Prevenar 13

BIJLAGE I
SAMENVATTING VAN DE PRODUCTKENMERKEN
1
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Prevenar 13 suspensie voor injectie
pneumokokkenpolysaccharidenconjugaatvaccin (13-valent, geadsorbeerd)
2.
KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
1 dosis (0,5 ml) bevat:
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 1
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 3
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 4
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 5
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 6A
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 6B
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 7F
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 9V
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 14
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 18C
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 19A
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 19F
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 23F
1
1
2,2 µg
2,2 µg
2,2 µg
2,2 µg
2,2 µg
4,4 µg
2,2 µg
2,2 µg
2,2 µg
2,2 µg
2,2 µg
2,2 µg
2,2 µg
Geconjugeerd aan het dragereiwit CRM
197
, geadsorbeerd aan aluminiumfosfaat.
1 dosis (0,5 ml) bevat ongeveer 32 µg dragereiwit CRM
197
en 0,125 mg aluminium.
Hulpstoffen met bekend effect:
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3.
FARMACEUTISCHE VORM
Suspensie voor injectie.
Het vaccin is een homogene witte suspensie.
4.
4.1
KLINISCHE GEGEVENS
Therapeutische indicaties
Actieve immunisatie voor de preventie van invasieve ziekten, pneumonie en acute otitis media
veroorzaakt door
Streptococcus pneumoniae
bij zuigelingen, kinderen en adolescenten in de leeftijd
van 6 weken tot en met 17 jaar.
Actieve immunisatie voor de preventie van invasieve ziekten en pneumonie veroorzaakt door
Streptococcus pneumoniae
bij volwassenen ≥ 18 jaar en ouderen.
Zie de rubrieken 4.4 en 5.1 voor informatie over bescherming tegen specifieke
pneumokokkenserotypen.
Het gebruik van Prevenar 13 dient te worden bepaald op basis van officiële aanbevelingen waarbij
rekening wordt gehouden met zowel het risico op invasieve ziekten en pneumonie in verschillende
leeftijdsgroepen en onderliggende comorbiditeiten als met de variabiliteit van de epidemiologie van
serotypen in verschillende geografische gebieden.
2
4.2
Dosering en wijze van toediening
De immunisatieschema’s voor Prevenar 13 dienen gebaseerd te zijn op officiële aanbevelingen.
Dosering
Zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar
Het wordt aanbevolen dat zuigelingen die een eerste dosis Prevenar 13 krijgen het vaccinatieschema
met Prevenar 13 afmaken.
Zuigelingen van 6 weken - 6 maanden
Drie-doses primaire serie
De aanbevolen immunisatieserie bestaat uit vier doses, elk van 0,5 ml. De primaire zuigelingenserie
bestaat uit drie doses, de eerste dosis gewoonlijk gegeven op de leeftijd van 2 maanden en met een
interval van ten minste 1 maand tussen de doses. De eerste dosis mag ook al bij zes weken worden
gegeven. De vierde (booster) dosis wordt aanbevolen bij een leeftijd tussen 11 en 15 maanden.
Twee-doses primaire serie
Als Prevenar 13 wordt toegediend als onderdeel van een routinematig immunisatieprogramma voor
zuigelingen, kan ook een schema dat bestaat uit 3 doses, elk van 0,5 ml, worden gegeven. De eerste
dosis kan worden toegediend vanaf een leeftijd van 2 maanden met een tweede dosis 2 maanden later.
De derde (booster) dosis wordt aanbevolen bij een leeftijd tussen 11 en 15 maanden (zie rubriek 5.1).
Te vroeg geboren zuigelingen (zwangerschap < 37 weken)
Bij te vroeg geboren zuigelingen bestaat de aanbevolen immunisatieserie uit vier doses, elk van 0,5
ml. De primaire serie voor zuigelingen bestaat uit drie doses, waarbij de eerste dosis wordt gegeven op
de leeftijd van 2 maanden en met een interval van ten minste 1 maand tussen de doses. De eerste dosis
mag al bij zes weken worden gegeven. De vierde (booster) dosis wordt aanbevolen bij een leeftijd
tussen 11 en 15 maanden (zie rubrieken 4.4 en 5.1).
Ongevaccineerde zuigelingen en kinderen ≥ 7 maanden
Zuigelingen van 7 - 11 maanden
Twee doses, elk van 0,5 ml, met een interval van ten minste 1 maand tussen de doses. Een derde dosis
wordt aanbevolen in het tweede levensjaar.
Kinderen van 12 - 23 maanden
Twee doses, elk van 0,5 ml, met een interval van ten minste 2 maanden tussen de doses (zie
rubriek 5.1).
Kinderen en adolescenten van 2 - 17 jaar
Eén enkele dosis van 0,5 ml.
Prevenar 13 vaccinatieschema voor zuigelingen en kinderen voorheen gevaccineerd met Prevenar (7-
valent) (Streptococcus
pneumoniae
serotypen 4, 6B, 9V, 14, 18C, 19F en 23F)
Prevenar 13 bevat dezelfde 7 serotypen als Prevenar en gebruikt hetzelfde dragereiwit CRM
197.
Zuigelingen en kinderen die de immunisatie zijn begonnen met Prevenar kunnen op elk moment in het
schema overstappen op Prevenar 13.
3
Jonge kinderen (12-59 maanden) die volledig zijn geïmmuniseerd met Prevenar (7-valent)
Jonge kinderen die als volledig geïmmuniseerd met Prevenar (7-valent) worden beschouwd, dienen
één dosis van 0,5 ml Prevenar 13 te krijgen om immuunresponsen teweeg te brengen op de 6 overige
serotypen. Deze dosis Prevenar 13 dient ten minste 8 weken na de laatste dosis Prevenar (7-valent) te
worden toegediend (zie rubriek 5.1).
Kinderen en adolescenten van 5 - 17 jaar
Kinderen van 5 tot en met 17 jaar mogen één dosis Prevenar 13 toegediend krijgen indien zij eerder
zijn gevaccineerd met een of meer doses Prevenar. Deze dosis Prevenar 13 moet worden toegediend
ten minste 8 weken na de laatste dosis Prevenar (7-valent) (zie rubriek 5.1).
Volwassenen ≥ 18 jaar en ouderen
Eén enkele dosis.
De noodzaak van revaccinatie met een volgende dosis Prevenar 13 is niet vastgesteld.
Als het gebruik van een 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin zinvol wordt geacht, dient
eerst Prevenar 13 gegeven te worden, ongeacht de eerdere pneumokokkenvaccinatiestatus (zie de
rubrieken 4.5 en 5.1).
Speciale populaties
Personen die onderliggende aandoeningen hebben waardoor ze gevoelig zijn voor invasieve
pneumokokkenziekte (zoals sikkelcelziekte of hiv-infectie), waaronder diegenen die eerder zijn
gevaccineerd met een of meerdere doses 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin, mogen
minimaal één dosis Prevenar 13 toegediend krijgen (zie rubriek 5.1).
Bij personen met een hematopoëtische stamceltransplantatie (HSCT) bestaat de aanbevolen
immunisatieserie uit vier doses Prevenar 13 van elk 0,5 ml. De primaire serie bestaat uit drie doses,
waarbij de eerste dosis 3 tot 6 maanden na HSCT wordt gegeven en met een interval van ten minste
1 maand tussen de doses. Een vierde (booster) dosis wordt aanbevolen 6 maanden na de derde dosis
(zie rubriek 5.1).
