daarna dient de
leverfunctie te worden gecontroleerd waar dit klinisch aangewezen is.
Patiënten bij wie de transaminasespiegels zijn verhoogd dienen te worden gecontroleerd met een
tweede leverfunctiebeoordeling om de bevinding te bevestigen. Als de bevinding wordt bevestigd,
moet de patiënt worden gevolgd met regelmatige leverfunctiecontroles totdat de waarden terugkeren
naar het niveau van voor de behandeling. Behandeling met pasireotide dient te worden beëindigd
indien de patiënt geelzucht of andere verschijnselen ontwikkelt die suggestief zijn voor klinisch
significante leverdisfunctie, in het geval van een aanhoudende verhoging van AST
(aspartaataminotranferase) of ALT van 5 x ULN of groter of indien ALT- of AST-verhogingen groter
dan 3 x ULN gelijktijdig voorkomen met bilirubineverhogingen groter dan 2 x ULN. Na het
beëindigen van de behandeling met pasireotide dienen patiënten te worden gecontroleerd totdat de
afwijkende waarden zijn verdwenen. Behandeling mag niet worden hervat.
Cardiovasculairgerelateerde voorvallen
Bij gebruik van pasireotide is bradycardie gemeld (zie rubriek 4.8). Zorgvuldige monitoring wordt
aanbevolen bij patiënten met een hartaandoening en/of risicofactoren voor bradycardie, zoals een
voorgeschiedenis van klinisch significante bradycardie of acuut myocardinfarct, hooggradig hartblok,
4
congestief hartfalen (NYHA-klasse III of IV), instabiele angina pectoris, aanhoudende
ventrikeltachycardie, ventrikelfibrilleren. Het kan nodig zijn om de dosis van geneesmiddelen zoals
bètablokkers, calciumantagonisten of geneesmiddelen om de elektrolytenbalans te reguleren, aan te
passen (zie ook rubriek 4.5).
Pasireotide bleek in twee specifieke onderzoeken bij gezonde vrijwilligers het QT-interval op het ECG
te verlengen. Het klinisch belang van deze verlenging is onbekend.
In klinisch onderzoek bij patiënten met de ziekte van Cushing werd bij twee van de 201 patiënten een
QTcF van >500 msec waargenomen. Deze episodes waren sporadisch, traden eenmaal op en hierbij
werden geen klinische consequenties waargenomen. In deze studies en in klinische studies bij andere
patiëntenpopulaties werden geen episodes van torsade de pointes waargenomen.
Pasireotide moet voorzichtig worden gebruikt en de baten en risico’s moeten worden afgewogen bij
patiënten met een significant risico op het ontstaan van QT-verlenging, zoals die:
-
met congenitaal lange-QT-syndroom;
-
met niet onder controle gebrachte of significante hartaandoeningen, waaronder recent
myocardinfarct, congestief hartfalen, instabiele angina pectoris of klinisch belangrijke
bradycardie;
-
welke antiaritmica gebruiken of andere stoffen waarvan bekend is dat deze tot QT-verlenging
leiden (zie rubriek 4.5);
-
met hypokaliëmie en/of hypogmagnesiëmie.
Controle op een effect op het QTc-interval is aan te bevelen; vóór instelling van behandeling met
Signifor moet een ECG worden gemaakt, een week na het instellen van de behandeling en daarna waar
dit klinisch aangewezen is. Hypokaliëmie en/of hypomagnesiëmie moet vóór toediening van Signifor
worden gecorrigeerd; tijdens de behandeling moet hier periodiek op worden gecontroleerd.
Hypocortisolisme
Behandeling met Signifor leidt tot een snelle onderdrukking van het ACTH (adrenocorticotroop
hormoon) bij patiënten met de ziekte van Cushing. Een snelle, volledige of bijna volledige
onderdrukking van het ACTH kan leiden tot een afname van de concentraties circulerend cortisol en
mogelijk tot voorbijgaand hypocortisolisme/hypoadrenalisme.
Het is daarom nodig om patiënten te controleren en hun voorlichting te geven over de klachten en
verschijnselen die gepaard gaan met hypocortisolisme (bijvoorbeeld zwakte, vermoeidheid, anorexie,
misselijkheid, braken, hypotensie, hyperkaliëmie, hyponatriëmie, hypoglykemie). In geval van
vastgesteld hypocortisolisme kan tijdelijke exogene steroïden- (glucocorticoïd)substitutietherapie
en/of dosisverlaging of onderbreking van de behandeling met Signifor nodig zijn.
Galblaas en gerelateerde voorvallen
Cholelithiase (galstenen) is een onderkende bijwerking van langdurig gebruik van
somatostatineanaloga en is in klinisch onderzoek met pasireotide vaak gemeld (zie rubriek 4.8). Er zijn
postmarketinggevallen van cholangitis bij patiënten die Signifor gebruiken, wat in de meeste gevallen
werd gemeld als een complicatie van galstenen. Echografisch onderzoek van de galblaas vóór en met
intervallen van 6 tot 12 maanden tijdens behandeling met Signifor is daarom aan te bevelen. De
aanwezigheid van galstenen bij met Signifor behandelde patiënten is grotendeels asymptomatisch;
symptomatische stenen moeten
lege artis
worden behandeld.
Hypofysehormonen
Omdat de farmacologische activiteit van pasireotide lijkt op die van somatostatine, kan remming van
andere hypofysehormonen dan ACTH niet worden uitgesloten. Daarom moet vóór en periodiek tijdens
behandeling met Signifor controle van de hypofysefunctie (bijvoorbeeld TSH/vrij T
4
, GH/IGF-1)
worden overwogen, daar waar klinisch aangewezen.
5
Effecten op de vrouwelijke vruchtbaarheid
De therapeutische voordelen van een reductie of normalisatie van serumcortisolspiegels bij
vrouwelijke patiënten met de ziekte van Cushing kunnen mogelijk leiden tot herstel van de
vruchtbaarheid. Vrouwelijke patiënten die zwanger kunnen worden dient te worden geadviseerd om
tijdens de behandeling met Signifor effectieve anticonceptie te gebruiken (zie rubriek 4.6).
Nierfunctiestoornis
Door de toegenomen blootstelling aan ongebonden geneesmiddel, moet Signifor met voorzichtigheid
worden gebruikt bij patiënten met een ernstige nierfunctiestoornis of met een ernstige nierziekte in het
eindstadium (zie rubriek 5.2).
Natriumgehalte
Dit geneesmiddel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per dosis, d.w.z. in wezen ’natriumvrij’.
4.5
Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Verwachte farmacokinetische interacties die tot effecten op pasireotide leiden
De invloed van de P-gp-remmer verapamil op de farmacokinetiek van subcutane pasireotide werd
onderzocht in een geneesmiddelinteractiestudie bij gezonde vrijwilligers. Er werd geen verandering in
de farmacokinetiek (snelheid of mate van blootstelling) van pasireotide waargenomen.
Verwachte farmacokinetische interacties die tot effecten op andere geneesmiddelen leiden
Pasireotide kan de relatieve biologische beschikbaarheid van ciclosporine verminderen. Bij
gelijktijdige toediening van pasireotide en ciclosporine kan het nodig zijn om de dosis ciclosporine aan
te passen om zo therapeutische spiegels te handhaven.
Verwachte farmacodynamische interacties
Geneesmiddelen die het QT-interval verlengen
Pasireotide moet voorzichtig worden gebruikt bij patiënten die gelijktijdig worden behandeld met
geneesmiddelen die het QT-interval verlengen, zoals klasse Ia-antiaritmica (bijvoorbeeld kinidine,
procaïnamide, disopyramide), klasse III-antiaritmica (bijvoorbeeld amiodaron, dronedaron, sotalol,
dofetilide, ibutilide), bepaalde antibacteriële middelen (intraveneus erytromycine, pentamidine-
injectie, claritromycine, moxifloxacine), bepaalde antipsychotica (bijvoorbeeld chloorpromazine,
thioridazine, flufenazine, pimozide, haloperidol, tiapride, amisulpride, sertindol, methadon), bepaalde
antihistaminica (bijvoorbeeld terfenadine, astemizol, mizolastine), antimalariamiddelen (bijvoorbeeld
chloroquine, halofantrine, lumefantrine), bepaalde antischimmelmiddelen (ketoconazol, behalve in
shampoo) (zie ook rubriek 4.4).
Antibradycardiemiddelen
Klinische monitoring van de hartslagfrequentie, met name aan het begin van de behandeling, wordt
aanbevolen bij patiënten die pasireotide gelijktijdig krijgen toegediend met antibradycardiemiddelen
zoals bètablokkers (bv. metoprolol, carteolol, propranolol, sotalol), acetylcholinesteraseremmers (bv.
rivastigmine, fysostigmine), bepaalde calciumantagonisten (bijvoorbeeld verapamil, diltiazem,
bepridil) of bepaalde antiaritmica (zie ook rubriek 4.4).
Insuline en antidiabetica
Bij gelijktijdige toediening met pasireotide kan de dosis van insuline en antidiabetica (bv. metformine,
liraglutide, vildagliptine, nateglinide) moeten worden aangepast (verlaagd of verhoogd) (zie ook
rubriek 4.4).
6
4.6
Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Er is een beperkte hoeveelheid gegevens over het gebruik van pasireotide bij zwangere vrouwen. Uit
dieronderzoek is reproductietoxiciteit gebleken (zie rubriek 5.3). Pasireotide wordt niet aanbevolen
voor gebruik tijdens de zwangerschap en bij vrouwen die zwanger kunnen worden en geen
anticonceptie toepassen (zie rubriek 4.4).
Borstvoeding
Het is niet bekend of pasireotide in de moedermelk wordt uitgescheiden. Uit de beschikbare gegevens
bij ratten blijkt dat pasireotide in de melk wordt uitgescheiden (zie rubriek 5.3). Borstvoeding moet
worden gestaakt tijdens behandeling met Signifor.
Vruchtbaarheid
Bij onderzoeken bij ratten zijn effecten op de vrouwelijke voortplantingsparameters aangetoond (zie
rubriek 5.3). De klinische relevantie van deze effecten bij mensen is onbekend.
4.7
Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Signifor kan een geringe invloed hebben op de rijvaardigheid en op het vermogen om machines te
bedienen. Patiënten dienen geadviseerd te worden om voorzichtig te zijn tijdens het besturen van een
voertuig of het bedienen van een machine, indien zij vermoeidheid, duizeligheid of hoofdpijn ervaren
tijdens de behandeling met Signifor.
4.8
Bijwerkingen
Overzicht van het veiligheidsprofiel
In totaal 201 patiënten met de ziekte van Cushing hebben Signifor in fase II- en III-studies toegediend
gekregen. Het veiligheidsprofiel van Signifor kwam overeen met dat van de
somatostatineanalogaklasse, met uitzondering van het optreden van hypocortisolisme en mate van
hyperglykemie.
De hieronder beschreven gegevens weerspiegelen de blootstelling van 162 patiënten met de ziekte van
Cushing aan Signifor in het fase III-onderzoek. Bij inclusie in de studie werden patiënten willekeurig
ingedeeld bij behandeling met tweemaal daagse doses van hetzij 0,6 mg of 0,9 mg Signifor. De
gemiddelde leeftijd van de patiënten was ongeveer 40 jaar en de meeste patiënten (77,8%) waren
vrouw. De meesten (83,3%) hadden persisterende of recidiverende ziekte van Cushing en enkelen
(≤5%) in beide behandelingsgroepen hadden eerder hypofysebestraling ondergaan. De mediane
blootstelling aan behandeling tot de afkapdatum van de primaire werkzaamheids- en
veiligheidsanalyse was 10,37 maanden (0,03-37,8), waarbij 66,0% van de patiënten minstens zes
maanden was behandeld.
Bij 57,4% van de patiënten werden bijwerkingen van graad 1 en 2 gemeld. Bijwerkingen van graad 3
werden waargenomen bij 35,8% van de patiënten en bijwerkingen van graad 4 bij 2,5% van de
patiënten. Bijwerkingen van graad 3 en 4 hielden in de meeste gevallen verband met hyperglykemie.
De meest voorkomende bijwerkingen (incidentie ≥10%) waren diarree, misselijkheid, buikpijn,
cholelithiase, reactie op de injectieplaats, hyperglykemie, diabetes mellitus, vermoeidheid en verhoogd
geglycosyleerd hemoglobine.
Tabel met bijwerkingen
Tabel 1 toont de tot de afkapdatum van de analyse gemelde bijwerkingen. Bijwerkingen zijn
gerangschikt naar systeem/orgaanklasse volgens MedDRA. Binnen elke systeem/orgaanklasse staan
7
de bijwerkingen op volgorde van frequentie. Binnen elke frequentiegroepering staan de bijwerkingen
op volgorde van afnemende ernst. Frequenties werden als volgt gedefinieerd: zeer vaak (≥1/10); vaak
(≥1/100, <1/10); soms (≥1/1.000, <1/100); niet bekend (kan met de beschikbare gegevens niet worden
bepaald).
Tabel 1
Bijwerkingen in het fase III-onderzoek en uit post-marketingervaring bij patiënten
met de ziekte van Cushing
Zeer vaak
Vaak
Soms
Anemie
Niet bekend
Systeem/orgaanklasse
Bloed- en
lymfestelselaandoeningen
Endocriene aandoeningen
Voedings- en
stofwisselingsstoornissen
Hyperglykemie,
diabetes mellitus
Zenuwstelselaandoeningen
Hartaandoeningen
Bloedvataandoeningen
Maagdarmstelselaandoening
Diarree,
en
buikpijn,
misselijkheid
Lever- en galaandoeningen
Cholelithiase
Huid- en
onderhuidaandoeningen
Skeletspierstelsel- en
bindweefselaandoeningen
Algemene aandoeningen en
toedieningsplaatsstoornissen
Onderzoeken
Bijnierinsufficiëntie
Verminderde eetlust,
type 2-diabetes mellitus,
verminderde
glucosetolerantie
Hoofdpijn, duizeligheid
Sinusbradycardie, QT-
verlenging
Hypotensie
Braken, pijn in de
bovenbuik
Cholecystitis*,
cholestase
Alopecia, pruritus
Myalgie, artralgie
Diabetische
ketoacidose
Reactie op de
injectieplaats,
vermoeidheid
Geglycosyleerd
hemoglobine
verhoogd
Gamma-
glutamyltransferase
verhoogd,
alanineaminotransferase
verhoogd,
aspartaataminotransferase
verhoogd, lipase
verhoogd, bloedglucose
verhoogd, bloedamylase
verhoogd,
protrombinetijd verlengd
* Cholecystitis inclusief acute cholecystitis
Beschrijving van geselecteerde bijwerkingen
Glucosemetabolismestoornissen
In het fase III-onderzoek bij patiënten met de ziekte van Cushing was verhoogde glucose de meest
gemelde laboratoriumafwijking van graad 3 (23,2% van de patiënten). De gemiddelde HbA
1c
-
verhogingen waren minder uitgesproken bij patiënten met normale glykemie (n=62 totaal) bij inclusie
in de studie (te weten 5,29% resp. 5,22% bij baseline en 6,50% resp. 6,75% in maand 6 voor de
groepen met 0,6 resp. 0,9 mg tweemaal daags) ten opzichte van prediabetische patiënten (te weten
n=38 totaal; 5,77% resp. 5,71% bij baseline en 7,45% resp. 7,13% in maand 6) of diabetische
patiënten (te weten n=54 totaal; 6,50% resp. 6,42% bij baseline en 7,95% resp. 8,30% in maand 6). De
gemiddelde nuchtere plasmaglucosewaarden namen in de eerste behandelmaand vaak toe, om dan in
de daaropvolgende maanden weer af te nemen en te stabiliseren. De nuchtere plasmaglucose- en
8
HbA
1c
-waarden namen gedurende de 28 dagen na stopzetting van pasireotide over het algemeen af
maar bleven boven de baselinewaarden. Er zijn geen gegevens uit langdurige follow-up beschikbaar.
Patiënten met een baseline-HbA
1c
≥7% of die voor randomisatie antidiabetica gebruikten, hadden over
het algemeen een grotere gemiddelde verandering in het nuchtere plasmaglucose en HbA
1c
dan andere
patiënten. De bijwerkingen hyperglykemie en diabetes mellitus leidden bij 5 (3,1%) resp. 4 (2,5%)
patiënten tot stopzetting van de studie. Eén geval van ketose en één geval van ketoacidose zijn gemeld
tijdens het gebruik van Signifor voor schrijnende gevallen.
Bij patiënten die met Signifor worden behandeld, wordt controle van de bloedglucosespiegels
aanbevolen (zie rubriek 4.4).
Maagdarmstelselaandoeningen
Maagdarmstelselaandoeningen werden met Signifor vaak gemeld. Deze reacties waren meestal
laaggradig, vereisten geen interventie en verbeterden bij voortzetting van de behandeling.
Reacties op de injectieplaats
Bij 13,6% van de patiënten die deelnamen aan het fase III-onderzoek bij de ziekte van Cushing,
werden reacties op de injectieplaats gemeld. Injectieplaatsreacties werden ook gemeld in klinische
studies bij andere populaties. De reacties werden meestal gemeld als lokale pijn, erytheem, hematoom,
bloeding en pruritus. Deze reacties gingen vanzelf over en hoefden niet behandeld te worden.
Leverenzymen
Voorbijgaande verhogingen in de leverenzymen zijn gemeld bij gebruik van somatostatineanaloga en
zijn ook waargenomen bij patiënten die in klinisch onderzoek pasireotide ontvingen. De verhogingen
waren grotendeels asymptomatisch, laaggradig en reversibel bij voortzetting van de behandeling.
Zeldzame gevallen van gelijktijdige verhogingen in ALT groter dan 3 x ULN en bilirubine groter dan
2 x ULN zijn waargenomen. Alle gevallen van gelijktijdige verhogingen zijn binnen 10 dagen na het
instellen van de behandeling met Signifor vastgesteld. De patiënten herstelden zonder klinische
complicaties en de leverfunctietestresultaten keerden terug naar het baselineniveau na beëindiging van
de behandeling.
Controle van de leverenzymen wordt voor en tijdens behandeling met Signifor aanbevolen waar dat
klinisch aangewezen is (zie rubriek 4.4).
Pancreasenzymen
Bij patiënten die in klinisch onderzoek pasireotide kregen, werden asymptomatische verhogingen van
lipase en amylase waargenomen. De verhogingen waren over het algemeen laaggradig en reversibel
bij voortzetting van de behandeling. Pancreatitis een mogelijke bijwerking in samenhang met het
gebruik van somatostatineanaloga gezien het verband tussen cholelithiase en acute pancreatitis.
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op
deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden
gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen
te melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in
aanhangsel V.
4.9
Overdosering
Bij gezonde vrijwilligers zijn doses tot 2,1 mg tweemaal daags gebruikt, waarbij met hoge frequentie
diarree als bijwerking werd waargenomen.
In geval van een overdosis wordt het opstarten van passende ondersteunende behandeling aanbevolen,
op geleide van de klinische status van de patiënt, totdat de symptomen verdwijnen.
9
5.
5.1
FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: hypofysaire en hypothalamische hormonen en analogen,
somatostatine en analoga, ATC-code: H01CB05
Werkingsmechanisme
Pasireotide is een nieuw cyclohexapeptide, injecteerbaar somatostatineanaloog. Net als de natuurlijke
peptidehormonen somatostatine-14 en somatostatine-28 (ook bekend als
somatotropin release
inhibiting factor
[SRIF]) en andere somatostatineanaloga, oefent pasireotide zijn farmacologische
werking uit via binding aan somatostatinereceptoren. Er zijn bij de mens vijf
somatostatinereceptorsubtypes bekend: hsst1, 2, 3, 4 en 5. Deze receptorsubtypes komen onder
normale fysiologische omstandigheden in verschillende weefsels tot expressie. Somatostatineanaloga
binden zich met verschillende potenties aan hsst-receptoren (zie tabel 2). Pasireotide bindt zich met
hoge affiniteit aan vier van de vijf hsst's.
Tabel 2
Bindingsaffiniteit van somatostatine (SRIF-14), pasireotide, octreotide en lanreotide
voor de vijf humane somatostatin receptorsubtypes (hsst1-5)
hsst4
1,50,4
>1.000
>1.000
23040
hsst5
0,290,04
0,160,01
6,31,0
175
Verbinding
hsst1
hsst2
hsst3
Somatostatine
0,930,12
0,150,02
0,560,17
(SRIF-14)
Pasireotide
9,30,1
1,00,1
1,50,3
Octreotide
28080
0,380,08
7,11,4
Lanreotide
18020
0,540,08
149
Resultaten zijn gemiddelde
SEM
van IC
50
-waarden uitgedrukt als nmol/l.
Farmacodynamische effecten
Somatostatinereceptoren komen in vele weefsels tot expressie, met name in neuro-endocriene tumoren
waarin excessieve secretie van hormonen plaatsvindt, waaronder ACTH bij de ziekte van Cushing.
Uit
in-vitro-onderzoek
blijkt dat corticotrope tumorcellen van patiënten met de ziekte van Cushing een
sterke expressie van hsst5 laten zien, terwijl de andere receptorsubtypes hetzij niet of in mindere mate
tot expressie komen. Pasireotide bindt zich aan en activeert vier van de vijf hsst's, vooral hsst5, in
corticotropen van ACTH-producerende adenomen, hetgeen tot remming van de ACTH-secretie leidt.
Klinische werkzaamheid en veiligheid
Er is een multicenter, gerandomiseerd fase III-onderzoek verricht naar de veiligheid en werkzaamheid
van verschillende doses Signifor gedurende twaalf maanden behandeling bij patiënten met
persisterende of recidiverende ziekte van Cushing of
de novo
patiënten bij wie chirurgie niet was
aangewezen of die chirurgie weigerden.
Aan het onderzoek namen 162 patiënten deel met een baseline-UFC >1,5 x ULN die werden
gerandomiseerd in een verhouding van 1:1 naar een subcutane dosis van hetzij 0,6 mg of 0,9 mg
Signifor tweemaal daags. Na drie maanden behandeling gingen patiënten met een gemiddeld 24-uurs
UFC ≤2 x ULN en onder of gelijk aan hun baselinewaarde door met de geblindeerde behandeling met
de gerandomiseerde dosis tot maand 6. Patiënten die niet aan deze criteria voldeden, werden
gedeblindeerd en de dosis werd met 0,3 mg tweemaal daags verhoogd. Na de eerste 6 maanden in het
onderzoek begonnen patiënten aan een open-label behandelingsperiode van nog eens 6 maanden. Als
er in maand 6 geen respons was of als deze respons tijdens de open-label behandelingsperiode niet
aanhield, kon de dosering met 0,3 mg tweemaal daags worden verhoogd. De dosis kon op elk moment
tijdens het onderzoek in stappen van 0,3 mg tweemaal daags worden verlaagd als deze niet werd
10
verdragen.
Het primaire werkzaamheidseindpunt was het deel van de patiënten in elke arm bij wie de gemiddelde
24-uurs UFC-concentratie (UFC≤ULN) na 6 maanden behandeling normaliseerde en bij wie tijdens
deze periode de dosis niet werd verhoogd (ten opzichte van de gerandomiseerde dosis). Secundaire
eindpunten waren onder meer veranderingen t.o.v. baseline in: 24-uurs UFC, plasma-ACTH,
serumcortisolspiegels en klinische verschijnselen en klachten van de ziekte van Cushing. Alle analyses
werden verricht op basis van de gerandomiseerde dosisgroepen.
De demografische gegevens bij baseline waren tussen de twee gerandomiseerde dosisgroepen goed in
evenwicht en kwamen overeen met de epidemiologie van de aandoening. De gemiddelde leeftijd van
de patiënt was ongeveer 40 jaar en de meeste patiënten (77,8%) waren vrouw. De meeste patiënten
(83,3%) hadden persisterende of recidiverende ziekte van Cushing en enkele patiënten (≤5%) in beide
behandelingsgroepen hadden eerder hypofysebestraling ondergaan.
De kenmerken bij baseline waren tussen de twee gerandomiseerde dosisgroepen in evenwicht, met
uitzondering van uitgesproken verschillen in de gemiddelde waarden van het 24-uurs UFC bij baseline
(1156 nmol/24 u voor de groep met 0,6 mg tweemaal daags en 782 nmol/24 u voor de groep met
0,9 mg tweemaal daags; normaalbereik 30-145 nmol/24 u).
Resultaten
In maand 6 werd normalisatie van de gemiddelde UFC-spiegels waargenomen bij 14,6% (95%-BI
7,0-22,3) resp. 26,3% (95%-BI 16,6-35,9) van de naar pasireotide 0,6 mg resp. 0,9 mg tweemaal daags
gerandomiseerde patiënten. Het onderzoek heeft de primaire werkzaamheidsdoelstelling voor de groep
met 0,9 mg tweemaal daags bereikt omdat de onderlimiet van het 95%-BI groter is dan de vooraf
gespecificeerde 15%-grens. De respons in de dosisarm met 0,9 mg bleek hoger te zijn voor patiënten
met een lager gemiddeld UFC bij baseline. De
responder rate
in maand 12 was vergelijkbaar met
maand 6, met 13,4% resp. 25,0% in de groepen met 0,6 mg resp. 0,9 mg tweemaal daags.
Er werd een ondersteunende werkzaamheidsanalyse uitgevoerd waarbij patiënten verder
onderverdeeld werden in 3 responscategorieën ongeacht optitratie in maand 3: volledig onder controle
(UFC ≤1,0 x ULN), gedeeltelijk onder controle (UFC >1,0 x ULN maar met een verlaging van het
UFC ≥50% t.o.v. baseline) of niet onder controle (verlaging van het UFC <50%). De totale proportie
patiënten met of volledig of gedeeltelijk gemiddelde UFC-controle op 6 maanden was 34% en 41%
van de gerandomiseerde patiënten met respectievelijk de 0,6 mg en 0,9 mg dosis. Patiënten die in
zowel maand 1 als maand 2 niet onder controle zijn, zijn waarschijnlijk (90%) in de maanden 6 en 12
ook niet onder controle.
In beide dosisgroepen resulteerde Signifor na 1 maand behandeling in een verlaging van het
gemiddelde UFC die in de tijd aanhield.
Verlagingen werden ook aangetoond op basis van de algehele procentuele verandering in gemiddelde
en mediane UFC-spiegels in maand 6 en 12 in vergelijking met de baselinewaarden (zie tabel 3). Ook
werden voor elke dosisgroep op elk tijdpunt verminderingen van het plasma-ACTH waargenomen.
Tabel 3
Procentuele verandering in gemiddeld en mediaan UFC per gerandomiseerde
dosisgroep in maand 6 en maand 12 in vergelijking met baselinewaarden
Pasireotide 0,6 mg 2 dd
% verandering (n)
-27,5* (52)
-41,3 (37)
Pasireotide 0,9 mg 2 dd
% verandering (n)
-48,4 (51)
-54,5 (35)
Gemiddelde
Maand 6
verandering in UFC (% Maand 12
t.o.v. baseline)
Mediane verandering in Maand 6
-47,9 (52)
-47,9 (51)
UFC (% t.o.v. baseline) Maand 12
-67,6 (37)
-62,4 (35)
*
Inclusief één patiënt met significante uitschieters met een procentuele verandering t.o.v.
11
baseline van +542,2%.
In beide dosisgroepen werden in maand 6 verlagingen van de systolische en diastolische bloeddruk bij
zitten, body mass index (BMI) en totaalcholesterol waargenomen. De algehele verlagingen van deze
parameters werden waargenomen bij patiënten met volledig en gedeeltelijk gemiddelde UFC-controle
maar waren bij patiënten met een genormaliseerd UFC over het algemeen hoger. Soortgelijke trends
werden gezien in maand 12.
Pediatrische patiënten
Het Europees Geneesmiddelenbureau heeft besloten af te zien van de verplichting voor de fabrikant
om de resultaten in te dienen van onderzoek met Signifor in alle subgroepen van pediatrische patiënten
met hypofyseafhankelijke ziekte van Cushing, overproductie van hypofyse-ACTH en hypofyse-
afhankelijk hyperadrenocorticisme (zie rubriek 4.2 voor informatie over pediatrisch gebruik).
5.2
Farmacokinetische eigenschappen
Absorptie
Bij gezonde vrijwilligers wordt pasireotide snel geabsorbeerd en de piekplasmaconcentratie wordt
binnen 0,25-0,5 uur bereikt. Na toediening van eenmalige en meerdere doses zijn de C
max
en AUC
ongeveer dosisproportioneel.
Er is geen onderzoek verricht om de biologische beschikbaarheid van pasireotide bij de mens te
beoordelen.
Distributie
Bij gezonde vrijwilligers wordt pasireotide in hoge mate verdeeld met een groot schijnbaar
verdelingsvolume (V
z
/F >100 liter). De verdeling tussen bloedcellen en plasma is
concentratieonafhankelijk en laat zien dat pasireotide zich voornamelijk in het plasma bevindt (91%).
De plasma-eiwitbinding is matig (88%) en onafhankelijk van de concentratie.
Op basis van
in vitro
data lijkt pasireotide een substraat van
efflux transporter P-gp
(P-glycoproteïne)
te zijn. Op basis van
in vitro
data is pasireotide geen substraat van de
efflux transporter BCRP
(breast
cancer resistance protein)
en ook niet van de
influx transporters
OCT1 (organic
cation transporter 1),
OATP (organic
anion-transporting polypeptide)
1B1, 1B3 of 2B1. Bij therapeutische
doseringsniveaus is pasireotide ook geen remmer van UGT1A1, OATP, 1B1 of 1B3, P-gp, BCRP,
MRP2 en BSEP.
Biotransformatie
Pasireotide is metabool zeer stabiel en uit
in vitro
gegevens blijkt dat pasireotide geen substraat,
remmer of inductor is van een van de belangrijke CYP450-enzymen. Bij gezonde vrijwilligers wordt
pasireotide voornamelijk in onveranderde vorm aangetroffen is plasma, urine en feces.
Eliminatie
Pasireotide wordt voornamelijk geëlimineerd via hepatische klaring (biliaire excretie), waarbij een
klein gedeelte via de renale route gaat. In een ADME-studie bij mensen werd 55,9±6,63% van de
radioactieve dosis gedurende de eerste 10 dagen na toediening teruggevonden, waaronder 48,3±8,16%
van de radioactiviteit in de feces en 7,63±2,03% in de urine.
Pasireotide heeft een lage klaring (CL/F ~7,6 liter/u voor gezonde vrijwilligers en ~3,8 liter/u voor
patiënten met de ziekte van Cushing). Gebaseerd op de accumulatieve ratio’s van AUC, was de
berekende effectieve halfwaardetijd (t
1/2,eff
) bij gezonde volwassen vrijwilligers ongeveer 12 uur.
12
Lineariteit en tijdafhankelijkheid
In het dosisbereik van 0,3 mg tot 1,2 mg tweemaal daags bij patiënten met de ziekte van Cushing
vertoont pasireotide een lineaire en tijdonafhankelijke farmacokinetiek. Farmacokinetische
populatieanalyse maakt aannemelijk dat op basis van C
max
en AUC 90% van de steady-state bij
patiënten met de ziekte van Cushing na ongeveer respectievelijk 1,5 en 15 dagen wordt bereikt.
Speciale populaties
Pediatrische patiënten
Er zijn bij pediatrische patiënten geen onderzoeken verricht.
Patiënten met een nierfunctiestoornis
De renale klaring draagt slechts in geringe mate bij aan de eliminatie van pasireotide bij de mens. In
een klinische studie waarbij patiënten met een nierfunctiestoornis een enkele subcutane dosis van
900 µg pasireotide kregen toegediend, had een lichte, matige of ernstige nierfunctiestoornis of
nierfalen in het eindstadium (ESRD) geen significante invloed op de totale blootstelling aan
pasireotide in het plasma. De blootstelling aan ongebonden pasireotide in het plasma (AUC
inf,u
) was
verhoogd bij proefpersonen met een nierfunctiestoornis (lichte: 33%; matige: 25%, ernstige: 99%,
ESRD: 143%) vergeleken met proefpersonen in de controlegroep.
Patiënten met een leverfunctiestoornis
In een klinisch onderzoek bij proefpersonen met een gestoorde leverfunctie (Child Pugh A, B en C)
werden statistisch significante verschillen gevonden bij proefpersonen met een matige en ernstige
leverfunctiestoornis (Child Pugh B en C). Bij patiënten met een matige en ernstige leverfunctiestoornis
nam de AUC
inf
toe met 60% resp. 79% en de C
max
met 67% resp. 69%, en nam de CL/F af met 37%
resp. 44%.
Oudere patiënten (≥65 jaar)
Leeftijd blijkt in de farmacokinetische populatieanalyse van patiënten met de ziekte van Cushing een
covariabele te zijn. Bij toenemende leeftijd zijn verminderde totale lichaamsklaring en verhoogde
farmacokinetische blootstelling gezien. In de onderzochte leeftijdscategorie van 18-73 jaar, zal het
oppervlak onder de curve bij steady-state voor één dosisinterval van 12 uur (AUC
ss
) naar verwachting
variëren van 86% tot 111% van dat van de typische patiënt van 41 jaar. Deze variatie is matig en
wordt van gering belang geacht gezien het grote leeftijdsbereik waarin het effect werd waargenomen.
Gegevens over de ziekte van Cushing bij patiënten ouder dan 65 jaar zijn beperkt, maar suggereren
geen klinisch significant verschil in veiligheid en werkzaamheid in vergelijking met jongere patiënten.
Demografie
Farmacokinetische populatieanalyses van Signifor maken aannemelijk dat ras en geslacht geen invloed
hebben op farmacokinetische parameters.
In de farmacokinetische populatieanalyse van patiënten met de ziekte van Cushing blijkt
lichaamsgewicht een covariabele te zijn. Voor een bereik van 60-100 kg zal de afname van de AUC
ss
met toenemend gewicht naar verwachting ongeveer 27% zijn, wat matig en van gering klinisch belang
wordt geacht.
5.3
Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Niet-klinische veiligheidsgegevens duiden niet op een speciaal risico voor mensen. Deze gegevens
zijn afkomstig van conventioneel onderzoek op het gebied van veiligheidsfarmacologie, toxiciteit bij
herhaalde dosering, genotoxiciteit, carcinogeen potentieel, reproductie- en ontwikkelingstoxiciteit. De
meeste bevindingen die in toxiciteitstudies bij herhaalde dosering gezien zijn, waren reversibel en toe
te schrijven aan de farmacologie van pasireotide. Effecten in niet-klinische onderzoeken werden
uitsluitend waargenomen na blootstelling die geacht wordt beduidend hoger te liggen dan het
maximale niveau waaraan de mens wordt blootgesteld, zodat deze niet relevant zijn voor klinische
13
doeleinden.
Pasireotide was in
in-vitro-
en
in-vivo-assays
niet genotoxisch.
In carcinogeniteitsonderzoek bij ratten en transgene muizen werd geen carcinogeen potentieel
vastgesteld.
Pasireotide had bij ratten geen invloed op de vruchtbaarheid bij mannetjes maar, zoals op grond van de
farmacologie van pasireotide te verwachten valt, hadden wijfjes abnormale of geen cycli, en
verminderde aantallen
corpora lutea
en implantatieplaatsen. Bij ratten en konijnen werd
embryotoxiciteit gezien bij doses die maternale toxiciteit veroorzaakten, maar er werd geen teratogeen
potentieel vastgesteld. In de pre- en postnatale studie bij ratten had pasireotide geen effect op de
weeën en baring, maar veroorzaakte het een lichte vertraging in het loslaten van de oorschelp en lager
lichaamsgewicht van de nakomelingen.
Uit de beschikbare toxicologische gegevens bij dieren blijkt dat pasireotide in de moedermelk wordt
uitgescheiden.
6.
6.1
FARMACEUTISCHE GEGEVENS
Lijst van hulpstoffen
Mannitol
Wijnsteenzuur
Natriumhydroxide
Water voor injecties
6.2
Gevallen van onverenigbaarheid
Bij gebrek aan onderzoek naar onverenigbaarheden, mag dit geneesmiddel niet met andere
geneesmiddelen gemengd worden.
6.3
3 jaar
6.4
Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Houdbaarheid
Bewaren in de oorspronkelijke verpakking ter bescherming tegen licht.
6.5
Aard en inhoud van de verpakking
OPC kleurloos, type I glazen ampul met 1 ml oplossing.
Elke ampul is verpakt in een kartonnen tray, die is geplaatst in een omdoos.
Verpakkingen met 6 ampullen of meervoudige verpakkingen met 18 (3 x 6), 30 (5 x 6) of 60 (10 x 6)
ampullen.
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
6.6
Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies
Signifor oplossing voor injectie mag geen zichtbare deeltjes bevatten en moet helder en kleurloos zijn.
Gebruik Signifor niet als de oplossing niet helder is of deeltjes bevat.
14
Voor informatie over de instructies voor het gebruik, zie het einde van de bijsluiter “Hoe injecteert u
Signifor?”.
Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale
voorschriften.
7.
HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France
8.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Signifor 0,3 mg oplossing voor injectie
EU/1/12/753/001-004
Signifor 0,6 mg oplossing voor injectie
EU/1/12/753/005-008
Signifor 0,9 mg oplossing voor injectie
EU/1/12/753/009-012
9.
DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN
DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 24 april 2012
Datum van laatste verlenging: 18 november 2016
10.
DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees
Geneesmiddelenbureau http://www.ema.europa.eu.
15
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 10 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Signifor 20 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Signifor 30 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Signifor 40 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Signifor 60 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
2.
KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Signifor 10 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Een injectieflacon bevat 10 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).
Signifor 20 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Een injectieflacon bevat 20 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).
Signifor 30 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Een injectieflacon bevat 30 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).
Signifor 40 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Een injectieflacon bevat 40 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).
Signifor 60 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Een injectieflacon bevat 60 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3.
FARMACEUTISCHE VORM
Poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie (poeder voor injectie).
Poeder: lichtgelig tot gelig poeder.
Oplosmiddel: heldere, kleurloze tot lichtgele of lichtbruine oplossing.
4.
4.1
KLINISCHE GEGEVENS
Therapeutische indicaties
Behandeling van volwassen patiënten met acromegalie voor wie een operatie niet mogelijk is of bij
wie een operatie niet curatief is geweest en die onvoldoende gereguleerd zijn met een behandeling met
een ander somatostatine-analoog.
Behandeling van volwassen patiënten met de ziekte van Cushing voor wie een operatie niet mogelijk
is of bij wie een operatie niet is geslaagd.
De 60 mg sterkte dient alleen gebruikt te worden voor de behandeling van acromegalie.
4.2
Dosering en wijze van toediening
Dosering
Acromegalie
De aanbevolen aanvangsdosis voor de behandeling van acromegalie is 40 mg pasireotide iedere
16
4 weken.
De dosis mag worden verhoogd tot een maximum van 60 mg bij patiënten waarbij de spiegels van het
groeihormoon (GH) en/of de
insulin like growth factor 1
(IGF-1), na 3 maanden behandeling met
40 mg Signifor, niet volledig onder controle zijn.
Behandeling van vermoede bijwerkingen of een te sterke respons op de behandeling (IGF-1 <
lower
limit of normal
(LLN)) kan een tijdelijke dosisverlaging van Signifor vereisen. De dosis mag tijdelijk
of permanent worden verlaagd.
Ziekte van Cushing
De aanbevolen aanvangsdosis voor de behandeling van de ziekte van Cushing is 10 mg pasireotide via
diepe intramusculaire injectie iedere 4 weken.
De patiënt dient beoordeeld te worden op een klinisch gunstig effect na de eerste maand van de
behandeling en nadien op regelmatige tijdstippen. De dosis kan iedere 2 tot 4 maanden worden
getitreerd op basis van respons en verdraagbaarheid. De maximumdosis Signifor bij de ziekte van