Wijze van toediening
Het vaccin dient te worden toegediend als intramusculaire injectie. De voorkeursplaatsen zijn het
anterolaterale aspect van de dij (musculus vastus lateralis) bij de zuigeling of de deltoïdeusspier van de
bovenarm bij kinderen en volwassenen.
4.3
Contra-indicaties
Overgevoeligheid voor de werkzame stoffen of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen of
voor het difterietoxoïd.
Zoals dat ook voor andere vaccins geldt, dient de toediening van Prevenar 13 te worden uitgesteld bij
patiënten die aan een acute, ernstige ziekte met koorts lijden. Echter, aanwezigheid van een milde
infectie, zoals een verkoudheid, dient geen uitstel van vaccinatie tot gevolg te hebben.
4.4
Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Prevenar 13 mag niet intravasculair worden toegediend.
Zoals bij alle injecteerbare vaccins dienen passende medische behandeling en toezicht altijd direct
beschikbaar te zijn voor het geval zich in zeldzame gevallen een anafylactische reactie voordoet na
toediening van het vaccin.
4
Dit vaccin mag niet worden gegeven als een intramusculaire injectie aan personen met
trombocytopenie of een stollingsstoornis die een contra-indicatie zou vormen voor een intramusculaire
injectie, maar kan subcutaan worden toegediend, indien het potentiële voordeel duidelijk opweegt
tegen de risico's (zie rubriek 5.1).
Prevenar 13 zal alleen beschermen tegen serotypen van
Streptococcus pneumoniae
die zich in het
vaccin bevinden, en zal geen bescherming bieden tegen andere micro-organismen die invasieve
ziekten, pneumonie of otitis media veroorzaken. Zoals voor elk vaccin geldt, kan het zijn dat
Prevenar 13 niet alle personen die het vaccin krijgen beschermt tegen pneumokokkenziekte.
Raadpleeg de desbetreffende nationale organisatie voor de meest recente epidemiologische informatie
in uw land.
Bij personen met verminderde immuunresponsiviteit, door het gebruik van immunosuppressiva,
genetische afwijkingen, hiv (humaan immunodeficiëntievirus-)infectie of andere oorzaken, kan de
antilichaamrespons op actieve immunisatie verminderd zijn.
Over een beperkt aantal personen met sikkelcelziekte, hiv-infectie of een hematopoëtische
stamceltransplantatie zijn veiligheids- en immunogeniciteitsgegevens beschikbaar (zie rubriek 5.1).
Over personen uit andere specifieke immuungecompromitteerde groepen (bijvoorbeeld maligniteiten
of nefrotisch syndroom) zijn geen veiligheids- en immunogeniciteitsgegevens voor Prevenar 13
beschikbaar. Vaccinatie dient dan op individuele basis te worden overwogen.
Dit geneesmiddel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per dosis, dat wil zeggen dat het in
essentie “natriumvrij” is.
Zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar
In klinische studies bracht Prevenar 13 een immuunrespons teweeg voor alle dertien serotypen in het
vaccin. De immuunrespons voor serotype 3 was na de boosterdosis niet toegenomen boven het niveau
na de zuigelingenvaccinatieseries; de klinische relevantie van deze observatie voor de inductie van
immunologisch geheugen voor serotype 3 is onbekend (zie rubriek 5.1).
Het aandeel van functionele antilichaamresponders (OPA-titers ≥ 1:8) op serotypen 1, 3 en 5 was
hoog. Echter, de OPA geometrische gemiddelde titers waren lager dan die voor elk van de
overgebleven additionele vaccinserotypen; de klinische relevantie van deze waarneming voor de
beschermende werkzaamheid is niet bekend (zie rubriek 5.1).
Beperkte gegevens hebben aangetoond dat Prevenar 7-valent (primaire serie van drie doses) een
acceptabele immuunrespons induceert bij kinderen met sikkelcelziekte met een veiligheidsprofiel
vergelijkbaar met dat wat bij niet-hoog-risicogroepen werd waargenomen (zie rubriek 5.1).
Kinderen onder de 2 jaar dienen de bij de leeftijd passende Prevenar 13-vaccinatieserie te krijgen (zie
rubriek 4.2). Het gebruik van pneumokokkenconjugaatvaccin vervangt niet het gebruik van 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin bij kinderen ≥ 2 jaar met aandoeningen die hen een groter risico
opleveren voor invasieve ziekten veroorzaakt door
Streptococcus pneumoniae
(zoals sikkelcelziekte,
asplenie, hiv-infectie, chronische ziekten, of zij die immuungecompromitteerd zijn). Wanneer
aanbevolen dienen kinderen met een leeftijd
24 maanden die risico lopen en al eerder Prevenar 13
(“priming”) hebben gehad het 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin te ontvangen. Het
interval tussen de toediening van het 13-valent pneumokokkenconjugaatvaccin (Prevenar 13) en het
23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin dient niet minder dan 8 weken te bedragen. Er zijn
geen gegevens beschikbaar die aangeven of toediening van 23-valent pneumokokkenpolysaccharide-
vaccin aan ongevaccineerde kinderen of kinderen die eerder Prevenar 13 hebben gehad zou kunnen
resulteren in hyporesponsiviteit op verdere doses Prevenar 13.
Bij toediening van de primaire immunisatieserie aan zeer premature kinderen (geboren
28 weken
zwangerschap) moet rekening worden gehouden met het potentiële risico op apneu en moet de
5
benodigde controle van de ademhaling gedurende 48-72 uur overwogen worden, vooral bij kinderen
met een voorgeschiedenis van onvoldoende rijping van de longen. Aangezien het voordeel van
vaccinatie groot is bij deze groep kinderen, moet vaccinatie niet worden onthouden of uitgesteld.
Bij vaccinserotypen wordt verwacht dat de bescherming tegen otitis media lager is dan de
bescherming tegen invasieve ziekten. Aangezien otitis media wordt veroorzaakt door vele andere
organismen dan de pneumokokkenserotypen die in het vaccin gerepresenteerd worden, wordt
verwacht dat de bescherming tegen alle otitis media laag is (zie rubriek 5.1).
Wanneer Prevenar 13 gelijktijdig wordt toegediend met Infanrix hexa (DTPa-HBV-IPV/Hib), komt
het aantal koortsreacties dat optreedt overeen met het aantal dat wordt waargenomen bij gelijktijdige
toediening van Prevenar (7-valent) en Infanrix hexa (zie rubriek 4.8). Een verhoogd aantal meldingen
van convulsies (met of zonder koorts) en hypotonisch hyporesponsieve episode (HHE) zijn
waargenomen bij gelijktijdige toediening van Prevenar 13 en Infanrix hexa (zie rubriek 4.8).
Antipyretische behandeling dient te worden gestart in overeenstemming met de plaatselijke
behandelingsrichtlijnen voor kinderen met epileptische stoornissen of kinderen met een
voorgeschiedenis van koortsstuipen en voor alle kinderen die Prevenar 13 tegelijkertijd krijgen
toegediend met vaccins die volledige cellen van pertussis bevatten.
4.5
Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar
Prevenar 13 kan gelijktijdig worden toegediend met elk van de volgende vaccinantigenen, hetzij als
monovalent of als combinatievaccins: difterie, tetanus, acellulaire pertussis of pertussis met volledige
cellen,
Haemophilus influenzae
type b, geïnactiveerde poliomyelitis, hepatitis B (zie rubriek 4.4 voor
advies over Infanrix hexa), meningokokken serogroep C, mazelen, de bof, rubella, varicella en het
vaccin tegen rotavirus.
Prevenar 13 kan ook gelijktijdig worden toegediend tussen 12-23 maanden met het tetanustoxoïd-
meningokokkenpolysaccharideconjugaatvaccin serogroepen A, C, W en Y aan kinderen die voldoende
geprimed zijn met Prevenar 13 (volgens lokale aanbevelingen).
Gegevens uit een klinische postmarketingstudie die de impact van het profylactisch gebruik van
antipyretica evalueerde (ibuprofen en paracetamol) op de immuunrespons van Prevenar 13 suggereren
dat toediening van paracetamol, gelijktijdig of op dezelfde dag als de vaccinatie, de immuunrespons
van Prevenar 13 na de zuigelingenseries kan reduceren. Responsen op de boosterdosis toegediend bij
12 maanden waren onveranderd. De klinische significantie van deze observatie is niet bekend.
Kinderen en adolescenten van 6 tot en met 17 jaar
Momenteel zijn geen gegevens beschikbaar over het gelijktijdig gebruik met andere vaccins.
Volwassenen van 18 tot en met 49 jaar.
Er zijn geen gegevens beschikbaar over het gelijktijdig gebruik met andere vaccins.
Volwassenen van 50 jaar en ouder
Prevenar 13 kan gelijktijdig met het trivalente geïnactiveerde seizoenvaccin tegen influenza (TIV)
worden toegediend.
In twee onderzoeken bij volwassenen van 50-59 jaar en 65 jaar en ouder werd aangetoond dat
Prevenar 13 gelijktijdig met het trivalente geïnactiveerde influenzavaccin (TIV) kan worden
toegediend. De respons op alle drie TIV-antigenen was vergelijkbaar wanneer TIV alleen of
gelijktijdig met Prevenar 13 werd gegeven.
6
Als Prevenar 13 gelijktijdig met TIV werd toegediend, was de immuunrespons op Prevenar 13 lager in
vergelijking met de toediening van Prevenar 13 alleen. Er was echter geen langetermijnimpact op de
circulerende antilichaamniveaus.
In een derde onderzoek bij volwassenen in de leeftijd van 50-93 jaar werd aangetoond dat Prevenar 13
gelijktijdig met het quadrivalente geïnactiveerde seizoenvaccin tegen influenza (QIV) kan worden
toegediend. De immuunresponsen op alle vier QIV-stammen waren niet inferieur als Prevenar 13
gelijktijdig met QIV werd toegediend in vergelijking met de toediening van QIV alleen.
De immuunresponsen op Prevenar 13 waren niet inferieur als Prevenar 13 gelijktijdig met QIV werd
toegediend in vergelijking met de toediening van Prevenar 13 alleen. Zoals bij gelijktijdige toediening
met trivalente vaccins, waren de immuunresponsen op sommige pneumokokkenserotypen lager als
beide vaccins gelijktijdig werden toegediend.
Gelijktijdig gebruik met andere vaccins is niet onderzocht.
Verschillende injecteerbare vaccins moeten altijd op verschillende vaccinatieplaatsen worden
toegediend.
Gelijktijdige toediening van Prevenar 13 en 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin is niet
onderzocht. Als in klinisch onderzoek Prevenar 13 1 jaar na 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin werd toegediend, waren de immuunresponsen voor alle
serotypen lager dan als Prevenar 13 werd toegediend aan proefpersonen die niet eerder waren
geïmmuniseerd met het 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin. De klinische significantie
hiervan is niet bekend.
4.6
Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Er zijn geen gegevens over het gebruik van 13-valent pneumokokkenconjugaatvaccin bij zwangere
vrouwen. Daarom dient het gebruik van Prevenar 13 vermeden te worden tijdens de zwangerschap.
Borstvoeding
Het is niet bekend of 13-valent pneumokokkenconjugaatvaccin wordt uitgescheiden in de
moedermelk.
Vruchtbaarheid
De resultaten van dieronderzoek duiden niet op directe of indirecte schadelijke effecten wat betreft
reproductietoxiciteit (zie rubriek 5.3).
4.7
Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Prevenar 13 heeft geen of een verwaarloosbare invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om
machines te bedienen. Sommige bijwerkingen die genoemd worden in rubriek 4.8 “Bijwerkingen”
kunnen echter de rijvaardigheid of het vermogen om machines te bedienen tijdelijk beïnvloeden.
4.8
Bijwerkingen
Analyse van postmarketingmeldingen suggereren een potentieel verhoogd risico op convulsies, met of
zonder koorts, en HHE bij vergelijking van groepen die Prevenar 13 met Infanrix hexa gebruiken ten
opzichte van groepen die alleen Prevenar 13 gebruiken.
7
De bijwerkingen die gerapporteerd werden in klinische studies of uit postmarketingervaring worden
voor alle leeftijdsgroepen weergegeven per systeem/orgaanklasse, naar afnemende frequentie en ernst.
De frequentie is als volgt gedefinieerd: zeer vaak ( 1/10), vaak ( 1/100, < 1/10), soms ( 1/1.000,
< 1/100), zelden ( 1/10.000, < 1/1.000), zeer zelden (< 1/10.000), niet bekend (kan met de
beschikbare gegevens niet worden bepaald).
Zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar
De veiligheid van het vaccin werd beoordeeld in verschillende gecontroleerde klinische studies
waarbij 14.267 doses werden gegeven aan 4.429 gezonde zuigelingen van 6 weken bij de eerste
vaccinatie en 11-16 maanden bij de boosterdosis. Bij alle zuigelingenstudies werd Prevenar 13
gelijktijdig toegediend met routinematig toegediende kindervaccins (zie rubriek 4.5).
De veiligheid werd ook beoordeeld bij 354 voorheen ongevaccineerde kinderen (met een leeftijd van
7 maanden tot en met 5 jaar).
De meest gemelde bijwerkingen bij kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar waren reacties op de plaats
van vaccinatie, koorts, prikkelbaarheid, verminderde eetlust en meer en/of minder slapen.
In een klinische studie bij zuigelingen die werden gevaccineerd op de leeftijd van 2, 3 en 4 maanden
waren er meer meldingen van koorts ≥ 38°C bij de kinderen die Prevenar (7-valent) gelijktijdig kregen
toegediend met Infanrix hexa (28,3% tot 42,3%) dan bij kinderen die alleen Infanrix hexa kregen
(15,6% tot 23,1%). Na een boosterdosis op de leeftijd van 12 tot en met 15 maanden werd koorts
≥ 38°C gemeld bij 50% van de kinderen die Prevenar (7-valent) en Infanrix hexa gelijktijdig kregen
toegediend, in vergelijking met 33,6% van de kinderen die alleen Infanrix hexa kregen toegediend.
Deze koortsreacties waren meestal matig ernstig (lager dan of gelijk aan 39 °C) en van voorbijgaande
aard.
Een verhoging van reacties op de plaats van vaccinatie werd gemeld bij kinderen ouder dan
12 maanden vergeleken met de percentages waargenomen bij zuigelingen gedurende de primaire
series met Prevenar 13.