Cushing is 40 mg iedere 4 weken. Als er geen klinisch gunstig effect wordt waargenomen, moet bij
patiënten stopzetting van de behandeling worden overwogen.
Behandeling van vermoede bijwerkingen of een te sterke respons op de behandeling (cortisolspiegels
< LLN (ondergrens normale waarde -
lower limit of normal))
kan dosisverlaging, onderbreking of
stopzetting van Signifor vereisen
.
Overschakeling van de subcutane naar de intramusculaire formulering
Er zijn geen gegevens beschikbaar met betrekking tot het overschakelen van de subcutane naar de
intramusculaire formulering van pasireotide. Indien een dergelijke overschakeling nodig is, is de
aanbevolen aanvangsdosis voor de behandeling van de ziekte van Cushing 10 mg pasireotide via diepe
intramusculaire injectie iedere 4 weken. De patiënt dient gecontroleerd te worden op respons en
verdraagbaarheid en verdere dosisaanpassingen kunnen noodzakelijk zijn.
Gemiste dosis
Indien een dosis van Signifor wordt gemist, dient de gemiste injectie zo spoedig mogelijk te worden
toegediend. De volgende dosis dient dan opnieuw 4 weken na deze toediening te worden gepland om
het normale schema van iedere 4 weken een dosis te hervatten.
Speciale populaties
Oudere patiënten (≥65 jaar)
Er zijn beperkte gegevens over gebruik van Signifor bij patiënten ouder dan 65 jaar, maar er zijn geen
aanwijzingen die erop wijzen dat bij deze patiënten de dosis moet worden aangepast (zie rubriek 5.2).
Nierfunctiestoornis
Dosisaanpassing is niet noodzakelijk bij patiënten met een gestoorde nierfunctie (zie rubriek 5.2).
Leverfunctiestoornis
Bij patiënten met een lichte leverfunctiestoornis (Child Pugh A) hoeft de dosis niet te worden
aangepast.
Acromegalie: de aanbevolen aanvangsdosis voor acromegaliepatiënten met matige
leverfunctiestoornis (Child Pugh B) is 20 mg iedere 4 weken en de maximale aanbevolen dosis voor
deze patiënten is 40 mg iedere 4 weken (zie rubriek 5.2).
Ziekte van Cushing: de aanbevolen aanvangsdosis voor patiënten met de ziekte van Cushing met
matige leverfunctiestoornis (Child Pugh B) is 10 mg iedere 4 weken en de maximale aanbevolen dosis
voor deze patiënten is 20 mg iedere 4 weken (zie rubriek 5.2).
17
Signifor mag niet worden gebruikt bij patiënten met ernstige leverfunctiestoornissen (Child Pugh C)
(zie rubrieken 4.3 en 4.4).
Pediatrische patiënten
De veiligheid en werkzaamheid van Signifor bij kinderen en jongeren in de leeftijd van 0 tot 18 jaar
zijn niet vastgesteld. Er zijn geen gegevens beschikbaar.
Wijze van toediening
Signifor moet worden toegediend via diepe intramusculaire injectie door een getrainde
beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg. De Signifor-suspensie moet onmiddellijk vóór de
toediening worden bereid.
De locatie van herhaalde intramusculaire injecties moet worden afgewisseld tussen de linker- en de
rechter gluteale spier.
Voor instructies over reconstitutie van het geneesmiddel voorafgaand aan toediening, zie rubriek 6.6.
4.3
Contra-indicaties
Overgevoeligheid voor de werkzame stof of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen.
Ernstige leverfunctiestoornis (Child Pugh C).
4.4
Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Glucosemetabolisme
Bij met pasireotide behandelde gezonde vrijwilligers en patiënten zijn vaak veranderingen in de
bloedglucosespiegels gemeld. Bij deelnemers aan klinisch onderzoek met pasireotide is
hyperglykemie en minder vaak, hypoglykemie waargenomen (zie rubriek 4.8).
Bij patiënten die hypoglykemie ontwikkelden, bleek de aandoening in het algemeen te reageren op
antidiabetische therapie. Dosisreductie of het stopzetten van de behandeling met pasireotide omwille
van hyperglykemie waren zeldzaam in klinische onderzoeken met pasireotide.
Het ontstaan van hyperglykemie lijkt verband te houden met een verminderde afgifte van insuline en
van incretinehormonen (te weten
glucagon-like peptide-1
[GLP-1] en
glucose-dependent
insulinotropic polypeptide
[GIP]).
De glykemische status (nuchter plasmaglucose/hemoglobine A
1c
[FPG/HbA
1c
]) moet vóór instelling
van behandeling met pasireotide worden beoordeeld. FPG/HbA
1c
-monitoring tijdens de behandeling
moet volgens de vastgestelde richtlijnen plaatsvinden. Zelfmonitoring van de bloedglucosespiegel
en/of FPG-beoordelingen moeten gedurende de eerste drie maanden wekelijks plaatsvinden en
vervolgens periodiek, daar waar klinisch aangewezen, alsook gedurende de eerste vier tot zes weken
na iedere dosisverhoging. Daarnaast dient controle van de FPG 4 weken en HbA
1c
drie maanden na het
einde van de behandeling te worden uitgevoerd.
Als hyperglykemie optreedt bij een patiënt die met Signifor wordt behandeld, wordt het opstarten of
een aanpassing van antidiabetische behandeling aanbevolen, volgens de gevestigde
behandelingsrichtlijnen voor de behandeling van hyperglykemie. Als ongereguleerde hyperglykemie
aanhoudt ondanks adequate medicamenteuze behandeling, moet de dosis Signifor worden verlaagd of
moet de behandeling met Signifor worden stopgezet (zie ook rubriek 4.5).
Er zijn postmarketinggevallen van ketoacidose geweest met Signifor bij patiënten met en zonder
voorgeschiedenis van diabetes. Patiënten die verschijnselen en klachten vertonen die overeenstemmen
met ernstige metabole acidose moeten worden getest voor ketoacidose, ongeacht een voorgeschiedenis
18
van diabetes.
Bij patiënten met slechte glykemische regulering (gedefinieerd door HbA
1c
-waarden >8% bij
behandeling met antidiabetica) dient de diabetesbehandeling en het toezicht voorafgaand aan de start
en tijdens de pasireotidetherapie te worden geïntensiveerd.
Leveronderzoeken
Milde voorbijgaande verhogingen van aminotransferases zijn vaak waargenomen bij patiënten
behandeld met pasireotide. Zeldzame gevallen van gelijktijdige verhoging van ALT
(alanineaminotransferase) groter dan 3 x ULN en bilirubine groter dan 2 x ULN zijn ook
waargenomen (zie rubriek 4.8). Controle van de leverfunctie is aan te bevelen vóór intramusculaire
behandeling met pasireotide en na de eerste twee tot drie weken, daarna maandelijks voor 3 maanden
gedurende de behandeling. Daarna dient de leverfunctie te worden gecontroleerd waar dit klinisch
aangewezen is.
Patiënten met verhoogde transaminasespiegels moeten regelmatig worden gecontroleerd totdat de
waarden terugkeren naar het niveau van voor de behandeling. Behandeling met pasireotide dient te
worden beëindigd indien de patiënt geelzucht of andere verschijnselen ontwikkelt die suggestief zijn
voor klinisch significante leverdisfunctie, in het geval van een aanhoudende verhoging van AST
(aspartaataminotranferase) of ALT van 5 x ULN of groter of indien ALT- of AST-verhogingen groter
dan 3 x ULN gelijktijdig voorkomen met bilirubineverhogingen groter dan 2 x ULN. Na het
beëindigen van de behandeling met pasireotide dienen patiënten te worden gecontroleerd totdat de
afwijkende waarden zijn verdwenen. Behandeling mag niet worden hervat indien aan pasireotide
gerelateerde afwijkingen van de leverfunctie worden vermoed.
Cardiovasculairgerelateerde voorvallen
Bij gebruik van pasireotide is bradycardie gemeld (zie rubriek 4.8). Zorgvuldige monitoring wordt
aanbevolen bij patiënten met een hartaandoening en/of risicofactoren voor bradycardie, zoals een
voorgeschiedenis van klinisch significante bradycardie of acuut myocardinfarct, hooggradig hartblok,
congestief hartfalen (NYHA-klasse III of IV), instabiele angina pectoris, aanhoudende
ventrikeltachycardie, ventrikelfibrilleren. Het kan nodig zijn om de dosis van geneesmiddelen zoals
bètablokkers, calciumantagonisten of geneesmiddelen om de elektrolytenbalans te reguleren, aan te
passen (zie ook rubriek 4.5).
In twee specifieke onderzoeken, uitgevoerd met het subcutane preparaat, bleek pasireotide bij gezonde
vrijwilligers het QT-interval op het ECG te verlengen. De klinische significantie van deze verlenging
is niet bekend. De klinische fase III-onderzoeken bij acromegaliepatiënten identificeerden geen
klinisch relevante verschillen in de QT-verlengingsvoorvallen tussen pasireotide intramusculaire
toediening en de somatostatine-analogen die werden getest als actieve vergelijker. Alle
QT-gerelateerde voorvallen waren van voorbijgaande aard en verdwenen zonder therapeutische
interventie.
Gevallen van torsade de pointes werden niet waargenomen in de klinische onderzoeken met
pasireotide.
Pasireotide moet voorzichtig worden gebruikt en de baten en risico’s moeten worden afgewogen bij
patiënten met een significant risico op het ontstaan van QT-verlenging, zoals die:
-
met congenitaal lange-QT-syndroom;
-
met niet onder controle gebrachte of significante hartaandoeningen, waaronder recent
myocardinfarct, congestief hartfalen, instabiele angina pectoris of klinisch belangrijke
bradycardie;
-
welke antiaritmica gebruiken of andere stoffen waarvan bekend is dat deze tot QT-verlenging
leiden (zie rubriek 4.5);
-
met hypokaliëmie en/of hypogmagnesiëmie.
19
Een uitgangs-ECG is aan te bevelen vóór instelling van behandeling met Signifor. Monitoring van een
effect op het QTc-interval is aan te raden 21 dagen na het begin van de behandeling, daarna waar dit
klinisch aangewezen is. Hypokaliëmie en/of hypomagnesiëmie moet vóór toediening van Signifor
worden gecorrigeerd; tijdens de behandeling moet hier periodiek op worden gecontroleerd.
Hypocortisolisme
De onderdrukking van ACTH (adrenocorticotroop hormoon) kan leiden tot hypocortisolisme bij
patiënten die worden behandeld met Signifor. Het is daarom nodig om patiënten te controleren en hun
voorlichting te geven over de klachten en verschijnselen die gepaard gaan met hypocortisolisme
(bijvoorbeeld zwakte, vermoeidheid, anorexie, misselijkheid, braken, hypotensie, hyperkaliëmie,
hyponatriëmie, hypoglykemie). In geval van vastgesteld hypocortisolisme kan tijdelijke exogene
steroïden- (glucocorticoïd)substitutietherapie en/of dosisverlaging of onderbreking van de behandeling
met Signifor nodig zijn. Snelle dalingen van de cortisolspiegel kunnen verband houden met een
afname van het aantal witte bloedcellen.
Galblaas en gerelateerde voorvallen
Cholelithiase (galstenen) is een onderkende bijwerking van somatostatineanaloga en is in klinisch
onderzoek met pasireotide vaak gemeld (zie rubriek 4.8). Er zijn postmarketinggevallen van
cholangitis bij patiënten die Signifor gebruiken, wat in de meeste gevallen werd gemeld als een
complicatie van galstenen. Echografisch onderzoek van de galblaas vóór en met intervallen van 6 tot
12 maanden tijdens behandeling met Signifor is daarom aan te bevelen. De aanwezigheid van
galstenen bij met Signifor behandelde patiënten is grotendeels asymptomatisch; symptomatische
stenen moeten
lege artis
worden behandeld.
Hypofysehormonen
Omdat de farmacologische activiteit van pasireotide lijkt op die van somatostatine, kan remming van
andere hypofysehormonen dan GH en/of IGF-1 bij patiënten met acromegalie en ACTH/cortisol bij
patiënten met de ziekte van Cushing niet worden uitgesloten. Daarom moet vóór en periodiek tijdens
behandeling met Signifor controle van de hypofysefunctie (bijvoorbeeld TSH/vrij T
4
) worden
overwogen, daar waar klinisch aangewezen.
Effect op de vruchtbaarheid bij vrouwen
De therapeutische voordelen van een verlaging van groeihormoon (GH)-spiegels en normalisatie van
de concentratie
insulin like growth factor 1
(IGF-1) bij vrouwelijke acromegaliepatiënten en van een
verlaging of normalisatie van serumcortisolspiegels bij vrouwelijke patiënten met de ziekte van
Cushing zouden kunnen leiden tot herstel van de vruchtbaarheid. Vrouwen die zwanger kunnen
worden moet worden geadviseerd om, indien nodig, adequate anticonceptie te gebruiken tijdens
behandeling met Signifor (zie rubriek 4.6).
Stollingsafwijkingen
Patiënten met significant verhoogde waarden voor protrombinetijd (PT) en partiële tromboplastinetijd
(PTT), of patiënten die coumarinederivaten of heparinederivaten kregen waren uitgesloten van de
onderzoeken met pasireotide omdat de veiligheid van de combinatie met dergelijke anticoagulantia
niet is vastgesteld. Indien gelijktijdig gebruik van anticoagulantia zoals coumarinederivaten of
heparinederivaten met intramusculair gebruik van Signifor niet kan worden vermeden, moeten
patiënten regelmatig worden gecontroleerd op afwijkingen in hun coagulatieparameters (PT en PTT)
en moet de anticoagulantiadosis overeenkomstig worden aangepast.
Nierfunctiestoornis
Door de toegenomen blootstelling aan ongebonden geneesmiddel moet Signifor met voorzichtigheid
worden gebruikt bij patiënten met een ernstige nierfunctiestoornis of met een ernstige nierziekte in het
20
eindstadium (zie rubriek 5.2).
Natriumgehalte
Dit geneesmiddel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per dosis, d.w.z. in wezen ’natriumvrij’.
4.5
Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Verwachte farmacokinetische interacties die tot effecten op pasireotide leiden
De invloed van de P-gp-remmer verapamil op de farmacokinetiek van subcutane pasireotide werd
onderzocht in een geneesmiddelinteractiestudie bij gezonde vrijwilligers. Er werd geen verandering in
de farmacokinetiek (snelheid of mate van blootstelling) van pasireotide waargenomen.
Verwachte farmacokinetische interacties die tot effecten op andere geneesmiddelen leiden
Pasireotide kan de relatieve biologische beschikbaarheid van ciclosporine verminderen. Bij
gelijktijdige toediening van pasireotide en ciclosporine kan het nodig zijn om de dosis ciclosporine aan
te passen om zo therapeutische spiegels te handhaven.
Verwachte farmacodynamische interacties
Geneesmiddelen die het QT-interval verlengen
Pasireotide moet voorzichtig worden gebruikt bij patiënten die gelijktijdig worden behandeld met
geneesmiddelen die het QT-interval verlengen, zoals klasse Ia-antiaritmica (bijvoorbeeld kinidine,
procaïnamide, disopyramide), klasse III-antiaritmica (bijvoorbeeld amiodaron, dronedaron, sotalol,
dofetilide, ibutilide), bepaalde antibacteriële middelen (intraveneus erytromycine, pentamidine-
injectie, claritromycine, moxifloxacine), bepaalde antipsychotica (bijvoorbeeld chloorpromazine,
thioridazine, flufenazine, pimozide, haloperidol, tiapride, amisulpride, sertindol, methadon), bepaalde
antihistaminica (bijvoorbeeld terfenadine, astemizol, mizolastine), antimalariamiddelen (bijvoorbeeld
chloroquine, halofantrine, lumefantrine), bepaalde antischimmelmiddelen (ketoconazol, behalve in
shampoo) (zie ook rubriek 4.4).
Antibradycardiemiddelen
Klinische monitoring van de hartslagfrequentie, met name aan het begin van de behandeling, wordt
aanbevolen bij patiënten die pasireotide gelijktijdig krijgen toegediend met antibradycardiemiddelen
zoals bètablokkers (bv. metoprolol, carteolol, propranolol, sotalol), acetylcholinesteraseremmers (bv.
rivastigmine, fysostigmine), bepaalde calciumantagonisten (bijvoorbeeld verapamil, diltiazem,
bepridil) of bepaalde antiaritmica (zie ook rubriek 4.4).
Insuline en antidiabetica
Bij gelijktijdige toediening met pasireotide kan de dosis van insuline en antidiabetica (bv. metformine,
liraglutide, vildagliptine, nateglinide) moeten worden aangepast (verlaagd of verhoogd) (zie ook
rubriek 4.4).
4.6
Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Er is een beperkte hoeveelheid gegevens over het gebruik van pasireotide bij zwangere vrouwen. Uit
dieronderzoek, waarbij pasireotide via de subcutane route was toegediend, is reproductietoxiciteit
gebleken (zie rubriek 5.3). Pasireotide wordt niet aanbevolen voor gebruik tijdens de zwangerschap en
bij vrouwen die zwanger kunnen worden en geen anticonceptie toepassen (zie rubriek 4.4).
Borstvoeding
Het is niet bekend of pasireotide in de moedermelk wordt uitgescheiden. Uit de beschikbare gegevens
21
bij ratten, waarbij pasireotide werd toegediend via de subcutane route, blijkt dat pasireotide in de melk
wordt uitgescheiden (zie rubriek 5.3). Borstvoeding moet worden gestaakt tijdens behandeling met
Signifor.
Vruchtbaarheid
Bij onderzoeken bij ratten, waarbij pasireotide werd toegediend via de subcutane route, zijn effecten
op de vrouwelijke voortplantingsparameters aangetoond (zie rubriek 5.3). De klinische relevantie van
deze effecten bij de mens is onbekend.
4.7
Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Signifor kan een geringe invloed hebben op de rijvaardigheid en op het vermogen om machines te
bedienen. Patiënten dienen geadviseerd te worden om voorzichtig te zijn tijdens het besturen van een
voertuig of het bedienen van een machine, indien zij vermoeidheid, duizeligheid of hoofdpijn ervaren
tijdens de behandeling met Signifor.
4.8
Bijwerkingen
Overzicht van het veiligheidsprofiel
Het veiligheidsprofiel van pasireotide voor intramusculair gebruik komt overeen met dat van de klasse
van de somatostatineanalogen, met uitzondering van een hogere graad en frequentie van
hyperglykemie gezien bij pasireotide voor intramusculair gebruik. Het veiligheidsprofiel van
pasireotide voor intramusculair gebruik was grotendeels vergelijkbaar tussen de indicaties voor
acromegalie en de ziekte van Cushing.
Acromegalie
De veiligheidsbeoordeling bij acromegalie werd gemaakt op basis van 491 patiënten die pasireotide
kregen (419 patiënten kregen pasireotide voor intramusculair gebruik en 72 patiënten kregen
pasireotide voor subcutaan gebruik) in fase I-, II- en III-onderzoeken. De meest voorkomende
bijwerkingen (incidentie ≥1/10) van de gepoolde veiligheidsgegevens uit de fase III-onderzoeken
C2305 en C2402 waren (in afnemende volgorde): diarree (meest voorkomend in onderzoek C2305),
cholelithiasis, hyperglykemie (meest voorkomend in onderzoek C2402) en diabetes mellitus.
Common
Toxicity Criteria
(CTC)-bijwerkingen van graad 3 en 4 waren meestal gerelateerd aan hyperglykemie.
Ziekte van Cushing
Bij de ziekte van Cushing werd de veiligheidsbeoordeling van het intramusculaire preparaat
uitgevoerd op basis van 150 patiënten die pasireotide kregen in het fase III-onderzoek G2304
(mediane blootstellingsduur: 57 weken). Patiënten werden gerandomiseerd in een verhouding van 1:1
naar een subcutane startdosis van hetzij 10 mg of 30 mg pasireotide, met een mogelijkheid voor
optitratie naar een maximumdosis van 40 mg per 28 dagen. De meest voorkomende bijwerkingen
(incidentie ≥1/10) in het fase III-onderzoek G2304 waren hyperglykemie, diarree, cholelithiase en
diabetes mellitus. De frequentie en de ernst van de bijwerkingen waren over het algemeen hoger bij de
hogere startdosis van 30 mg, maar dit was niet bij alle bijwerkingen het geval.
Tabel met bijwerkingen
De bijwerkingen in tabel 1 omvatten voorvallen die werden gemeld in de hoofdstudies voor de
intramusculaire formulering bij patiënten met acromegalie en met de ziekte van Cushing.
Bijwerkingen zijn gerangschikt naar systeem/orgaanklasse volgens MedDRA. Binnen elke
systeem/orgaanklasse staan de bijwerkingen op volgorde van frequentie. Binnen elke
frequentiegroepering staan de bijwerkingen op volgorde van afnemende ernst. Frequenties werden als
volgt gedefinieerd: zeer vaak (≥1/10); vaak (≥1/100, <1/10); soms (≥1/1.000, <1/100); niet bekend
(kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald).
22
Tabel 1
Bijwerkingen per voorkeursterm voor pasireotide voor intramusculair gebruik
Zeer vaak
Anemie
Bijnierinsufficiëntie*
Type 2 diabetes mellitus,
verminderde
glucosetolerantie,
verminderde eetlust
Hoofdpijn, duizeligheid
Sinus bradycardie*,
QT-verlenging
Opgezette buik, braken
Vaak
Soms
Niet
bekend
Systeem/orgaanklasse
Bloed- en
lymfestelselaandoeningen
Endocriene aandoeningen
Voedings- en
stofwisselingsstoornissen
Hyperglykemie,
diabetes mellitus
Diabetische
ketoacidose
Zenuwstelselaandoeningen
Hartaandoeningen
Maagdarmstelselaandoening
en
Lever- en galaandoeningen
Huid- en
onderhuidaandoeningen
Algemene aandoeningen en
toedieningsplaatsstoornissen
Onderzoeken
Diarree,
misselijkheid,
buikpijn*
Cholelithiase
Cholecystitis*,
cholestase
Alopecia, pruritus
*
Reactie op de
injectieplaats*
Geglycosyleerd
Amylase
hemoglobine verhoogd,
verhoogd,
alanineaminotransferase
protrombine
verhoogd,
-tijd
aspartaataminotransferase verlengd
verhoogd, gamma-
glutamyltransferase
verhoogd, bloedglucose
verhoogd, bloedcreatine-
fosfokinase verhoogd,
lipase verhoogd
Gegroepeerde termen: bijnierinsufficiëntie omvat bijnierinsufficiëntie en bloedcortisol verlaagd.
Sinusbradycardie omvat bradycardie en sinusbradycardie. Buikpijn omvat buikpijn en pijn in de
bovenbuik. Reactie op de injectieplaats omvat pijn op de injectieplaats, verharding van de
injectieplaats, ongemak op de injectieplaats, bloeduitstorting op de injectieplaats, pruritus op de
injectieplaats, reactie op de injectieplaats, overgevoeligheid op de injectieplaats en zwelling op de
injectieplaats. Cholecystitis omvat acute cholecystitis en chronische cholecystitis. Vermoeidheid
omvat vermoeidheid en asthenie.
Vermoeidheid*
Beschrijving van geselecteerde bijwerkingen
Glucosemetabolismestoornissen
Acromegalie
Bij acromegaliepatiënten was verhoogde nuchtere glucosespiegel de meest frequent gemelde graad 3/4
laboratoriumafwijking in de twee fase III-onderzoeken. In studie C2305, werden verhoogde nuchtere
bloedglucosespiegels graad 3 gemeld bij 9,7% en 0,6% en graad 4 bij 0,6% en 0% van de
acromegaliepatiënten behandeld met respectievelijk pasireotide voor intramusculair gebruik en
octreotide voor intramusculair gebruik. In onderzoek C2402, werden verhoogde nuchtere
bloedglucosespiegels graad 3 gemeld bij 14,3% en 17,7% van de acromegaliepatiënten, respectievelijk
behandeld met 40 mg en 60 mg pasireotide voor intramusculair gebruik en bij geen van de patiënten in
de actievecontrolegroep. Twee noodgevallen gerelateerd aan hyperglykemie (diabetische ketoacidose
en diabetisch hyperglykemisch coma) werden gemeld na een dosisverhoging naar 60 mg pasireotide
bij medicatienaïeve patiënten: respectievelijke één bij een patiënt met onbehandelde hyperglykemie en
een HbA
1c
>8% voorafgaand aan de start met pasireotide en de ander bij een patiënt met onbehandelde
23
hyperglykemie en een nuchter plasmaglucose van 359 mg/dl. In beide onderzoeken bereikten de
gemiddelde nuchtere plasmaglucose en het HbA
1c
een hoogtepunt in de eerste drie maanden van de
behandeling met pasireotide voor intramusculair gebruik. Bij medicatienaïeve patiënten (onderzoek
C2305) was de gemiddelde absolute toename van nuchtere plasmaglucose en HbA
1c
vergelijkbaar op
de meeste tijdstippen, voor alle patiënten behandeld met pasireotide voor intramusculair gebruik,
ongeacht de uitgangswaarden.
De mate en frequentie van hyperglykemie die zijn waargenomen in de twee hoofdstudies bij
acromegaliepatiënten, waren hoger bij intramusculair gebruik van Signifor dan bij de actieve controle
(octreotide intramusculair gebruik of lanreotide diepe subcutane injectie). In een gepoolde analyse van
de twee hoofdstudies was de totale incidentie van aan hyperglykemie gerelateerde bijwerkingen 58,6%
(alle graden) en 9,9% (CTC-graad 3 en 4) voor Signifor intramusculair gebruik versus 18,0% (alle
graden) en 1,1% (CTC-graad 3 en 4) voor de actieve controle. In de hoofdstudie met patiënten die
onvoldoende waren gereguleerd met een ander somatostatine-analoog, was het deel van de patiënten
dat niet eerder was behandeld met antidiabetica en waarbij het starten van de antidiabetische therapie
nodig was tijdens de studie 17,5% en 16,1% respectievelijk in de Signifor 40 mg- en 60 mg-armen ten
opzichte van 1,5% in de actievecontrole-arm. In de hoofdstudie met patiënten die niet eerder
medicamenteus waren behandeld, was het aandeel van patiënten bij wie tijdens de studie moest
worden gestart met antidiabetische therapie 36% in de Signifor-arm vergeleken met 4,4% in de actieve
controle-arm.
Ziekte van Cushing
Bij patiënten met de ziekte van Cushing was verhoogde FPG-waarden de meest gemelde
laboratoriumafwijking van CTC-graad 3 (14,7% van de patiënten) in het fase III-onderzoek G2304;
gevallen van graad 4 werden niet gemeld. De gemiddelde HbA
1c
-verhogingen waren minder
uitgesproken bij patiënten met normale glykemie bij inclusie in de studie ten opzichte van
prediabetische of diabetische patiënten. De gemiddelde FPG-waarden namen in de eerste
behandelmaand vaak toe, om dan in de daaropvolgende maanden weer af te nemen en te stabiliseren.
Verhogingen van FPG en HbA
1c
waren dosisafhankelijk en de waarden namen na stopzetting van
pasireotide voor intramusculair gebruik over het algemeen af maar bleven boven de baselinewaarden.
De totale incidentie van aan hyperglykemie gerelateerde bijwerkingen was 75,3% (alle graden) en
22,7% (CTC-graad 3). De bijwerkingen hyperglykemie en diabetes mellitus leidden bij 3 (2,0%) resp.
4 (2,7%) patiënten tot stopzetting van de studie.
De verhogingen van de nuchtere plasmaglucose en HbA
1c
waargenomen bij de behandeling met
pasireotide voor intramusculair gebruik, zijn reversibel zijn na het stoppen van de behandeling.
Bij patiënten die met Signifor worden behandeld, wordt controle van de bloedglucosespiegels
aanbevolen (zie rubriek 4.4).
Maagdarmstelselaandoeningen
Maagdarmstelselaandoeningen werden met Signifor vaak gemeld. Deze reacties waren meestal
laaggradig, vereisten geen interventie en verbeterden bij voortzetting van de behandeling. Bij
acromegaliepatiënten kwamen maagdarmstelselaandoeningen minder vaak voor bij onvoldoende
gecontroleerde patiënten in vergelijking met medicatienaïeve patiënten.
Reacties op de injectieplaats
In de fase III-onderzoeken waren injectieplaatsreacties (bijvoorbeeld pijn op de injectieplaats,
ongemak op de injectieplaats) meestal van graad 1 of 2 in ernst. De incidentie van deze gebeurtenissen
was het hoogst in de eerste 3 maanden van de behandeling. De voorvallen in de
acromegalieonderzoeken van patiënten die werden behandeld met pasireotide voor intramusculair
gebruik en octreotide voor intramusculair gebruik waren vergelijkbaar en kwamen minder vaak voor
bij onvoldoende gecontroleerde patiënten in vergelijking met medicatienaïeve patiënten.
QT-verlenging
In het acromegalieonderzoek C2305 was het percentage patiënten met nieuw optredende opmerkelijke
QT/QTc-intervallen vergelijkbaar tussen de groepen die pasireotide voor intramusculair gebruik en
24
octreotide voor intramusculair gebruik kregen tot cross-over, met een paar opmerkelijke uitschieters.
QTcF >480 ms werd gemeld voor 3 versus 2 patiënten in respectievelijk de groepen pasireotide voor
intramusculair gebruik en octreotide voor intramusculair gebruik. Een verlenging van de QTcF >60 ms
ten opzichte van de uitgangswaarde werd gemeld bij 2 versus 1 patiënten in de respectievelijke
groepen. In onderzoek C2402 was de enige opmerkelijke uitschieter een QTcF-waarde >480 ms bij
1 patiënt in de groep met 40 mg pasireotide voor intramusculair gebruik. In onderzoek G2304 naar de
ziekte van Cushing werd voor 2 patiënten een QTcF-waarde gemeld van >480 ms. In geen van de
hoofdstudies werden QTcF-waarden van >500 ms waargenomen.
Leverenzymen
Voorbijgaande verhogingen in de leverenzymen zijn gemeld bij gebruik van somatostatineanaloga en
zijn ook waargenomen bij gezonde proefpersonen en patiënten die in klinisch onderzoek pasireotide
ontvingen. De verhogingen waren grotendeels asymptomatisch, laaggradig en reversibel bij
voortzetting van de behandeling. Een aantal gevallen van gelijktijdige verhogingen in ALT groter dan
3 x ULN en bilirubine groter dan 2 x ULN zijn waargenomen met het subcutane preparaat, maar niet
bij patiënten die werden behandeld met pasireotide voor intramusculair gebruik. Alle waargenomen
gevallen van gelijktijdige verhogingen zijn binnen 10 dagen na het instellen van de behandeling
vastgesteld. De patiënten herstelden zonder klinische complicaties en de leverfunctietestresultaten
keerden terug naar het baselineniveau na beëindiging van de behandeling.
Controle van de leverenzymen wordt voor en tijdens behandeling met Signifor aanbevolen waar dat
klinisch aangewezen is (zie rubriek 4.4).
Pancreasenzymen
Bij patiënten die in klinisch onderzoek pasireotide kregen, werden asymptomatische verhogingen van
lipase en amylase waargenomen. De verhogingen waren over het algemeen laaggradig en reversibel
bij voortzetting van de behandeling. Pancreatitis een mogelijke bijwerking in samenhang met het
gebruik van somatostatineanaloga gezien het verband tussen cholelithiase en acute pancreatitis.
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op
deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden
gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen
te melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in
aanhangsel V.
4.9
Overdosering
In geval van een overdosis wordt het opstarten van passende ondersteunende behandeling aanbevolen,
op geleide van de klinische status van de patiënt, totdat de symptomen verdwijnen.
5.
5.1
FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: hypofysaire en hypothalamische hormonen en analogen,
somatostatine en analoga, ATC-code: H01CB05
Werkingsmechanisme
Pasireotide is een cyclohexapeptide, injecteerbaar somatostatineanaloog. Net als de natuurlijke
peptidehormonen somatostatine-14 en somatostatine-28 (ook bekend als
somatotropin release
inhibiting factor
[SRIF]) en andere somatostatineanaloga, oefent pasireotide zijn farmacologische
werking uit via binding aan somatostatinereceptoren. Er zijn bij de mens vijf
somatostatinereceptorsubtypes bekend: hsst1, 2, 3, 4 en 5. Deze receptorsubtypes komen onder
normale fysiologische omstandigheden in verschillende weefsels tot expressie. Somatostatineanaloga
25
binden zich met verschillende potenties aan hsst-receptoren (zie tabel 2). Pasireotide bindt zich met
hoge affiniteit aan vier van de vijf hsst's.
Tabel 2
Bindingsaffiniteit van somatostatine (SRIF-14), pasireotide, octreotide en lanreotide
voor de vijf humane somatostatine receptorsubtypes (hsst1-5)
hsst4
1,50,4
>1.000
>1.000
23040
hsst5
0,290,04
0,160,01
6,31,0
175
Verbinding
hsst1
hsst2
hsst3
Somatostatine
0,930,12
0,150,02
0,560,17
(SRIF-14)
Pasireotide
9,30,1
1,00,1
1,50,3
Octreotide
28080
0,380,08
7,11,4
Lanreotide
18020
0,540,08
149
Resultaten zijn gemiddelde
SEM
van IC
50
-waarden uitgedrukt als nmol/l.
Farmacodynamische effecten
Somatostatinereceptoren komen in vele weefsels tot expressie, met name in neuro-endocriene tumoren
waarin excessieve secretie van hormonen plaatsvindt, waaronder GH bij acromegalie en ACTH bij de
ziekte van Cushing.
Uit
in-vitro-onderzoek
blijkt dat corticotrope tumorcellen van patiënten met de ziekte van Cushing een
sterke expressie van hsst5 laten zien, terwijl de andere receptorsubtypes hetzij niet of in mindere mate
tot expressie komen. Pasireotide bindt zich aan en activeert vier van de vijf hsst's, vooral hsst5, in
corticotroen van ACTH-producerende adenomen, hetgeen tot remming van de ACTH-secretie leidt.
Pasireotide heeft een breed bindingsprofiel voor somatostatine-receptoren waardoor het de potentie
heeft om zowel subtype hsst2- als hsst5receptoren te stimuleren, welke relevant zijn voor remming
van GH- en IGF-1-uitscheiding, en is daardoor effectief in de behandeling van acromegalie.
Glucosemetabolisme
In een gerandomiseerd dubbelblind onderzoek naar het werkingsmechanisme, uitgevoerd bij gezonde
vrijwilligers, werd de ontwikkeling van hyperglykemie bij gebruik van pasireotide, toegediend als
pasireotide voor subcutaan gebruik in doses van 0,6 en 0,9 mg tweemaal daags, gerelateerd aan
significante dalingen van de insulinesecretie en de incretineconcentraties (d.w.z.
glucagon-like
peptide-1
[GLP-1] en
glucose-dependent insulinotropic polypeptide
[GIP]). Pasireotide had geen
invloed op de insulinegevoeligheid.
Klinische werkzaamheid en veiligheid
De werkzaamheid van pasireotide voor intramusculair gebruik is aangetoond in twee fase III-
multicenteronderzoeken met acromegaliepatiënten en in een multicenter fase III-onderzoek met
patiënten met de ziekte van Cushing.
Acromegalieonderzoek C2402, onvoldoende gecontroleerde patiënten
Onderzoek C2402 was een multicenter, gerandomiseerd, parallelgroep, drie-armig fase III-onderzoek
van dubbelblind pasireotide voor intramusculair gebruik 40 mg en 60 mg versus open-label octreotide
intramusculaire toediening van 30 mg of lanreotide diepe subcutane injectie 120 mg bij patiënten met
onvoldoende gecontroleerde acromegalie. Een totaal van 198 patiënten werd gerandomiseerd naar
pasireotide voor intramusculair gebruik 40 mg (n=65), pasireotide voor intramusculaire toediening
60 mg (n=65) of een actieve controle (n=68). 192 patiënten werden behandeld. Een totaal van
181 patiënten voltooide de kernfase (24 weken) van de studie.
Onvoldoende gecontroleerde patiënten in onderzoek C2402 worden gedefinieerd als patiënten met een
gemiddelde GH-concentratie van een 5-punts-profiel over een 2-uurs periode >2,5
μ
g/l en een voor
geslacht en leeftijd gecorrigeerde IGF-1 van >1,3 × ULN. De patiënten moesten worden behandeld
met de maximale geïndiceerde doses van octreotide voor intramusculaire toediening (30 mg) of
26
lanreotide voor diepe subcutane injectie (120 mg) gedurende ten minste 6 maanden voor randomisatie.
Driekwart van de patiënten was eerder behandeld met octreotide voor intramusculair gebruik en een
kwart met lanreotide voor diepe subcutane injectie. Bijna de helft van de patiënten had al een
additionele medicamenteuze behandeling van acromegalie, anders dan somatostatineanalogen,
ontvangen. Twee derde van alle patiënten was al geopereerd. De gemiddelde GH-uitgangswaarde was
17,6 μg/l, 12,1 μg/l en 9,5 μg/l, respectievelijk in de 40 mg, 60 mg en actieve controlegroepen.
Gemiddelde IGF-1-uitgangswaarden waren respectievelijk 2,6, 2,8 en 2,9 x ULN.
Het primaire eindpunt voor de werkzaamheid was het vergelijken van het percentage patiënten dat
biochemische controle (gedefinieerd als gemiddelde GH-spiegels <2,5 μg/l en de normalisering van
voor geslacht en leeftijd gecorrigeerde IGF-1) bereikte in week 24 met pasireotide voor
intramusculaire toediening 40 mg of 60 mg versus voortgezette behandeling met actieve controle
(octreotide 30 mg voor intramusculair gebruik of lanreotide 120 mg voor diepe subcutane injectie),
afzonderlijk. Het onderzoek bereikte het primaire eindpunt voor beide doses pasireotide voor
intramusculair gebruik. Het percentage patiënten dat biochemische controle bereikte was 15,4% (p-
waarde=0,0006) en 20,0% (p-waarde<0,0001) voor respectievelijk pasireotide voor intramusculaire
toediening 40 mg en 60 mg bij 24 weken, in vergelijking met nul in de actievecontrole-arm (Tabel 3).
Tabel 3
Belangrijkste resultaten in week 24 (Onderzoek C2402)
Signifor
intramusculair
gebruik
40 mg
N=65
n (%), p-waarde
10 (15,4%), p=0,0006
Signifor
Actieve
intramusculair
controle
gebruik
N=68
60 mg
n (%)
N=65
n (%), p-waarde
GH<2,5 μg/l en genormaliseerd
13 (20,0%),
0 (0%)
IGF-1*
p<0,0001
Normalisatie van IGF-1
16 (24,6%), p<0,0001 17 (26,2%),
0 (0%)
p<0,0001
GH<2,5 μg/l
23 (35,4%)
28 (43,1%)
9 (13,2%)
* Primair eindpunt (patiënten met IGF-1<
lower limit of normal
(LLN) werden niet gezien als
“responders”).
Bij patiënten behandeld met pasireotide voor intramusculair gebruik bij wie verlagingen van GH- en
IGF-1-spiegels werden waargenomen, traden deze veranderingen op tijdens de eerste 3 maanden van
de behandeling en werden ze gehandhaafd tot en met week 24.
Het percentage patiënten met een afname of geen verandering in het volume van de hypofysetumor in
week 24 was 81,0% en 70,3% op respectievelijk pasireotide voor intramusculair gebruik 40 en 60 mg,
en 50,0% op actieve controle. Verder bereikte een groter deel van de patiënten op pasireotide voor
intramusculair gebruik een verlaging in tumorvolume van ten minste 25% (18,5% en 10,8% voor
respectievelijk 40 mg en 60 mg) dan op de actieve comparator (1,5%).
Gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven gemeten via AcroQol liet statistisch significante
verbeteringen zien ten opzichte van uitgangswaarden tot week 24 in de fysieke, psychisch-uiterlijke en
algemene scores voor de 60 mg groep en de fysieke sub-score voor de 40 mg groep. Veranderingen bij
de groep met octreotide voor intramusculair gebruik of lanreotide voor diepe subcutane injectie waren
niet statistisch significant. De verbetering waargenomen tot week 24 tussen de behandelingsgroepen
was ook niet statistisch significant.
Acromegalieonderzoek C2305, patiënten die geen voorafgaande medicamenteuze behandeling
hebben gehad
Een multicenter, gerandomiseerd, geblindeerd fase III-onderzoek werd uitgevoerd om de veiligheid en