Bijwerkingen uit klinische studies
In klinische studies was het veiligheidsprofiel van Prevenar 13 vergelijkbaar met dat van Prevenar. De
volgende frequenties zijn gebaseerd op bijwerkingen die zijn beoordeeld in klinische studies met Prevenar 13:
Immuunsysteemaandoeningen:
Zelden:
Overgevoeligheidsreacties inclusief gezichtsoedeem, dyspneu, bronchospasme
Zenuwstelselaandoeningen:
Soms:
Insulten (inclusief febriele insulten)
Zelden:
Hypotoon-hyporesponsieve episode
Maagdarmstelselaandoeningen:
Zeer vaak:
Verminderde eetlust
Vaak:
Braken, diarree
Huid- en onderhuidaandoeningen:
Vaak:
Uitslag
Soms:
Urticaria of urticaria-achtige uitslag
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen:
Zeer vaak:
Pyrexie, prikkelbaarheid, erytheem op de plaats van vaccinatie, induratie/zwelling of
pijn/gevoeligheid, slaperigheid, slecht slapen
Erytheem op de plaats van vaccinatie of induratie/zwelling 2,5 cm–7,0 cm (na de
boosterdosis en bij oudere kinderen [leeftijd 2 tot en met 5 jaar])
Vaak:
Pyrexie > 39°C, bewegingsbeperking op de plaats van vaccinatie (door pijn),
8
Soms:
erytheem op de plaats van vaccinatie of induratie/zwelling 2,5 cm – 7,0 cm (na de
zuigelingenserie)
Erytheem op de plaats van vaccinatie, induratie/zwelling >7,0 cm, huilen
Aanvullende informatie in speciale populaties
Apneu bij zeer premature kinderen ( 28 weken zwangerschap) (zie rubriek 4.4).
Kinderen en adolescenten van 6 tot en met 17 jaar
De veiligheid werd geëvalueerd bij 592 kinderen (294 kinderen van 5 tot en met 10 jaar die eerder
waren geïmmuniseerd met ten minste één dosis Prevenar, en bij 298 kinderen van 10 tot en met 17 jaar
die niet eerder een pneumokokkenvaccin hadden gekregen).
De meest voorkomende bijwerkingen bij kinderen en adolescenten van 6 tot en met 17 jaar waren:
Zenuwstelselaandoeningen:
Vaak:
Hoofdpijn
Maagdarmstelselaandoeningen:
Zeer vaak:
Verminderde eetlust
Vaak:
Braken, diarree
Huid- en onderhuidaandoeningen:
Vaak:
Huiduitslag, urticaria of urticaria-achtige huiduitslag
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen:
Zeer vaak:
Prikkelbaarheid, erytheem op de vaccinatieplaats, induratie/zwelling of
pijn/gevoeligheid, slaperigheid, slecht slapen, gevoeligheid op de vaccinatieplaats
(inclusief bewegingsbeperking)
Vaak:
Koorts
Andere bijwerkingen die eerder zijn waargenomen bij zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met
5 jaar kunnen ook op deze leeftijdsgroep van toepassing zijn, maar zijn niet in dit onderzoek
waargenomen, mogelijk door de kleine steekproefgrootte.
Aanvullende informatie over speciale populaties
Kinderen en adolescenten met sikkelcelziekte, hiv-infectie of een hematopoëtische
stamceltransplantatie hebben vergelijkbare frequenties van bijwerkingen, behalve dat hoofdpijn,
braken, diarree, pyrexie, vermoeidheid, artralgie en myalgie zeer vaak voorkwamen.
Volwassenen ≥ 18 jaar en ouderen
De veiligheid werd beoordeeld in 7 klinische onderzoeken met 91.593 volwassenen in de leeftijd van
18 tot en met 101 jaar. Prevenar 13 werd toegediend aan 48.806 volwassenen; 2.616 (5,4%) in de
leeftijd van 50 tot en met 64 jaar en 45.291 (92,8%) van 65 jaar en ouder. Aan een van de
7 onderzoeken nam een groep volwassenen deel (n=899) met een leeftijd die varieerde van 18 tot en
met 49 jaar die Prevenar 13 kregen en die niet eerder waren gevaccineerd met 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin. Van de volwassenen die Prevenar 13 kregen, waren er 1.916
eerder gevaccineerd met het 23-valente pneumokokkenpolysaccharidevaccin ten minste 3 jaar voor de
onderzoeksvaccinatie; 46.890 hadden niet eerder het 23-valente pneumokokkenpolysaccharidevaccin
gekregen.
Een trend naar een lagere frequentie van bijwerkingen werd geassocieerd met hogere leeftijd;
volwassenen > 65 jaar oud (ongeacht eerdere pneumokokkenvaccinatiestatus) meldden minder
bijwerkingen dan jongere volwassenen, waarbij de bijwerkingen in het algemeen het vaakst
voorkwamen bij de jongste volwassenen, namelijk die van 18 tot en met 29 jaar oud.
9
In het algemeen waren de frequentiecategorieën in alle leeftijdsgroepen vergelijkbaar, met
uitzondering van braken, wat zeer vaak voorkwam ( 1/10) bij volwassenen van 18 tot en met 49 jaar
oud en vaak ( 1/100 tot < 1/10) in alle andere leeftijdsgroepen, en pyrexie kwam zeer vaak voor bij
volwassenen van 18 tot en met 29 jaar oud en vaak in alle andere leeftijdsgroepen. Ernstige
pijn/gevoeligheid op de vaccinatieplaats en ernstige beperking van de armbeweging kwam zeer vaak
voor bij volwassenen van 18 tot en met 39 jaar oud en kwam vaak voor in alle andere leeftijdsgroepen.
Bijwerkingen uit klinische studies
In 6 studies werden de lokale en systemische reacties na elke vaccinatie 14 dagen lang bijgehouden; in
de resterende studie gebeurde dit gedurende 7 dagen. De volgende frequenties zijn gebaseerd op
bijwerkingen beoordeeld in klinische studies van Prevenar 13 bij volwassenen:
Voedings- en stofwisselingsstoornissen:
Zeer vaak:
Verminderde eetlust.
Zenuwstelselaandoeningen:
Zeer vaak:
Hoofdpijn.
Maagdarmstelselaandoeningen:
Zeer vaak:
Diarree, braken (bij volwassenen van 18 tot en met 49 jaar).
Vaak:
Braken (bij volwassenen van 50 jaar en ouder).
Soms:
Misselijkheid.
Immuunsysteemaandoeningen:
Soms:
Overgevoeligheidsreacties, waaronder oedeem in het gezicht, dyspnoe,
bronchospasmen.
Huid- en onderhuidaandoeningen:
Zeer vaak:
Huiduitslag.
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen:
Zeer vaak:
Koude rillingen, vermoeidheid, roodheid op de vaccinatieplaats, induratie of zwelling
op de vaccinatieplaats; pijn/gevoeligheid op de vaccinatieplaats (ernstige
pijn/gevoeligheid op de vaccinatieplaats komt zeer vaak voor bij volwassenen van
18 tot en met 39 jaar), beperking van de armbeweging (ernstige beperking van de
armbeweging komt zeer vaak voor bij volwassenen van 18 tot en met 39 jaar).
Vaak:
Koorts (komt zeer vaak voor bij volwassenen van 18 tot en met 29 jaar).
Soms:
Lymfadenopathie in het gebied van de vaccinatieplaats.
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen:
Zeer vaak:
Spier- en gewrichtspijn.
In het algemeen werden geen significante verschillen in de frequentie van bijwerkingen waargenomen
bij toediening van Prevenar 13 aan volwassenen die eerder geïmmuniseerd waren met het
pneumokokkenpolysaccharidevaccin.
Aanvullende informatie over speciale populaties
Volwassenen met hiv-infectie hebben vergelijkbare frequenties van bijwerkingen, behalve dat pyrexie
en braken zeer vaak voorkwamen en misselijkheid vaak.
Volwassenen met een hematopoëtische stamceltransplantatie hebben vergelijkbare frequenties van
bijwerkingen, behalve dat pyrexie en braken zeer vaak voorkwamen.
Als Prevenar 13 gelijktijdig met trivalent, geïnactiveerd influenzavaccin (TIV) werd toegediend,
werden hogere frequenties van een aantal bijgehouden systemische reacties waargenomen dan bij
toediening van TIV alleen (hoofdpijn, koude rillingen, huiduitslag, verminderde eetlust, gewrichtspijn
10
en spierpijn) of Prevenar 13 alleen (hoofdpijn, vermoeidheid, koude rillingen, verminderde eetlust en
gewrichtspijn).
Bijwerkingen van Prevenar 13 tijdens postmarketingervaring
De volgende geneesmiddelbijwerkingen worden beschouwd als bijwerkingen van Prevenar 13; omdat
deze reacties zijn gebaseerd op spontane meldingen, konden de frequenties niet worden bepaald en
worden deze daarom als niet bekend beschouwd.
Bloed- en lymfestelselaandoeningen:
Lymfadenopathie (gelokaliseerd in het gebied rond de vaccinatieplaats)
Immuunsysteemaandoeningen:
Anafylactische/anafylactoïde reacties waaronder shock, angio-oedeem
Huid- en onderhuidaandoeningen:
Erythema multiforme
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen:
Urticaria op de vaccinatieplaats, dermatitis op de vaccinatieplaats, pruritus op de
vaccinatieplaats, blozen
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op
deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden
gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen
te melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in aanhangsel V.
4.9
Overdosering
Overdosering met Prevenar 13 is niet waarschijnlijk wegens de presentatie in een voorgevulde spuit. Echter bij
zuigelingen en kinderen zijn er meldingen geweest van overdosering met Prevenar 13 gedefinieerd als
gevallen van opvolgende doses die dichter op elkaar zijn toegediend dan is aanbevolen. Bijwerkingen die
gemeld zijn bij overdosering zijn in het algemeen vergelijkbaar met de bijwerkingen die gemeld worden bij
doses in het aanbevolen schema van Prevenar 13 voor kinderen.
5.
5.1
FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: vaccins, pneumokokkenvaccins, ATC-code: J07AL02.
Prevenar 13 bevat de 7 pneumokokken capsulaire polysacchariden die ook in Prevenar zitten (4, 6B,
9V, 14, 18C, 19F, 23F) plus 6 additionele polysacchariden (1, 3, 5, 6A, 7F, 19A), alle geconjugeerd
aan CRM
197
dragereiwit.
Ziektelast
Zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar oud
Gebaseerd op serotype surveillance in Europa uitgevoerd vóór de introductie van Prevenar, wordt
geschat dat Prevenar 13 een dekking heeft van 73-100% (afhankelijk van het land) van serotypen die
invasieve pneumokokkenziekten (IPD) veroorzaken bij kinderen jonger dan 5 jaar. In deze
leeftijdsgroep dragen serotypen 1, 3, 5, 6A, 7F en 19A voor 15,6% tot 59,7% bij aan invasieve ziekte,
afhankelijk van het land, de bestudeerde tijdsperiode en het gebruik van Prevenar.
11
Acute otitis media (AOM) is een algemene kinderziekte met verschillende etiologieën. Bacteriën
kunnen verantwoordelijk zijn voor 60-70% van de klinische episoden van AOM.
S. pneumoniae
is
wereldwijd één van de meest voorkomende oorzaken van bacteriële AOM.
Geschat wordt dat Prevenar 13 een dekking geeft van 90% van de serotypen die antimicrobieel
resistente IPD veroorzaken.
Kinderen en adolescenten van 6 tot en met 17 jaar
Bij kinderen en adolescenten van 6 tot en met 17 jaar is de incidentie van pneumokokkenziekte laag,
maar er is een grotere kans op morbiditeit en mortaliteit bij personen met onderliggende
comorbiditeiten.
Volwassenen ≥ 18 jaar en ouderen
Pneumonie is de meest voorkomende klinische verschijningsvorm van pneumokokkenziekte bij
volwassenen.
De gemelde incidentie van buiten het ziekenhuis opgelopen pneumonie (CAP) en IPD in Europa
verschilt per land, neemt vanaf het vijftigste levensjaar toe met de jaren en is het hoogst bij mensen
≥ 65 jaar.
S. pneumoniae
is de meest voorkomende oorzaak van CAP, en is in ontwikkelde landen
verantwoordelijk voor naar schatting circa 30% van alle gevallen van CAP bij volwassenen waarbij
ziekenhuisopname noodzakelijk is.
Bacteriëmische pneumonie (ongeveer 80% van de IPD-gevallen bij volwassenen), bacteriëmie zonder
een focus en meningitis zijn de meest voorkomende manifestaties van IPD bij volwassenen. Uit
surveillance gegevens blijkt dat na de introductie van Prevenar maar voor de introductie van Prevenar
13 in jeugdvaccinatieprogramma’s de pneumokokkenserotypen in Prevenar 13 verantwoordelijk
kunnen zijn voor ten minste 50-76% (afhankelijk van het land) van de IPD-gevallen bij volwassenen.
Het risico op CAP en IPD bij volwassenen is ook hoger bij onderliggende chronische medische
aandoeningen, met name anatomische of functionele asplenie, diabetes mellitus, astma, chronische
cardiovasculaire, pulmonale, nier- of leveraandoening, en is het hoogst bij diegenen bij wie sprake is
van immuunsuppressie zoals bij personen met een maligne hematologische aandoening of hiv-infectie.
Prevenar 13 klinische immunogeniciteitsstudies bij zuigelingen, kinderen en adolescenten
De beschermende werkzaamheid van Prevenar 13 tegen IPD is niet bestudeerd. Zoals aanbevolen door
de World Health Organization (WHO) is de beoordeling van de mogelijke werkzaamheid tegen IPD
bij zuigelingen en jonge kinderen gebaseerd op een vergelijking van immuunresponsen op de zeven
gemeenschappelijke serotypen, aanwezig in zowel Prevenar 13 als Prevenar, waarvoor beschermende
werkzaamheid is bewezen (voor werkzaamheid van Prevenar (7-valent) bij zuigelingen en kinderen,
zie hieronder). Immuunresponsen op de overige 6 serotypen werden ook gemeten.
Immuunresponsen na een drie-doses primaire zuigelingenserie
Klinische studies zijn uitgevoerd in een aantal Europese landen en in de Verenigde Staten waarbij
gebruik is gemaakt van meerdere vaccinatieschema’s, waaronder twee gerandomiseerde non-
inferioriteitstudies (Duitsland, waar een 2, 3, 4 maanden primaire serie werd gebruikt [006] en de
Verenigde Staten waar een 2, 4, 6 maanden primaire serie werd gebruikt [004]). In deze twee studies
werden pneumokokken-immuunresponsen vergeleken met behulp van een aantal non-
inferioriteitscriteria, waaronder het percentage proefpersonen met serum anti-polysaccharide serotype-
specifiek IgG ≥ 0,35 μg/ml één maand na de primaire serie en de vergelijking van IgG geometrisch
gemiddelde concentraties (ELISA GMC’s); eveneens werden functionele antilichaamtiters (OPA)
tussen proefpersonen die Prevenar 13 en Prevenar kregen vergeleken. Voor de zes overige serotypen
werden deze waarden vergeleken met de laagste respons onder alle zeven gemeenschappelijke
serotypen bij degenen die Prevenar kregen.