werkzaamheid van pasireotide voor intramusculair gebruik versus octreotide voor intramusculaire
toediening bij medicamenteus naïeve patiënten met actieve acromegalie te beoordelen. Een totaal van
358 patiënten werd gerandomiseerd en behandeld. Patiënten werden gerandomiseerd in een 1:1
27
verhouding naar een van twee behandelingsgroepen in elk van de twee volgende strata: 1) patiënten
die een of meer operaties aan de hypofyse hadden ondergaan, maar niet medicamenteus waren
behandeld, of 2)
de novo
patiënten met een op de MRI zichtbaar hypofyseadenoom die een operatie
aan de hypofyse geweigerd hadden of bij wie een operatie aan de hypofyse gecontra-indiceerd was.
De twee behandelingsgroepen waren goed gebalanceerd wat betreft demografische uitgangswaarden
en uitgangswaarden voor ziektekenmerken. 59,7% en 56% van de patiënten in respectievelijk de
behandelingsgroepen met pasireotide voor intramusculair gebruik en octreotide voor intramusculair
gebruik waren patiënten zonder voorafgaande operatie aan de hypofyse (de
novo).
De startdosis was 40 mg voor pasireotide voor intramusculair gebruik en 20 mg voor octreotide voor
intramusculair gebruik. Dosisverhoging voor werkzaamheid was toegestaan naar het oordeel van de
onderzoekers na drie en zes maanden van de behandeling, indien biochemische parameters een
gemiddelde lieten zien van GH ≥2,5 μg/l en/of IGF-1 >ULN (leeftijd- en geslachtgerelateerd). De
maximaal toegestane dosis was 60 mg voor pasireotide voor intramusculair gebruik en 30 mg voor
octreotide voor intramusculair gebruik.
Het primaire eindpunt voor de werkzaamheid was het percentage patiënten met een vermindering van
de gemiddelde GH-spiegel tot <2,5 μg/l en de normalisering van IGF-1 tot binnen de normale grenzen
(leeftijd- en geslachtgerelateerd) na 12 maanden. Het primaire werkzaamheidseindpunt werd gehaald;
het percentage patiënten dat biochemische controle behaalde was 31,3% en 19,2% voor respectievelijk
pasireotide voor intramusculair gebruik en octreotide voor intramusculair gebruik, daarmee een
statistisch significant superieur resultaat aantonend ten gunste van pasireotide voor intramusculair
gebruik (p-waarde = 0,007) (tabel 4).
Tabel 4
Belangrijkste resultaten in maand 12 - fase III-onderzoek bij acromegaliepatiënten
Pasireotide
intramusculair
gebruik
n (%)
N=176
31,3%
Octreotide
intramusculair
gebruik
n (%)
N=182
19,2%
p-waarde
GH <2,5 μg/l en genormaliseerd IGF-
p=0,007
1*
GH <2,5 μg/l en IGF-1 ≤ULN
35,8%
20,9%
-
Genormaliseerd IGF-1
38,6%
23,6%
p=0,002
GH <2,5 μg/l
48,3%
51,6%
p=0,536
* Primair eindpunt (patiënten met IGF-1 <lower
limit of normal
(LLN) werden niet gezien als
“responders”).
ULN =
upper limit of normal
Biochemische controle werd vroeg in het onderzoek (d.w.z. maand 3) bereikt bij een groter deel van
de patiënten in de arm met pasireotide voor intramusculair gebruik dan in de arm met octreotide voor
intramusculair gebruik (30,1% en 21,4%) en werd behouden in alle daaropvolgende evaluaties tijdens
de kernfase.
Na 12 maanden was de afname van het tumorvolume vergelijkbaar tussen de behandelingsgroepen en
bij patiënten met en zonder voorafgaande operatie aan de hypofyse. Het percentage patiënten met een
afname van het tumorvolume van meer dan 20% na 12 maanden was 80,8% voor pasireotide voor
intramusculair gebruik en 77,4% voor octreotide voor intramusculair gebruik.
Gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven gemeten via AcroQol liet statistisch significante
verbeteringen zien in de fysieke, psychisch-uiterlijke en algemene scores in beide groepen na
12 maanden. Gemiddelde verbeteringen ten opzichte van de uitgangswaarden waren groter voor
pasireotide voor intramusculair gebruik dan voor octreotide voor intramusculair gebruik, zonder
statistische significantie.
28
Extensiefase
Aan het einde van de kernfase konden patiënten bij wie biochemische controle bereikt werd of die baat
hadden bij de behandeling, zoals beoordeeld door de onderzoeker, verder worden behandeld in de
extensiefase met de onderzoeksbehandeling waarnaar zij oorspronkelijk waren gerandomiseerd.
Tijdens de extensiefase werd de behandeling van 74 patiënten met pasireotide voor intramusculair
gebruik voortgezet en bij 46 patiënten werd de behandeling met octreotide voor intramusculair gebruik
voortgezet. In maand 25 bereikte 48,6% van de patiënten (36/74) in de groep met pasireotide voor
intramusculair gebruik en 45,7% (21/46) in de groep met octreotide voor intramusculair gebruik
biochemische controle. Het percentage patiënten dat gemiddelde GH-waarden van <2,5 μg/l en
normalisatie van IGF-1 op hetzelfde tijdstip hadden was ook vergelijkbaar tussen de twee
behandelingsgroepen.
Tijdens de extensiefase bleef het tumorvolume dalen.
Cross-over-fase
Aan het einde van de kernfase mochten patiënten die niet adequaat reageerden op de initiële
behandeling overschakelen op een andere behandeling. 81 patiënten werden overgeschakeld van
octreotide voor intramusculair gebruik naar pasireotide voor intramusculair gebruik en 38 patiënten
werden overgeschakeld van pasireotide voor intramusculair gebruik naar octreotide voor
intramusculaire toediening.
Twaalf maanden na de cross-over was het percentage van de patiënten dat biochemische controle had
bereikt 17,3% (14/81) voor pasireotide voor intramusculair gebruik en 0% (0/38) voor octreotide voor
intramusculair gebruik. Het percentage patiënten dat biochemische controle bereikte, met inbegrip van
patiënten met IGF-1 <LLN, bedroeg 25,9% in de groep met pasireotide voor intramusculair gebruik en
0% in de groep met octreotide voor intramusculair gebruik.
Verdere afname van het tumorvolume werd waargenomen na 12 maanden na cross-over in beide
behandelingsgroepen en was hoger bij patiënten die waren overgezet naar pasireotide voor
intramusculair gebruik (-24,7%) dan bij patiënten die waren overgezet naar octreotide voor
intramusculair gebruik (-17,9%).
Ziekte van Cushing-onderzoek G2304
De werkzaamheid en veiligheid van pasireotide voor intramusculair gebruik werd geëvalueerd in een
multicenter fase III-onderzoek gedurende 12 maanden behandeling bij patiënten met persisterende of
recidiverende ziekte van Cushing of
de novo
patiënten bij wie chirurgie niet was aangewezen of die
chirurgie weigerden. De geschiktheidscriteria omvatten een gemiddelde waarde vrij cortisol in de
urine (mean
urinary free cortisol
[mUFC]) die lag tussen 1,5 en 5 keer de ULN (bovenlimiet van
normale waarde -upper
limit of normal)
bij de screening. Aan het onderzoek namen 150 patiënten
deel. De gemiddelde leeftijd was 35,8 jaar en de meeste patiënten (78,8%) waren vrouwen. De
meesten (82,0%) hadden eerder een operatie aan de hypofyse ondergaan en de gemiddelde
mUFC-waarde was 470 nmol/24 u (ULN: 166,5 nmol/24 u).
Patiënten werden gerandomiseerd in een verhouding van 1:1 naar een startdosis van hetzij 10 mg of
30 mg pasireotide voor intramusculair gebruik iedere 4 weken. Na 4 maanden behandeling bleven
patiënten met mUFC ≤1,5 x ULN de geblindeerde dosis gebruiken waarnaar zij waren gerandomiseerd
en bij patiënten met mUFC >1,5 x ULN werd de dosis geblindeerd verhoogd van 10 mg naar 30 mg of
van 30 mg naar 40 mg, op voorwaarde dat er geen problemen waren met de verdraagbaarheid.
Aanvullende dosisaanpassingen (tot een maximum van 40 mg) werden toegestaan in maand 7 en 9 van
de kernfase. Het primaire werkzaamheidseindpunt was het deel van de patiënten in elke arm bij wie
een gemiddelde 24-uurs UFC-concentratie ≤ULN na 7 maanden behandeling werd bereikt, ongeacht
een eerdere dosisverhoging. Secundaire eindpunten waren veranderingen ten opzichte van baseline in:
24-uurs UFC, plasma-ACTH, serumcortisolspiegels en klinische verschijnselen en klachten van de
ziekte van Cushing. Alle analyses werden verricht op basis van de gerandomiseerde dosisgroepen.
29
Resultaten
Het onderzoek heeft de primaire werkzaamheidsdoelstelling voor beide dosisgroepen bereikt
(ondergrens van het 95%-BI voor het responspercentage van elke behandelingsgroep >15%). In
maand 7 werd een mUFC-respons bereikt bij 41,9% en 40,8% van de patiënten die waren
gerandomiseerd naar een startdosis van 10 mg resp. 30 mg. Het percentage patiënten dat hetzij een
mUFC ≤ULN of een mUFC-verlaging ten opzichte van baseline van ten minste 50% bereikte, was
50,0% in de dosisgroep met 10 mg en 56,6% in de dosisgroepen met 30 mg (tabel 5).
In beide dosisgroepen resulteerde Signifor na 1 maand behandeling in een verlaging van het
gemiddelde UFC en die hield aan in de tijd. Verlagingen werden ook aangetoond op basis van de
algehele procentuele verandering van de uitgangswaarde in gemiddelde en mediane mUFC-spiegels in
maand 7 en 12. Verlagingen van het serumcortisol en plasma-ACTH werden ook waargenomen in
maand 7 en 12 voor elke dosisgroep.
Tabel 5
Belangrijkste resultaten - fase III-onderzoek bij patiënten met de ziekte van
Cushing (intramusculair preparaat)
Pasireotide 10 mg
N=74
Pasireotide 30 mg
N=76
Percentage van patiënten met:
mUFC ≤ULN in maand 7 (95%-BI)*
41,9 (30,5; 53,9)
40,8 (29,7; 52,7)
mUFC ≤ULN en geen eerdere
28,4 (18,5; 40,1)
31,6 (21,4; 43,3)
dosisverhoging in maand 7 (95%-BI)
mUFC ≤ULN of ≥0% afname t.o.v.
50,0 (38,1; 61,9)
56,6 (44,7; 67,9)
baseline in maand 7 (95%-BI)
Mediane (min., max.) % mUFC-verandering
-47,9 (-94,2; 651,1)
-48,5 (-99,7; 181,7)
t.o.v. baseline in maand 7
Mediane (min., max.) % mUFC-verandering
-52,5 (-96,9; 332,8)
-51,9 (-98,7; 422,3)
t.o.v. baseline in maand 12
* Primair eindpunt met gebruikmaking van LOCF (last observation carried forward)
mUFC:
mean urinary free cortisol;
ULN:
upper limit of normal;
BI: betrouwbaarheidsinterval
In beide dosisgroepen werden in maand 7 verlagingen van de systolische en diastolische bloeddruk en
van lichaamsgewicht waargenomen. De algehele verlagingen van deze parameters waren over het
algemeen sterker bij patiënten die mUFC-respondenten waren. Soortgelijke trends werden gezien in
maand 12.
In maand 7 lieten de meeste patiënten hetzij verbetering zien of stabiele verschijnselen van de ziekte
van Cushing zoals hirsutisme, striae, bloeduitstorting en spierkracht. Hyperemie in het gelaat
verbeterde bij 43,5% (47/108) van de patiënten en meer dan een derde van de patiënten vertoonde
verbetering in het supraclaviculaire vetkussen (34,3%) en het dorsale vetkussen (34,6%). Soortgelijke
resultaten werden ook gezien in maand 12.
Gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven werd beoordeeld aan de hand van een vragenlijst over de
ziektespecifieke resultaten zoals gemeld door de patiënt (CushingQol) en een algemene vragenlijst
over de kwaliteit van leven (SF-12v2 General Health Survey). Verbeteringen werden waargenomen in
beide dosisgroepen voor CushingQol en de “Mental Component Summary (MCS)” van SF-12v2, maar
niet voor de “Physical Component Summary (PCS)” van SF-12v2.
Pediatrische patiënten
Het Europees Geneesmiddelenbureau heeft besloten af te zien van de verplichting voor de fabrikant
om de resultaten in te dienen van onderzoek met Signifor in alle subgroepen van pediatrische patiënten
met acromegalie en hypofysair gigantisme, en bij hypofyseafhankelijke ziekte van Cushing,
overproductie van hypofyse-ACTH en hypofyse-afhankelijk hyperadrenocorticisme (zie rubriek 4.2
voor informatie over pediatrisch gebruik).
30
5.2
Farmacokinetische eigenschappen
Pasireotide voor intramusculair gebruik is geformuleerd als microbolletjes voor langwerkende afgifte.
Na één injectie laat de pasireotideconcentratie in het plasma een eerste hoge afgifte op de injectiedag
zien, gevolgd door een lichte daling van dag 2 tot dag 7, daarna een langzame toename tot een
maximumconcentratie rond dag 21 en een langzaam afnemende fase tijdens de daaropvolgende
weken, gelijktijdig met de laatste afbraakfase van de polymeermatrix van de toedieningsvorm.
Absorptie
De relatieve biologische beschikbaarheid van pasireotide voor intramusculair gebruik ten opzichte van
pasireotide voor subcutaan gebruik is volledig. Er zijn geen onderzoeken uitgevoerd om de absolute
biologische beschikbaarheid van pasireotide bij mensen te beoordelen.
Distributie
Bij gezonde vrijwilligers wordt pasireotide voor intramusculair gebruik in hoge mate verdeeld met een
groot schijnbaar verdelingsvolume (V
z
/F >100 liter). De verdeling tussen bloedcellen en plasma is
concentratieonafhankelijk en laat zien dat pasireotide zich voornamelijk in het plasma bevindt (91%).
De plasma-eiwitbinding is matig (88%) en onafhankelijk van de concentratie.
Op basis van
in vitro
data lijkt pasireotide een substraat van
efflux transporter P-gp
(P-glycoproteïne)
te zijn. Op basis van
in vitro
data is pasireotide geen substraat van de
efflux transporter BCRP
(breast
cancer resistance protein)
en ook niet van de
influx transporters
OCT1 (organic
cation transporter 1),
OATP (organic
anion-transporting polypeptide)1B1,
1B3 of 2B1. Bij therapeutische doseringsniveaus
is pasireotide ook geen remmer van UGT1A1, OATP-1B1 of 1B3, OAT1 of OAT3, OCT1 of OCT2,
P-gp, BCRP, MRP2 en BSEP.
Biotransformatie
Pasireotide is metabool zeer stabiel en uit
in vitro
gegevens blijkt dat pasireotide geen substraat,
remmer of inductor is van CYP450-enzymen. Bij gezonde vrijwilligers wordt pasireotide
voornamelijk in onveranderde vorm aangetroffen is plasma, urine en feces.
Eliminatie
Pasireotide wordt voornamelijk geëlimineerd via hepatische klaring (biliaire excretie), waarbij een
klein gedeelte via de renale route gaat. In een ADME-studie bij mensen werd 55,9±6,63% van de
radioactieve subcutane pasireotidedosis gedurende de eerste 10 dagen na toediening teruggevonden,
waaronder 48,3±8,16% van de radioactiviteit in de feces en 7,63±2,03% in de urine.
De schijnbare klaring (CL/F) van pasireotide voor intramusculaire toediening bij gezonde vrijwilligers
is gemiddeld 4,5-8,5 liter/u. Op basis van farmacokinetische (FK) populatieanalyses was de geschatte
CL/F ongeveer 4,8 tot 6,5 liter/u voor typische patiënten met de ziekte van Cushing en ongeveer 5,6
tot 8,2 liter/u voor typische acromegaliepatiënten.
Lineariteit en tijdafhankelijkheid
Farmacokinetische steady-state voor pasireotide voor intramusculair gebruik wordt bereikt na drie
maanden. Na meerdere maandelijkse doses, laat pasireotide voor intramusculair gebruik ongeveer
dosisevenredige farmacokinetische blootstellingen zien in het doseringsbereik van 10 mg tot 60 mg
per 4 weken.
Speciale populaties
Pediatrische patiënten
Er zijn bij pediatrische patiënten geen onderzoeken verricht.
31
Patiënten met een nierfunctiestoornis
Renale klaring draagt slechts in geringe mate bij aan de eliminatie van pasireotide bij de mens. In een
klinische studie waarbij patiënten met een nierfunctiestoornis een enkele subcutane dosis van 900 µg
pasireotide kregen toegediend, had een lichte, matige of ernstige nierfunctiestoornis of nierfalen in het
eindstadium (ESRD) geen significante invloed op de totale blootstelling aan pasireotide in het plasma.
De blootstelling aan ongebonden pasireotide in het plasma (AUC
inf,u
) was verhoogd bij proefpersonen
met een nierfunctiestoornis (lichte: 33%; matige: 25%, ernstige: 99%, ESRD: 143%) vergeleken met
proefpersonen in de controlegroep.
Patiënten met een leverfunctiestoornis
Er zijn geen klinische onderzoeken met pasireotide voor intramusculair gebruik uitgevoerd bij
proefpersonen met een leverfunctiestoornis. In een klinisch onderzoek met een enkelvoudige
subcutane dosis bij proefpersonen met een gestoorde leverfunctie werden statistisch significante
verschillen gevonden bij proefpersonen met een matige en ernstige leverfunctiestoornis (Child Pugh B
en C). Bij patiënten met een matige en ernstige leverfunctiestoornis nam de AUC
inf
toe met 60% resp.
79% en de C
max
met 67% resp. 69%, en nam de CL/F af met 37% resp. 44%.
Oudere patiënten (≥65 jaar)
Leeftijd is geen significante covariabele in de farmacokinetische populatieanalyse van patiënten.
Demografie
FK-populatieanalyses van pasireotide voor intramusculair gebruik maken aannemelijk dat ras geen
invloed heeft op FK-parameters. FK-blootstellingen hadden een lichte correlatie met het
lichaamsgewicht in het onderzoek met medicatiebehandelingsnaïeve patiënten, maar niet in het
onderzoek met onvoldoende gecontroleerde patiënten. Vrouwelijke acromegaliepatiënten hadden een
hogere blootstelling van 32% en 51% ten opzichte van mannelijke patiënten in onderzoeken met
respectievelijk medicatiebehandelingsnaïeve patiënten en onvoldoende gecontroleerde patiënten; deze
verschillen in blootstelling waren niet klinisch relevant op basis van gegevens over werkzaamheid en
veiligheid.
5.3
Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Niet-klinische veiligheidsgegevens uit onderzoeken uitgevoerd met subcutaan toegediende pasireotide
duiden niet op een speciaal risico voor mensen. Deze gegevens zijn afkomstig van conventioneel
onderzoek op het gebied van veiligheidsfarmacologie, toxiciteit bij herhaalde dosering, genotoxiciteit
en carcinogeen potentieel. Daarnaast werden de verdraagbaarheids- en de toxiciteitsstudies bij
herhaalde toediening uitgevoerd met pasireotide via de intramusculaire route. De meeste bevindingen
die in toxiciteitstudies bij herhaalde dosering gezien zijn, waren reversibel en toe te schrijven aan de
farmacologie van pasireotide. Effecten in niet-klinische onderzoeken werden uitsluitend waargenomen
na blootstelling die geacht wordt beduidend hoger te liggen dan het maximale niveau waaraan de mens
wordt blootgesteld, zodat deze niet relevant zijn voor klinische doeleinden.
Subcutaan toegediende pasireotide had bij ratten geen invloed op de vruchtbaarheid bij mannetjes
maar, zoals op grond van de farmacologie van pasireotide te verwachten valt, hadden wijfjes
abnormale of geen cycli, en verminderde aantallen
corpora lutea
en implantatieplaatsen. Bij ratten en
konijnen werd embryotoxiciteit gezien bij doses die maternale toxiciteit veroorzaakten, maar er werd
geen teratogeen potentieel vastgesteld. In de pre- en postnatale studie bij ratten had pasireotide geen
effect op de weeën en baring, maar veroorzaakte het een lichte vertraging in het loslaten van de
oorschelp en lager lichaamsgewicht van de nakomelingen.
Uit de beschikbare toxicologische gegevens bij dieren blijkt dat pasireotide in de moedermelk wordt
uitgescheiden.
32
6.
6.1
FARMACEUTISCHE GEGEVENS
Lijst van hulpstoffen
Poeder
Poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50-60:40-50)
Poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50:50)
Oplosmiddel
Carmellosenatrium
Mannitol
Poloxameer 188
Water voor injectie
6.2
Gevallen van onverenigbaarheid
Bij gebrek aan onderzoek naar onverenigbaarheden, mag dit geneesmiddel niet met andere
geneesmiddelen gemengd worden.
6.3
3 jaar
6.4
Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Houdbaarheid
Bewaren in de koelkast (2°C – 8°C). Niet in de vriezer bewaren.
6.5
Aard en inhoud van de verpakking
Poeder: bruinachtige injectieflacon (glas) met een rubberen stop (chloorbutylrubber), die de werkzame
stof (pasireotide) bevat.
Oplosmiddel: kleurloze voorgevulde spuit (glas) met voorkant en zuigerstop (chloorbutylrubber), die
2 ml oplosmiddel bevat.
Eenheidsverpakking (alle sterkten): elke eenheidsverpakking bevat een blisterbakje met een injectiekit
(een injectieflacon en, in een apart verzegeld gedeelte, een voorgevulde spuit, een
injectieflaconadapter en een veiligheidsinjectienaald).
Meervoudige verpakkingen (alleen sterkten van 40 mg en 60 mg): elke meervoudige verpakking bevat
3 tussenverpakkingen, die elk een blisterbakje met een injectiekit (een injectieflacon en, in een apart
verzegeld gedeelte, een voorgevulde spuit, een injectieflaconadapter en een veiligheidsinjectienaald)
bevatten.
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten of sterkten worden in de handel gebracht.
6.6
Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies
Er zijn twee essentiële stappen in de reconstitutie van Signifor.
Het niet opvolgen kan leiden tot
incorrecte toediening van de injectie.
De injectiekit moet op kamertemperatuur komen.
Verwijder de injectiekit uit de koelkast en
laat de kit gedurende ten minste 30 minuten bij kamertemperatuur staan vóór reconstitutie, maar
niet meer dan 24 uur.
Schud de injectieflacon,
na toevoeging van het oplosmiddel,
matig
gedurende minimaal
30 seconden
totdat een uniforme suspensie ontstaat.
33
De injectiekit bevat:
a.
Een injectieflacon met het poeder
b.
Een voorgevulde spuit met het oplosmiddel
c.
Een injectieflaconadapter voor reconstitutie van het geneesmiddel
d.
Een veiligheidsinjectienaald (20G x 1.5")
Volg de onderstaande instructies zorgvuldig op om te zorgen voor een goede reconstitutie van
Signifor-poeder en -oplosmiddel voor suspensie voor injectie voordat u Signifor toedient via diepe
intramusculaire injectie.
Signifor-suspensie mag alleen vlak voor gebruik worden bereid.
Signifor mag alleen worden toegediend door een getrainde beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg.
Houdt u zich bij het bereiden van Signifor voor diepe intramusculaire injectie alstublieft aan de
volgende instructies:
1.
Verwijder de Signifor-injectiekit uit de gekoelde opslag.
LET OP: Het is essentieel om
het proces van reconstitutie pas te starten nadat de injectiekit op kamertemperatuur
is. Laat de kit gedurende ten minste 30 minuten bij kamertemperatuur staan vóór
reconstitutie, maar niet meer dan 24 uur.
Indien de injectiekit niet binnen 24 uur wordt
gebruikt, kan deze worden teruggezet in de koelkast.
Verwijder de plastic dop van de injectieflacon en reinig de rubberen stop van de
injectieflacon met een alcoholdoekje.
Verwijder de filmlaag van de verpakking van de injectieflaconadapter, maar verwijder de
injectieflaconadapter NIET uit de verpakking.
Houd de verpakking van de injectieflaconadapter vast en plaats de injectieflaconadapter
bovenop de injectieflacon en duw hem helemaal naar beneden, zodat deze op zijn plaats
klikt, bevestigd door een "klik".
Verwijder de verpakking van de injectieflaconadapter door deze recht omhoog te tillen.
Verwijder de dop van de voorgevulde spuit met oplosmiddel en schroef de spuit op de
injectieflaconadapter.
Duw de zuiger langzaam helemaal naar beneden om al het oplosmiddel over te brengen in
de injectieflacon.
LET OP:
Houd de zuiger ingedrukt en schud het flesje
matig gedurende minimaal
30 seconden,
zodat het poeder geheel is gesuspendeerd.
Herhaal het matig schudden
gedurende nogmaals 30 seconden als het poeder niet volledig is gesuspendeerd.
Draai de spuit en de injectieflacon ondersteboven, trek de zuiger langzaam terug en trek
de gehele inhoud van de injectieflacon op in de spuit.
Schroef de spuit van de injectieflaconadapter.
Schroef de veiligheidsinjectienaald op de spuit.
Trek de beschermkap recht van de naald. Om sedimentatie te voorkomen, kunt u de spuit
schudden om zo een uniforme suspensie te behouden. Tik voorzichtig tegen de spuit om
eventuele zichtbare luchtbellen te verwijderen en druk ze uit de spuit. De
gereconstitueerde Signifor is nu klaar voor
onmiddellijke
toediening.
Signifor mag alleen worden gegeven via diepe intramusculaire injectie. Bereid de
injectieplaats voor met een alcoholdoekje. Breng de naald volledig in de linker- of
rechtergluteus in een hoek van 90° met de huid. Trek voorzichtig de zuiger op om te
controleren of er geen bloedvat is aangeprikt (herpositioneer als een bloedvat is
aangeprikt). Duw langzaam op de zuiger totdat de spuit leeg is. Trek de naald uit de
injectieplaats en activeer de beschermkap.
Activeer de beschermkap over de naald, volgens een van de twee getoonde methoden:
-
druk het scharnierende deel van de beschermkap naar beneden op een harde
ondergrond
-
druk het scharnier naar voren met uw vinger
Een hoorbare "klik" bevestigt een juiste wijze van activering. Gooi de spuit direct in een
naaldencontainer.
34
2
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
11.
12.
13.
14.
Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale
voorschriften.
7.
HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France
8.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Signifor 10 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
EU/1/12/753/018
Signifor 20 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
EU/1/12/753/013
Signifor 30 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
EU/1/12/753/019
Signifor 40 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
EU/1/12/753/014-015
Signifor 60 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
EU/1/12/753/016-017
9.
DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN
DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 24 april 2012
Datum van laatste verlenging: 18 november 2016
10.
DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees
Geneesmiddelenbureau http://www.ema.europa.eu.
35
BIJLAGE II
A.
B.
FABRIKANT VERANTWOORDELIJK VOOR VRIJGIFTE
VOORWAARDEN OF BEPERKINGEN TEN AANZIEN VAN LEVERING
EN GEBRUIK
ANDERE VOORWAARDEN EN EISEN DIE DOOR DE HOUDER VAN DE
HANDELSVERGUNNING MOETEN WORDEN NAGEKOMEN
VOORWAARDEN OF BEPERKINGEN MET BETREKKING TOT EEN
VEILIG EN DOELTREFFEND GEBRUIK VAN HET GENEESMIDDEL
C.
D.
36
A.
FABRIKANT VERANTWOORDELIJK VOOR VRIJGIFTE
Naam en adres van de fabrikant verantwoordelijk voor vrijgifte
Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France
Recordati Rare Diseases
Eco River Parc
30 rue des Peupliers
92000 Nanterre
France
In de gedrukte bijsluiter van het geneesmiddel moeten de naam en het adres van de fabrikant die
verantwoordelijk is voor vrijgifte van de desbetreffende batch zijn opgenomen.
B.
VOORWAARDEN OF BEPERKINGEN TEN AANZIEN VAN LEVERING
EN GEBRUIK
Aan medisch voorschrift onderworpen geneesmiddel.
C.
ANDERE VOORWAARDEN EN EISEN DIE DOOR DE HOUDER VAN DE
HANDELSVERGUNNING MOETEN WORDEN NAGEKOMEN
Periodieke veiligheidsverslagen
De vereisten voor de indiening van periodieke veiligheidsverslagen worden vermeld in de lijst met
Europese referentiedata (EURD-lijst), waarin voorzien wordt in artikel 107c, onder punt 7 van
Richtlijn 2001/83/EG en eventuele hierop volgende aanpassingen gepubliceerd op het Europese
webportaal voor geneesmiddelen.
D.
VOORWAARDEN OF BEPERKINGEN MET BETREKKING TOT EEN VEILIG EN
DOELTREFFEND GEBRUIK VAN HET GENEESMIDDEL
Risk Management Plan (RMP)
De vergunninghouder voert de verplichte onderzoeken en maatregelen uit ten behoeve van de
geneesmiddelenbewaking, zoals uitgewerkt in het overeengekomen RMP en weergegeven in
module 1.8.2 van de handelsvergunning, en in eventuele daaropvolgende overeengekomen
RMP-aanpassingen.
Een aanpassing van het RMP wordt ingediend:
op verzoek van het Europees Geneesmiddelenbureau;
steeds wanneer het risicomanagementsysteem gewijzigd wordt, met name als gevolg van het
beschikbaar komen van nieuwe informatie die kan leiden tot een belangrijke wijziging van de
bestaande verhouding tussen de voordelen en risico’s of nadat een belangrijke mijlpaal (voor
geneesmiddelenbewaking of voor beperking van de risico’s tot een minimum) is bereikt.
37
BIJLAGE III
ETIKETTERING EN BIJSLUITER
38
A. ETIKETTERING
39
GEGEVENS DIE OP DE BUITENVERPAKKING MOETEN WORDEN VERMELD
DOOS
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 0,3 mg oplossing voor injectie
pasireotide
2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
1 ml oplossing voor injectie bevat 0,3 mg pasireotide (als pasireotidedi-aspartaat).
3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook: mannitol, wijnsteenzuur, natriumhydroxide, water voor injecties. Zie bijsluiter voor nadere
informatie.
4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Oplossing voor injectie
6 ampullen
5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Subcutaan gebruik.
6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
40
9.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de oorspronkelijke verpakking ter bescherming tegen licht.
10.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)
11.
NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN
Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France
12.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
6 ampullen
EU/1/12/753/001
13.
Lot
PARTIJNUMMER
14.
ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING
15.
INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK
16.
INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 0,3 mg
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK – 2D MATRIXCODE
17.
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK – VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
18.
PC:
SN:
NN:
41
GEGEVENS DIE OP DE BUITENVERPAKKING MOETEN WORDEN VERMELD
TUSSENLIGGENDE DOOS VAN MEERVOUDIGE VERPAKKING (ZONDER BLUE BOX)
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 0,3 mg oplossing voor injectie
pasireotide
2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
1 ml oplossing voor injectie bevat 0,3 mg pasireotide (als pasireotidedi-aspartaat).
3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook: mannitol, wijnsteenzuur, natriumhydroxide, water voor injecties. Zie bijsluiter voor nadere
informatie.
4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Oplossing voor injectie
6 ampullen. Onderdeel van een meervoudige verpakking. Mag niet afzonderlijk worden verkocht.
5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Subcutaan gebruik.
6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
42
9.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de oorspronkelijke verpakking ter bescherming tegen licht.
10.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)
11.
NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN
Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France
12.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
18 ampullen (3x6)
30 ampullen (5x6)
60 ampullen (10x6)
EU/1/12/753/002
EU/1/12/753/003
EU/1/12/753/004
13.
Lot
PARTIJNUMMER
14.
ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING
15.
INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK
16.
INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 0,3 mg
43
GEGEVENS DIE OP DE BUITENVERPAKKING MOETEN WORDEN VERMELD
OMDOOS VAN MEERVOUDIGE VERPAKKING (MET BLUE BOX)
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 0,3 mg oplossing voor injectie
pasireotide
2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
1 ml oplossing voor injectie bevat 0,3 mg pasireotide (als pasireotidedi-aspartaat).
3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook: mannitol, wijnsteenzuur, natriumhydroxide, water voor injecties. Zie bijsluiter voor nadere
informatie.
4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Oplossing voor injectie
Meervoudige verpakking: 18 (3 verpakkingen van 6) ampullen.
Meervoudige verpakking: 30 (5 verpakkingen van 6) ampullen.
Meervoudige verpakking: 60 (10 verpakkingen van 6) ampullen.
5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Subcutaan gebruik.
6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
44
9.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de oorspronkelijke verpakking ter bescherming tegen licht.
10.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)
11.
NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN
Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France
12.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
18 ampullen (3x6)
30 ampullen (5x6)
60 ampullen (10x6)
EU/1/12/753/002
EU/1/12/753/003
EU/1/12/753/004
13.
Lot
PARTIJNUMMER
14.
ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING
15.
INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK
16.
INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 0,3 mg
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK – 2D MATRIXCODE
17.
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK – VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
18.
PC:
SN:
NN:
45
GEGEVENS DIE IN IEDER GEVAL OP PRIMAIRE KLEINVERPAKKINGEN MOETEN
WORDEN VERMELD
AMPUL ETIKET
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Signifor 0,3 mg injectievloeistof
pasireotide
SC
2.
WIJZE VAN TOEDIENING
3.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
4.
Lot
PARTIJNUMMER
5.
1 ml
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
6.
OVERIGE
46
GEGEVENS DIE OP DE BUITENVERPAKKING MOETEN WORDEN VERMELD
DOOS
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 0,6 mg oplossing voor injectie
pasireotide
2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
1 ml oplossing voor injectie bevat 0,6 mg pasireotide (als pasireotidedi-aspartaat).
3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook: mannitol, wijnsteenzuur, natriumhydroxide, water voor injecties. Zie bijsluiter voor nadere
informatie.
4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Oplossing voor injectie
6 ampullen
5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Subcutaan gebruik.
6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
47
9.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de oorspronkelijke verpakking ter bescherming tegen licht.
10.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)
11.
NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN
Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France
12.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
6 ampullen
EU/1/12/753/005
13.
Lot
PARTIJNUMMER
14.
ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING
15.
INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK
16.
INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 0,6 mg
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK – 2D MATRIXCODE
17.
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK – VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
18.
PC:
SN:
NN:
48
GEGEVENS DIE OP DE BUITENVERPAKKING MOETEN WORDEN VERMELD
TUSSENLIGGENDE DOOS VAN MEERVOUDIGE VERPAKKING (ZONDER BLUE BOX)
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 0,6 mg oplossing voor injectie
pasireotide
2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
1 ml oplossing voor injectie bevat 0,6 mg pasireotide (als pasireotidedi-aspartaat).
3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook: mannitol, wijnsteenzuur, natriumhydroxide, water voor injecties. Zie bijsluiter voor nadere
informatie.
4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Oplossing voor injectie
6 ampullen. Onderdeel van een meervoudige verpakking. Mag niet afzonderlijk worden verkocht.
5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Subcutaan gebruik.
6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
49
9.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de oorspronkelijke verpakking ter bescherming tegen licht.
10.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)
11.
NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN
Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France
12.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
18 ampullen (3x6)
30 ampullen (5x6)
60 ampullen (10x6)
EU/1/12/753/006
EU/1/12/753/007
EU/1/12/753/008
13.
Lot
PARTIJNUMMER
14.
ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING
15.
INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK
16.
INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 0,6 mg
50
GEGEVENS DIE OP DE BUITENVERPAKKING MOETEN WORDEN VERMELD
OMDOOS VAN MEERVOUDIGE VERPAKKING (MET BLUE BOX)
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 0,6 mg oplossing voor injectie
pasireotide
2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
1 ml oplossing voor injectie bevat 0,6 mg pasireotide (als pasireotidedi-aspartaat).
3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook: mannitol, wijnsteenzuur, natriumhydroxide, water voor injecties. Zie bijsluiter voor nadere
informatie.
4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Oplossing voor injectie
Meervoudige verpakking: 18 (3 verpakkingen van 6) ampullen.
Meervoudige verpakking: 30 (5 verpakkingen van 6) ampullen.
Meervoudige verpakking: 60 (10 verpakkingen van 6) ampullen.
5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Subcutaan gebruik.
6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
51
9.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de oorspronkelijke verpakking ter bescherming tegen licht.
10.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)
11.
NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN
Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France
12.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
18 ampullen (3x6)
30 ampullen (5x6)
60 ampullen (10x6)
EU/1/12/753/006
EU/1/12/753/007
EU/1/12/753/008
13.
Lot
PARTIJNUMMER
14.
ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING
15.
INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK
16.
INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 0,6 mg
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK – 2D MATRIXCODE
17.
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK – VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
18.
PC:
SN:
NN:
52
GEGEVENS DIE IN IEDER GEVAL OP PRIMAIRE KLEINVERPAKKINGEN MOETEN
WORDEN VERMELD
AMPUL ETIKET
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Signifor 0,6 mg injectievloeistof
pasireotide
SC
2.
WIJZE VAN TOEDIENING
3.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
4.
Lot
PARTIJNUMMER
5.
1 ml
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
6.
OVERIGE
53
GEGEVENS DIE OP DE BUITENVERPAKKING MOETEN WORDEN VERMELD
DOOS
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 0,9 mg oplossing voor injectie
pasireotide
2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
1 ml oplossing voor injectie bevat 0,9 mg pasireotide (als pasireotidedi-aspartaat).
3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook: mannitol, wijnsteenzuur, natriumhydroxide, water voor injecties. Zie bijsluiter voor nadere
informatie.
4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Oplossing voor injectie
6 ampullen
5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Subcutaan gebruik.
6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
54
9.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de oorspronkelijke verpakking ter bescherming tegen licht.
10.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)
11.
NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN
Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France
12.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
6 ampullen
EU/1/12/753/009
13.
Lot
PARTIJNUMMER
14.
ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING
15.
INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK
16.
INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 0,9 mg
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK – 2D MATRIXCODE
17.
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK – VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
18.
PC:
SN:
NN:
55
GEGEVENS DIE OP DE BUITENVERPAKKING MOETEN WORDEN VERMELD
TUSSENLIGGENDE DOOS VAN MEERVOUDIGE VERPAKKING (ZONDER BLUE BOX)
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 0,9 mg oplossing voor injectie
pasireotide
2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
1 ml oplossing voor injectie bevat 0,9 mg pasireotide (als pasireotidedi-aspartaat).
3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook: mannitol, wijnsteenzuur, natriumhydroxide, water voor injecties. Zie bijsluiter voor nadere
informatie.
4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Oplossing voor injectie
6 ampullen. Onderdeel van een meervoudige verpakking. Mag niet afzonderlijk worden verkocht.
5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Subcutaan gebruik.
6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
56
9.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de oorspronkelijke verpakking ter bescherming tegen licht.
10.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)
11.
NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN
Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France
12.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
18 ampullen (3x6)
30 ampullen (5x6)
60 ampullen (10x6)
EU/1/12/753/010
EU/1/12/753/011
EU/1/12/753/012
13.
Lot
PARTIJNUMMER
14.
ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING
15.
INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK
16.
INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 0,9 mg
57
GEGEVENS DIE OP DE BUITENVERPAKKING MOETEN WORDEN VERMELD
OMDOOS VAN MEERVOUDIGE VERPAKKING (MET BLUE BOX)
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 0,9 mg oplossing voor injectie
pasireotide
2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
1 ml oplossing voor injectie bevat 0,9 mg pasireotide (als pasireotidedi-aspartaat).
3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook: mannitol, wijnsteenzuur, natriumhydroxide, water voor injecties. Zie bijsluiter voor nadere
informatie.
4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Oplossing voor injectie
Meervoudige verpakking: 18 (3 verpakkingen van 6) ampullen.
Meervoudige verpakking: 30 (5 verpakkingen van 6) ampullen.
Meervoudige verpakking: 60 (10 verpakkingen van 6) ampullen.
5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Subcutaan gebruik.
6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
58
9.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de oorspronkelijke verpakking ter bescherming tegen licht.
10.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)
11.
NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN
Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France
12.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
18 ampullen (3x6)
30 ampullen (5x6)
60 ampullen (10x6)
EU/1/12/753/010
EU/1/12/753/011
EU/1/12/753/012
13.
Lot
PARTIJNUMMER
14.
ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING
15.
INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK
16.
INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 0,9 mg
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK – 2D MATRIXCODE
17.
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK – VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
18.
PC:
SN:
NN:
59
GEGEVENS DIE IN IEDER GEVAL OP PRIMAIRE KLEINVERPAKKINGEN MOETEN
WORDEN VERMELD
AMPUL ETIKET
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Signifor 0,9 mg injectievloeistof
pasireotide
SC
2.
WIJZE VAN TOEDIENING
3.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
4.
Lot
PARTIJNUMMER
5.
1 ml
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
6.
OVERIGE
60
GEGEVENS DIE OP DE BUITENVERPAKKING MOETEN WORDEN VERMELD
DOOS VAN EEN EENHEIDSVERPAKKING
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 10 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
pasireotide
2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
Een injectieflacon bevat 10 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).
3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook:
Poeder: poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50-60:40-50), poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50:50).
Oplosmiddel: carmellosenatrium, mannitol, poloxameer 188, water voor injectie.
4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
1 injectieflacon met poeder
1 voorgevulde spuit met 2 ml oplosmiddel
1 veiligheidsinjectienaald
1 injectieflaconadapter
5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Intramusculair gebruik.
6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
61
9.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de koelkast. Niet in de vriezer bewaren.
10.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)
11.
NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN
Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France
12.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
EU/1/12/753/018
13.
Lot
PARTIJNUMMER
14.
ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING
15.
INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK
16.
INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 10 mg
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK – 2D MATRIXCODE
17.
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK – VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
18.
PC:
SN:
NN:
62
GEGEVENS DIE IN IEDER GEVAL OP PRIMAIRE KLEINVERPAKKINGEN MOETEN
WORDEN VERMELD
INJECTIEFLACON ETIKET
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Signifor 10 mg poeder voor injectie
pasireotide
IM
2.
WIJZE VAN TOEDIENING
3.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
4.
Lot
PARTIJNUMMER
5.
10 mg
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
6.
OVERIGE
63
GEGEVENS DIE IN IEDER GEVAL OP PRIMAIRE KLEINVERPAKKINGEN MOETEN
WORDEN VERMELD
VOORGEVULDE SPUIT ETIKET
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Oplosmiddel voor Signifor
2.
WIJZE VAN TOEDIENING
3.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
4.
Lot
PARTIJNUMMER
5.
2 ml
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
6.
OVERIGE
64
GEGEVENS DIE OP DE BUITENVERPAKKING MOETEN WORDEN VERMELD
DOOS VAN EEN EENHEIDSVERPAKKING
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 20 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
pasireotide
2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
Een injectieflacon bevat 20 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).
3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook:
Poeder: poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50-60:40-50), poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50:50).
Oplosmiddel: carmellosenatrium, mannitol, poloxameer 188, water voor injectie.
4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
1 injectieflacon met poeder
1 voorgevulde spuit met 2 ml oplosmiddel
1 veiligheidsinjectienaald
1 injectieflaconadapter
5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
intramusculair gebruik.
6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
65
9.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de koelkast. Niet in de vriezer bewaren.
10.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)
11.
NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN
Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France
12.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
EU/1/12/753/013
13.
Lot
PARTIJNUMMER
14.
ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING
15.
INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK
16.
INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 20 mg
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK – 2D MATRIXCODE
17.
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK – VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
18.
PC:
SN:
NN:
66
GEGEVENS DIE IN IEDER GEVAL OP PRIMAIRE KLEINVERPAKKINGEN MOETEN
WORDEN VERMELD
INJECTIEFLACON ETIKET
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Signifor 20 mg poeder voor injectie
pasireotide
IM
2.
WIJZE VAN TOEDIENING
3.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
4.
Lot
PARTIJNUMMER
5.
20 mg
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
6.
OVERIGE
67
GEGEVENS DIE IN IEDER GEVAL OP PRIMAIRE KLEINVERPAKKINGEN MOETEN
WORDEN VERMELD
VOORGEVULDE SPUIT ETIKET
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Oplosmiddel voor Signifor
2.
WIJZE VAN TOEDIENING
3.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
4.
Lot
PARTIJNUMMER
5.
2 ml
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
6.
OVERIGE
68
GEGEVENS DIE OP DE BUITENVERPAKKING MOETEN WORDEN VERMELD
DOOS VAN EEN EENHEIDSVERPAKKING
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 30 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
pasireotide
2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
Een injectieflacon bevat 30 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).
3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook:
Poeder: poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50-60:40-50), poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50:50).
Oplosmiddel: carmellosenatrium, mannitol, poloxameer 188, water voor injectie.
4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
1 injectieflacon met poeder
1 voorgevulde spuit met 2 ml oplosmiddel
1 veiligheidsinjectienaald
1 injectieflaconadapter
5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Intramusculair gebruik.
6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
69
9.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de koelkast. Niet in de vriezer bewaren.
10.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)
11.
NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN
Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France
12.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
EU/1/12/753/019
13.
Lot
PARTIJNUMMER
14.
ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING
15.
INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK
16.
INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 30 mg
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK – 2D MATRIXCODE
17.
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK – VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
18.
PC:
SN:
NN:
70
GEGEVENS DIE IN IEDER GEVAL OP PRIMAIRE KLEINVERPAKKINGEN MOETEN
WORDEN VERMELD
INJECTIEFLACON ETIKET
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Signifor 30 mg poeder voor injectie
pasireotide
IM
2.
WIJZE VAN TOEDIENING
3.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
4.
Lot
PARTIJNUMMER
5.
30 mg
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
6.
OVERIGE
71
GEGEVENS DIE IN IEDER GEVAL OP PRIMAIRE KLEINVERPAKKINGEN MOETEN
WORDEN VERMELD
VOORGEVULDE SPUIT ETIKET
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Oplosmiddel voor Signifor
2.
WIJZE VAN TOEDIENING
3.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
4.
Lot
PARTIJNUMMER
5.
2 ml
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
6.
OVERIGE
72
GEGEVENS DIE OP DE BUITENVERPAKKING MOETEN WORDEN VERMELD
DOOS VAN EEN EENHEIDSVERPAKKING
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 40 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
pasireotide
2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
Een injectieflacon bevat 40 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).
3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook:
Poeder: poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50-60:40-50), poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50:50).
Oplosmiddel: carmellosenatrium, mannitol, poloxameer 188, water voor injectie.
4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
1 injectieflacon met poeder
1 voorgevulde spuit met 2 ml oplosmiddel
1 veiligheidsinjectienaald
1 injectieflaconadapter
5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
intramusculair gebruik.
6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
73
9.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de koelkast. Niet in de vriezer bewaren.
10.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)
11.
NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN
Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France
12.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
EU/1/12/753/014
13.
Lot
PARTIJNUMMER
14.
ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING
15.
INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK
16.
INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 40 mg
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK – 2D MATRIXCODE
17.
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK – VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
18.
PC:
SN:
NN:
74
GEGEVENS DIE OP DE BUITENVERPAKKING MOETEN WORDEN VERMELD
TUSSENLIGGENDE DOOS VAN MEERVOUDIGE VERPAKKING (ZONDER BLUE BOX)
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 40 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
pasireotide
2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
Een injectieflacon bevat 40 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).
3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook:
Poeder: poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50-60:40-50), poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50:50).
Oplosmiddel: carmellosenatrium, mannitol, poloxameer 188, water voor injectie.
4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
1 injectieflacon met poeder + 1 voorgevulde spuit met 2 ml oplosmiddel + 1 veiligheidsinjectienaald +
1 injectieflaconadapter.
Onderdeel van een meervoudige verpakking. Mag niet afzonderlijk worden verkocht.
5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Intramusculair gebruik.
6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
75
9.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de koelkast. Niet in de vriezer bewaren.
10.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)
11.
NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN
Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France
12.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Meervoudige verpakking met 3 tussenliggende dozen
EU/1/12/753/015
13.
Lot
PARTIJNUMMER
14.
ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING
15.
INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK
16.
INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 40 mg
76
GEGEVENS DIE OP DE BUITENVERPAKKING MOETEN WORDEN VERMELD
OMDOOS VAN MEERVOUDIGE VERPAKKING (MET BLUE BOX)
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 40 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
pasireotide
2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
Een injectieflacon bevat 40 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).
3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook:
Poeder: poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50-60:40-50), poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50:50).
Oplosmiddel: carmellosenatrium, mannitol, poloxameer 188, water voor injectie.
4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Meervoudige verpakking: 3 verpakkingen met 1 injectiekit
5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Intramusculair gebruik.
6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
77
9.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de koelkast. Niet in de vriezer bewaren.
10.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)
11.
NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN
Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France
12.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Meervoudige verpakking met 3 tussenliggende dozen
EU/1/12/753/015
13.
Lot
PARTIJNUMMER
14.
ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING
15.
INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK
16.
INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 40 mg
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK – 2D MATRIXCODE
17.
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK – VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
18.
PC:
SN:
NN:
78
GEGEVENS DIE IN IEDER GEVAL OP PRIMAIRE KLEINVERPAKKINGEN MOETEN
WORDEN VERMELD
INJECTIEFLACON ETIKET
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Signifor 40 mg poeder voor injectie
pasireotide
IM
2.
WIJZE VAN TOEDIENING
3.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
4.
Lot
PARTIJNUMMER
5.
40 mg
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
6.
OVERIGE
79
GEGEVENS DIE IN IEDER GEVAL OP PRIMAIRE KLEINVERPAKKINGEN MOETEN
WORDEN VERMELD
VOORGEVULDE SPUIT ETIKET
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Oplosmiddel voor Signifor
2.
WIJZE VAN TOEDIENING
3.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
4.
Lot
PARTIJNUMMER
5.
2 ml
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
6.
OVERIGE
80
GEGEVENS DIE OP DE BUITENVERPAKKING MOETEN WORDEN VERMELD
DOOS VAN EEN EENHEIDSVERPAKKING
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 60 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
pasireotide
2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
Een injectieflacon bevat 60 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).
3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook:
Poeder: poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50-60:40-50), poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50:50).
Oplosmiddel: carmellosenatrium, mannitol, poloxameer 188, water voor injectie.
4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
1 injectieflacon met poeder
1 voorgevulde spuit met 2 ml oplosmiddel
1 veiligheidsinjectienaald
1 injectieflaconadapter
5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
intramusculair gebruik.
6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
81
9.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de koelkast. Niet in de vriezer bewaren.
10.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)
11.
NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN
Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France
12.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
EU/1/12/753/016
13.
Lot
PARTIJNUMMER
14.
ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING
15.
INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK
16.
INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 60 mg
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK – 2D MATRIXCODE
17.
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK – VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
18.
PC:
SN:
NN:
82
GEGEVENS DIE OP DE BUITENVERPAKKING MOETEN WORDEN VERMELD
TUSSENLIGGENDE DOOS VAN MEERVOUDIGE VERPAKKING (ZONDER BLUE BOX)
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 60 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
pasireotide
2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
Een injectieflacon bevat 60 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).
3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook:
Poeder: poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50-60:40-50), poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50:50).
Oplosmiddel: carmellosenatrium, mannitol, poloxameer 188, water voor injectie.
4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
1 injectieflacon met poeder + 1 voorgevulde spuit met 2 ml oplosmiddel + 1 veiligheidsinjectienaald +
1 injectieflaconadapter.
Onderdeel van een meervoudige verpakking. Mag niet afzonderlijk worden verkocht.
5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Intramusculair gebruik.
6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
83
9.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de koelkast. Niet in de vriezer bewaren.
10.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)
11.
NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN
Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France
12.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Meervoudige verpakking met 3 tussenliggende dozen
EU/1/12/753/017
13.
Lot
PARTIJNUMMER
14.
ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING
15.
INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK
16.
INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 60 mg
84
GEGEVENS DIE OP DE BUITENVERPAKKING MOETEN WORDEN VERMELD
TUSSENLIGGENDE DOOS VAN MEERVOUDIGE VERPAKKING (MET BLUE BOX)
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 60 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
pasireotide
2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
Een injectieflacon bevat 60 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).
3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook:
Poeder: poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50-60:40-50), poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50:50).
Oplosmiddel: carmellosenatrium, mannitol, poloxameer 188, water voor injectie.
4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Meervoudige verpakking: 3 verpakkingen met 1 injectiekit
5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Intramusculair gebruik.
6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
85
9.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de koelkast. Niet in de vriezer bewaren.
10.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)
11.
NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN
Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France
12.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Meervoudige verpakking met 3 tussenliggende dozen
EU/1/12/753/017
13.
Lot
PARTIJNUMMER
14.
ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING
15.
INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK
16.
INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 60 mg
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK – 2D MATRIXCODE
17.
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK – VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
18.
PC:
SN:
NN:
86
GEGEVENS DIE IN IEDER GEVAL OP PRIMAIRE KLEINVERPAKKINGEN MOETEN
WORDEN VERMELD
INJECTIEFLACON ETIKET
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Signifor 60 mg poeder voor injectie
pasireotide
IM
2.
WIJZE VAN TOEDIENING
3.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
4.
Lot
PARTIJNUMMER
5.
60 mg
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
6.
OVERIGE
87
GEGEVENS DIE IN IEDER GEVAL OP PRIMAIRE KLEINVERPAKKINGEN MOETEN
WORDEN VERMELD
VOORGEVULDE SPUIT ETIKET
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Oplosmiddel voor Signifor
2.
WIJZE VAN TOEDIENING
3.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
4.
Lot
PARTIJNUMMER
5.
2 ml
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
6.
OVERIGE
88
B. BIJSLUITER
89
Bijsluiter: informatie voor de gebruiker
Signifor 0,3 mg oplossing voor injectie
Signifor 0,6 mg oplossing voor injectie
Signifor 0,9 mg oplossing voor injectie
pasireotide
Lees goed de hele bijsluiter voordat u dit geneesmiddel gaat gebruiken want er staat belangrijke
informatie in voor u.
-
Bewaar deze bijsluiter. Misschien heeft u hem later weer nodig.
-
Heeft u nog vragen? Neem dan contact op met uw arts, verpleegkundige of apotheker.
-
Geef dit geneesmiddel niet door aan anderen, want het is alleen aan u voorgeschreven. Het kan
schadelijk zijn voor anderen, ook al hebben zij dezelfde klachten als u.
-
Krijgt u last van een van de bijwerkingen die in rubriek 4 staan? Of krijgt u een bijwerking die
niet in deze bijsluiter staat? Neem dan contact op met uw arts, verpleegkundige of apotheker.
Inhoud van deze bijsluiter
1.
Wat is Signifor en waarvoor wordt dit middel gebruikt?
2.
Wanneer mag u dit middel niet gebruiken of moet u er extra voorzichtig mee zijn?
3.
Hoe gebruikt u dit middel?
4.
Mogelijke bijwerkingen
5.
Hoe bewaart u dit middel?
6.
Inhoud van de verpakking en overige informatie
1.
Wat is Signifor en waarvoor wordt dit middel gebruikt?
Signifor is een geneesmiddel dat de werkzame stof pasireotide bevat. Het wordt gebruikt om de ziekte
van Cushing bij volwassenen te behandelen bij wie een operatie niet mogelijk is of bij wie een
operatie niet is geslaagd.
De ziekte van Cushing wordt veroorzaakt door een vergroting van de hypofyse (een klier aan de
onderkant van de hersenen) die een hypofyseadenoom wordt genoemd. Als gevolg daarvan maakt het
lichaam te veel aan van het hormoon dat adrenocorticotroop hormoon (ACTH) wordt genoemd, wat er
op zijn beurt weer toe leidt dat er te veel geproduceerd wordt van een ander hormoon dat cortisol
wordt genoemd.
Het menselijk lichaam maakt van nature een stof aan die somatostatine wordt genoemd, die de
productie van bepaalde hormonen, waaronder ACTH, blokkeert. Pasireotide werkt op bijna dezelfde
manier als somatostatine. Signifor kan daarmee de productie van ACTH blokkeren, wat de controle
van de overproductie van cortisol ondersteunt en de verschijnselen van de ziekte van Cushing
verbetert.
Als u vragen heeft over hoe Signifor werkt of waarom dit medicijn aan u is voorgeschreven, vraag dat
dan aan uw arts.
2.
Wanneer mag u dit middel niet gebruiken of moet u er extra voorzichtig mee zijn?
Wanneer mag u dit middel niet gebruiken?
-
U bent allergisch voor een van de stoffen in dit geneesmiddel. Deze stoffen kunt u vinden in
rubriek 6.
-
U heeft ernstige leverproblemen.
90
Wanneer moet u extra voorzichtig zijn met dit middel?
Neem contact op met uw arts voordat u dit middel gebruikt als u het volgende heeft of ooit heeft
gehad:
-
problemen met uw bloedsuikerspiegel, hetzij te hoog (zoals bij hyperglykemie/diabetes) of te
laag (hypoglykemie);
-
hartproblemen zoals een pas geleden hartaanval, congestief hartfalen (een soort hartaandoening
waarbij het hart onvoldoende bloed door het lichaam pompt) of plotselinge en beklemmende
pijn op de borst (meestal gevoeld als druk, zwaarte, beklemming, knijpen of pijn op de borst);
-
een hartritmestoornis, zoals een onregelmatige hartslag of een abnormaal elektrisch signaal dat
“verlenging van het QT- interval”, of “QT-verlenging” wordt genoemd;
-
lage concentraties kalium of magnesium in uw bloed;
-
galstenen.
Tijdens uw behandeling met Signifor
-
Signifor remt overproductie van cortisol. De remming kan te sterk zijn en u kunt klachten en
verschijnselen krijgen die verband houden met een tekort aan cortisol, zoals extreme zwakte,
moeheid, gewichtsverlies, misselijkheid, braken of lage bloeddruk. Als dat gebeurt, moet u dat
direct aan uw arts vertellen.
-
Signifor kan uw bloedsuiker verhogen. Het kan zijn dat uw arts uw bloedsuiker wil controleren
of een behandeling met een middel tegen diabetes wil beginnen of de dosis ervan wil aanpassen.
-
Signifor kan uw hartslag verlagen. Het kan zijn dat uw arts uw hartslag wil controleren met een
apparaat dat de elektrische activiteit van het hart meet (een “ECG”, of elektrocardiogram). Als u
een geneesmiddel gebruikt tegen een hartaandoening, kan uw arts de dosis daarvan moeten
aanpassen.
-
Het kan zijn dat uw arts uw galblaas, leverenzymen en hypofysehormonen op gezette tijden wil
controleren, omdat deze allemaal zouden kunnen worden beïnvloed door dit geneesmiddel.
Kinderen en jongeren tot 18 jaar
Geef dit geneesmiddel niet aan kinderen en jongeren onder de 18 jaar omdat er voor deze
leeftijdsgroep geen gegevens zijn.
Gebruikt u nog andere geneesmiddelen?
Signifor kan invloed hebben op de manier waarop sommige andere geneesmiddelen werken. Als u
gelijktijdig andere geneesmiddelen gebruikt (ook bij geneesmiddelen zonder recept), kan het nodig
zijn dat uw arts uw hart met meer zorg moet controleren of de dosering van Signifor of uw andere
geneesmiddel moet wijzigen. Gebruikt u naast Signifor nog andere geneesmiddelen, heeft u dat kort
geleden gedaan of bestaat de mogelijkheid dat u in de nabije toekomst andere geneesmiddelen gaat
gebruiken? Vertel dat dan uw arts of apotheker. Vertel vooral uw arts als u gebruik maakt van:
-
geneesmiddelen voor de behandeling van onregelmatige hartslag, zoals geneesmiddelen met
disopyramide, procaïnamide, kinidine, sotalol, dofetilide, ibutilide, amiodaron of dronedaron;
-
geneesmiddelen voor de behandeling van een bacteriële infectie (via de mond: claritromycine,
moxifloxacine; via injectie: erytromycine, pentamidine);
-
geneesmiddelen voor de behandeling van een schimmelinfectie (ketoconazol, behalve in
shampoo);
-
geneesmiddelen voor de behandeling van bepaalde psychische aandoeningen (chloorpromazine,
thioridazine, flufenazine, pimozide, haloperidol, tiapride, amisulpride, sertindol, methadon);
-
geneesmiddelen voor de behandeling van hooikoorts en andere allergieën (terfenadine,
astemizol, mizolastine);
-
geneesmiddelen voor het voorkomen of behandelen van malaria (chloroquine, halofantrine,
lumefantrine);
-
geneesmiddelen voor de controle van de bloeddruk zoals:
bètablokkers (metoprolol, carteolol, propranolol, sotalol);
calciumkanaalblokkers (bepridil, verapamil, diltiazem);
cholinesteraseremmers (rivastigmine, fysostigmine);
-
geneesmiddelen voor de controle van de elektrolytenbalans (kalium, magnesium) in uw
lichaam.
91
Het is bijzonder belangrijk dat u melding maakt van de volgende geneesmiddelen:
-
ciclosporine (gebruikt bij orgaantransplantatie om de activiteit van het immuunsysteem te
remmen);
-
geneesmiddelen voor de behandeling van een te hoge bloedsuikerspiegel (zoals bij diabetes) of
een te lage (hypoglykemie), zoals:
insuline;
metformine, liraglutide, vildagliptine, nateglinide (antidiabetica).
Zwangerschap, borstvoeding en vruchtbaarheid
Neem contact op met uw arts of apotheker voordat u geneesmiddelen gebruikt.
-
U mag Signifor niet tijdens de zwangerschap gebruiken tenzij hier een duidelijke noodzaak toe
bestaat. Als u zwanger bent of denkt dat u zwanger kunt zijn, is het belangrijk dat u dit aan uw
arts zegt; deze zal met u bespreken of u Signifor tijdens uw zwangerschap kunt gebruiken.
-
U mag tijdens gebruik van Signifor geen borstvoeding geven. Het is onbekend of Signifor in de
moedermelk terechtkomt.
-
Als u een seksueel actieve vrouw bent, dient u tijdens de behandeling een betrouwbare
anticonceptiemethode te gebruiken. Raadpleeg uw arts over de noodzaak van anticonceptie
voordat u dit geneesmiddel gebruikt.
Rijvaardigheid en het gebruik van machines
Signifor kan een gering effect hebben op de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen,
omdat sommige bijwerkingen die u kunt ervaren tijdens het gebruik van Signifor, zoals duizeligheid,
hoofdpijn en vermoeidheid, uw rijvaardigheid en het vermogen om machines veilig te bedienen
kunnen verminderen.
Stoffen in dit middel waarmee u rekening moet houden
Signifor bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per dosis, d.w.z. in wezen ‘natriumvrij’.
3.
Hoe gebruikt u dit middel?
Gebruik dit geneesmiddel altijd precies zoals uw arts u dat heeft verteld. Twijfelt u over het juiste
gebruik? Neem dan contact op met uw arts of apotheker. Dit geneesmiddel wordt geleverd in een
ampul, dat wil zeggen een klein glazen flesje.
Hoeveel Signifor moet u gebruiken?
De gebruikelijke dosering is één ampul Signifor 0,6 mg tweemaal daags. Gebruik Signifor iedere dag
op hetzelfde tijdstip, dit zal u helpen herinneren wanneer u uw geneesmiddel dient te gebruiken. Na
het starten van de behandeling, kan uw arts ook besluiten om uw dosering te verhogen tot één ampul
Signifor 0,9 mg tweemaal daags.
Als er bijwerkingen optreden kan uw arts de dosering tijdelijk verlagen met 0,3 mg per injectie.
Als u een leverziekte heeft voordat u begint met de behandeling met Signifor, kan het zijn dat uw arts
de behandeling start met een dosering van een ampul Signifor 0,3 mg tweemaal daags.
Er zijn verschillende sterktes Signifor ampullen (0,3 mg, 0,6 mg en 0,9 mg) beschikbaar om overeen te
komen met de specifieke dosering zoals voorgeschreven door uw arts.
Uw arts zal regelmatig controleren hoe u op de behandeling met Signifor reageert en vaststellen welke
dosis het beste voor u is.
Hoe moet u Signifor gebruiken?
Uw arts of verpleegkundige zal u leren hoe u zichzelf met Signifor kunt injecteren. U moet ook de
instructies aan het einde van deze bijsluiter lezen. Als u nog vragen heeft, overleg dan met uw arts,
verpleegkundige of apotheker.
92
Signifor is bedoeld voor subcutaan gebruik. Dat betekent dat het door een korte naald in het
vetweefsel direct onder de huid wordt gespoten. De dijen en de buik zijn goede plaatsen voor
subcutane injectie. Voorkom pijnlijke en geïrriteerde huidplekken door elke keer op een andere plaats
te injecteren. U moet niet injecteren op plaatsen die pijn doen of waar de huid geïrriteerd is.
Gebruik Signifor niet als u merkt dat de oplossing niet helder is of deeltjes bevat. De oplossing moet
vrij zijn van zichtbare deeltjes, en moet helder en kleurloos zijn.
Hoe lang moet u Signifor gebruiken?
U moet Signifor blijven gebruiken zolang uw arts u dat zegt.
Heeft u te veel van dit middel gebruikt?
Als u per ongeluk meer Signifor gebruikt dan uw arts heeft voorgeschreven, neem dan direct contact
op met uw arts, verpleegkundige of apotheker.
Bent u vergeten dit middel te gebruiken?
Injecteer geen dubbele dosis om een vergeten dosis in te halen. Als u een dosis Signifor vergeet te
injecteren, injecteer dan gewoon de volgende dosis op het geplande tijdstip.
Als u stopt met het gebruik van dit middel
Als u uw behandeling met Signifor onderbreekt, kan de cortisolconcentratie bij u weer gaan stijgen en
kunnen de verschijnselen terugkomen. Daarom moet u niet stoppen met het gebruik van Signifor tenzij
uw arts u dat zegt.
Heeft u nog andere vragen over het gebruik van dit geneesmiddel? Neem dan contact op met uw arts,
verpleegkundige of apotheker.
4.
Mogelijke bijwerkingen
Zoals elk geneesmiddel kan ook dit geneesmiddel bijwerkingen hebben, al krijgt niet iedereen
daarmee te maken.
Sommige bijwerkingen kunnen ernstig zijn. Vertel het uw arts onmiddellijk als u te maken
krijgt met een van de volgende bijwerkingen:
Zeer vaak (kunnen voorkomen bij meer dan 1 op de 10 mensen)
-
Veranderde concentratie suiker in het bloed. U kunt last krijgen van extreme dorst, veel plassen,
meer eetlust met gewichtsverlies, moeheid, misselijkheid, braken, buikpijn.