12
De non-inferioriteit immuunresponsvergelijkingen voor studie 006, gebaseerd op het deel van de
zuigelingen dat anti-polysaccharide IgG-concentraties ≥ 0,35 μg/ml bereikte, zijn weergegeven in
Tabel 1. De resultaten voor studie 004 waren vergelijkbaar. Prevenar 13 non-inferioriteit (ondergrens
van het 95% betrouwbaarheidsinterval voor het verschil in percentage van responders bij 0,35 µg/ml
tussen de groepen was > -10%) werd aangetoond voor alle 7 gemeenschappelijke serotypen behalve
voor serotype 6B in studie 006 en serotypen 6B en 9V in studie 004 welke het met een kleine marge
niet haalden. Alle zeven gemeenschappelijke serotypen bereikten de vooraf gedefinieerde non-
inferioriteitscriteria voor IgG ELISA GMC’s. Prevenar 13 wekte vergelijkbare, hoewel gering lagere,
antilichaamniveaus op met Prevenar voor de 7 gemeenschappelijke serotypen. De klinische
significantie van deze verschillen is niet bekend.
Non-inferioriteit werd bereikt voor de 6 additionele serotypen gebaseerd op het deel van de
zuigelingen dat antilichaamconcentraties van ≥ 0,35 μg/ml bereikte en vergelijking van IgG ELISA
GMC’s in studie 006 en werd bereikt voor 5 van de 6 serotypen, met uitzondering van serotype 3 in
studie 004. Voor serotype 3 waren de percentages kinderen met serum IgG ≥ 0,35 μg/ml die
Prevenar 13 hadden gekregen 98,2% (studie 006) en 63,5% (studie 004).
Tabel 1: Vergelijking van het deel van de proefpersonen dat een pneumokokkenanti-
polysaccharide IgG antilichaamconcentratie bereikten van ≥ 0,35 μg/ml na dosis 3 van de
zuigelingen series – studie 006
Prevenar 13
7-valent Prevenar
%
%
Verschil
Serotypen
(N=282-285)
(N=277-279)
(95% CI)
7-valent Prevenar serotypen
4
98,2
98,2
0,0 (-2,5 – 2,6)
6B
77,5
87,1
-9,6 (-16,0 – -3,3)
9V
98,6
96,4
2,2 (-0,4 – 5,2)
14
98,9
97,5
1,5 (-0,9 – 4,1)
18C
97,2
98,6
-1,4 (-4,2 – 1,2)
19F
95,8
96,0
-0,3 (-3,8 – 3,3)
23F
88,7
89,5
-0,8 (-6,0 – 4,5)
Additionele serotypen in Prevenar 13
1
96,1
87,1*
9,1 (4,5 – 13,9)
3
98,2
87,1
11,2 (7,0 – 15,8)
5
93,0
87,1
5,9 (0,8 – 11,1)
6A
91,9
87,1
4,8 (-0,3 – 10,1)
7F
98,6
87,1
11,5 (7,4 – 16,1)
19A
99,3
87,1
12,2 (8,3 – 16,8)
*
Het serotype in Prevenar met het laagste responspercentage was 6B in studie 006 (87,1%)
Prevenar 13 wekte functionele antilichamen tegen alle 13 vaccinserotypen in studies 004 en 006 op.
Voor de 7 gemeenschappelijke serotypen waren er geen verschillen tussen de groepen in het deel van
de proefpersonen met OPA-titers ≥ 1:8. Voor elk van de zeven gemeenschappelijke serotypen
bereikten > 96% en > 90% van de kinderen die Prevenar 13 kregen een OPA-titer ≥ 1:8 één maand na
de primaire serie in respectievelijk studie 006 en 004.
Voor elk van de 6 additionele serotypen wekte Prevenar 13 OPA-titers ≥ 1:8 bij 91,4% tot 100% van
de gevaccineerden op, één maand na de primaire serie in studies 004/006. De functionele antilichaam
(OPA) geometrische gemiddelde titers voor serotypen 1, 3 en 5 waren lager dan de titers voor elk van
de andere additionele serotypen; de klinische relevantie van deze waarneming op beschermende
werkzaamheid is onbekend.
13
Immuunresponsen op een twee-doses primaire serie bij zuigelingen
De immunogeniciteit na twee doses bij zuigelingen is gedocumenteerd in vier studies. Het deel van de
zuigelingen dat een pneumokokken anti-capsulaire polysaccharide IgG-concentratie ≥ 0,35
g/ml
bereikte één maand na de tweede dosis varieerde van 79,6% tot 98,5% voor 11 van de
13 vaccinserotypen. Een kleiner deel van de zuigelingen bereikte deze drempel voor de
antilichaamconcentratie voor serotype 6B (27,9% tot 57,3%) en 23F (55,8% tot 68,1%) voor alle
studies met een schema met vaccinaties op 2 en 4 maanden, vergeleken met 58,4% voor serotype 6B
en 68,6% voor 23F voor een studie met een schema met vaccinaties op 3 en 5 maanden. Na de
boosterdosis hadden alle vaccinserotypen, inclusief 6B en 23F, immuunresponsen consistent met een
adequate “priming” in een twee-doses primaire serie. In een studie in het Verenigd Koninkrijk waren
de functionele antilichaamresponsen (OPA) vergelijkbaar voor alle serotypen inclusief 6B en 23F in
de Prevenar- en Prevenar 13-armen na de primaire serie bij 2 en 4 maanden en na de boosterdosis bij
een leeftijd van 12 maanden. Voor de kinderen die Prevenar 13 kregen, was het percentage responders
met een OPA-titer
1:8 ten minste 87% na de zuigelingenserie en ten minste 93% na de boosterdosis.
De OPA geometrische gemiddelde titers voor serotypen 1, 3 en 5 waren lager dan de titers voor elk
van de andere additionele serotypen; de klinische relevantie van deze waarneming is onbekend.
Boosterresponsen na primaire series van twee doses en drie doses bij zuigelingen
Na de boosterdosis stegen de antilichaamconcentraties ten opzichte van het pre-boosterniveau voor
alle 13 serotypen. Post-booster antilichaamconcentraties waren hoger voor 12 serotypen dan de
concentraties die werden behaald na de primaire zuigelingenserie. Deze waarnemingen zijn in
overeenstemming met adequate priming (de inductie van immunologisch geheugen). De
immuunrespons voor serotype 3 volgend op de boosterdosis was niet hoger geworden dan de niveaus
gezien na de zuigelingenvaccinatieserie; de klinische relevantie van deze observatie aangaande de
inductie van serotype 3 immuungeheugen is onbekend.
Antilichaamresponsen op boosterdoses na de twee-doses of drie-doses primaire zuigelingenserie
waren vergelijkbaar voor alle 13 vaccinserotypen.