-
Galstenen of bijbehorende complicaties. U kunt plotselinge koorts, rillingen, geelkleuring van
de huid/ogen, rugpijn of pijn aan de rechterkant van uw buik krijgen.
-
Extreme moeheid.
Vaak (kunnen voorkomen bij 1 op de 10 mensen)
-
Lage concentraties cortisol. U kunt last krijgen van extreme zwakte, moeheid, gewichtsverlies,
misselijkheid, braken en lage bloeddruk.
-
Langzame hartslag.
-
Lage bloeddruk. U kunt last krijgen van duizeligheid, een licht gevoel in het hoofd en
duizeligheid of flauwvallen bij het opstaan.
-
Problemen met de afvoer van gal (cholestase). U kunt last krijgen van geel worden van de huid,
donkere urine, licht gekleurde ontlasting en jeuk.
-
Ontsteking van de galblaas (cholecystitis).
Andere bijwerkingen van Signifor kunnen zijn:
Zeer vaak (kunnen voorkomen bij meer dan 1 op de 10 mensen)
-
Diarree
93
-
-
-
Misselijkheid
Maagpijn
Pijn op de injectieplaats
Vaak (kunnen voorkomen bij 1 op de 10 mensen)
-
Verlengd QT-interval (een afwijkend elektrisch signaal in het hart dat kan worden gezien in
tests)
-
Verlies van eetlust
-
Braken
-
Hoofdpijn
-
Duizeligheid
-
Haaruitval
-
Jeuk (pruritus)
-
Spierpijn (myalgie)
-
Gewrichtspijn (artralgie)
-
Afwijkende uitslagen van leverfunctietests
-
Afwijkende uitslagen van pancreasfunctietests
-
Afwijkingen van de bloedstollingeigenschappen
Soms (kunnen voorkomen bij 1 op de 100 mensen)
-
Te weinig rode bloedcellen (anemie)
Niet bekend (de frequentie kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald)
-
Verhoogd gehalte ketonlichamen (een groep bestanddelen die in de lever worden aangemaakt)
in uw urine of uw bloed (diabetische ketoacidose) als complicatie van te veel suiker in uw
bloed. U kunt last krijgen van een fruitachtig geurende adem, ademhalingsmoeilijkheden en
verwarring.
Het melden van bijwerkingen
Krijgt u last van bijwerkingen, neem dan contact op met uw arts, verpleegkundige of apotheker. Dit
geldt ook voor mogelijke bijwerkingen die niet in deze bijsluiter staan. U kunt bijwerkingen ook
rechtstreeks melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in
aanhangsel V.
Door bijwerkingen
te melden, kunt u ons helpen meer informatie te verkrijgen over de veiligheid van dit geneesmiddel.
5.
-
-
Hoe bewaart u dit middel?
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
Gebruik dit geneesmiddel niet meer na de uiterste houdbaarheidsdatum. Die is te vinden op het
etiket van de ampul en de doos na “EXP”. Daar staat een maand en een jaar. De laatste dag van
die maand is de uiterste houdbaarheidsdatum.
Bewaren in de oorspronkelijke verpakking ter bescherming tegen licht.
Spoel geneesmiddelen niet door de gootsteen of de WC en gooi ze niet in de vuilnisbak. Vraag
uw apotheker wat u met geneesmiddelen moet doen die u niet meer gebruikt. Ze worden dan op
een verantwoorde manier vernietigd en komen niet in het milieu terecht.
-
-
6.
Inhoud van de verpakking en overige informatie
Welke stoffen zitten er in dit middel?
-
De werkzame stof in dit middel is pasireotide.
Signifor 0,3 mg: Eén ampul met een oplossing van 1 ml bevat 0,3 mg pasireotide (als
pasireotide diaspartaat).
Signifor 0,6 mg: Eén ampul met een oplossing van 1 ml bevat 0,6 mg pasireotide (als
pasireotide diaspartaat).
Signifor 0,9 mg: Eén ampul met een oplossing van 1 ml bevat 0,9 mg pasireotide (als
pasireotide diaspartaat).
94
-
De andere stoffen in dit middel zijn mannitol, wijnsteenzuur, natriumhydroxide en water voor
injecties.
Hoe ziet Signifor eruit en hoeveel zit er in een verpakking?
Signifor oplossing voor injectie is een heldere, kleurloze oplossing in een ampul. Elke ampul bevat
1 ml oplossing voor injectie.
Signifor is beschikbaar in verpakkingen met 6 ampullen of in meervoudige verpakking met
18 (3 verpakkingen met 6), 30 (5 verpakkingen met 6) or 60 (10 verpakkingen met 6) ampullen.
Niet alle sterktes of verpakkingsgrootten worden mogelijk in uw land op de markt gebracht.
Houder van de vergunning voor het in de handel brengen
Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France
Fabrikant
Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France
Recordati Rare Diseases
Eco River Parc
30 rue des Peupliers
92000 Nanterre
France
Neem voor alle informatie met betrekking tot dit geneesmiddel contact op met de lokale
vertegenwoordiger van de houder van de vergunning voor het in de handel brengen:
België/Belgique/Belgien
Recordati
Tél/Tel: +32 2 46101 36
България
Recordati Rare Diseases
Teл.: +33 (0)1 47 73 64 58
Фра½ция
Česká republika
Recordati Rare Diseases
Tel: +33 (0)1 47 73 64 58
Francie
Danmark
Recordati AB.
Tlf: + 46 8 545 80 230
Sverige
Lietuva
Recordati AB.
Tel: + 46 8 545 80 230
Švedija
Luxembourg/Luxemburg
Recordati
Tél/Tel: +32 2 46101 36
Belgique/Belgien
Magyarország
Recordati Rare Diseases
Tel: +33 (0)1 47 73 64 58
Franciaország
Malta
Recordati Rare Diseases
Tel: +33 1 47 73 64 58
Franza
95
Deutschland
Recordati Rare Diseases Germany GmbH
Tel: +49 731 140 554 0
Nederland
Recordati
Tel: +32 2 46101 36
België
Norge
Recordati AB.
Tlf: + 46 8 545 80 230
Sverige
Österreich
Recordati Rare Diseases Germany GmbH
Tel: +49 731 140 554 0
Deutschland
Polska
Recordati Rare Diseases
Tel: +33 (0)1 47 73 64 58
Francja
Portugal
Jaba Recordati S.A.
Tel: +351 21 432 95 00
România
Recordati Rare Diseases
Tel: +33 (0)1 47 73 64 58
Franţa
Slovenija
Recordati Rare Diseases
Tel: +33 (0)1 47 73 64 58
Francija
Slovenská republika
Recordati Rare Diseases
Tel: +33 (0)1 47 73 64 58
Francúzsko
Suomi/Finland
Recordati AB.
Puh/Tel : +46 8 545 80 230
Sverige
Sverige
Recordati AB.
Tel : +46 8 545 80 230
Eesti
Recordati AB.
Tel: + 46 8 545 80 230
Rootsi
Ελλάδα
Recordati Hellas
Τηλ: +30 210 6773822
España
Recordati Rare Diseases Spain S.L.U.
Tel: + 34 91 659 28 90
France
Recordati Rare Diseases
Tél: +33 (0)1 47 73 64 58
Hrvatska
Recordati Rare Diseases
Tél: +33 (0)1 47 73 64 58
Francuska
Ireland
Recordati Rare Diseases
Tél: +33 (0)1 47 73 64 58
France
Ísland
Recordati AB.
Simi: + 46 8 545 80 230
Svíþjóð
Italia
Recordati Rare Diseases Italy Srl
Tel: +39 02 487 87 173
Κύπρος
Recordati Rare Diseases
Τηλ : +33 1 47 73 64 58
Γαλλία
Latvija
Recordati AB.
Tel: + 46 8 545 80 230
Zviedrija
United Kingdom (Northern Ireland)
Recordati Rare Diseases UK Ltd.
Tel: +44 (0)1491 414333
Deze bijsluiter is voor het laatst goedgekeurd in
96
Andere informatiebronnen
Meer informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees
Geneesmiddelenbureau: http://www.ema.europa.eu. Hier vindt u ook verwijzingen naar andere
websites over zeldzame ziektes en hun behandelingen.
97
INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK VAN SIGNIFOR OPLOSSING VOOR INJECTIE
Dit geneesmiddel wordt geleverd in een ampul, dat wil zeggen een klein glazen flesje. Signifor dient te
worden toegediend met steriele wegwerpspuiten en wegwerpinjectienaalden.
Uw arts of verpleegkundige zal u instructies hebben gegeven over het gebruik van Signifor ampullen.
Maar lees de volgende informatie zorgvuldig voordat u de ampul gebruikt. Als u niet zeker bent over
het zelf toedienen van de injectie, of als u nog vragen heeft, neem dan contact op met uw arts of
verpleegkundige.
De injectie kan bereid worden door ofwel gebruik te maken van twee verschillende naalden om de
oplossing op te zuigen en te injecteren of één korte dunne injectie naald voor beide stappen. Gebaseerd
op de lokale klinische praktijk, zal uw arts of verpleegkundige u vertellen welke methode te
gebruiken. Volg hun instructies op.
Bewaar Signifor ampullen volgens de bewaarvoorschriften die vermeld staan op de doos.
Belangrijke veiligheidsinformatie
Voorzichtig: houd de ampul buiten het bereik van kinderen.
Wat heb ik nodig?
Om uzelf een injectie te geven heeft u het volgende nodig:
1.
Eén Signifor ampul
2.
Alcoholdoekjes of iets vergelijkbaars
3.
Eén steriele injectiespuit
4.
Eén lange dikke stompe steriele naald voor het opzuigen van de oplossing (uw arts of
verpleegkundige zal u vertellen of dit nodig is)
5.
Eén korte dunne steriele injectienaald
6.
Een naaldencontainer of andere stevige gesloten afvalcontainer
De injectieplaats
De injectieplaats is de plek op uw lichaam waar u zichzelf de injectie gaat geven. Signifor is bedoeld
voor subcutaan gebruik. Dat betekent dat het door een korte naald in het vetweefsel direct onder de
huid wordt geïnjecteerd. De dijen en de buik zijn goede plaatsen voor subcutane injectie. Voorkom
pijnlijke en geïrriteerde huidplekken door elke keer op een andere plaats te injecteren. U moet niet
injecteren op plaatsen die pijn doen of waar de huid geïrriteerd is.
Hoe te beginnen?
Wanneer u klaar bent om uzelf te injecteren, volg dan de onderstaande stappen zorgvuldig op:
-
Was uw handen grondig met zeep en water.
-
Gebruik iedere keer dat u uzelf een injectie geeft nieuwe wegwerpnaalden en wegwerpspuiten.
Gebruik spuiten en naalden maar eenmalig. Deel
nooit
naalden en spuiten.
-
Pak de ampul uit de doos.
-
Onderzoek de ampul. NIET GEBRUIKEN als de ampul gebroken is of als de vloeistof er
troebel uitziet of vaste deeltjes bevat. Breng in al deze gevallen de gehele verpakking terug naar
de apotheek.
Om ongemak op de injectieplaats te verminderen, wordt aangeraden om de oplossing op
kamertemperatuur te laten komen voor toediening.
Ampullen dienen direct voor toediening te worden geopend. Wanneer na gebruik een gedeelte is
achtergebleven in de ampullen dient dit weggegooid te worden.
Controleer de houdbaarheidsdatum en de dosis
Controleer de houdbaarheidsdatum die vermeldt staat op het etiket van de ampul (na “EXP”) en
controleer of de ampul de dosis bevat die uw arts u heeft voorgeschreven.
98
NIET GEBRUIKEN als het geneesmiddel over de houdbaarheidsdatum is of als de dosis niet
klopt. Breng in beide gevallen de gehele verpakking terug naar de apotheek.
Hoe injecteert u Signifor?
Stap 1:
Signifor oplossing voor injectie zit in een afbreekbare
ampul. De gekleurde stip op het bovenste deel geeft de
plaats van de breuklijn aan op de hals van de ampul.
Tik met uw vinger op de ampul om ervoor te zorgen
dat er geen vloeistof meer in het bovenste deel zit
wanneer u de ampul opent.
Stap 2:
Aanbevolen werkwijze: houd de ampul rechtop met de
gekleurde stip van u af. Houd de onderkant van de
ampul in één hand. Houd uw duimen bij elkaar boven
en onder de hals. Breek de bovenkant van de ampul af
bij de breuklijn. Als de ampul eenmaal geopend is,
plaats deze dan rechtop op een schone, vlakke
ondergrond.
Stap 3:
Pak de steriele spuit en bevestig de naald erop. Als u
gezegd werd twee naalden te gebruiken moet u de
lange dikke stompe naald gebruiken voor deze stap.
Voordat u verder gaat met stap 4 maakt u de
injectieplaats met een alcoholdoekje schoon.
99
Stap 4:
Verwijder de beschermkap van de naald. Stop de naald
in de ampul en trek aan de zuiger totdat de gehele
inhoud van de ampul in de spuit zit.
Als u gezegd werd twee naalden te gebruiken, moet u
nu de lange naald vervangen door de korte.
Stap 5:
Houd de spuit in één hand tussen uw vingers met uw
duim onder de zuiger. Tik met uw vingers tegen de
spuit om de luchtbellen te verwijderen. Zorg ervoor
dat er geen luchtbel in de spuit zit door de zuiger in te
drukken totdat de eerste druppel op de punt van de
naald verschijnt.
Zorg ervoor dat de naald niets aanraakt. U bent nu
klaar om te injecteren.
Stap 6:
Knijp de huid op de injectieplaats voorzichtig tussen
twee vingers vast en, terwijl u de naald vasthoudt in
een hoek van ongeveer 45 graden (zoals te zien op de
afbeelding), steek de naald in de injectieplaats.
Trek voorzichtig aan de zuiger om te controleren of u
geen bloedvat heeft aangeprikt. Als u bloed in de spuit
ziet, verwijder eerst de naald uit de huid, vervang dan
de korte naald met een nieuwe en steek deze in een
andere injectieplaats.
Stap 7:
Houd altijd de huid vast, duw langzaam de zuiger
zover mogelijk in tot alle oplossing geïnjecteerd is.
Houd de zuiger ingedrukt en houd de injectiespuit
5 seconden op zijn plaats.
100
Stap 8:
Laat de huidplooi langzaam los en trek de naald er
voorzichtig uit. Bevestig de beschermkap weer op de
naald.
Stap 9:
Stop de gebruikte spuit en naald direct in een
naaldencontainer of een andere stevige gesloten
afvalcontainer. Alle ongebruikte producten of
afvalmaterialen moeten worden vernietigd volgens de
lokale voorschriften.
101
Bijsluiter: informatie voor de gebruiker
Signifor 10 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Signifor 20 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Signifor 30 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Signifor 40 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Signifor 60 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
pasireotide
Lees goed de hele bijsluiter voordat u dit geneesmiddel gaat gebruiken want er staat belangrijke
informatie in voor u.
-
Bewaar deze bijsluiter. Misschien heeft u hem later weer nodig.
-
Heeft u nog vragen? Neem dan contact op met uw arts, verpleegkundige of apotheker.
-
Geef dit geneesmiddel niet door aan anderen, want het is alleen aan u voorgeschreven. Het kan
schadelijk zijn voor anderen, ook al hebben zij dezelfde klachten als u.
-
Krijgt u last van een van de bijwerkingen die in rubriek 4 staan? Of krijgt u een bijwerking die
niet in deze bijsluiter staat? Neem dan contact op met uw arts, verpleegkundige of apotheker.
Inhoud van deze bijsluiter
1.
Wat is Signifor en waarvoor wordt dit middel gebruikt?
2.
Wanneer mag u dit middel niet gebruiken of moet u er extra voorzichtig mee zijn?
3.
Hoe gebruikt u dit middel?
4.
Mogelijke bijwerkingen
5.
Hoe bewaart u dit middel?
6.
Inhoud van de verpakking en overige informatie
1.
Wat is Signifor en waarvoor wordt dit middel gebruikt?
Signifor is een geneesmiddel dat de werkzame stof pasireotide bevat. Het wordt gebruikt om
acromegalie bij volwassenen te behandelen. Het wordt ook gebruikt voor de behandeling van de ziekte
van Cushing bij volwassen patiënten voor wie een operatie niet mogelijk is of bij wie een operatie niet
is geslaagd.
Acromegalie
Acromegalie wordt veroorzaakt door een type tumor hypofyseadenoom genaamd, die zich ontwikkelt
in de hypofyse (een klier aan de onderkant van de hersenen). Door het adenoom produceert het
lichaam te veel hormonen die de groei regelen van weefsels, organen en botten, wat resulteert in een
toename van de omvang van botten en weefsels, vooral in de handen en voeten.
Signifor vermindert de productie van deze hormonen en mogelijk ook de omvang van het adenoom.
Het resultaat is een vermindering van de verschijnselen van acromegalie, die onder andere hoofdpijn,
overmatig zweten, gevoelloosheid van de handen en voeten, vermoeidheid en gewrichtspijn omvatten.
Ziekte van Cushing
De ziekte van Cushing wordt veroorzaakt door een vergroting van de hypofyse (een klier aan de
onderkant van de hersenen) die een hypofyseadenoom wordt genoemd. Als gevolg daarvan maakt het
lichaam te veel aan van het hormoon adrenocorticotroop hormoon (ACTH). Dit leidt er op zijn beurt
weer toe dat er te veel wordt geproduceerd van een ander hormoon dat cortisol wordt genoemd.
Het menselijk lichaam maakt van nature somatostatine aan. Dit is een stof die de productie blokkeert
van bepaalde hormonen, waaronder ACTH. Pasireotide werkt op bijna dezelfde manier als
somatostatine. Signifor kan daarmee de productie van ACTH blokkeren, wat de controle van de
overproductie van cortisol ondersteunt en de verschijnselen van de ziekte van Cushing verbetert.
102
Als u vragen heeft over hoe Signifor werkt of waarom dit medicijn aan u is voorgeschreven, vraag dat
dan aan uw arts.
2.
Wanneer mag u dit middel niet gebruiken of moet u er extra voorzichtig mee zijn?
Wanneer mag u dit middel niet gebruiken?
-
U bent allergisch voor een van de stoffen in dit geneesmiddel. Deze stoffen kunt u vinden in
rubriek 6.
-
U heeft ernstige leverproblemen.
Wanneer moet u extra voorzichtig zijn met dit middel?
Neem contact op met uw arts voordat u dit middel gebruikt als u het volgende heeft of ooit heeft
gehad:
-
problemen met uw bloedsuikerspiegel, hetzij te hoog (zoals bij hyperglykemie/diabetes) of te
laag (hypoglykemie);
-
hartproblemen zoals een pas geleden hartaanval, congestief hartfalen (een soort hartaandoening
waarbij het hart onvoldoende bloed door het lichaam pompt) of plotselinge en beklemmende
pijn op de borst (meestal gevoeld als druk, zwaarte, beklemming, knijpen of pijn op de borst);
-
een hartritmestoornis, zoals een onregelmatige hartslag of een abnormaal elektrisch signaal dat
“verlenging van het QT- interval”, of “QT-verlenging” wordt genoemd;
-
lage concentraties kalium of magnesium in uw bloed;
-
galstenen;
-
u neemt antistollingsmiddelen in (geneesmiddelen die worden gebruikt om het
stollingsvermogen van het bloed te verlagen); uw arts zal dan de stollingsparameters in uw
bloed controleren en mogelijk de dosering van uw antistollingsmiddel aanpassen.
Tijdens uw behandeling met Signifor
-
Signifor kan uw bloedsuiker verhogen. Het kan zijn dat uw arts uw bloedsuiker wil controleren
of een behandeling met een middel tegen diabetes wil beginnen of de dosis ervan wil aanpassen.
-
Signifor remt overproductie van cortisol. De remming kan te sterk zijn en u kunt klachten en
verschijnselen krijgen die verband houden met een tekort aan cortisol, zoals extreme zwakte,
moeheid, gewichtsverlies, misselijkheid, braken of lage bloeddruk. Als dat gebeurt, moet u dat
direct aan uw arts vertellen.
-
Signifor kan uw hartslag verlagen. Het kan zijn dat uw arts uw hartslag wil controleren met een
apparaat dat de elektrische activiteit van het hart meet (een “ECG”, of elektrocardiogram). Als u
een geneesmiddel gebruikt tegen een hartaandoening, kan uw arts de dosis daarvan moeten
aanpassen.
-
Het kan zijn dat uw arts uw galblaas, leverenzymen en hypofysehormonen op gezette tijden wil
controleren, omdat deze allemaal zouden kunnen worden beïnvloed door dit geneesmiddel.
Kinderen en jongeren tot 18 jaar
Geef dit geneesmiddel niet aan kinderen en jongeren onder de 18 jaar omdat er voor deze
leeftijdsgroep geen gegevens zijn.
Gebruikt u nog andere geneesmiddelen?
Signifor kan invloed hebben op de manier waarop sommige andere geneesmiddelen werken. Als u
gelijktijdig andere geneesmiddelen gebruikt (ook bij geneesmiddelen zonder recept), kan het nodig
zijn dat uw arts uw hart met meer zorg moet controleren of de dosering van Signifor of uw andere
geneesmiddel moet wijzigen. Gebruikt u naast Signifor nog andere geneesmiddelen, heeft u dat kort
geleden gedaan of bestaat de mogelijkheid dat u in de nabije toekomst andere geneesmiddelen gaat
gebruiken? Vertel dat dan uw arts of apotheker. Vertel vooral uw arts als u gebruik maakt van:
-
geneesmiddelen gebruikt bij orgaantransplantatie om de activiteit van het afweersysteem te
verminderen (ciclosporine);
-
geneesmiddelen om te hoge bloedsuikerspiegels (zoals bij diabetes) of te lage
bloedsuikerspiegels (hypoglykemie) te behandelen, zoals:
insuline
103
-
-
-
-
-
-
-
-
metformine, liraglutide, vildagliptine, nateglinide (antidiabetica);
geneesmiddelen voor de behandeling van onregelmatige hartslag, zoals geneesmiddelen met
disopyramide, procaïnamide, kinidine, sotalol, dofetilide, ibutilide, amiodaron of dronedaron;
geneesmiddelen voor de behandeling van een bacteriële infectie (via de mond: claritromycine,
moxifloxacine; via injectie: erytromycine, pentamidine);
geneesmiddelen voor de behandeling van een schimmelinfectie (ketoconazol, behalve in
shampoo);
geneesmiddelen voor de behandeling van bepaalde psychische aandoeningen (chloorpromazine,
thioridazine, flufenazine, pimozide, haloperidol, tiapride, amisulpride, sertindol, methadon);
geneesmiddelen voor de behandeling van hooikoorts en andere allergieën (terfenadine,
astemizol, mizolastine);
geneesmiddelen voor het voorkomen of behandelen van malaria (chloroquine, halofantrine,
lumefantrine);
geneesmiddelen voor de controle van de bloeddruk zoals:
bètablokkers (metoprolol, carteolol, propranolol, sotalol);
calciumkanaalblokkers (bepridil, verapamil, diltiazem);
cholinesteraseremmers (rivastigmine, fysostigmine);
geneesmiddelen voor de controle van de elektrolytenbalans (kalium, magnesium) in uw
lichaam.
Zwangerschap, borstvoeding en vruchtbaarheid
Neem contact op met uw arts of apotheker voordat u geneesmiddelen gebruikt.
-
U mag Signifor niet tijdens de zwangerschap gebruiken tenzij hier een duidelijke noodzaak toe
bestaat. Bent u zwanger, denkt u zwanger te zijn of wilt u zwanger worden? Neem dan contact
op met uw arts voordat u dit geneesmiddel gebruikt.
-
Geeft u borstvoeding, neem dan contact op met uw arts voordat u dit geneesmiddel gebruikt,
omdat het onbekend is of Signifor in de moedermelk terechtkomt.
-
Als u een seksueel actieve vrouw bent, dient u tijdens de behandeling een betrouwbare
anticonceptiemethode te gebruiken. Raadpleeg uw arts over de noodzaak van anticonceptie
voordat u dit geneesmiddel gebruikt.
Rijvaardigheid en het gebruik van machines
Signifor kan een gering effect hebben op de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen,
omdat sommige bijwerkingen die u kunt ervaren tijdens het gebruik van Signifor, zoals hoofdpijn,
duizeligheid en vermoeidheid, uw rijvaardigheid en het vermogen om machines veilig te bedienen
kunnen verminderen.
Stoffen in dit middel waarmee u rekening moet houden
Signifor bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per dosis, d.w.z. in wezen ’natriumvrij’.
3.
Hoe gebruikt u dit middel?
Dit geneesmiddel wordt u toegediend door een getrainde beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg.
Hoeveel Signifor moet u gebruiken?
Acromegalie
De gebruikelijke startdosering Signifor bij acromegalie is 40 mg iedere 4 weken. Nadat u met de
behandeling bent begonnen, kan uw arts uw dosis opnieuw evalueren. Dit kan betekenen dat de
bloedspiegels van groeihormoon of andere hormonen in uw bloed moeten worden gemeten.
Afhankelijk van de resultaten en hoe u zich voelt, kan het nodig zijn dat de dosis van Signifor die bij
elke injectie wordt gegeven, moet worden verlaagd of verhoogd. De dosis mag niet hoger zijn dan
60 mg. Als u een leverziekte heeft voordat u start met de behandeling van acromegalie met Signifor,
kan het zijn dat uw arts de behandeling start met een dosis van 20 mg.
104
Ziekte van Cushing
De gebruikelijke startdosis Signifor bij de ziekte van Cushing is 10 mg iedere 4 weken. Nadat u met
de behandeling bent begonnen, kan uw arts uw dosis opnieuw bekijken. Dit kan betekenen dat de
concentratie cortisol in uw bloed of urine moet worden gemeten. Afhankelijk van de resultaten en hoe
u zich voelt, kan het nodig zijn dat de dosis van Signifor die bij elke injectie wordt gegeven, moet
worden verlaagd of verhoogd. De dosis mag niet hoger zijn dan 40 mg.
Uw arts zal regelmatig controleren hoe u op de behandeling met Signifor reageert en vaststellen welke
dosis het beste voor u is.
Hoe moet u Signifor gebruiken?
Uw arts of verpleegkundige zal u Signifor injecteren. Als u nog vragen heeft, neem dan contact op met
uw arts, verpleegkundige of apotheker.
Signifor is bedoeld voor intramusculair gebruik. Dat betekent dat het door een naald in uw bilspieren
wordt gespoten.
Hoe lang moet u Signifor gebruiken?
Dit is een langdurige behandeling, die mogelijk jaren duurt. Uw arts zal regelmatig uw toestand
controleren om te zien of de behandeling het gewenste effect heeft. Uw behandeling met Signifor moet
worden voortgezet zolang als uw arts u vertelt dat het nodig is.
Als u stopt met het gebruik van dit middel
Als u uw behandeling met Signifor onderbreekt dan kunnen de verschijnselen terugkomen. Daarom
moet u niet stoppen met het gebruik van Signifor tenzij uw arts u dat zegt.
Heeft u nog andere vragen over het gebruik van dit geneesmiddel? Neem dan contact op met uw arts,
verpleegkundige of apotheker.
4.
Mogelijke bijwerkingen
Zoals elk geneesmiddel kan ook dit geneesmiddel bijwerkingen hebben, al krijgt niet iedereen
daarmee te maken.
Sommige bijwerkingen kunnen ernstig zijn. Vertel het uw arts onmiddellijk als u te maken
krijgt met een van de volgende bijwerkingen:
Zeer vaak (kunnen voorkomen bij meer dan 1 op de 10 mensen)
-
Hoge concentratie suiker in het bloed. U kunt last krijgen van extreme dorst, veel plassen, meer
eetlust met gewichtsverlies, moeheid, misselijkheid, braken, buikpijn.
-
Galstenen of bijbehorende complicaties. U kunt plotselinge koorts, rillingen, geelkleuring van
de huid/ogen, rugpijn of pijn aan de rechterkant van uw buik krijgen.
Vaak (kunnen voorkomen bij 1 op de 10 mensen)
-
Lage concentraties cortisol. U kunt last krijgen van extreme zwakte, moeheid, gewichtsverlies,
misselijkheid, braken en lage bloeddruk.
-
Langzame hartslag.
-
Verlengd QT-interval (een afwijkend elektrisch signaal in het hart dat kan worden gezien in
tests)
-
Problemen met de afvoer van gal (cholestase). U kunt last krijgen van geel worden van de huid,
donkere urine, licht gekleurde ontlasting en jeuk.
-
Ontsteking van de galblaas (cholecystitis).
105
Andere bijwerkingen van Signifor kunnen zijn:
Zeer vaak (kunnen voorkomen bij meer dan 1 op de 10 mensen)
-
Diarree
-
Misselijkheid
-
Buikpijn
-
Vermoeidheid
Vaak (kunnen voorkomen bij 1 op de 10 mensen)
-
Vermoeidheid, bleke huid (verschijnselen van een te kleine hoeveelheid rode bloedcellen)
-
Verlies van eetlust
-
Hoofdpijn
-
Opgeblazen gevoel
-
Braken
-
Duizeligheid
-
Pijn, ongemak, jeuk en zwelling op de injectieplaats
-
Verandering in de testresultaten van de leverfunctie
-
Abnormale resultaten van bloedtests (grote hoeveelheden creatinekinase, geglycoliseerd
hemoglobine, lipase in het bloed)
-
Haaruitval
Soms (kunnen voorkomen bij 1 op de 100 mensen)
-
Verandering in bloedtestresultaten van de alvleesklier (amylase)
-
Afwijkingen van de bloedstollingseigenschappen
Niet bekend (de frequentie kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald)
-
Verhoogd gehalte van ketonlichamen (een groep bestanddelen die in de lever worden
aangemaakt) in uw urine of uw bloed (diabetische ketoacidose) als complicatie van te veel
suiker in uw bloed. U kunt last krijgen van een fruitachtig geurende adem,
ademhalingsmoeilijkheden en verwarring.
Het melden van bijwerkingen
Krijgt u last van bijwerkingen, neem dan contact op met uw arts, verpleegkundige of apotheker. Dit
geldt ook voor mogelijke bijwerkingen die niet in deze bijsluiter staan. U kunt bijwerkingen ook
rechtstreeks melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in
aanhangsel V.
Door bijwerkingen
te melden, kunt u ons helpen meer informatie te verkrijgen over de veiligheid van dit geneesmiddel.
5.
-
-
Hoe bewaart u dit middel?
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
Gebruik dit geneesmiddel niet meer na de uiterste houdbaarheidsdatum. Die is te vinden op de
doos, de injectieflacon en de voorgevulde spuit na “EXP”. Daar staat een maand en een jaar. De
laatste dag van die maand is de uiterste houdbaarheidsdatum.
Bewaren in de koelkast (2°C – 8°C). Niet in de vriezer bewaren.
Spoel geneesmiddelen niet door de gootsteen of de WC en gooi ze niet in de vuilnisbak. Vraag
uw apotheker wat u met geneesmiddelen moet doen die u niet meer gebruikt. Ze worden dan op
een verantwoorde manier vernietigd en komen niet in het milieu terecht.
-
-
106
6.
Inhoud van de verpakking en overige informatie
Welke stoffen zitten er in dit middel?
-
De werkzame stof in dit middel is pasireotide.
Signifor 10 mg: elke injectieflacon bevat 10 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).
Signifor 20 mg: elke injectieflacon bevat 20 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).
Signifor 30 mg: elke injectieflacon bevat 30 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).
Signifor 40 mg: elke injectieflacon bevat 40 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).
Signifor 60 mg: elke injectieflacon bevat 60 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).
-
De andere stoffen in dit middel zijn:
-
In het poeder: poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50-60:40-50), poly(D,L-lactide-co-
glycolide) (50:50).
-
In het oplosmiddel: carmellosenatrium, mannitol, poloxameer 188, water voor injectie.
Hoe ziet Signifor eruit en hoeveel zit er in een verpakking?
Signifor-poeder is een licht gelig tot gelig poeder in een injectieflacon. Het oplosmiddel is een heldere,
kleurloze tot licht gele of licht bruine oplossing in een voorgevulde spuit.
Signifor 10 mg is verkrijgbaar als eenheidsverpakkingen met een injectieflacon met poeder met 10 mg
pasireotide en een voorgevulde spuit met 2 ml oplosmiddel.
Signifor 20 mg is verkrijgbaar als eenheidsverpakkingen met een injectieflacon met poeder met 20 mg
pasireotide en een voorgevulde spuit met 2 ml oplosmiddel.
Signifor 30 mg is verkrijgbaar als eenheidsverpakkingen met een injectieflacon met poeder met 30 mg
pasireotide en een voorgevulde spuit met 2 ml oplosmiddel.
Signifor 40 mg is verkrijgbaar als eenheidsverpakkingen met een injectieflacon met poeder met 40 mg
pasireotide en een voorgevulde spuit met 2 ml oplosmiddel.
Signifor 60 mg is verkrijgbaar als eenheidsverpakkingen met een injectieflacon met poeder met 60 mg
pasireotide en een voorgevulde spuit met 2 ml oplosmiddel.
Elke eenheidsverpakking bevat een injectieflacon en een voorgevulde spuit in een verzegeld
blisterbakje met een injectieflaconadapter en een veiligheidsinjectienaald.
Signifor 40 mg en Signifor 60 mg zijn ook verkrijgbaar in meervoudige verpakkingen met
3 tussendozen.
Niet alle sterktes of verpakkingsgrootten worden mogelijk in uw land op de markt gebracht.
Houder van de vergunning voor het in de handel brengen
Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France
Fabrikant
Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France
107
Recordati Rare Diseases
Eco River Parc
30 rue des Peupliers
92000 Nanterre
France
Neem voor alle informatie met betrekking tot dit geneesmiddel contact op met de lokale
vertegenwoordiger van de houder van de vergunning voor het in de handel brengen:
België/Belgique/Belgien
Recordati
Tél/Tel: +32 2 46101 36
България
Recordati Rare Diseases
Teл.: +33 (0)1 47 73 64 58
Фра½ция
Česká republika
Recordati Rare Diseases
Tel: +33 (0)1 47 73 64 58
Francie
Danmark
Recordati AB.
Tlf: + 46 8 545 80 230
Sverige
Deutschland
Recordati Rare Diseases Germany GmbH
Tel: +49 731 140 554 0
Lietuva
Recordati AB.
Tel: + 46 8 545 80 230
Švedija
Luxembourg/Luxemburg
Recordati
Tél/Tel: +32 2 46101 36
Belgique/Belgien
Magyarország
Recordati Rare Diseases
Tel: +33 (0)1 47 73 64 58
Franciaország
Malta
Recordati Rare Diseases
Tel: +33 1 47 73 64 58
Franza
Nederland
Recordati
Tel: +32 2 46101 36
België
Norge
Recordati AB.
Tlf: + 46 8 545 80 230
Sverige
Österreich
Recordati Rare Diseases Germany GmbH
Tel: +49 731 140 554 0
Deutschland
Polska
Recordati Rare Diseases
Tel: +33 (0)1 47 73 64 58
Francja
Portugal
Jaba Recordati S.A.
Tel: +351 21 432 95 00
Eesti
Recordati AB.
Tel: + 46 8 545 80 230
Rootsi
Ελλάδα
Recordati Hellas
Τηλ: +30 210 6773822
España
Recordati Rare Diseases Spain S.L.U.
Tel: + 34 91 659 28 90
France
Recordati Rare Diseases
Tél: +33 (0)1 47 73 64 58
108
Hrvatska
Recordati Rare Diseases
Tél: +33 (0)1 47 73 64 58
Francuska
Ireland
Recordati Rare Diseases
Tél: +33 (0)1 47 73 64 58
France
Ísland
Recordati AB.
Simi: + 46 8 545 80 230
Svíþjóð
Italia
Recordati Rare Diseases Italy Srl
Tel: +39 02 487 87 173
Κύπρος
Recordati Rare Diseases
Τηλ : +33 1 47 73 64 58
Γαλλία
Latvija
Recordati AB.
Tel: + 46 8 545 80 230
Zviedrija
România
Recordati Rare Diseases
Tel: +33 (0)1 47 73 64 58
Franţa
Slovenija
Recordati Rare Diseases
Tel: +33 (0)1 47 73 64 58
Francija
Slovenská republika
Recordati Rare Diseases
Tel: +33 (0)1 47 73 64 58
Francúzsko
Suomi/Finland
Recordati AB.
Puh/Tel : +46 8 545 80 230
Sverige
Sverige
Recordati AB.
Tel : +46 8 545 80 230
United Kingdom (Northern Ireland)
Recordati Rare Diseases UK Ltd.
Tel: +44 (0)1491 414333
Deze bijsluiter is voor het laatst goedgekeurd in
Andere informatiebronnen
Meer informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees
Geneesmiddelenbureau: http://www.ema.europa.eu. Hier vindt u ook verwijzingen naar andere
websites over zeldzame ziektes en hun behandelingen.
109
De volgende informatie is alleen bestemd voor beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg:
INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK VAN SIGNIFOR-POEDER EN OPLOSMIDDEL VOOR
SUSPENSIE VOOR INJECTIE
ALLEEN VOOR DIEPE INTRAMUSCULAIRE INJECTIE.
LET OP:
Er zijn twee essentiële stappen in de reconstitutie van Signifor.
Het niet opvolgen kan leiden tot
incorrecte toediening van de injectie.
De injectie kit moet op kamertemperatuur komen.
Verwijder de injectiekit uit de koelkast
en laat de kit gedurende ten minste 30 minuten bij kamertemperatuur staan vóór reconstitutie,
maar niet meer dan 24 uur.
Schud de injectieflacon,
na toevoeging van het oplosmiddel,
matig
gedurende minimaal
30 seconden
totdat een uniforme suspensie ontstaat.
De injectiekit bevat:
a.
b.
c.
d.
Een injectieflacon met het poeder
Een voorgevulde spuit met het oplosmiddel
Een injectieflaconadapter voor reconstitutie van het geneesmiddel
Een veiligheidsinjectienaald (20G x 1.5")
Volg de onderstaande instructies zorgvuldig op om te zorgen voor een goede reconstitutie van
Signifor-poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie voordat u Signifor toedient via diepe
intramusculaire injectie.
Signifor-suspensie mag alleen vlak voor gebruik worden bereid.
Signifor mag alleen worden toegediend door een getrainde beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg.
110
Stap 1
Verwijder de Signifor-injectiekit uit de gekoelde
opslag.
LET OP: Het is essentieel om het
proces van reconstitutie pas te starten nadat de
injectiekit op kamertemperatuur is. Laat de
kit gedurende ten minste 30 minuten bij
kamertemperatuur staan vóór reconstitutie,
maar niet meer dan 24 uur.
Opmerking: Indien de injectiekit niet binnen
24 uur wordt gebruikt, kan deze worden
teruggezet in de koelkast.
Stap 2
Verwijder de plastic dop van de injectieflacon en
reinig de rubberen stop van de injectieflacon met
een alcoholdoekje.
30
min
Verwijder de filmlaag van de verpakking van de
injectieflaconadapter, maar verwijder de
injectieflaconadapter NIET uit de verpakking.
Houd de verpakking van de injectieflaconadapter
vast en plaats de injectieflaconadapter bovenop de
injectieflacon en duw hem helemaal naar
beneden, zodat deze op zijn plaats klikt, bevestigd
door een "klik".
Verwijder de verpakking van de
injectieflaconadapter door deze recht omhoog te
tillen, zoals hiernaast te zien is.
111
Stap 3
Verwijder de dop van de voorgevulde spuit met
oplosmiddel en
schroef
de spuit op de
injectieflaconadapter.
Duw de zuiger langzaam helemaal naar beneden
om al het oplosmiddel over te brengen in de
injectieflacon.
Stap 4
LET OP:
Houd de zuiger ingedrukt en schud het
flesje
matig gedurende minimaal 30 seconden,
zodat het poeder geheel is gesuspendeerd.
Herhaal het matig schudden gedurende
nogmaals 30 seconden als het poeder niet
volledig is gesuspendeerd.
Stap 5
Draai de spuit en de injectieflacon ondersteboven,
trek de zuiger
langzaam
terug en trek de gehele
inhoud van de injectieflacon op in de spuit.
Schroef de spuit van de injectieflaconadapter.
112
Stap 6
Schroef de veiligheidsinjectienaald op de spuit.
Trek de beschermkap recht van de naald. Om
sedimentatie te voorkomen, kunt u de spuit
schudden om zo een uniforme suspensie te
behouden. Tik voorzichtig tegen de spuit om
eventuele zichtbare luchtbellen te verwijderen en
druk ze uit de spuit. De gereconstitueerde
Signifor is nu klaar voor
onmiddellijke
toediening.
Stap 7
Signifor mag alleen worden gegeven via diepe
intramusculaire injectie. Bereid de injectieplaats
voor met een alcoholdoekje. Breng de naald
volledig in de linker- of rechtergluteus in een
hoek van 90° met de huid. Trek voorzichtig de
zuiger op om te controleren of er geen bloedvat is
aangeprikt (herpositioneer als een bloedvat is
aangeprikt). Duw langzaam op de zuiger totdat de
spuit leeg is. Trek de naald uit de injectieplaats en
activeer de beschermkap (zoals te zien in Stap 8).
Stap 8
Activeer de beschermkap over de naald, volgens
een van de twee getoonde methoden:
-
druk het scharnierende deel van de
beschermkap naar beneden op een harde
ondergrond (figuur A)
-
druk het scharnier naar voren met uw
vinger (figuur B)
Een hoorbare "klik" bevestigt een juiste wijze van
activering.
Gooi de spuit direct in een naaldencontainer.
hoek
Injectieplaatsen
113

BIJLAGE I

SAMENVATTING VAN DE PRODUCTKENMERKEN

NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 0,3 mg oplossing voor injectie
Signifor 0,6 mg oplossing voor injectie
Signifor 0,9 mg oplossing voor injectie

2.
KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Signifor 0,3 mg oplossing voor injectie
Één ampul van 1 ml bevat 0,3 mg pasireotide (als pasireotidedi-aspartaat).
Signifor 0,6 mg oplossing voor injectie
Één ampul van 1 ml bevat 0,6 mg pasireotide (als pasireotidedi-aspartaat).
Signifor 0,9 mg oplossing voor injectie
Één ampul van 1 ml bevat 0,9 mg pasireotide (als pasireotidedi-aspartaat).
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.

3.
FARMACEUTISCHE VORM
Oplossing voor injectie (injectie).
Heldere, kleurloze oplossing.

4.
KLINISCHE GEGEVENS

4.1 Therapeutische indicaties
Behandeling van volwassen patiënten met de ziekte van Cushing voor wie een operatie niet mogelijk
is of bij wie een operatie niet is geslaagd.
4.2 Dosering en wijze van toediening

Dosering
De aanbevolen aanvangsdosis is 0,6 mg pasireotide via subcutane injectie tweemaal daags.
Twee maanden na de start van behandeling met Signifor moeten patiënten op een klinisch gunstig
effect worden beoordeeld. Patiënten bij wie de concentratie vrij cortisol in de urine (urinary free
cortisol
[UFC]) aanzienlijk daalt, moeten met Signifor behandeld blijven worden zolang het gunstige
effect aanhoudt. Afhankelijk van de respons op de behandeling mag een dosisverhoging tot 0,9 mg
worden overwogen, zolang de 0,6 mg dosering goed wordt verdragen door de patiënt. Bij patiënten die
na twee maanden behandeling nog niet op Signifor hebben gereageerd, moet stopzetting van de
behandeling worden overwogen.
Behandeling van vermoede bijwerkingen op enig moment tijdens de behandeling kan een tijdelijke
dosisverlaging van Signifor vereisen. Aanbevolen wordt de dosis in stappen van 0,3 mg tweemaal
daags te verlagen.
Indien een dosis van Signifor wordt gemist, dient de volgende injectie op het geplande tijdstip te
worden toegediend. De dosis mag niet worden verdubbeld om te compenseren voor een overgeslagen
dosis.
met congenitaal lange-QT-syndroom;
-
met niet onder controle gebrachte of significante hartaandoeningen, waaronder recent
myocardinfarct, congestief hartfalen, instabiele angina pectoris of klinisch belangrijke
bradycardie;
-
welke antiaritmica gebruiken of andere stoffen waarvan bekend is dat deze tot QT-verlenging
leiden (zie rubriek 4.5);
-
met hypokaliëmie en/of hypogmagnesiëmie.
Controle op een effect op het QTc-interval is aan te bevelen; vóór instelling van behandeling met
Signifor moet een ECG worden gemaakt, een week na het instellen van de behandeling en daarna waar
dit klinisch aangewezen is. Hypokaliëmie en/of hypomagnesiëmie moet vóór toediening van Signifor
worden gecorrigeerd; tijdens de behandeling moet hier periodiek op worden gecontroleerd.
Hypocortisolisme
Behandeling met Signifor leidt tot een snelle onderdrukking van het ACTH (adrenocorticotroop
hormoon) bij patiënten met de ziekte van Cushing. Een snelle, volledige of bijna volledige
onderdrukking van het ACTH kan leiden tot een afname van de concentraties circulerend cortisol en
mogelijk tot voorbijgaand hypocortisolisme/hypoadrenalisme.
Het is daarom nodig om patiënten te controleren en hun voorlichting te geven over de klachten en
verschijnselen die gepaard gaan met hypocortisolisme (bijvoorbeeld zwakte, vermoeidheid, anorexie,
misselijkheid, braken, hypotensie, hyperkaliëmie, hyponatriëmie, hypoglykemie). In geval van
vastgesteld hypocortisolisme kan tijdelijke exogene steroïden- (glucocorticoïd)substitutietherapie
en/of dosisverlaging of onderbreking van de behandeling met Signifor nodig zijn.
Galblaas en gerelateerde voorvallen
Cholelithiase (galstenen) is een onderkende bijwerking van langdurig gebruik van
somatostatineanaloga en is in klinisch onderzoek met pasireotide vaak gemeld (zie rubriek 4.8). Er zijn
postmarketinggevallen van cholangitis bij patiënten die Signifor gebruiken, wat in de meeste gevallen
werd gemeld als een complicatie van galstenen. Echografisch onderzoek van de galblaas vóór en met
intervallen van 6 tot 12 maanden tijdens behandeling met Signifor is daarom aan te bevelen. De
aanwezigheid van galstenen bij met Signifor behandelde patiënten is grotendeels asymptomatisch;
symptomatische stenen moeten lege artis worden behandeld.
Hypofysehormonen
Omdat de farmacologische activiteit van pasireotide lijkt op die van somatostatine, kan remming van
andere hypofysehormonen dan ACTH niet worden uitgesloten. Daarom moet vóór en periodiek tijdens
behandeling met Signifor controle van de hypofysefunctie (bijvoorbeeld TSH/vrij T4, GH/IGF-1)
worden overwogen, daar waar klinisch aangewezen.
Bijwerkingen in het fase III-onderzoek en uit post-marketingervaring bij patiënten
met de ziekte van Cushing


Systeem/orgaanklasse
Zeer vaak
Vaak
Soms
Niet bekend
Bloed- en

Anemie
lymfestelselaandoeningen
Endocriene aandoeningen
Bijnierinsufficiëntie

Voedings- en
Hyperglykemie, Verminderde eetlust,
Diabetische
stofwisselingsstoornissen
diabetes mellitus type 2-diabetes mellitus,
ketoacidose
verminderde
glucosetolerantie
Zenuwstelselaandoeningen
Hoofdpijn, duizeligheid

Hartaandoeningen
Sinusbradycardie, QT-

verlenging
Bloedvataandoeningen
Hypotensie

Maagdarmstelselaandoening Diarree,
Braken, pijn in de

en
buikpijn,
bovenbuik
misselijkheid
Lever- en galaandoeningen
Cholelithiase
Cholecystitis*,

cholestase
Huid- en
Alopecia, pruritus

onderhuidaandoeningen
Skeletspierstelsel- en

Myalgie, artralgie

bindweefselaandoeningen
Algemene aandoeningen en

Reactie op de


toedieningsplaatsstoornissen injectieplaats,
vermoeidheid
Onderzoeken
Geglycosyleerd
Gamma-

hemoglobine
glutamyltransferase
verhoogd
verhoogd,
alanineaminotransferase
verhoogd,
aspartaataminotransferase
verhoogd, lipase
verhoogd, bloedglucose
verhoogd, bloedamylase
verhoogd,
protrombinetijd verlengd
* Cholecystitis inclusief acute cholecystitis
Beschrijving van geselecteerde bijwerkingen
Glucosemetabolismestoornissen
In het fase III-onderzoek bij patiënten met de ziekte van Cushing was verhoogde glucose de meest
gemelde laboratoriumafwijking van graad 3 (23,2% van de patiënten). De gemiddelde HbA1c-
verhogingen waren minder uitgesproken bij patiënten met normale glykemie (n=62 totaal) bij inclusie
in de studie (te weten 5,29% resp. 5,22% bij baseline en 6,50% resp. 6,75% in maand 6 voor de
groepen met 0,6 resp. 0,9 mg tweemaal daags) ten opzichte van prediabetische patiënten (te weten
n=38 totaal; 5,77% resp. 5,71% bij baseline en 7,45% resp. 7,13% in maand 6) of diabetische
patiënten (te weten n=54 totaal; 6,50% resp. 6,42% bij baseline en 7,95% resp. 8,30% in maand 6). De
gemiddelde nuchtere plasmaglucosewaarden namen in de eerste behandelmaand vaak toe, om dan in
de daaropvolgende maanden weer af te nemen en te stabiliseren. De nuchtere plasmaglucose- en
FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN

5.1 Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: hypofysaire en hypothalamische hormonen en analogen,
somatostatine en analoga, ATC-code: H01CB05
Werkingsmechanisme
Pasireotide is een nieuw cyclohexapeptide, injecteerbaar somatostatineanaloog. Net als de natuurlijke
peptidehormonen somatostatine-14 en somatostatine-28 (ook bekend als somatotropin release
inhibiting factor
[SRIF]) en andere somatostatineanaloga, oefent pasireotide zijn farmacologische
werking uit via binding aan somatostatinereceptoren. Er zijn bij de mens vijf
somatostatinereceptorsubtypes bekend: hsst1, 2, 3, 4 en 5. Deze receptorsubtypes komen onder
normale fysiologische omstandigheden in verschillende weefsels tot expressie. Somatostatineanaloga
binden zich met verschillende potenties aan hsst-receptoren (zie tabel 2). Pasireotide bindt zich met
hoge affiniteit aan vier van de vijf hsst's.
Tabel 2
Bindingsaffiniteit van somatostatine (SRIF-14), pasireotide, octreotide en lanreotide
voor de vijf humane somatostatin receptorsubtypes (hsst1-5)


Verbinding
hsst1
hsst2
hsst3
hsst4
hsst5
Somatostatine
0,930,12
0,150,02
0,560,17
1,50,4
0,290,04
(SRIF-14)
Pasireotide
9,30,1
1,00,1
1,50,3
>1.000
0,160,01
Octreotide
28080
0,380,08
7,11,4
>1.000
6,31,0
Lanreotide
18020
0,540,08
149
23040
175
Resultaten zijn gemiddelde SEM van IC50-waarden uitgedrukt als nmol/l.
Farmacodynamische effecten
Somatostatinereceptoren komen in vele weefsels tot expressie, met name in neuro-endocriene tumoren
waarin excessieve secretie van hormonen plaatsvindt, waaronder ACTH bij de ziekte van Cushing.
Uit in-vitro-onderzoek blijkt dat corticotrope tumorcellen van patiënten met de ziekte van Cushing een
sterke expressie van hsst5 laten zien, terwijl de andere receptorsubtypes hetzij niet of in mindere mate
tot expressie komen. Pasireotide bindt zich aan en activeert vier van de vijf hsst's, vooral hsst5, in
corticotropen van ACTH-producerende adenomen, hetgeen tot remming van de ACTH-secretie leidt.
Klinische werkzaamheid en veiligheid
Er is een multicenter, gerandomiseerd fase III-onderzoek verricht naar de veiligheid en werkzaamheid
van verschillende doses Signifor gedurende twaalf maanden behandeling bij patiënten met
persisterende of recidiverende ziekte van Cushing of de novo patiënten bij wie chirurgie niet was
aangewezen of die chirurgie weigerden.
Aan het onderzoek namen 162 patiënten deel met een baseline-UFC >1,5 x ULN die werden
gerandomiseerd in een verhouding van 1:1 naar een subcutane dosis van hetzij 0,6 mg of 0,9 mg
Signifor tweemaal daags. Na drie maanden behandeling gingen patiënten met een gemiddeld 24-uurs
UFC 2 x ULN en onder of gelijk aan hun baselinewaarde door met de geblindeerde behandeling met
de gerandomiseerde dosis tot maand 6. Patiënten die niet aan deze criteria voldeden, werden
gedeblindeerd en de dosis werd met 0,3 mg tweemaal daags verhoogd. Na de eerste 6 maanden in het
onderzoek begonnen patiënten aan een open-label behandelingsperiode van nog eens 6 maanden. Als
er in maand 6 geen respons was of als deze respons tijdens de open-label behandelingsperiode niet
aanhield, kon de dosering met 0,3 mg tweemaal daags worden verhoogd. De dosis kon op elk moment
tijdens het onderzoek in stappen van 0,3 mg tweemaal daags worden verlaagd als deze niet werd
Procentuele verandering in gemiddeld en mediaan UFC per gerandomiseerde
dosisgroep in maand 6 en maand 12 in vergelijking met baselinewaarden


Pasireotide 0,6 mg 2 dd
Pasireotide 0,9 mg 2 dd
% verandering (n)
% verandering (n)
Gemiddelde
Maand 6
-27,5* (52)
-48,4 (51)
verandering in UFC (% Maand 12
-41,3 (37)
-54,5 (35)
t.o.v. baseline)
Mediane verandering in Maand 6
-47,9 (52)
-47,9 (51)
UFC (% t.o.v. baseline) Maand 12
-67,6 (37)
-62,4 (35)
*
Inclusief één patiënt met significante uitschieters met een procentuele verandering t.o.v.
In beide dosisgroepen werden in maand 6 verlagingen van de systolische en diastolische bloeddruk bij
zitten, body mass index (BMI) en totaalcholesterol waargenomen. De algehele verlagingen van deze
parameters werden waargenomen bij patiënten met volledig en gedeeltelijk gemiddelde UFC-controle
maar waren bij patiënten met een genormaliseerd UFC over het algemeen hoger. Soortgelijke trends
werden gezien in maand 12.
Pediatrische patiënten
Het Europees Geneesmiddelenbureau heeft besloten af te zien van de verplichting voor de fabrikant
om de resultaten in te dienen van onderzoek met Signifor in alle subgroepen van pediatrische patiënten
met hypofyseafhankelijke ziekte van Cushing, overproductie van hypofyse-ACTH en hypofyse-
afhankelijk hyperadrenocorticisme (zie rubriek 4.2 voor informatie over pediatrisch gebruik).
5.2 Farmacokinetische eigenschappen
Absorptie
Bij gezonde vrijwilligers wordt pasireotide snel geabsorbeerd en de piekplasmaconcentratie wordt
binnen 0,25-0,5 uur bereikt. Na toediening van eenmalige en meerdere doses zijn de Cmax en AUC
ongeveer dosisproportioneel.
Er is geen onderzoek verricht om de biologische beschikbaarheid van pasireotide bij de mens te
beoordelen.
Distributie
Bij gezonde vrijwilligers wordt pasireotide in hoge mate verdeeld met een groot schijnbaar
verdelingsvolume (Vz/F >100 liter). De verdeling tussen bloedcellen en plasma is
concentratieonafhankelijk en laat zien dat pasireotide zich voornamelijk in het plasma bevindt (91%).
De plasma-eiwitbinding is matig (88%) en onafhankelijk van de concentratie.
Op basis van in vitro data lijkt pasireotide een substraat van efflux transporter P-gp (P-glycoproteïne)
te zijn. Op basis van in vitro data is pasireotide geen substraat van de efflux transporter BCRP (breast
cancer resistance protein
) en ook niet van de influx transporters OCT1 (organic cation transporter 1),
OATP (organic anion-transporting polypeptide) 1B1, 1B3 of 2B1. Bij therapeutische
doseringsniveaus is pasireotide ook geen remmer van UGT1A1, OATP, 1B1 of 1B3, P-gp, BCRP,
MRP2 en BSEP.
Biotransformatie
Pasireotide is metabool zeer stabiel en uit in vitro gegevens blijkt dat pasireotide geen substraat,
remmer of inductor is van een van de belangrijke CYP450-enzymen. Bij gezonde vrijwilligers wordt
pasireotide voornamelijk in onveranderde vorm aangetroffen is plasma, urine en feces.
Eliminatie
Pasireotide wordt voornamelijk geëlimineerd via hepatische klaring (biliaire excretie), waarbij een
klein gedeelte via de renale route gaat. In een ADME-studie bij mensen werd 55,9±6,63% van de
radioactieve dosis gedurende de eerste 10 dagen na toediening teruggevonden, waaronder 48,3±8,16%
van de radioactiviteit in de feces en 7,63±2,03% in de urine.
Pasireotide heeft een lage klaring (CL/F ~7,6 liter/u voor gezonde vrijwilligers en ~3,8 liter/u voor
patiënten met de ziekte van Cushing). Gebaseerd op de accumulatieve ratio's van AUC, was de
berekende effectieve halfwaardetijd (t1/2,eff) bij gezonde volwassen vrijwilligers ongeveer 12 uur.
FARMACEUTISCHE GEGEVENS

6.1 Lijst van hulpstoffen

Mannitol
Wijnsteenzuur
Natriumhydroxide
Water voor injecties
6.2 Gevallen van onverenigbaarheid

Bij gebrek aan onderzoek naar onverenigbaarheden, mag dit geneesmiddel niet met andere
geneesmiddelen gemengd worden.
6.3 Houdbaarheid
3 jaar
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Bewaren in de oorspronkelijke verpakking ter bescherming tegen licht.
6.5 Aard en inhoud van de verpakking

OPC kleurloos, type I glazen ampul met 1 ml oplossing.
Elke ampul is verpakt in een kartonnen tray, die is geplaatst in een omdoos.
Verpakkingen met 6 ampullen of meervoudige verpakkingen met 18 (3 x 6), 30 (5 x 6) of 60 (10 x 6)
ampullen.
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies
Signifor oplossing voor injectie mag geen zichtbare deeltjes bevatten en moet helder en kleurloos zijn.
Gebruik Signifor niet als de oplossing niet helder is of deeltjes bevat.
HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France

8.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Signifor 0,3 mg oplossing voor injectie
EU/1/12/753/001-004
Signifor 0,6 mg oplossing voor injectie
EU/1/12/753/005-008
Signifor 0,9 mg oplossing voor injectie
EU/1/12/753/009-012

9.
DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN
DE VERGUNNING

Datum van eerste verlening van de vergunning: 24 april 2012
Datum van laatste verlenging: 18 november 2016

10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST

Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees
Geneesmiddelenbureau http://www.ema.europa.eu.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 10 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Signifor 20 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Signifor 30 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Signifor 40 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Signifor 60 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie

2.
KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
Signifor 10 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Een injectieflacon bevat 10 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).
Signifor 20 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Een injectieflacon bevat 20 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).
Signifor 30 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Een injectieflacon bevat 30 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).
Signifor 40 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Een injectieflacon bevat 40 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).
Signifor 60 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Een injectieflacon bevat 60 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.

3.
FARMACEUTISCHE VORM
Poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie (poeder voor injectie).
Poeder: lichtgelig tot gelig poeder.
Oplosmiddel: heldere, kleurloze tot lichtgele of lichtbruine oplossing.

4.
KLINISCHE GEGEVENS

4.1 Therapeutische indicaties
Behandeling van volwassen patiënten met acromegalie voor wie een operatie niet mogelijk is of bij
wie een operatie niet curatief is geweest en die onvoldoende gereguleerd zijn met een behandeling met
een ander somatostatine-analoog.
Behandeling van volwassen patiënten met de ziekte van Cushing voor wie een operatie niet mogelijk
is of bij wie een operatie niet is geslaagd.
De 60 mg sterkte dient alleen gebruikt te worden voor de behandeling van acromegalie.
4.2 Dosering en wijze van toediening

Dosering
Acromegalie
De aanbevolen aanvangsdosis voor de behandeling van acromegalie is 40 mg pasireotide iedere
In twee specifieke onderzoeken, uitgevoerd met het subcutane preparaat, bleek pasireotide bij gezonde
vrijwilligers het QT-interval op het ECG te verlengen. De klinische significantie van deze verlenging
is niet bekend. De klinische fase III-onderzoeken bij acromegaliepatiënten identificeerden geen
klinisch relevante verschillen in de QT-verlengingsvoorvallen tussen pasireotide intramusculaire
toediening en de somatostatine-analogen die werden getest als actieve vergelijker. Alle
QT-gerelateerde voorvallen waren van voorbijgaande aard en verdwenen zonder therapeutische
interventie.
Gevallen van torsade de pointes werden niet waargenomen in de klinische onderzoeken met
pasireotide.
Pasireotide moet voorzichtig worden gebruikt en de baten en risico's moeten worden afgewogen bij
patiënten met een significant risico op het ontstaan van QT-verlenging, zoals die:
-
met congenitaal lange-QT-syndroom;
-
met niet onder controle gebrachte of significante hartaandoeningen, waaronder recent
myocardinfarct, congestief hartfalen, instabiele angina pectoris of klinisch belangrijke
bradycardie;
-
welke antiaritmica gebruiken of andere stoffen waarvan bekend is dat deze tot QT-verlenging
leiden (zie rubriek 4.5);
-
met hypokaliëmie en/of hypogmagnesiëmie.

Bijwerkingen per voorkeursterm voor pasireotide voor intramusculair gebruik

Systeem/orgaanklasse
Zeer vaak
Vaak
Soms
Niet
bekend
Bloed- en
Anemie

lymfestelselaandoeningen
Endocriene aandoeningen
Bijnierinsufficiëntie*

Voedings- en
Hyperglykemie, Type 2 diabetes mellitus,
Diabetische
stofwisselingsstoornissen
diabetes mellitus verminderde
ketoacidose
glucosetolerantie,
verminderde eetlust
Zenuwstelselaandoeningen
Hoofdpijn, duizeligheid

Hartaandoeningen
Sinus bradycardie*,

QT-verlenging
Maagdarmstelselaandoening Diarree,
Opgezette buik, braken

en
misselijkheid,
buikpijn*
Lever- en galaandoeningen
Cholelithiase
Cholecystitis*,

cholestase
Huid- en
Alopecia, pruritus

onderhuidaandoeningen
Algemene aandoeningen en

Vermoeidheid*
Reactie op de

toedieningsplaatsstoornissen
injectieplaats*
Onderzoeken
Geglycosyleerd
Amylase
hemoglobine verhoogd,
verhoogd,
alanineaminotransferase
protrombine
verhoogd,
-tijd
aspartaataminotransferase verlengd
verhoogd, gamma-
glutamyltransferase
verhoogd, bloedglucose
verhoogd, bloedcreatine-
fosfokinase verhoogd,
lipase verhoogd
*
Gegroepeerde termen: bijnierinsufficiëntie omvat bijnierinsufficiëntie en bloedcortisol verlaagd.
Sinusbradycardie omvat bradycardie en sinusbradycardie. Buikpijn omvat buikpijn en pijn in de
bovenbuik. Reactie op de injectieplaats omvat pijn op de injectieplaats, verharding van de
injectieplaats, ongemak op de injectieplaats, bloeduitstorting op de injectieplaats, pruritus op de
injectieplaats, reactie op de injectieplaats, overgevoeligheid op de injectieplaats en zwelling op de
injectieplaats. Cholecystitis omvat acute cholecystitis en chronische cholecystitis. Vermoeidheid
omvat vermoeidheid en asthenie.
Beschrijving van geselecteerde bijwerkingen
Glucosemetabolismestoornissen
Acromegalie
Bij acromegaliepatiënten was verhoogde nuchtere glucosespiegel de meest frequent gemelde graad 3/4
laboratoriumafwijking in de twee fase III-onderzoeken. In studie C2305, werden verhoogde nuchtere
bloedglucosespiegels graad 3 gemeld bij 9,7% en 0,6% en graad 4 bij 0,6% en 0% van de
acromegaliepatiënten behandeld met respectievelijk pasireotide voor intramusculair gebruik en
octreotide voor intramusculair gebruik. In onderzoek C2402, werden verhoogde nuchtere
bloedglucosespiegels graad 3 gemeld bij 14,3% en 17,7% van de acromegaliepatiënten, respectievelijk
behandeld met 40 mg en 60 mg pasireotide voor intramusculair gebruik en bij geen van de patiënten in
de actievecontrolegroep. Twee noodgevallen gerelateerd aan hyperglykemie (diabetische ketoacidose
en diabetisch hyperglykemisch coma) werden gemeld na een dosisverhoging naar 60 mg pasireotide
bij medicatienaïeve patiënten: respectievelijke één bij een patiënt met onbehandelde hyperglykemie en
een HbA1c >8% voorafgaand aan de start met pasireotide en de ander bij een patiënt met onbehandelde
FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN

5.1 Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: hypofysaire en hypothalamische hormonen en analogen,
somatostatine en analoga, ATC-code: H01CB05
Werkingsmechanisme
Pasireotide is een cyclohexapeptide, injecteerbaar somatostatineanaloog. Net als de natuurlijke
peptidehormonen somatostatine-14 en somatostatine-28 (ook bekend als somatotropin release
inhibiting factor
[SRIF]) en andere somatostatineanaloga, oefent pasireotide zijn farmacologische
werking uit via binding aan somatostatinereceptoren. Er zijn bij de mens vijf
somatostatinereceptorsubtypes bekend: hsst1, 2, 3, 4 en 5. Deze receptorsubtypes komen onder
normale fysiologische omstandigheden in verschillende weefsels tot expressie. Somatostatineanaloga
Bindingsaffiniteit van somatostatine (SRIF-14), pasireotide, octreotide en lanreotide
voor de vijf humane somatostatine receptorsubtypes (hsst1-5)


Verbinding
hsst1
hsst2
hsst3
hsst4
hsst5
Somatostatine
0,930,12
0,150,02
0,560,17
1,50,4
0,290,04
(SRIF-14)
Pasireotide
9,30,1
1,00,1
1,50,3
>1.000
0,160,01
Octreotide
28080
0,380,08
7,11,4
>1.000
6,31,0
Lanreotide
18020
0,540,08
149
23040
175
Resultaten zijn gemiddelde SEM van IC50-waarden uitgedrukt als nmol/l.
Farmacodynamische effecten
Somatostatinereceptoren komen in vele weefsels tot expressie, met name in neuro-endocriene tumoren
waarin excessieve secretie van hormonen plaatsvindt, waaronder GH bij acromegalie en ACTH bij de
ziekte van Cushing.
Uit in-vitro-onderzoek blijkt dat corticotrope tumorcellen van patiënten met de ziekte van Cushing een
sterke expressie van hsst5 laten zien, terwijl de andere receptorsubtypes hetzij niet of in mindere mate
tot expressie komen. Pasireotide bindt zich aan en activeert vier van de vijf hsst's, vooral hsst5, in
corticotroen van ACTH-producerende adenomen, hetgeen tot remming van de ACTH-secretie leidt.
Pasireotide heeft een breed bindingsprofiel voor somatostatine-receptoren waardoor het de potentie
heeft om zowel subtype hsst2- als hsst5receptoren te stimuleren, welke relevant zijn voor remming
van GH- en IGF-1-uitscheiding, en is daardoor effectief in de behandeling van acromegalie.
Glucosemetabolisme
In een gerandomiseerd dubbelblind onderzoek naar het werkingsmechanisme, uitgevoerd bij gezonde
vrijwilligers, werd de ontwikkeling van hyperglykemie bij gebruik van pasireotide, toegediend als
pasireotide voor subcutaan gebruik in doses van 0,6 en 0,9 mg tweemaal daags, gerelateerd aan
significante dalingen van de insulinesecretie en de incretineconcentraties (d.w.z. glucagon-like
peptide-1
[GLP-1] en glucose-dependent insulinotropic polypeptide [GIP]). Pasireotide had geen
invloed op de insulinegevoeligheid.
Klinische werkzaamheid en veiligheid
De werkzaamheid van pasireotide voor intramusculair gebruik is aangetoond in twee fase III-
multicenteronderzoeken met acromegaliepatiënten en in een multicenter fase III-onderzoek met
patiënten met de ziekte van Cushing.
Acromegalieonderzoek C2402, onvoldoende gecontroleerde patiënten
Onderzoek C2402 was een multicenter, gerandomiseerd, parallelgroep, drie-armig fase III-onderzoek
van dubbelblind pasireotide voor intramusculair gebruik 40 mg en 60 mg versus open-label octreotide
intramusculaire toediening van 30 mg of lanreotide diepe subcutane injectie 120 mg bij patiënten met
onvoldoende gecontroleerde acromegalie. Een totaal van 198 patiënten werd gerandomiseerd naar
pasireotide voor intramusculair gebruik 40 mg (n=65), pasireotide voor intramusculaire toediening
60 mg (n=65) of een actieve controle (n=68). 192 patiënten werden behandeld. Een totaal van
181 patiënten voltooide de kernfase (24 weken) van de studie.
Onvoldoende gecontroleerde patiënten in onderzoek C2402 worden gedefinieerd als patiënten met een
gemiddelde GH-concentratie van een 5-punts-profiel over een 2-uurs periode >2,5 g/l en een voor
geslacht en leeftijd gecorrigeerde IGF-1 van >1,3 × ULN. De patiënten moesten worden behandeld
met de maximale geïndiceerde doses van octreotide voor intramusculaire toediening (30 mg) of
Belangrijkste resultaten in week 24 (Onderzoek C2402)

Signifor
Signifor
Actieve
intramusculair
i
ntramusculair
controle
gebruik
gebruik
N=68
40 mg
60 mg
n (%)
N=65
N=65
n (%), p-waarde
n (%), p-waarde
GH<2,5 g/l en genormaliseerd
10 (15,4%), p=0,0006 13 (20,0%),
0 (0%)
IGF-1*
p<0,0001
Normalisatie van IGF-1
16 (24,6%), p<0,0001 17 (26,2%),
0 (0%)
p<0,0001
GH<2,5 g/l
23 (35,4%)
28 (43,1%)
9 (13,2%)
* Primair eindpunt (patiënten met IGF-1< lower limit of normal (LLN) werden niet gezien als
'responders').
Bij patiënten behandeld met pasireotide voor intramusculair gebruik bij wie verlagingen van GH- en
IGF-1-spiegels werden waargenomen, traden deze veranderingen op tijdens de eerste 3 maanden van
de behandeling en werden ze gehandhaafd tot en met week 24.
Het percentage patiënten met een afname of geen verandering in het volume van de hypofysetumor in
week 24 was 81,0% en 70,3% op respectievelijk pasireotide voor intramusculair gebruik 40 en 60 mg,
en 50,0% op actieve controle. Verder bereikte een groter deel van de patiënten op pasireotide voor
intramusculair gebruik een verlaging in tumorvolume van ten minste 25% (18,5% en 10,8% voor
respectievelijk 40 mg en 60 mg) dan op de actieve comparator (1,5%).
Gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven gemeten via AcroQol liet statistisch significante
verbeteringen zien ten opzichte van uitgangswaarden tot week 24 in de fysieke, psychisch-uiterlijke en
algemene scores voor de 60 mg groep en de fysieke sub-score voor de 40 mg groep. Veranderingen bij
de groep met octreotide voor intramusculair gebruik of lanreotide voor diepe subcutane injectie waren
niet statistisch significant. De verbetering waargenomen tot week 24 tussen de behandelingsgroepen
was ook niet statistisch significant.
Acromegalieonderzoek C2305, patiënten die geen voorafgaande medicamenteuze behandeling
hebben gehad
Een multicenter, gerandomiseerd, geblindeerd fase III-onderzoek werd uitgevoerd om de veiligheid en
werkzaamheid van pasireotide voor intramusculair gebruik versus octreotide voor intramusculaire
toediening bij medicamenteus naïeve patiënten met actieve acromegalie te beoordelen. Een totaal van
358 patiënten werd gerandomiseerd en behandeld. Patiënten werden gerandomiseerd in een 1:1
Belangrijkste resultaten in maand 12 - fase
III-onderzoek bij acromegaliepatiënten

Pasireotide
Octreotide
p-waarde
intramusculair
intramusculair
gebruik
gebruik
n (%)
n (%)
N=176
N=182
GH <2,5 g/l en genormaliseerd IGF-
31,3%
19,2%
p=0,007
1*
GH <2,5 g/l en IGF-1 ULN
35,8%
20,9%
-
Genormaliseerd IGF-1
38,6%
23,6%
p=0,002
GH <2,5 g/l
48,3%
51,6%
p=0,536
* Primair eindpunt (patiënten met IGF-1 <lower limit of normal (LLN) werden niet gezien als
'responders').
ULN = upper limit of normal
Biochemische controle werd vroeg in het onderzoek (d.w.z. maand 3) bereikt bij een groter deel van
de patiënten in de arm met pasireotide voor intramusculair gebruik dan in de arm met octreotide voor
intramusculair gebruik (30,1% en 21,4%) en werd behouden in alle daaropvolgende evaluaties tijdens
de kernfase.
Na 12 maanden was de afname van het tumorvolume vergelijkbaar tussen de behandelingsgroepen en
bij patiënten met en zonder voorafgaande operatie aan de hypofyse. Het percentage patiënten met een
afname van het tumorvolume van meer dan 20% na 12 maanden was 80,8% voor pasireotide voor
intramusculair gebruik en 77,4% voor octreotide voor intramusculair gebruik.
Gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven gemeten via AcroQol liet statistisch significante
verbeteringen zien in de fysieke, psychisch-uiterlijke en algemene scores in beide groepen na
12 maanden. Gemiddelde verbeteringen ten opzichte van de uitgangswaarden waren groter voor
pasireotide voor intramusculair gebruik dan voor octreotide voor intramusculair gebruik, zonder
statistische significantie.
Belangrijkste resultaten - fase
III-onderzoek bij patiënten met de ziekte van
Cushing (intramusculair preparaat)


Pasireotide 10 mg
Pasireotide 30 mg
N=74
N=76
Percentage van patiënten met:

mUFC ULN in maand 7 (95%-BI)*
41,9 (30,5; 53,9)
40,8 (29,7; 52,7)
mUFC ULN en geen eerdere
28,4 (18,5; 40,1)
31,6 (21,4; 43,3)
dosisverhoging in maand 7 (95%-BI)
mUFC ULN of 0% afname t.o.v.
50,0 (38,1; 61,9)
56,6 (44,7; 67,9)
baseline in maand 7 (95%-BI)
Mediane (min., max.) % mUFC-verandering
-47,9 (-94,2; 651,1)
-48,5 (-99,7; 181,7)
t.o.v. baseline in maand 7
Mediane (min., max.) % mUFC-verandering
-52,5 (-96,9; 332,8)
-51,9 (-98,7; 422,3)
t.o.v. baseline in maand 12
* Primair eindpunt met gebruikmaking van LOCF (last observation carried forward)
mUFC: mean urinary free cortisol; ULN: upper limit of normal; BI: betrouwbaarheidsinterval
In beide dosisgroepen werden in maand 7 verlagingen van de systolische en diastolische bloeddruk en
van lichaamsgewicht waargenomen. De algehele verlagingen van deze parameters waren over het
algemeen sterker bij patiënten die mUFC-respondenten waren. Soortgelijke trends werden gezien in
maand 12.
In maand 7 lieten de meeste patiënten hetzij verbetering zien of stabiele verschijnselen van de ziekte
van Cushing zoals hirsutisme, striae, bloeduitstorting en spierkracht. Hyperemie in het gelaat
verbeterde bij 43,5% (47/108) van de patiënten en meer dan een derde van de patiënten vertoonde
verbetering in het supraclaviculaire vetkussen (34,3%) en het dorsale vetkussen (34,6%). Soortgelijke
resultaten werden ook gezien in maand 12.
Gezondheidsgerelateerde kwaliteit van leven werd beoordeeld aan de hand van een vragenlijst over de
ziektespecifieke resultaten zoals gemeld door de patiënt (CushingQol) en een algemene vragenlijst
over de kwaliteit van leven (SF-12v2 General Health Survey). Verbeteringen werden waargenomen in
beide dosisgroepen voor CushingQol en de 'Mental Component Summary (MCS)' van SF-12v2, maar
niet voor de 'Physical Component Summary (PCS)' van SF-12v2.
Pediatrische patiënten
Het Europees Geneesmiddelenbureau heeft besloten af te zien van de verplichting voor de fabrikant
om de resultaten in te dienen van onderzoek met Signifor in alle subgroepen van pediatrische patiënten
met acromegalie en hypofysair gigantisme, en bij hypofyseafhankelijke ziekte van Cushing,
overproductie van hypofyse-ACTH en hypofyse-afhankelijk hyperadrenocorticisme (zie rubriek 4.2
voor informatie over pediatrisch gebruik).
FARMACEUTISCHE GEGEVENS

6.1 Lijst van hulpstoffen

Poeder
Poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50-60:40-50)
Poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50:50)
Oplosmiddel
Carmellosenatrium
Mannitol
Poloxameer 188
Water voor injectie
6.2 Gevallen van onverenigbaarheid

Bij gebrek aan onderzoek naar onverenigbaarheden, mag dit geneesmiddel niet met andere
geneesmiddelen gemengd worden.
6.3 Houdbaarheid
3 jaar
6.4 Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Bewaren in de koelkast (2°C ­ 8°C). Niet in de vriezer bewaren.
6.5 Aard en inhoud van de verpakking

Poeder: bruinachtige injectieflacon (glas) met een rubberen stop (chloorbutylrubber), die de werkzame
stof (pasireotide) bevat.
Oplosmiddel: kleurloze voorgevulde spuit (glas) met voorkant en zuigerstop (chloorbutylrubber), die
2 ml oplosmiddel bevat.
Eenheidsverpakking (alle sterkten): elke eenheidsverpakking bevat een blisterbakje met een injectiekit
(een injectieflacon en, in een apart verzegeld gedeelte, een voorgevulde spuit, een
injectieflaconadapter en een veiligheidsinjectienaald).
Meervoudige verpakkingen (alleen sterkten van 40 mg en 60 mg): elke meervoudige verpakking bevat
3 tussenverpakkingen, die elk een blisterbakje met een injectiekit (een injectieflacon en, in een apart
verzegeld gedeelte, een voorgevulde spuit, een injectieflaconadapter en een veiligheidsinjectienaald)
bevatten.
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten of sterkten worden in de handel gebracht.
6.6 Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies
Er zijn twee essentiële stappen in de reconstitutie van Signifor.
Het niet opvolgen kan leiden tot
incorrecte toediening van de injectie.