Voor kinderen in de leeftijd van 7 maanden tot en met 5 jaar resulteerden catch-up
immunisatieschema’s, passend bij de leeftijd (zoals beschreven in rubriek 4.2) in niveaus van anti-
capsulaire polysaccharide IgG-antilichaamresponsen op elk van de 13 serotypen die ten minste
vergelijkbaar waren met die van een drie-doses primaire serie bij zuigelingen.
Antilichaampersistentie en immunologisch geheugen zijn geëvalueerd in een onderzoek bij gezonde
kinderen die een enkele dosis Prevenar 13 kregen. Dit gebeurde ten minste 2 jaar nadat ze eerder
waren geïmmuniseerd met ofwel 4 doses Prevenar, een zuigelingenserie van 3 doses Prevenar gevolgd
door Prevenar 13 op de leeftijd van 12 maanden, of met 4 doses Prevenar 13.
De enkele dosis Prevenar 13 induceerde bij kinderen van ongeveer 3,4 jaar oud (ongeacht
voorgeschiedenis van vaccinatie met Prevenar of Prevenar 13) een sterke antilichaamrespons voor
zowel de 7 gemeenschappelijke serotypen als de 6 overige serotypen in Prevenar 13.
Sinds de introductie van 7-valent Prevenar in 2000 hebben gegevens van
pneumokokkenziektensurveillance niet aangetoond dat de immuniteit opgewekt door Prevenar tijdens
de kindertijd over de tijd is afgenomen.
Te vroeg geboren zuigelingen
De veiligheid en immunogeniciteit van Prevenar 13 gegeven na 2, 3, 4 en 12 maanden werd
beoordeeld bij ongeveer 100 premature zuigelingen (gemiddelde Estimated Gestational Age [EGA]
31 weken; bereik 26 tot 36 weken) en vergeleken met ongeveer 100 zuigelingen die voldragen werden
geboren (gemiddelde EGA 39 weken; bereik 37 tot 42 weken).
14
De immuunresponsen bij te vroeg geboren en voldragen zuigelingen werden vergeleken met
gebruikmaking van het percentage proefpersonen dat een pneumokokkenpolysaccharide IgG-bindende
antilichaamconcentratie ≥0,35 μg/ml bereikte, 1 maand na de zuigelingenserie. Deze benadering werd
gebruikt voor immunogeniciteitsvergelijkingen van Prevenar 13 met Prevenar op basis van WHO-
richtlijnen.
Meer dan 85% bereikte een pneumokokkenpolysaccharide IgG-bindende antilichaamconcentratie
≥0,35 µg/ml 1 maand na de vaccinatieserie bij zuigelingen, behalve voor serotypen 5 (71,7%), 6A
(82,7%) en 6B (72,7%) in de te vroeg geboren groep. Voor deze 3 serotypen was het percentage
responders onder de te vroeg geboren zuigelingen significant lager dan onder de voldragen
zuigelingen. Ongeveer een maand na de dosis voor peuters was het percentage proefpersonen in elke
groep dat dezelfde antilichaamconcentratiedrempel bereikte >97%, behalve voor serotype 3 (71% bij
de te vroeg geboren zuigelingen en 79% bij de voldragen zuigelingen). Het is onbekend of het
immunologisch geheugen voor alle serotypen geïnduceerd wordt bij te vroeg geboren zuigelingen. In
het algemeen waren de serotypespecifieke IgG GMC’s lager voor te vroeg geboren dan voor
voldragen zuigelingen.
Na de vaccinatieserie bij zuigelingen waren de OPA GMT’s hetzelfde bij te vroeg geboren zuigelingen
als bij voldragen zuigelingen, behalve voor serotype 5, welke lager was bij te vroeg geboren
zuigelingen. De OPA GMT’s na de peuterdosis gerelateerd aan die na de zuigelingenserie waren
vergelijkbaar of lager voor 4 serotypen (4, 14, 18C en 19F) en waren statistisch significant hoger voor
6 van de 13 serotypen (1, 3, 5, 7F, 9V en 19A) bij te vroeg geboren zuigelingen in vergelijking met 10
van de 13 serotypen (1, 3, 4, 5, 6A, 7F, 9V, 18C, 19A en 23F) bij voldragen zuigelingen.
Kinderen (12-59 maanden) die volledig zijn geïmmuniseerd met Prevenar (7-valent)
Na toediening van een enkele dosis Prevenar 13 aan kinderen (12-59 maanden) die werden beschouwd
als volledig geïmmuniseerd met Prevenar (7-valent) (primaire serie van 2 of 3 doses plus booster) was
het aandeel dat serum-IgG-spiegels ≥ 0,35µg/ml en OPA-titers ≥1:8 bereikte ten minste 90%. Echter,
3 (serotype 1, 5 en 6A) van de 6 overige serotypen vertoonden een lagere IgG GMC en OPA GMT in
vergelijking met kinderen die ten minste één eerdere vaccinatie met Prevenar 13 hadden gekregen. De
klinische relevantie van de lagere GMC’s en GMT’s is op dit moment niet bekend.
Ongevaccineerde kinderen (12-23 maanden)
Studies met Prevenar (7-valent) bij ongevaccineerde kinderen (12 - 23 maanden) toonden aan dat
2 doses nodig waren om serum-IgG-concentraties voor 6B en 23F te bereiken die vergelijkbaar waren
met die geïnduceerd via een zuigelingenserie van 3 doses.
Kinderen en adolescenten van 5 tot en met 17 jaar
In een open-labelonderzoek bij 592 gezonde kinderen en adolescenten inclusief diegenen met astma
(17,4%) die mogelijk meer vatbaar zijn voor pneumokokkeninfectie, wekte Prevenar 13 een
immuunrespons op voor alle 13 serotypen. Een eenmalige dosis Prevenar 13 was toegediend aan
kinderen van 5 tot en met 10 jaar die eerder waren gevaccineerd met ten minste 1 dosis Prevenar, en
aan kinderen en adolescenten van 10 tot en met 17 jaar die niet eerder een pneumokokkenvaccin
toegediend hadden gekregen.
Bij zowel de kinderen van 5 tot en met 10 jaar als de kinderen en adolescenten van 10 tot en met
17 jaar was de immuunrespons op Prevenar 13 niet inferieur aan Prevenar voor de
7 gemeenschappelijke serotypen en voor Prevenar 13 voor de 6 additionele serotypen, in vergelijking
met de immuunrespons na de vierde dosis bij zuigelingen gevaccineerd op een leeftijd van 2, 4, 6 en
12-15 maanden, zoals gemeten met serum IgG.
Bij kinderen en adolescenten van 10 tot en met 17 jaar waren de OPA GMT’s 1 maand na vaccinatie
niet inferieur aan de OPA GMT’s in de leeftijdsgroep van 5 tot en met 10 jaar voor 12 van de
13 serotypen (uitgezonderd serotype 3).
15
Immuunrespons na subcutane toediening
Subcutane toediening van Prevenar 13 is geëvalueerd in een niet-vergelijkende studie bij 185 gezonde
Japanse zuigelingen en kinderen die vier doses toegediend kregen toen zij 2, 4, 6 en 12-15 maanden
oud waren. De studie toonde aan dat veiligheid en immunogeniciteit over het algemeen vergelijkbaar
waren met waarnemingen uit studies bij intramusculaire toediening.