·
De injectiekit moet op kamertemperatuur komen. Verwijder de injectiekit uit de koelkast en
laat de kit gedurende ten minste 30 minuten bij kamertemperatuur staan vóór reconstitutie, maar
niet meer dan 24 uur.
·
Schud de injectieflacon, na toevoeging van het oplosmiddel,
matig gedurende minimaal
30 seconden
totdat een uniforme suspensie ontstaat.
Een injectieflacon met het poeder
b.
Een voorgevulde spuit met het oplosmiddel
c.
Een injectieflaconadapter voor reconstitutie van het geneesmiddel
d.
Een veiligheidsinjectienaald (20G x 1.5")
Volg de onderstaande instructies zorgvuldig op om te zorgen voor een goede reconstitutie van
Signifor-poeder en -oplosmiddel voor suspensie voor injectie voordat u Signifor toedient via diepe
intramusculaire injectie.
Signifor-suspensie mag alleen vlak voor gebruik worden bereid.
Signifor mag alleen worden toegediend door een getrainde beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg.
Houdt u zich bij het bereiden van Signifor voor diepe intramusculaire injectie alstublieft aan de
volgende instructies:
1.
Verwijder de Signifor-injectiekit uit de gekoelde opslag.
LET OP: Het is essentieel om
het proces van reconstitutie pas te starten nadat de injectiekit op kamertemperatuur
is. Laat de kit gedurende ten minste 30 minuten bij kamertemperatuur staan vóór
reconstitutie, maar niet meer dan 24 uur.
Indien de injectiekit niet binnen 24 uur wordt
gebruikt, kan deze worden teruggezet in de koelkast.
2
Verwijder de plastic dop van de injectieflacon en reinig de rubberen stop van de
injectieflacon met een alcoholdoekje.
3.
Verwijder de filmlaag van de verpakking van de injectieflaconadapter, maar verwijder de
injectieflaconadapter NIET uit de verpakking.
4.
Houd de verpakking van de injectieflaconadapter vast en plaats de injectieflaconadapter
bovenop de injectieflacon en duw hem helemaal naar beneden, zodat deze op zijn plaats
klikt, bevestigd door een "klik".
5.
Verwijder de verpakking van de injectieflaconadapter door deze recht omhoog te tillen.
6.
Verwijder de dop van de voorgevulde spuit met oplosmiddel en schroef de spuit op de
injectieflaconadapter.
7.
Duw de zuiger langzaam helemaal naar beneden om al het oplosmiddel over te brengen in
de injectieflacon.
8.
LET OP: Houd de zuiger ingedrukt en schud het flesje
matig gedurende minimaal
30 seconden
, zodat het poeder geheel is gesuspendeerd.
Herhaal het matig schudden
gedurende nogmaals 30 seconden als het poeder niet volledig is gesuspendeerd.

9.
Draai de spuit en de injectieflacon ondersteboven, trek de zuiger langzaam terug en trek
de gehele inhoud van de injectieflacon op in de spuit.
10. Schroef de spuit van de injectieflaconadapter.
11. Schroef de veiligheidsinjectienaald op de spuit.
12. Trek de beschermkap recht van de naald. Om sedimentatie te voorkomen, kunt u de spuit
schudden om zo een uniforme suspensie te behouden. Tik voorzichtig tegen de spuit om
eventuele zichtbare luchtbellen te verwijderen en druk ze uit de spuit. De
gereconstitueerde Signifor is nu klaar voor
onmiddellijke toediening.
13. Signifor mag alleen worden gegeven via diepe intramusculaire injectie. Bereid de
injectieplaats voor met een alcoholdoekje. Breng de naald volledig in de linker- of
rechtergluteus in een hoek van 90° met de huid. Trek voorzichtig de zuiger op om te
controleren of er geen bloedvat is aangeprikt (herpositioneer als een bloedvat is
aangeprikt). Duw langzaam op de zuiger totdat de spuit leeg is. Trek de naald uit de
injectieplaats en activeer de beschermkap.
14. Activeer de beschermkap over de naald, volgens een van de twee getoonde methoden:
-
druk het scharnierende deel van de beschermkap naar beneden op een harde
ondergrond
-
druk het scharnier naar voren met uw vinger
Een hoorbare "klik" bevestigt een juiste wijze van activering. Gooi de spuit direct in een
naaldencontainer.
HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France

8.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Signifor 10 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
EU/1/12/753/018
Signifor 20 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
EU/1/12/753/013
Signifor 30 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
EU/1/12/753/019
Signifor 40 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
EU/1/12/753/014-015
Signifor 60 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
EU/1/12/753/016-017

9.
DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN
DE VERGUNNING

Datum van eerste verlening van de vergunning: 24 april 2012
Datum van laatste verlenging: 18 november 2016

10. DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST

Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees
Geneesmiddelenbureau http://www.ema.europa.eu.


BIJLAGE II

A.
FABRIKANT VERANTWOORDELIJK VOOR VRIJGIFTE

B.
VOORWAARDEN OF BEPERKINGEN TEN AANZIEN VAN LEVERING
EN GEBRUIK


C.
ANDERE VOORWAARDEN EN EISEN DIE DOOR DE HOUDER VAN DE
HANDELSVERGUNNING MOETEN WORDEN NAGEKOMEN


D.
VOORWAARDEN OF BEPERKINGEN MET BETREKKING TOT EEN
VEILIG EN DOELTREFFEND GEBRUIK VAN HET GENEESMIDDEL


FABRIKANT VERANTWOORDELIJK VOOR VRIJGIFTE
Naam en adres van de fabrikant verantwoordelijk voor vrijgifte
Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France
Recordati Rare Diseases
Eco River Parc
30 rue des Peupliers
92000 Nanterre
France
In de gedrukte bijsluiter van het geneesmiddel moeten de naam en het adres van de fabrikant die
verantwoordelijk is voor vrijgifte van de desbetreffende batch zijn opgenomen.

B.
VOORWAARDEN OF BEPERKINGEN TEN AANZIEN VAN LEVERING
EN GEBRUIK

Aan medisch voorschrift onderworpen geneesmiddel.

C.
ANDERE VOORWAARDEN EN EISEN DIE DOOR DE HOUDER VAN DE
HANDELSVERGUNNING MOETEN WORDEN NAGEKOMEN


·
Periodieke veiligheidsverslagen
De vereisten voor de indiening van periodieke veiligheidsverslagen worden vermeld in de lijst met
Europese referentiedata (EURD-lijst), waarin voorzien wordt in artikel 107c, onder punt 7 van
Richtlijn 2001/83/EG en eventuele hierop volgende aanpassingen gepubliceerd op het Europese
webportaal voor geneesmiddelen.

D.
VOORWAARDEN OF BEPERKINGEN MET BETREKKING TOT EEN VEILIG EN
DOELTREFFEND GEBRUIK VAN HET GENEESMIDDEL

·
Risk Management Plan (RMP)
De vergunninghouder voert de verplichte onderzoeken en maatregelen uit ten behoeve van de
geneesmiddelenbewaking, zoals uitgewerkt in het overeengekomen RMP en weergegeven in
module 1.8.2 van de handelsvergunning, en in eventuele daaropvolgende overeengekomen
RMP-aanpassingen.
Een aanpassing van het RMP wordt ingediend:
·
op verzoek van het Europees Geneesmiddelenbureau;
·
steeds wanneer het risicomanagementsysteem gewijzigd wordt, met name als gevolg van het
beschikbaar komen van nieuwe informatie die kan leiden tot een belangrijke wijziging van de
bestaande verhouding tussen de voordelen en risico's of nadat een belangrijke mijlpaal (voor
geneesmiddelenbewaking of voor beperking van de risico's tot een minimum) is bereikt.

BIJLAGE III

ETIKETTERING EN BIJSLUITER


A. ETIKETTERING

NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 0,3 mg oplossing voor injectie
pasireotide

2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
1 ml oplossing voor injectie bevat 0,3 mg pasireotide (als pasireotidedi-aspartaat).

3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook: mannitol, wijnsteenzuur, natriumhydroxide, water voor injecties. Zie bijsluiter voor nadere
informatie.

4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Oplossing voor injectie
6 ampullen

5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Subcutaan gebruik.

6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN

Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.

7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de oorspronkelijke verpakking ter bescherming tegen licht.

10. BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)

11. NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN

Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France

12. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/12/753/001
6 ampullen
13. PARTIJNUMMER

Lot

14. ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING

15. INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK


16. INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 0,3 mg

17. UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK ­ 2D MATRIXCODE
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.

18. UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK ­ VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
PC:
SN:
NN:

NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 0,3 mg oplossing voor injectie
pasireotide

2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
1 ml oplossing voor injectie bevat 0,3 mg pasireotide (als pasireotidedi-aspartaat).

3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook: mannitol, wijnsteenzuur, natriumhydroxide, water voor injecties. Zie bijsluiter voor nadere
informatie.

4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Oplossing voor injectie
6 ampullen. Onderdeel van een meervoudige verpakking. Mag niet afzonderlijk worden verkocht.

5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Subcutaan gebruik.

6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN

Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.

7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de oorspronkelijke verpakking ter bescherming tegen licht.

10. BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)

11. NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN

Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France

12. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/12/753/002
18 ampullen (3x6)
EU/1/12/753/003
30 ampullen (5x6)
EU/1/12/753/004
60 ampullen (10x6)
13. PARTIJNUMMER

Lot

14. ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING

15. INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK


16. INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 0,3 mg


NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 0,3 mg oplossing voor injectie
pasireotide

2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
1 ml oplossing voor injectie bevat 0,3 mg pasireotide (als pasireotidedi-aspartaat).

3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook: mannitol, wijnsteenzuur, natriumhydroxide, water voor injecties. Zie bijsluiter voor nadere
informatie.

4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Oplossing voor injectie
Meervoudige verpakking: 18 (3 verpakkingen van 6) ampullen.
Meervoudige verpakking: 30 (5 verpakkingen van 6) ampullen.
Meervoudige verpakking: 60 (10 verpakkingen van 6) ampullen.

5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Subcutaan gebruik.

6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN

Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.

7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de oorspronkelijke verpakking ter bescherming tegen licht.

10. BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)

11. NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN

Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France

12. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/12/753/002
18 ampullen (3x6)
EU/1/12/753/003
30 ampullen (5x6)
EU/1/12/753/004
60 ampullen (10x6)
13. PARTIJNUMMER

Lot

14. ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING

15. INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK


16. INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 0,3 mg

17. UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK ­ 2D MATRIXCODE
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.

18. UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK ­ VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
PC:
SN:
NN:


NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Signifor 0,3 mg injectievloeistof
pasireotide
SC

2.
WIJZE VAN TOEDIENING
3.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

4.
PARTIJNUMMER
Lot

5.
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
1 ml

6.
OVERIGE

NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 0,6 mg oplossing voor injectie
pasireotide

2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
1 ml oplossing voor injectie bevat 0,6 mg pasireotide (als pasireotidedi-aspartaat).

3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook: mannitol, wijnsteenzuur, natriumhydroxide, water voor injecties. Zie bijsluiter voor nadere
informatie.

4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Oplossing voor injectie
6 ampullen

5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Subcutaan gebruik.

6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN

Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.

7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de oorspronkelijke verpakking ter bescherming tegen licht.

10. BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)

11. NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN

Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France

12. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/12/753/005
6 ampullen
13. PARTIJNUMMER

Lot

14. ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING

15. INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK


16. INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 0,6 mg

17. UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK ­ 2D MATRIXCODE
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.

18. UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK ­ VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
PC:
SN:
NN:


NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 0,6 mg oplossing voor injectie
pasireotide

2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
1 ml oplossing voor injectie bevat 0,6 mg pasireotide (als pasireotidedi-aspartaat).

3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook: mannitol, wijnsteenzuur, natriumhydroxide, water voor injecties. Zie bijsluiter voor nadere
informatie.

4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Oplossing voor injectie
6 ampullen. Onderdeel van een meervoudige verpakking. Mag niet afzonderlijk worden verkocht.

5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Subcutaan gebruik.

6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN

Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.

7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de oorspronkelijke verpakking ter bescherming tegen licht.

10. BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)

11. NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN

Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France

12. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/12/753/006
18 ampullen (3x6)
EU/1/12/753/007
30 ampullen (5x6)
EU/1/12/753/008
60 ampullen (10x6)
13. PARTIJNUMMER

Lot

14. ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING

15. INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK


16. INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 0,6 mg


NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 0,6 mg oplossing voor injectie
pasireotide

2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
1 ml oplossing voor injectie bevat 0,6 mg pasireotide (als pasireotidedi-aspartaat).

3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook: mannitol, wijnsteenzuur, natriumhydroxide, water voor injecties. Zie bijsluiter voor nadere
informatie.

4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Oplossing voor injectie
Meervoudige verpakking: 18 (3 verpakkingen van 6) ampullen.
Meervoudige verpakking: 30 (5 verpakkingen van 6) ampullen.
Meervoudige verpakking: 60 (10 verpakkingen van 6) ampullen.

5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Subcutaan gebruik.

6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN

Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.

7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de oorspronkelijke verpakking ter bescherming tegen licht.

10. BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)

11. NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN

Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France

12. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/12/753/006
18 ampullen (3x6)
EU/1/12/753/007
30 ampullen (5x6)
EU/1/12/753/008
60 ampullen (10x6)
13. PARTIJNUMMER

Lot

14. ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING

15. INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK


16. INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 0,6 mg

17. UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK ­ 2D MATRIXCODE
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.

18. UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK ­ VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
PC:
SN:
NN:


NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Signifor 0,6 mg injectievloeistof
pasireotide
SC

2.
WIJZE VAN TOEDIENING
3.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

4.
PARTIJNUMMER
Lot

5.
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
1 ml

6.
OVERIGE

NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 0,9 mg oplossing voor injectie
pasireotide

2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
1 ml oplossing voor injectie bevat 0,9 mg pasireotide (als pasireotidedi-aspartaat).

3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook: mannitol, wijnsteenzuur, natriumhydroxide, water voor injecties. Zie bijsluiter voor nadere
informatie.

4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Oplossing voor injectie
6 ampullen

5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Subcutaan gebruik.

6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN

Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.

7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de oorspronkelijke verpakking ter bescherming tegen licht.

10. BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)

11. NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN

Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France

12. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/12/753/009
6 ampullen
13. PARTIJNUMMER

Lot

14. ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING

15. INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK


16. INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 0,9 mg

17. UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK ­ 2D MATRIXCODE
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.

18. UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK ­ VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
PC:
SN:
NN:


NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 0,9 mg oplossing voor injectie
pasireotide

2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
1 ml oplossing voor injectie bevat 0,9 mg pasireotide (als pasireotidedi-aspartaat).

3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook: mannitol, wijnsteenzuur, natriumhydroxide, water voor injecties. Zie bijsluiter voor nadere
informatie.

4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Oplossing voor injectie
6 ampullen. Onderdeel van een meervoudige verpakking. Mag niet afzonderlijk worden verkocht.

5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Subcutaan gebruik.

6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN

Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.

7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de oorspronkelijke verpakking ter bescherming tegen licht.

10. BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)

11. NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN

Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France

12. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/12/753/010
18 ampullen (3x6)
EU/1/12/753/011
30 ampullen (5x6)
EU/1/12/753/012
60 ampullen (10x6)
13. PARTIJNUMMER

Lot

14. ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING

15. INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK


16. INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 0,9 mg


NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 0,9 mg oplossing voor injectie
pasireotide

2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
1 ml oplossing voor injectie bevat 0,9 mg pasireotide (als pasireotidedi-aspartaat).

3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook: mannitol, wijnsteenzuur, natriumhydroxide, water voor injecties. Zie bijsluiter voor nadere
informatie.

4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Oplossing voor injectie
Meervoudige verpakking: 18 (3 verpakkingen van 6) ampullen.
Meervoudige verpakking: 30 (5 verpakkingen van 6) ampullen.
Meervoudige verpakking: 60 (10 verpakkingen van 6) ampullen.

5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Subcutaan gebruik.

6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN

Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.

7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de oorspronkelijke verpakking ter bescherming tegen licht.

10. BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)

11. NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN

Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France

12. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/12/753/010
18 ampullen (3x6)
EU/1/12/753/011
30 ampullen (5x6)
EU/1/12/753/012
60 ampullen (10x6)
13. PARTIJNUMMER

Lot

14. ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING

15. INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK


16. INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 0,9 mg

17. UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK ­ 2D MATRIXCODE
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.

18. UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK ­ VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
PC:
SN:
NN:


NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Signifor 0,9 mg injectievloeistof
pasireotide
SC

2.
WIJZE VAN TOEDIENING
3.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

4.
PARTIJNUMMER
Lot

5.
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
1 ml

6.
OVERIGE

NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 10 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
pasireotide

2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
Een injectieflacon bevat 10 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).

3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook:
Poeder: poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50-60:40-50), poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50:50).
Oplosmiddel: carmellosenatrium, mannitol, poloxameer 188, water voor injectie.

4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
1 injectieflacon met poeder
1 voorgevulde spuit met 2 ml oplosmiddel
1 veiligheidsinjectienaald
1 injectieflaconadapter

5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Intramusculair gebruik.

6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN

Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.

7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de koelkast. Niet in de vriezer bewaren.

10. BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)

11. NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN

Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France

12. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/12/753/018

13. PARTIJNUMMER

Lot

14. ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING

15. INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK


16. INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 10 mg

17. UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK ­ 2D MATRIXCODE
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.

18. UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK ­ VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
PC:
SN:
NN:


NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Signifor 10 mg poeder voor injectie
pasireotide
IM

2.
WIJZE VAN TOEDIENING
3.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

4.
PARTIJNUMMER
Lot

5.
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
10 mg

6.
OVERIGE


NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Oplosmiddel voor Signifor

2.
WIJZE VAN TOEDIENING
3.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

4.
PARTIJNUMMER
Lot

5.
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
2 ml

6.
OVERIGE

NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 20 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
pasireotide

2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
Een injectieflacon bevat 20 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).

3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook:
Poeder: poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50-60:40-50), poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50:50).
Oplosmiddel: carmellosenatrium, mannitol, poloxameer 188, water voor injectie.

4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
1 injectieflacon met poeder
1 voorgevulde spuit met 2 ml oplosmiddel
1 veiligheidsinjectienaald
1 injectieflaconadapter

5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
intramusculair gebruik.

6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN

Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.

7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de koelkast. Niet in de vriezer bewaren.

10. BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)

11. NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN

Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France

12. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/12/753/013

13. PARTIJNUMMER

Lot

14. ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING

15. INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK


16. INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 20 mg

17. UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK ­ 2D MATRIXCODE
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.

18. UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK ­ VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
PC:
SN:
NN:


NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Signifor 20 mg poeder voor injectie
pasireotide
IM

2.
WIJZE VAN TOEDIENING
3.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

4.
PARTIJNUMMER
Lot

5.
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
20 mg

6.
OVERIGE


NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Oplosmiddel voor Signifor

2.
WIJZE VAN TOEDIENING
3.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

4.
PARTIJNUMMER
Lot

5.
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
2 ml

6.
OVERIGE

NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 30 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
pasireotide

2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
Een injectieflacon bevat 30 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).

3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook:
Poeder: poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50-60:40-50), poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50:50).
Oplosmiddel: carmellosenatrium, mannitol, poloxameer 188, water voor injectie.

4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
1 injectieflacon met poeder
1 voorgevulde spuit met 2 ml oplosmiddel
1 veiligheidsinjectienaald
1 injectieflaconadapter

5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Intramusculair gebruik.

6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN

Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.

7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de koelkast. Niet in de vriezer bewaren.

10. BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)

11. NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN

Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France

12. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/12/753/019

13. PARTIJNUMMER

Lot

14. ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING

15. INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK


16. INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 30 mg

17. UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK ­ 2D MATRIXCODE
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.

18. UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK ­ VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
PC:
SN:
NN:


NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Signifor 30 mg poeder voor injectie
pasireotide
IM

2.
WIJZE VAN TOEDIENING
3.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

4.
PARTIJNUMMER
Lot

5.
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
30 mg

6.
OVERIGE


NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Oplosmiddel voor Signifor

2.
WIJZE VAN TOEDIENING
3.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

4.
PARTIJNUMMER
Lot

5.
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
2 ml

6.
OVERIGE

NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 40 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
pasireotide

2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
Een injectieflacon bevat 40 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).

3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook:
Poeder: poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50-60:40-50), poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50:50).
Oplosmiddel: carmellosenatrium, mannitol, poloxameer 188, water voor injectie.

4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
1 injectieflacon met poeder
1 voorgevulde spuit met 2 ml oplosmiddel
1 veiligheidsinjectienaald
1 injectieflaconadapter

5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
intramusculair gebruik.

6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN

Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.

7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de koelkast. Niet in de vriezer bewaren.

10. BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)

11. NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN

Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France

12. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/12/753/014

13. PARTIJNUMMER

Lot

14. ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING

15. INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK


16. INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 40 mg

17. UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK ­ 2D MATRIXCODE
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.

18. UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK ­ VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
PC:
SN:
NN:


NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 40 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
pasireotide

2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
Een injectieflacon bevat 40 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).

3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook:
Poeder: poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50-60:40-50), poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50:50).
Oplosmiddel: carmellosenatrium, mannitol, poloxameer 188, water voor injectie.

4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
1 injectieflacon met poeder + 1 voorgevulde spuit met 2 ml oplosmiddel + 1 veiligheidsinjectienaald +
1 injectieflaconadapter.
Onderdeel van een meervoudige verpakking. Mag niet afzonderlijk worden verkocht.

5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Intramusculair gebruik.

6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN

Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.

7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de koelkast. Niet in de vriezer bewaren.

10. BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)

11. NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN

Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France

12. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/12/753/015
Meervoudige verpakking met 3 tussenliggende dozen
13. PARTIJNUMMER

Lot

14. ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING

15. INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK


16. INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 40 mg


NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 40 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
pasireotide

2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
Een injectieflacon bevat 40 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).

3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook:
Poeder: poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50-60:40-50), poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50:50).
Oplosmiddel: carmellosenatrium, mannitol, poloxameer 188, water voor injectie.

4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Meervoudige verpakking: 3 verpakkingen met 1 injectiekit

5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Intramusculair gebruik.

6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN

Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.

7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de koelkast. Niet in de vriezer bewaren.

10. BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)

11. NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN

Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France

12. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/12/753/015
Meervoudige verpakking met 3 tussenliggende dozen
13. PARTIJNUMMER

Lot

14. ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING

15. INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK


16. INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 40 mg

17. UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK ­ 2D MATRIXCODE
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.

18. UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK ­ VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
PC:
SN:
NN:


NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Signifor 40 mg poeder voor injectie
pasireotide
IM

2.
WIJZE VAN TOEDIENING
3.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

4.
PARTIJNUMMER
Lot

5.
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
40 mg

6.
OVERIGE


NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Oplosmiddel voor Signifor

2.
WIJZE VAN TOEDIENING
3.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

4.
PARTIJNUMMER
Lot

5.
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
2 ml

6.
OVERIGE

NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 60 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
pasireotide

2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
Een injectieflacon bevat 60 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).

3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook:
Poeder: poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50-60:40-50), poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50:50).
Oplosmiddel: carmellosenatrium, mannitol, poloxameer 188, water voor injectie.

4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
1 injectieflacon met poeder
1 voorgevulde spuit met 2 ml oplosmiddel
1 veiligheidsinjectienaald
1 injectieflaconadapter

5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
intramusculair gebruik.

6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN

Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.

7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de koelkast. Niet in de vriezer bewaren.

10. BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)

11. NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN

Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France

12. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/12/753/016

13. PARTIJNUMMER

Lot

14. ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING

15. INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK


16. INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 60 mg

17. UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK ­ 2D MATRIXCODE
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.

18. UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK ­ VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
PC:
SN:
NN:


NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 60 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
pasireotide

2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
Een injectieflacon bevat 60 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).

3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook:
Poeder: poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50-60:40-50), poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50:50).
Oplosmiddel: carmellosenatrium, mannitol, poloxameer 188, water voor injectie.

4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
1 injectieflacon met poeder + 1 voorgevulde spuit met 2 ml oplosmiddel + 1 veiligheidsinjectienaald +
1 injectieflaconadapter.
Onderdeel van een meervoudige verpakking. Mag niet afzonderlijk worden verkocht.

5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Intramusculair gebruik.

6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN

Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.

7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de koelkast. Niet in de vriezer bewaren.

10. BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)

11. NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN

Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France

12. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/12/753/017
Meervoudige verpakking met 3 tussenliggende dozen
13. PARTIJNUMMER

Lot

14. ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING

15. INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK


16. INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 60 mg


NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Signifor 60 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
pasireotide

2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
Een injectieflacon bevat 60 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).

3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Bevat ook:
Poeder: poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50-60:40-50), poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50:50).
Oplosmiddel: carmellosenatrium, mannitol, poloxameer 188, water voor injectie.

4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Meervoudige verpakking: 3 verpakkingen met 1 injectiekit

5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Voor eenmalig gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
Intramusculair gebruik.

6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN

Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.

7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de koelkast. Niet in de vriezer bewaren.

10. BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)

11. NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN

Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France

12. NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN

EU/1/12/753/017
Meervoudige verpakking met 3 tussenliggende dozen
13. PARTIJNUMMER

Lot

14. ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING

15. INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK


16. INFORMATIE IN BRAILLE
Signifor 60 mg

17. UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK ­ 2D MATRIXCODE
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.

18. UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK ­ VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
PC:
SN:
NN:


NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Signifor 60 mg poeder voor injectie
pasireotide
IM

2.
WIJZE VAN TOEDIENING
3.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

4.
PARTIJNUMMER
Lot

5.
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
60 mg

6.
OVERIGE


NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Oplosmiddel voor Signifor

2.
WIJZE VAN TOEDIENING
3.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP

4.
PARTIJNUMMER
Lot

5.
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
2 ml

6.
OVERIGE

B. BIJSLUITER

Signifor 0,3 mg oplossing voor injectie
Signifor 0,6 mg oplossing voor injectie
Signifor 0,9 mg oplossing voor injectie

pasireotide
Lees goed de hele bijsluiter voordat u dit geneesmiddel gaat gebruiken want er staat belangrijke
informatie in voor u.
-
Bewaar deze bijsluiter. Misschien heeft u hem later weer nodig.
-
Heeft u nog vragen? Neem dan contact op met uw arts, verpleegkundige of apotheker.
-
Geef dit geneesmiddel niet door aan anderen, want het is alleen aan u voorgeschreven. Het kan
schadelijk zijn voor anderen, ook al hebben zij dezelfde klachten als u.
-
Krijgt u last van een van de bijwerkingen die in rubriek 4 staan? Of krijgt u een bijwerking die
niet in deze bijsluiter staat? Neem dan contact op met uw arts, verpleegkundige of apotheker.

Inhoud van deze bijsluiter
1.
Wat is Signifor en waarvoor wordt dit middel gebruikt?
2.
Wanneer mag u dit middel niet gebruiken of moet u er extra voorzichtig mee zijn?
3.
Hoe gebruikt u dit middel?
4.
Mogelijke bijwerkingen
5.
Hoe bewaart u dit middel?
6.
Inhoud van de verpakking en overige informatie
1.
Wat is Signifor en waarvoor wordt dit middel gebruikt?
Signifor is een geneesmiddel dat de werkzame stof pasireotide bevat. Het wordt gebruikt om de ziekte
van Cushing bij volwassenen te behandelen bij wie een operatie niet mogelijk is of bij wie een
operatie niet is geslaagd.
De ziekte van Cushing wordt veroorzaakt door een vergroting van de hypofyse (een klier aan de
onderkant van de hersenen) die een hypofyseadenoom wordt genoemd. Als gevolg daarvan maakt het
lichaam te veel aan van het hormoon dat adrenocorticotroop hormoon (ACTH) wordt genoemd, wat er
op zijn beurt weer toe leidt dat er te veel geproduceerd wordt van een ander hormoon dat cortisol
wordt genoemd.
Het menselijk lichaam maakt van nature een stof aan die somatostatine wordt genoemd, die de
productie van bepaalde hormonen, waaronder ACTH, blokkeert. Pasireotide werkt op bijna dezelfde
manier als somatostatine. Signifor kan daarmee de productie van ACTH blokkeren, wat de controle
van de overproductie van cortisol ondersteunt en de verschijnselen van de ziekte van Cushing
verbetert.
Als u vragen heeft over hoe Signifor werkt of waarom dit medicijn aan u is voorgeschreven, vraag dat
dan aan uw arts.

2.
Wanneer mag u dit middel niet gebruiken of moet u er extra voorzichtig mee zijn?

Wanneer mag u dit middel niet gebruiken?
-
U bent allergisch voor een van de stoffen in dit geneesmiddel. Deze stoffen kunt u vinden in
rubriek 6.
-
U heeft ernstige leverproblemen.
problemen met uw bloedsuikerspiegel, hetzij te hoog (zoals bij hyperglykemie/diabetes) of te
laag (hypoglykemie);
-
hartproblemen zoals een pas geleden hartaanval, congestief hartfalen (een soort hartaandoening
waarbij het hart onvoldoende bloed door het lichaam pompt) of plotselinge en beklemmende
pijn op de borst (meestal gevoeld als druk, zwaarte, beklemming, knijpen of pijn op de borst);
-
een hartritmestoornis, zoals een onregelmatige hartslag of een abnormaal elektrisch signaal dat
'verlenging van het QT- interval', of 'QT-verlenging' wordt genoemd;
-
lage concentraties kalium of magnesium in uw bloed;
-
galstenen.

Tijdens uw behandeling met Signifor
-
Signifor remt overproductie van cortisol. De remming kan te sterk zijn en u kunt klachten en
verschijnselen krijgen die verband houden met een tekort aan cortisol, zoals extreme zwakte,
moeheid, gewichtsverlies, misselijkheid, braken of lage bloeddruk. Als dat gebeurt, moet u dat
direct aan uw arts vertellen.
-
Signifor kan uw bloedsuiker verhogen. Het kan zijn dat uw arts uw bloedsuiker wil controleren
of een behandeling met een middel tegen diabetes wil beginnen of de dosis ervan wil aanpassen.
-
Signifor kan uw hartslag verlagen. Het kan zijn dat uw arts uw hartslag wil controleren met een
apparaat dat de elektrische activiteit van het hart meet (een 'ECG', of elektrocardiogram). Als u
een geneesmiddel gebruikt tegen een hartaandoening, kan uw arts de dosis daarvan moeten
aanpassen.
-
Het kan zijn dat uw arts uw galblaas, leverenzymen en hypofysehormonen op gezette tijden wil
controleren, omdat deze allemaal zouden kunnen worden beïnvloed door dit geneesmiddel.

Kinderen en jongeren tot 18 jaar
Geef dit geneesmiddel niet aan kinderen en jongeren onder de 18 jaar omdat er voor deze
leeftijdsgroep geen gegevens zijn.
Gebruikt u nog andere geneesmiddelen?
Signifor kan invloed hebben op de manier waarop sommige andere geneesmiddelen werken. Als u
gelijktijdig andere geneesmiddelen gebruikt (ook bij geneesmiddelen zonder recept), kan het nodig
zijn dat uw arts uw hart met meer zorg moet controleren of de dosering van Signifor of uw andere
geneesmiddel moet wijzigen. Gebruikt u naast Signifor nog andere geneesmiddelen, heeft u dat kort
geleden gedaan of bestaat de mogelijkheid dat u in de nabije toekomst andere geneesmiddelen gaat
gebruiken? Vertel dat dan uw arts of apotheker. Vertel vooral uw arts als u gebruik maakt van:
-
geneesmiddelen voor de behandeling van onregelmatige hartslag, zoals geneesmiddelen met
disopyramide, procaïnamide, kinidine, sotalol, dofetilide, ibutilide, amiodaron of dronedaron;
-
geneesmiddelen voor de behandeling van een bacteriële infectie (via de mond: claritromycine,
moxifloxacine; via injectie: erytromycine, pentamidine);
-
geneesmiddelen voor de behandeling van een schimmelinfectie (ketoconazol, behalve in
shampoo);
-
geneesmiddelen voor de behandeling van bepaalde psychische aandoeningen (chloorpromazine,
thioridazine, flufenazine, pimozide, haloperidol, tiapride, amisulpride, sertindol, methadon);
-
geneesmiddelen voor de behandeling van hooikoorts en andere allergieën (terfenadine,
astemizol, mizolastine);
-
geneesmiddelen voor het voorkomen of behandelen van malaria (chloroquine, halofantrine,
lumefantrine);
-
geneesmiddelen voor de controle van de bloeddruk zoals:
·
bètablokkers (metoprolol, carteolol, propranolol, sotalol);
·
calciumkanaalblokkers (bepridil, verapamil, diltiazem);
·
cholinesteraseremmers (rivastigmine, fysostigmine);
-
geneesmiddelen voor de controle van de elektrolytenbalans (kalium, magnesium) in uw
lichaam.
ciclosporine (gebruikt bij orgaantransplantatie om de activiteit van het immuunsysteem te
remmen);
-
geneesmiddelen voor de behandeling van een te hoge bloedsuikerspiegel (zoals bij diabetes) of
een te lage (hypoglykemie), zoals:
·
insuline;
·
metformine, liraglutide, vildagliptine, nateglinide (antidiabetica).

Zwangerschap, borstvoeding en vruchtbaarheid
Neem contact op met uw arts of apotheker voordat u geneesmiddelen gebruikt.
-
U mag Signifor niet tijdens de zwangerschap gebruiken tenzij hier een duidelijke noodzaak toe
bestaat. Als u zwanger bent of denkt dat u zwanger kunt zijn, is het belangrijk dat u dit aan uw
arts zegt; deze zal met u bespreken of u Signifor tijdens uw zwangerschap kunt gebruiken.
-
U mag tijdens gebruik van Signifor geen borstvoeding geven. Het is onbekend of Signifor in de
moedermelk terechtkomt.
-
Als u een seksueel actieve vrouw bent, dient u tijdens de behandeling een betrouwbare
anticonceptiemethode te gebruiken. Raadpleeg uw arts over de noodzaak van anticonceptie
voordat u dit geneesmiddel gebruikt.

Rijvaardigheid en het gebruik van machines
Signifor kan een gering effect hebben op de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen,
omdat sommige bijwerkingen die u kunt ervaren tijdens het gebruik van Signifor, zoals duizeligheid,
hoofdpijn en vermoeidheid, uw rijvaardigheid en het vermogen om machines veilig te bedienen
kunnen verminderen.
Stoffen in dit middel waarmee u rekening moet houden
Signifor bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per dosis, d.w.z. in wezen `natriumvrij'.

3.
Hoe gebruikt u dit middel?

Gebruik dit geneesmiddel altijd precies zoals uw arts u dat heeft verteld. Twijfelt u over het juiste
gebruik? Neem dan contact op met uw arts of apotheker. Dit geneesmiddel wordt geleverd in een
ampul, dat wil zeggen een klein glazen flesje.
Hoeveel Signifor moet u gebruiken?
De gebruikelijke dosering is één ampul Signifor 0,6 mg tweemaal daags. Gebruik Signifor iedere dag
op hetzelfde tijdstip, dit zal u helpen herinneren wanneer u uw geneesmiddel dient te gebruiken. Na
het starten van de behandeling, kan uw arts ook besluiten om uw dosering te verhogen tot één ampul
Signifor 0,9 mg tweemaal daags.
Als er bijwerkingen optreden kan uw arts de dosering tijdelijk verlagen met 0,3 mg per injectie.
Als u een leverziekte heeft voordat u begint met de behandeling met Signifor, kan het zijn dat uw arts
de behandeling start met een dosering van een ampul Signifor 0,3 mg tweemaal daags.
Er zijn verschillende sterktes Signifor ampullen (0,3 mg, 0,6 mg en 0,9 mg) beschikbaar om overeen te
komen met de specifieke dosering zoals voorgeschreven door uw arts.
Uw arts zal regelmatig controleren hoe u op de behandeling met Signifor reageert en vaststellen welke
dosis het beste voor u is.
Hoe moet u Signifor gebruiken?
Uw arts of verpleegkundige zal u leren hoe u zichzelf met Signifor kunt injecteren. U moet ook de
instructies aan het einde van deze bijsluiter lezen. Als u nog vragen heeft, overleg dan met uw arts,
verpleegkundige of apotheker.
Mogelijke bijwerkingen
Zoals elk geneesmiddel kan ook dit geneesmiddel bijwerkingen hebben, al krijgt niet iedereen
daarmee te maken.
Sommige bijwerkingen kunnen ernstig zijn. Vertel het uw arts onmiddellijk als u te maken
krijgt met een van de volgende bijwerkingen:

Zeer vaak
(kunnen voorkomen bij meer dan 1 op de 10 mensen)

-
Veranderde concentratie suiker in het bloed. U kunt last krijgen van extreme dorst, veel plassen,
meer eetlust met gewichtsverlies, moeheid, misselijkheid, braken, buikpijn.
-
Galstenen of bijbehorende complicaties. U kunt plotselinge koorts, rillingen, geelkleuring van
de huid/ogen, rugpijn of pijn aan de rechterkant van uw buik krijgen.
-
Extreme moeheid.
Vaak (kunnen voorkomen bij 1 op de 10 mensen)
-
Lage concentraties cortisol. U kunt last krijgen van extreme zwakte, moeheid, gewichtsverlies,
misselijkheid, braken en lage bloeddruk.
-
Langzame hartslag.
-
Lage bloeddruk. U kunt last krijgen van duizeligheid, een licht gevoel in het hoofd en
duizeligheid of flauwvallen bij het opstaan.
-
Problemen met de afvoer van gal (cholestase). U kunt last krijgen van geel worden van de huid,
donkere urine, licht gekleurde ontlasting en jeuk.
-
Ontsteking van de galblaas (cholecystitis).

Andere bijwerkingen van Signifor kunnen zijn:

Zeer vaak (kunnen voorkomen bij meer dan 1 op de 10 mensen)
-
Diarree
Misselijkheid
-
Maagpijn
-
Pijn op de injectieplaats
Vaak (kunnen voorkomen bij 1 op de 10 mensen)

-
Verlengd QT-interval (een afwijkend elektrisch signaal in het hart dat kan worden gezien in
tests)
-
Verlies van eetlust
-
Braken
-
Hoofdpijn
-
Duizeligheid
-
Haaruitval
-
Jeuk (pruritus)
-
Spierpijn (myalgie)
-
Gewrichtspijn (artralgie)
-
Afwijkende uitslagen van leverfunctietests
-
Afwijkende uitslagen van pancreasfunctietests
-
Afwijkingen van de bloedstollingeigenschappen
Soms (kunnen voorkomen bij 1 op de 100 mensen)

-
Te weinig rode bloedcellen (anemie)
Niet bekend (de frequentie kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald)
-
Verhoogd gehalte ketonlichamen (een groep bestanddelen die in de lever worden aangemaakt)
in uw urine of uw bloed (diabetische ketoacidose) als complicatie van te veel suiker in uw
bloed. U kunt last krijgen van een fruitachtig geurende adem, ademhalingsmoeilijkheden en
verwarring.

Het melden van bijwerkingen
Krijgt u last van bijwerkingen, neem dan contact op met uw arts, verpleegkundige of apotheker. Dit
geldt ook voor mogelijke bijwerkingen die niet in deze bijsluiter staan. U kunt bijwerkingen ook
rechtstreeks melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in aanhangsel V. Door bijwerkingen
te melden, kunt u ons helpen meer informatie te verkrijgen over de veiligheid van dit geneesmiddel.

5.
Hoe bewaart u dit middel?
-
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
-
Gebruik dit geneesmiddel niet meer na de uiterste houdbaarheidsdatum. Die is te vinden op het
etiket van de ampul en de doos na 'EXP'. Daar staat een maand en een jaar. De laatste dag van
die maand is de uiterste houdbaarheidsdatum.
-
Bewaren in de oorspronkelijke verpakking ter bescherming tegen licht.
-
Spoel geneesmiddelen niet door de gootsteen of de WC en gooi ze niet in de vuilnisbak. Vraag
uw apotheker wat u met geneesmiddelen moet doen die u niet meer gebruikt. Ze worden dan op
een verantwoorde manier vernietigd en komen niet in het milieu terecht.
6.
Inhoud van de verpakking en overige informatie

Welke stoffen zitten er in dit middel?
-
De werkzame stof in dit middel is pasireotide.
Signifor 0,3 mg: Eén ampul met een oplossing van 1 ml bevat 0,3 mg pasireotide (als
pasireotide diaspartaat).
Signifor 0,6 mg: Eén ampul met een oplossing van 1 ml bevat 0,6 mg pasireotide (als
pasireotide diaspartaat).
Signifor 0,9 mg: Eén ampul met een oplossing van 1 ml bevat 0,9 mg pasireotide (als
pasireotide diaspartaat).
De andere stoffen in dit middel zijn mannitol, wijnsteenzuur, natriumhydroxide en water voor
injecties.

Hoe ziet Signifor eruit en hoeveel zit er in een verpakking?
Signifor oplossing voor injectie is een heldere, kleurloze oplossing in een ampul. Elke ampul bevat
1 ml oplossing voor injectie.
Signifor is beschikbaar in verpakkingen met 6 ampullen of in meervoudige verpakking met
18 (3 verpakkingen met 6), 30 (5 verpakkingen met 6) or 60 (10 verpakkingen met 6) ampullen.
Niet alle sterktes of verpakkingsgrootten worden mogelijk in uw land op de markt gebracht.
Houder van de vergunning voor het in de handel brengen
Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France
Fabrikant

Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France
Recordati Rare Diseases
Eco River Parc
30 rue des Peupliers
92000 Nanterre
France
Neem voor alle informatie met betrekking tot dit geneesmiddel contact op met de lokale
vertegenwoordiger van de houder van de vergunning voor het in de handel brengen:
België/Belgique/Belgien
Lietuva
Recordati
Recordati AB.
Tél/Tel: +32 2 46101 36
Tel: + 46 8 545 80 230

Svedija


Luxembourg/Luxemburg
Recordati Rare Diseases
Recordati
Te.: +33 (0)1 47 73 64 58
Tél/Tel: +32 2 46101 36
Belgique/Belgien

Ceská republika
Magyarország
Recordati Rare Diseases
Recordati Rare Diseases
Tel: +33 (0)1 47 73 64 58
Tel: +33 (0)1 47 73 64 58
Francie
Franciaország


Danmark

Malta
Recordati AB.
Recordati Rare Diseases
Tlf: + 46 8 545 80 230
Tel: +33 1 47 73 64 58
Sverige
Franza

Nederland
Recordati Rare Diseases Germany GmbH
Recordati
Tel: +49 731 140 554 0
Tel: +32 2 46101 36
België
Eesti
Norge
Recordati AB.
Recordati AB.
Tel: + 46 8 545 80 230
Tlf: + 46 8 545 80 230
Rootsi
Sverige


Österreich
Recordati Hellas
Recordati Rare Diseases Germany GmbH
: +30 210 6773822
Tel: +49 731 140 554 0
Deutschland
España
Polska
Recordati Rare Diseases Spain S.L.U.
Recordati Rare Diseases
Tel: + 34 91 659 28 90
Tel: +33 (0)1 47 73 64 58
Francja
France
Portugal
Recordati Rare Diseases
Jaba Recordati S.A.
Tél: +33 (0)1 47 73 64 58
Tel: +351 21 432 95 00

Hrvatska
România
Recordati Rare Diseases
Recordati Rare Diseases
Tél: +33 (0)1 47 73 64 58
Tel: +33 (0)1 47 73 64 58
Francuska
Frana

Ireland

Slovenija
Recordati Rare Diseases
Recordati Rare Diseases
Tél: +33 (0)1 47 73 64 58
Tel: +33 (0)1 47 73 64 58
France
Francija


Ísland

Slovenská republika
Recordati AB.
Recordati Rare Diseases
Simi: + 46 8 545 80 230
Tel: +33 (0)1 47 73 64 58
Svíþjóð
Francúzsko

Italia
Suomi/Finland
Recordati Rare Diseases Italy Srl
Recordati AB.
Tel: +39 02 487 87 173
Puh/Tel : +46 8 545 80 230

Sverige


Sverige
Recordati Rare Diseases
Recordati AB.
: +33 1 47 73 64 58
Tel : +46 8 545 80 230


Latvija

United Kingdom (Northern Ireland)
Recordati AB.
Recordati Rare Diseases UK Ltd.
Tel: + 46 8 545 80 230
Tel: +44 (0)1491 414333
Zviedrija

Deze bijsluiter is voor het laatst goedgekeurd in
Eén Signifor ampul
2.
Alcoholdoekjes of iets vergelijkbaars
3.
Eén steriele injectiespuit
4.
Eén lange dikke stompe steriele naald voor het opzuigen van de oplossing (uw arts of
verpleegkundige zal u vertellen of dit nodig is)
5.
Eén korte dunne steriele injectienaald
6.
Een naaldencontainer of andere stevige gesloten afvalcontainer

De injectieplaats
De injectieplaats is de plek op uw lichaam waar u zichzelf de injectie gaat geven. Signifor is bedoeld
voor subcutaan gebruik. Dat betekent dat het door een korte naald in het vetweefsel direct onder de
huid wordt geïnjecteerd. De dijen en de buik zijn goede plaatsen voor subcutane injectie. Voorkom
pijnlijke en geïrriteerde huidplekken door elke keer op een andere plaats te injecteren. U moet niet
injecteren op plaatsen die pijn doen of waar de huid geïrriteerd is.
Hoe te beginnen?
Wanneer u klaar bent om uzelf te injecteren, volg dan de onderstaande stappen zorgvuldig op:
-
Was uw handen grondig met zeep en water.
-
Gebruik iedere keer dat u uzelf een injectie geeft nieuwe wegwerpnaalden en wegwerpspuiten.
Gebruik spuiten en naalden maar eenmalig. Deel
nooit naalden en spuiten.
-
Pak de ampul uit de doos.
-
Onderzoek de ampul. NIET GEBRUIKEN als de ampul gebroken is of als de vloeistof er
troebel uitziet of vaste deeltjes bevat. Breng in al deze gevallen de gehele verpakking terug naar
de apotheek.
Om ongemak op de injectieplaats te verminderen, wordt aangeraden om de oplossing op
kamertemperatuur te laten komen voor toediening.
Ampullen dienen direct voor toediening te worden geopend. Wanneer na gebruik een gedeelte is
achtergebleven in de ampullen dient dit weggegooid te worden.
Controleer de houdbaarheidsdatum en de dosis
Controleer de houdbaarheidsdatum die vermeldt staat op het etiket van de ampul (na 'EXP') en
controleer of de ampul de dosis bevat die uw arts u heeft voorgeschreven.

Stap 1:
Signifor oplossing voor injectie zit in een afbreekbare
ampul. De gekleurde stip op het bovenste deel geeft de
plaats van de breuklijn aan op de hals van de ampul.
Tik met uw vinger op de ampul om ervoor te zorgen
dat er geen vloeistof meer in het bovenste deel zit
wanneer u de ampul opent.


Stap 2:
Aanbevolen werkwijze: houd de ampul rechtop met de
gekleurde stip van u af. Houd de onderkant van de
ampul in één hand. Houd uw duimen bij elkaar boven
en onder de hals. Breek de bovenkant van de ampul af
bij de breuklijn. Als de ampul eenmaal geopend is,
plaats deze dan rechtop op een schone, vlakke
ondergrond.


Stap 3:
Pak de steriele spuit en bevestig de naald erop. Als u
gezegd werd twee naalden te gebruiken moet u de
lange dikke stompe naald gebruiken voor deze stap.
Voordat u verder gaat met stap 4 maakt u de
injectieplaats met een alcoholdoekje schoon.



Stap 5:
Houd de spuit in één hand tussen uw vingers met uw
duim onder de zuiger. Tik met uw vingers tegen de
spuit om de luchtbellen te verwijderen. Zorg ervoor
dat er geen luchtbel in de spuit zit door de zuiger in te
drukken totdat de eerste druppel op de punt van de
naald verschijnt.
Zorg ervoor dat de naald niets aanraakt. U bent nu
klaar om te injecteren.


Stap 6:
Knijp de huid op de injectieplaats voorzichtig tussen
twee vingers vast en, terwijl u de naald vasthoudt in
een hoek van ongeveer 45 graden (zoals te zien op de
afbeelding), steek de naald in de injectieplaats.
Trek voorzichtig aan de zuiger om te controleren of u
geen bloedvat heeft aangeprikt. Als u bloed in de spuit
ziet, verwijder eerst de naald uit de huid, vervang dan
de korte naald met een nieuwe en steek deze in een
andere injectieplaats.

Stap 7:
Houd altijd de huid vast, duw langzaam de zuiger
zover mogelijk in tot alle oplossing geïnjecteerd is.
Houd de zuiger ingedrukt en houd de injectiespuit
5 seconden op zijn plaats.



Stap 9:
Stop de gebruikte spuit en naald direct in een
naaldencontainer of een andere stevige gesloten
afvalcontainer. Alle ongebruikte producten of
afvalmaterialen moeten worden vernietigd volgens de
lokale voorschriften.


Signifor 10 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Signifor 20 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Signifor 30 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Signifor 40 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie
Signifor 60 mg poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie

pasireotide
Lees goed de hele bijsluiter voordat u dit geneesmiddel gaat gebruiken want er staat belangrijke
informatie in voor u.
-
Bewaar deze bijsluiter. Misschien heeft u hem later weer nodig.
-
Heeft u nog vragen? Neem dan contact op met uw arts, verpleegkundige of apotheker.
-
Geef dit geneesmiddel niet door aan anderen, want het is alleen aan u voorgeschreven. Het kan
schadelijk zijn voor anderen, ook al hebben zij dezelfde klachten als u.
-
Krijgt u last van een van de bijwerkingen die in rubriek 4 staan? Of krijgt u een bijwerking die
niet in deze bijsluiter staat? Neem dan contact op met uw arts, verpleegkundige of apotheker.

Inhoud van deze bijsluiter
1.
Wat is Signifor en waarvoor wordt dit middel gebruikt?
2.
Wanneer mag u dit middel niet gebruiken of moet u er extra voorzichtig mee zijn?
3.
Hoe gebruikt u dit middel?
4.
Mogelijke bijwerkingen
5.
Hoe bewaart u dit middel?
6.
Inhoud van de verpakking en overige informatie
1.
Wat is Signifor en waarvoor wordt dit middel gebruikt?
Signifor is een geneesmiddel dat de werkzame stof pasireotide bevat. Het wordt gebruikt om
acromegalie bij volwassenen te behandelen. Het wordt ook gebruikt voor de behandeling van de ziekte
van Cushing bij volwassen patiënten voor wie een operatie niet mogelijk is of bij wie een operatie niet
is geslaagd.
Acromegalie
Acromegalie wordt veroorzaakt door een type tumor hypofyseadenoom genaamd, die zich ontwikkelt
in de hypofyse (een klier aan de onderkant van de hersenen). Door het adenoom produceert het
lichaam te veel hormonen die de groei regelen van weefsels, organen en botten, wat resulteert in een
toename van de omvang van botten en weefsels, vooral in de handen en voeten.
Signifor vermindert de productie van deze hormonen en mogelijk ook de omvang van het adenoom.
Het resultaat is een vermindering van de verschijnselen van acromegalie, die onder andere hoofdpijn,
overmatig zweten, gevoelloosheid van de handen en voeten, vermoeidheid en gewrichtspijn omvatten.
Ziekte van Cushing
De ziekte van Cushing wordt veroorzaakt door een vergroting van de hypofyse (een klier aan de
onderkant van de hersenen) die een hypofyseadenoom wordt genoemd. Als gevolg daarvan maakt het
lichaam te veel aan van het hormoon adrenocorticotroop hormoon (ACTH). Dit leidt er op zijn beurt
weer toe dat er te veel wordt geproduceerd van een ander hormoon dat cortisol wordt genoemd.
Het menselijk lichaam maakt van nature somatostatine aan. Dit is een stof die de productie blokkeert
van bepaalde hormonen, waaronder ACTH. Pasireotide werkt op bijna dezelfde manier als
somatostatine. Signifor kan daarmee de productie van ACTH blokkeren, wat de controle van de
overproductie van cortisol ondersteunt en de verschijnselen van de ziekte van Cushing verbetert.
Wanneer mag u dit middel niet gebruiken of moet u er extra voorzichtig mee zijn?

Wanneer mag u dit middel niet gebruiken?
-
U bent allergisch voor een van de stoffen in dit geneesmiddel. Deze stoffen kunt u vinden in
rubriek 6.
-
U heeft ernstige leverproblemen.

Wanneer moet u extra voorzichtig zijn met dit middel?
Neem contact op met uw arts voordat u dit middel gebruikt als u het volgende heeft of ooit heeft
gehad:
-
problemen met uw bloedsuikerspiegel, hetzij te hoog (zoals bij hyperglykemie/diabetes) of te
laag (hypoglykemie);
-
hartproblemen zoals een pas geleden hartaanval, congestief hartfalen (een soort hartaandoening
waarbij het hart onvoldoende bloed door het lichaam pompt) of plotselinge en beklemmende
pijn op de borst (meestal gevoeld als druk, zwaarte, beklemming, knijpen of pijn op de borst);
-
een hartritmestoornis, zoals een onregelmatige hartslag of een abnormaal elektrisch signaal dat
'verlenging van het QT- interval', of 'QT-verlenging' wordt genoemd;
-
lage concentraties kalium of magnesium in uw bloed;
-
galstenen;
-
u neemt antistollingsmiddelen in (geneesmiddelen die worden gebruikt om het
stollingsvermogen van het bloed te verlagen); uw arts zal dan de stollingsparameters in uw
bloed controleren en mogelijk de dosering van uw antistollingsmiddel aanpassen.
Tijdens uw behandeling met Signifor
-
Signifor kan uw bloedsuiker verhogen. Het kan zijn dat uw arts uw bloedsuiker wil controleren
of een behandeling met een middel tegen diabetes wil beginnen of de dosis ervan wil aanpassen.
-
Signifor remt overproductie van cortisol. De remming kan te sterk zijn en u kunt klachten en
verschijnselen krijgen die verband houden met een tekort aan cortisol, zoals extreme zwakte,
moeheid, gewichtsverlies, misselijkheid, braken of lage bloeddruk. Als dat gebeurt, moet u dat
direct aan uw arts vertellen.
-
Signifor kan uw hartslag verlagen. Het kan zijn dat uw arts uw hartslag wil controleren met een
apparaat dat de elektrische activiteit van het hart meet (een 'ECG', of elektrocardiogram). Als u
een geneesmiddel gebruikt tegen een hartaandoening, kan uw arts de dosis daarvan moeten
aanpassen.
-
Het kan zijn dat uw arts uw galblaas, leverenzymen en hypofysehormonen op gezette tijden wil
controleren, omdat deze allemaal zouden kunnen worden beïnvloed door dit geneesmiddel.

Kinderen en jongeren tot 18 jaar
Geef dit geneesmiddel niet aan kinderen en jongeren onder de 18 jaar omdat er voor deze
leeftijdsgroep geen gegevens zijn.
Gebruikt u nog andere geneesmiddelen?
Signifor kan invloed hebben op de manier waarop sommige andere geneesmiddelen werken. Als u
gelijktijdig andere geneesmiddelen gebruikt (ook bij geneesmiddelen zonder recept), kan het nodig
zijn dat uw arts uw hart met meer zorg moet controleren of de dosering van Signifor of uw andere
geneesmiddel moet wijzigen. Gebruikt u naast Signifor nog andere geneesmiddelen, heeft u dat kort
geleden gedaan of bestaat de mogelijkheid dat u in de nabije toekomst andere geneesmiddelen gaat
gebruiken? Vertel dat dan uw arts of apotheker. Vertel vooral uw arts als u gebruik maakt van:
-
geneesmiddelen gebruikt bij orgaantransplantatie om de activiteit van het afweersysteem te
verminderen (ciclosporine);
-
geneesmiddelen om te hoge bloedsuikerspiegels (zoals bij diabetes) of te lage
bloedsuikerspiegels (hypoglykemie) te behandelen, zoals:
·
insuline
metformine, liraglutide, vildagliptine, nateglinide (antidiabetica);
-
geneesmiddelen voor de behandeling van onregelmatige hartslag, zoals geneesmiddelen met
disopyramide, procaïnamide, kinidine, sotalol, dofetilide, ibutilide, amiodaron of dronedaron;
-
geneesmiddelen voor de behandeling van een bacteriële infectie (via de mond: claritromycine,
moxifloxacine; via injectie: erytromycine, pentamidine);
-
geneesmiddelen voor de behandeling van een schimmelinfectie (ketoconazol, behalve in
shampoo);
-
geneesmiddelen voor de behandeling van bepaalde psychische aandoeningen (chloorpromazine,
thioridazine, flufenazine, pimozide, haloperidol, tiapride, amisulpride, sertindol, methadon);
-
geneesmiddelen voor de behandeling van hooikoorts en andere allergieën (terfenadine,
astemizol, mizolastine);
-
geneesmiddelen voor het voorkomen of behandelen van malaria (chloroquine, halofantrine,
lumefantrine);
-
geneesmiddelen voor de controle van de bloeddruk zoals:
·
bètablokkers (metoprolol, carteolol, propranolol, sotalol);
·
calciumkanaalblokkers (bepridil, verapamil, diltiazem);
·
cholinesteraseremmers (rivastigmine, fysostigmine);
-
geneesmiddelen voor de controle van de elektrolytenbalans (kalium, magnesium) in uw
lichaam.

Zwangerschap, borstvoeding en vruchtbaarheid
Neem contact op met uw arts of apotheker voordat u geneesmiddelen gebruikt.
-
U mag Signifor niet tijdens de zwangerschap gebruiken tenzij hier een duidelijke noodzaak toe
bestaat. Bent u zwanger, denkt u zwanger te zijn of wilt u zwanger worden? Neem dan contact
op met uw arts voordat u dit geneesmiddel gebruikt.
-
Geeft u borstvoeding, neem dan contact op met uw arts voordat u dit geneesmiddel gebruikt,
omdat het onbekend is of Signifor in de moedermelk terechtkomt.
-
Als u een seksueel actieve vrouw bent, dient u tijdens de behandeling een betrouwbare
anticonceptiemethode te gebruiken. Raadpleeg uw arts over de noodzaak van anticonceptie
voordat u dit geneesmiddel gebruikt.

Rijvaardigheid en het gebruik van machines
Signifor kan een gering effect hebben op de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen,
omdat sommige bijwerkingen die u kunt ervaren tijdens het gebruik van Signifor, zoals hoofdpijn,
duizeligheid en vermoeidheid, uw rijvaardigheid en het vermogen om machines veilig te bedienen
kunnen verminderen.
Stoffen in dit middel waarmee u rekening moet houden
Signifor bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per dosis, d.w.z. in wezen 'natriumvrij'.

3.
Hoe gebruikt u dit middel?

Dit geneesmiddel wordt u toegediend door een getrainde beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg.
Hoeveel Signifor moet u gebruiken?

Acromegalie
De gebruikelijke startdosering Signifor bij acromegalie is 40 mg iedere 4 weken. Nadat u met de
behandeling bent begonnen, kan uw arts uw dosis opnieuw evalueren. Dit kan betekenen dat de
bloedspiegels van groeihormoon of andere hormonen in uw bloed moeten worden gemeten.
Afhankelijk van de resultaten en hoe u zich voelt, kan het nodig zijn dat de dosis van Signifor die bij
elke injectie wordt gegeven, moet worden verlaagd of verhoogd. De dosis mag niet hoger zijn dan
60 mg. Als u een leverziekte heeft voordat u start met de behandeling van acromegalie met Signifor,
kan het zijn dat uw arts de behandeling start met een dosis van 20 mg.
Mogelijke bijwerkingen
Zoals elk geneesmiddel kan ook dit geneesmiddel bijwerkingen hebben, al krijgt niet iedereen
daarmee te maken.
Sommige bijwerkingen kunnen ernstig zijn. Vertel het uw arts onmiddellijk als u te maken
krijgt met een van de volgende bijwerkingen:

Zeer vaak (kunnen voorkomen bij meer dan 1 op de 10 mensen)
-
Hoge concentratie suiker in het bloed. U kunt last krijgen van extreme dorst, veel plassen, meer
eetlust met gewichtsverlies, moeheid, misselijkheid, braken, buikpijn.
-
Galstenen of bijbehorende complicaties. U kunt plotselinge koorts, rillingen, geelkleuring van
de huid/ogen, rugpijn of pijn aan de rechterkant van uw buik krijgen.
Vaak (kunnen voorkomen bij 1 op de 10 mensen)
-
Lage concentraties cortisol. U kunt last krijgen van extreme zwakte, moeheid, gewichtsverlies,
misselijkheid, braken en lage bloeddruk.
-
Langzame hartslag.
-
Verlengd QT-interval (een afwijkend elektrisch signaal in het hart dat kan worden gezien in
tests)
-
Problemen met de afvoer van gal (cholestase). U kunt last krijgen van geel worden van de huid,
donkere urine, licht gekleurde ontlasting en jeuk.
-
Ontsteking van de galblaas (cholecystitis).
Diarree
-
Misselijkheid
-
Buikpijn
-
Vermoeidheid
Vaak (kunnen voorkomen bij 1 op de 10 mensen)

-
Vermoeidheid, bleke huid (verschijnselen van een te kleine hoeveelheid rode bloedcellen)
-
Verlies van eetlust
-
Hoofdpijn
-
Opgeblazen gevoel
-
Braken
-
Duizeligheid
-
Pijn, ongemak, jeuk en zwelling op de injectieplaats
-
Verandering in de testresultaten van de leverfunctie
-
Abnormale resultaten van bloedtests (grote hoeveelheden creatinekinase, geglycoliseerd
hemoglobine, lipase in het bloed)
-
Haaruitval
Soms (kunnen voorkomen bij 1 op de 100 mensen)

-
Verandering in bloedtestresultaten van de alvleesklier (amylase)
-
Afwijkingen van de bloedstollingseigenschappen
Niet bekend (de frequentie kan met de beschikbare gegevens niet worden bepaald)
-
Verhoogd gehalte van ketonlichamen (een groep bestanddelen die in de lever worden
aangemaakt) in uw urine of uw bloed (diabetische ketoacidose) als complicatie van te veel
suiker in uw bloed. U kunt last krijgen van een fruitachtig geurende adem,
ademhalingsmoeilijkheden en verwarring.

Het melden van bijwerkingen
Krijgt u last van bijwerkingen, neem dan contact op met uw arts, verpleegkundige of apotheker. Dit
geldt ook voor mogelijke bijwerkingen die niet in deze bijsluiter staan. U kunt bijwerkingen ook
rechtstreeks melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in aanhangsel V. Door bijwerkingen
te melden, kunt u ons helpen meer informatie te verkrijgen over de veiligheid van dit geneesmiddel.

5.
Hoe bewaart u dit middel?
-
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
-
Gebruik dit geneesmiddel niet meer na de uiterste houdbaarheidsdatum. Die is te vinden op de
doos, de injectieflacon en de voorgevulde spuit na 'EXP'. Daar staat een maand en een jaar. De
laatste dag van die maand is de uiterste houdbaarheidsdatum.
-
Bewaren in de koelkast (2°C ­ 8°C). Niet in de vriezer bewaren.
-
Spoel geneesmiddelen niet door de gootsteen of de WC en gooi ze niet in de vuilnisbak. Vraag
uw apotheker wat u met geneesmiddelen moet doen die u niet meer gebruikt. Ze worden dan op
een verantwoorde manier vernietigd en komen niet in het milieu terecht.
Inhoud van de verpakking en overige informatie

Welke stoffen zitten er in dit middel?
-
De werkzame stof in dit middel is pasireotide.
Signifor 10 mg: elke injectieflacon bevat 10 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).
Signifor 20 mg: elke injectieflacon bevat 20 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).
Signifor 30 mg: elke injectieflacon bevat 30 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).
Signifor 40 mg: elke injectieflacon bevat 40 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).
Signifor 60 mg: elke injectieflacon bevat 60 mg pasireotide (als pasireotidepamoaat).
-
De andere stoffen in dit middel zijn:
-
In het poeder: poly(D,L-lactide-co-glycolide) (50-60:40-50), poly(D,L-lactide-co-
glycolide) (50:50).
-
In het oplosmiddel: carmellosenatrium, mannitol, poloxameer 188, water voor injectie.

Hoe ziet Signifor eruit en hoeveel zit er in een verpakking?
Signifor-poeder is een licht gelig tot gelig poeder in een injectieflacon. Het oplosmiddel is een heldere,
kleurloze tot licht gele of licht bruine oplossing in een voorgevulde spuit.
Signifor 10 mg is verkrijgbaar als eenheidsverpakkingen met een injectieflacon met poeder met 10 mg
pasireotide en een voorgevulde spuit met 2 ml oplosmiddel.
Signifor 20 mg is verkrijgbaar als eenheidsverpakkingen met een injectieflacon met poeder met 20 mg
pasireotide en een voorgevulde spuit met 2 ml oplosmiddel.
Signifor 30 mg is verkrijgbaar als eenheidsverpakkingen met een injectieflacon met poeder met 30 mg
pasireotide en een voorgevulde spuit met 2 ml oplosmiddel.
Signifor 40 mg is verkrijgbaar als eenheidsverpakkingen met een injectieflacon met poeder met 40 mg
pasireotide en een voorgevulde spuit met 2 ml oplosmiddel.
Signifor 60 mg is verkrijgbaar als eenheidsverpakkingen met een injectieflacon met poeder met 60 mg
pasireotide en een voorgevulde spuit met 2 ml oplosmiddel.
Elke eenheidsverpakking bevat een injectieflacon en een voorgevulde spuit in een verzegeld
blisterbakje met een injectieflaconadapter en een veiligheidsinjectienaald.
Signifor 40 mg en Signifor 60 mg zijn ook verkrijgbaar in meervoudige verpakkingen met
3 tussendozen.
Niet alle sterktes of verpakkingsgrootten worden mogelijk in uw land op de markt gebracht.
Houder van de vergunning voor het in de handel brengen
Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France
Fabrikant

Recordati Rare Diseases
Immeuble Le Wilson
70 avenue du Général de Gaulle
92800 Puteaux
France
België/Belgique/Belgien
Lietuva
Recordati
Recordati AB.
Tél/Tel: +32 2 46101 36
Tel: + 46 8 545 80 230

Svedija


Luxembourg/Luxemburg
Recordati Rare Diseases
Recordati
Te.: +33 (0)1 47 73 64 58
Tél/Tel: +32 2 46101 36
Belgique/Belgien

Ceská republika
Magyarország
Recordati Rare Diseases
Recordati Rare Diseases
Tel: +33 (0)1 47 73 64 58
Tel: +33 (0)1 47 73 64 58
Francie
Franciaország


Danmark

Malta
Recordati AB.
Recordati Rare Diseases
Tlf: + 46 8 545 80 230
Tel: +33 1 47 73 64 58
Sverige
Franza

Deutschland
Nederland
Recordati Rare Diseases Germany GmbH
Recordati
Tel: +49 731 140 554 0
Tel: +32 2 46101 36
België
Eesti
Norge
Recordati AB.
Recordati AB.
Tel: + 46 8 545 80 230
Tlf: + 46 8 545 80 230
Rootsi
Sverige


Österreich
Recordati Hellas
Recordati Rare Diseases Germany GmbH
: +30 210 6773822
Tel: +49 731 140 554 0
Deutschland
España
Polska
Recordati Rare Diseases Spain S.L.U.
Recordati Rare Diseases
Tel: + 34 91 659 28 90
Tel: +33 (0)1 47 73 64 58
Francja
France
Portugal
Recordati Rare Diseases
Jaba Recordati S.A.
Tél: +33 (0)1 47 73 64 58
Tel: +351 21 432 95 00

România
Recordati Rare Diseases
Recordati Rare Diseases
Tél: +33 (0)1 47 73 64 58
Tel: +33 (0)1 47 73 64 58
Francuska
Frana

Ireland

Slovenija
Recordati Rare Diseases
Recordati Rare Diseases
Tél: +33 (0)1 47 73 64 58
Tel: +33 (0)1 47 73 64 58
France
Francija


Ísland

Slovenská republika
Recordati AB.
Recordati Rare Diseases
Simi: + 46 8 545 80 230
Tel: +33 (0)1 47 73 64 58
Svíþjóð
Francúzsko

Italia
Suomi/Finland
Recordati Rare Diseases Italy Srl
Recordati AB.
Tel: +39 02 487 87 173
Puh/Tel : +46 8 545 80 230

Sverige


Sverige
Recordati Rare Diseases
Recordati AB.
: +33 1 47 73 64 58
Tel : +46 8 545 80 230


Latvija

United Kingdom (Northern Ireland)
Recordati AB.
Recordati Rare Diseases UK Ltd.
Tel: + 46 8 545 80 230
Tel: +44 (0)1491 414333
Zviedrija

Deze bijsluiter is voor het laatst goedgekeurd in

Andere informatiebronnen
Meer informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees
Geneesmiddelenbureau: http://www.ema.europa.eu. Hier vindt u ook verwijzingen naar andere
websites over zeldzame ziektes en hun behandelingen.
De volgende informatie is alleen bestemd voor beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg:

INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK VAN SIGNIFOR-POEDER EN OPLOSMIDDEL VOOR
SUSPENSIE VOOR INJECTIE

ALLEEN VOOR DIEPE INTRAMUSCULAIRE INJECTIE.
LET OP:
Er zijn twee essentiële stappen in de reconstitutie van Signifor.
Het niet opvolgen kan leiden tot
incorrecte toediening van de injectie.

·
De injectie kit moet op kamertemperatuur komen. Verwijder de injectiekit uit de koelkast
en laat de kit gedurende ten minste 30 minuten bij kamertemperatuur staan vóór reconstitutie,
maar niet meer dan 24 uur.
·
Schud de injectieflacon, na toevoeging van het oplosmiddel,
matig gedurende minimaal
30 seconden
totdat een uniforme suspensie ontstaat.

De injectiekit bevat:

a.
Een injectieflacon met het poeder
b.
Een voorgevulde spuit met het oplosmiddel
c.
Een injectieflaconadapter voor reconstitutie van het geneesmiddel
d.
Een veiligheidsinjectienaald (20G x 1.5")
Volg de onderstaande instructies zorgvuldig op om te zorgen voor een goede reconstitutie van
Signifor-poeder en oplosmiddel voor suspensie voor injectie voordat u Signifor toedient via diepe
intramusculaire injectie.
Signifor-suspensie mag alleen vlak voor gebruik worden bereid.
Signifor mag alleen worden toegediend door een getrainde beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg.
Stap 1
Verwijder de Signifor-injectiekit uit de gekoelde
opslag.
LET OP: Het is essentieel om het
proces van reconstitutie pas te starten nadat de
injectiekit op kamertemperatuur is. Laat de

30
kit gedurende ten minste 30 minuten bij
kamertemperatuur staan vóór reconstitutie,
maar niet meer dan 24 uur.

min
Opmerking
: Indien de injectiekit niet binnen
24 uur wordt gebruikt, kan deze worden
teruggezet in de koelkast.

Stap 2
Verwijder de plastic dop van de injectieflacon en
reinig de rubberen stop van de injectieflacon met
een alcoholdoekje.
Verwijder de filmlaag van de verpakking van de
injectieflaconadapter, maar verwijder de
injectieflaconadapter NIET uit de verpakking.
Houd de verpakking van de injectieflaconadapter
vast en plaats de injectieflaconadapter bovenop de
injectieflacon en duw hem helemaal naar
beneden, zodat deze op zijn plaats klikt, bevestigd
door een "klik".

Verwijder de verpakking van de
injectieflaconadapter door deze recht omhoog te
tillen, zoals hiernaast te zien is.

Duw de zuiger langzaam helemaal naar beneden
om al het oplosmiddel over te brengen in de
injectieflacon.

Stap 4
LET OP:
Houd de zuiger ingedrukt en schud het
flesje
matig gedurende minimaal 30 seconden,
zodat het poeder geheel is gesuspendeerd.
Herhaal het matig schudden gedurende
nogmaals 30 seconden als het poeder niet
volledig is gesuspendeerd.


Stap 5
Draai de spuit en de injectieflacon ondersteboven,
trek de zuiger
langzaam terug en trek de gehele
inhoud van de injectieflacon op in de spuit.
Schroef de spuit van de injectieflaconadapter.

Stap 6
Schroef de veiligheidsinjectienaald op de spuit.
Trek de beschermkap recht van de naald. Om
sedimentatie te voorkomen, kunt u de spuit
schudden om zo een uniforme suspensie te
behouden. Tik voorzichtig tegen de spuit om
eventuele zichtbare luchtbellen te verwijderen en
druk ze uit de spuit. De gereconstitueerde
Signifor is nu klaar voor
onmiddellijke
toediening.

Stap 7
Signifor mag alleen worden gegeven via diepe
intramusculaire injectie. Bereid de injectieplaats
voor met een alcoholdoekje. Breng de naald
volledig in de linker- of rechtergluteus in een
hoek van 90° met de huid. Trek voorzichtig de
zuiger op om te controleren of er geen bloedvat is
hoek
aangeprikt (herpositioneer als een bloedvat is
aangeprikt). Duw langzaam op de zuiger totdat de
spuit leeg is. Trek de naald uit de injectieplaats en
activeer de beschermkap (zoals te zien in Stap 8).
Stap 8
Injectieplaatsen
Activeer de beschermkap over de naald, volgens
een van de twee getoonde methoden:
-
druk het scharnierende deel van de
beschermkap naar beneden op een harde
ondergrond (figuur A)
-
druk het scharnier naar voren met uw
vinger (figuur B)
Een hoorbare "klik" bevestigt een juiste wijze van
activering.
Gooi de spuit direct in een naaldencontainer.

Heb je dit medicijn gebruikt? Signifor 10 mg te vormen.

Je ervaring helpt anderen een beeld over het gebruik van Signifor 10 mg te vormen.

Deel als eerste jouw ervaring over Signifor 10 mg

Opgepast

  • Gebruik geen geneesmiddelen zonder het advies van je geneesheer
  • Vertrouw enkel de bijsluiter die meegeleverd werd met je geneesmiddel
  • Gebruik geen geneesmiddelen waarvan de houdbaarheidsdatum verstreken is
  • Bijsluiters zijn aangeleverd door het FAGG
  • FAGG