Effectiviteit van Prevenar 13
Invasieve pneumokokkenziekte
Data gepubliceerd door Public Health England liet zien dat vier jaar na de introductie van Prevenar als
een primaire zuigelingserie van twee doses met boosterdosis in het tweede levensjaar en met een
opname van het vaccin van 94% er in Engeland en Wales een afname van 98% was (95% BI 95; 99)
van door de 7 vaccinserotypen veroorzaakte ziekte. Vier jaar na de overstap naar Prevenar 13
varieerde de verdere daling van de incidentie van IPD als gevolg van de 7 serotypen in Prevenar
vervolgens van 76% bij kinderen jonger dan 2 jaar tot 91% bij kinderen in de leeftijd van 5-14 jaar.
Tabel 2 toont de serotype-specifieke dalingen voor elk van de 5 additionele serotypen in Prevenar 13
(er werden geen gevallen van IPD van het serotype 5 waargenomen) per leeftijdsgroep. Deze dalingen
varieerden van 68% (serotype 3) tot 100% (serotype 6A) bij kinderen jonger dan 5 jaar. In oudere
leeftijdsgroepen die niet met Prevenar 13 waren gevaccineerd, werden eveneens significante dalingen
in de incidentie waargenomen (indirect effect).
Tabel 2: Aantal serotype-specifieke gevallen en dalingen van de incidentie van IPD in 2013/2014
vergeleken met 2008/2009-2009/2010 (2008/2010), per leeftijdsgroep, in Engeland en Wales
< 5 jaar
2008-
2010
§
2013/
2014
§
% Daling
incidentie
(95% CI*)
2008-
2010
§
5 t/m 64 jaar
2013/
2014
§
% Daling
incidentie
(95% CI*)
2008-
2010
§
≥ 65 jaar
2013/
2014
§
% Daling
incidentie
(95% CI*)
Additionele serotypen die worden gedekt door Prevenar 13
1
59 (54)
5 (5)
91%
(98%;
68%)**
3
26 (24)
8 (8)
68%
(89%; 6%)
6A
10 (9)
0 (0)
100%
(100%;
62%)**
7F
90 (82)
8 (8)
91%
(97%;
74%)**
19A
85 (77)
7 (7)
91%
(97%;
75%)**
§
458
(382)
77
(71)
83%
(88%;
74%)**
59%
(72%;
38%)**
90%
(97%;
56%)**
102 (89)
13
(13)
87%
(94%;
72%)**
44%
(57%;
27%)**
95%
(99%;
81%)**
178
(148)
73
(68)
256
(224)
143
(146)
53 (44)
5 (5)
94 (82)
5 (5)
430
(361)
160
(148)
63%
(71%;
50%)**
54%
(65%;
32%)**
173
(152)
75
(77)
56%
(70%;
37%)**
65%
(75%;
53%)**
225
(191)
104
(97)
279
(246)
97
(99)
Gecorrigeerd voor het aantal geserotypeerde monsters, ontbrekende leeftijd, noemer vergeleken met
2009/2010 en voor de trend in de totale invasieve pneumokokkenziekte tot 2009/2010 (waarna geen
trend correctie werd toegepast).
* 95%-BI bepaald op basis van een poissonverdeling met overdispersieparameter 2,1, gemodelleerd op
data van alle IPD-gegevens van 2000-2006 voorafgaand aan de introductie van Prevenar.
** p < 0,005 voor de dekking van 6A waarbij p = 0,002
16
Otitis media (OM)
In een gepubliceerd onderzoek uitgevoerd in Israël, waarin gebruik werd gemaakt van een primaire
serie van 2 doses plust boosterdosis in het tweede levensjaar, werd het effect van Prevenar 13 op OM
gedocumenteerd in een populatie-gebaseerd, actief surveillancesysteem, waar Israëlische kinderen
jonger dan 2 jaar met OM een kweek van vocht uit het middenoor werd afgenomen via
tympanocentese.
Na de introductie van Prevenar en vervolgens Prevenar 13 daalde de incidentie van 2,1 naar 0,1
gevallen per 1.000 kinderen (95%) voor wat betreft de Prevenar-serotypen plus serotype 6A en nam de
incidentie af van 0,9 naar 0,1 gevallen per 1.000 kinderen (89%) voor wat betreft de additionele
serotypen 1, 3, 5, 7F en 19A in Prevenar 13. De algemene incidentie van pneumokokken-OM op
jaarbasis nam af van 9,6 naar 2,1 gevallen per 1.000 kinderen (78%) tussen juli 2004 (vóór de
introductie van Prevenar) en juni 2013 (na de introductie van Prevenar 13).
Pneumonie
In een observationeel multicenteronderzoek in Frankrijk, waarin de perioden voor en na de overstap
van Prevenar naar Prevenar 13 werden vergeleken, nam op eerstehulpafdelingen het totale aantal
gevallen van buiten het ziekenhuis opgelopen pneumonie (CAP) bij kinderen in de leeftijd van
1 maand tot 15 jaar met 16% (van 2.060 naar 1.725 gevallen) af. De dalingen bedroegen 53% (van 167
naar 79 gevallen) (p < 0,001) voor gevallen van CAP met pleurale effusie en 63% (van 64 naar
24 gevallen) (p < 0,001) voor microbiologisch bevestigde gevallen van door pneumokokken
veroorzaakte CAP. In het tweede jaar na de introductie van Prevenar 13 nam het totale aantal CAP-
gevallen, als gevolg van de 6 additionele vaccinserotypen in Prevenar 13, af van 27 naar 7 isolaten
(74%).
De afname van pneumoniegevallen ongeacht de oorzaak was het meest uitgesproken in de jongere
gevaccineerde leeftijdsgroepen met een afname van respectievelijk 31,8% (van 757 naar 516 gevallen)
en 16,6% (van 833 naar 695 gevallen) in de leeftijdsgroepen < 2 jaar en 2 tot en met 5 jaar. De
incidentie bij de oudere, overwegend niet-gevaccineerde kinderen (> 5 jaar) veranderde niet in de loop
van het onderzoek.
In een lopend surveillancesysteem (2004 tot en met 2013) werd de impact van Prevenar en vervolgens
Prevenar 13 op CAP gedocumenteerd bij kinderen jonger dan 5 jaar in het zuiden van Israël die
werden behandeld met een primaire serie met twee doses met een boosterdosis in het tweede
levensjaar. Na de introductie van Prevenar 13 namen het aantal poliklinische bezoeken en het aantal
ziekenhuisopnames wegens alveolaire CAP af met respectievelijk 68% (95% BI 73; 61) en 32% (95%
BI 39; 22) in vergelijking met de periode voordat Prevenar werd geïntroduceerd.
Effect op nasofaryngeaal dragerschap
Bij een surveillance studie in Frankrijk waarbij kinderen verschijnselen van een acute
middenoorontsteking vertoonden, zijn veranderingen van nasofaryngeaal (NP) dragerschap van
pneumokokkenserotypen geëvalueerd na introductie van Prevenar (7-valent) en vervolgens
Prevenar 13. Prevenar 13 reduceerde significant het NP dragerschap van de 6 additionele serotypen
(en serotype 6C) gecombineerd en de individuele serotypen 6C, 7F, 19A in vergelijking met Prevenar.
Een reductie in dragerschap werd ook gezien bij serotype 3 (2,5% vs. 1,1%; p=0,1). Er werd geen
dragerschap van serotypen 1 en 5 waargenomen.
Het effect van vaccinatie met het pneumokokkenconjugaat op nasofaryngeaal dragerschap werd
bestudeerd in een gerandomiseerde dubbelblinde studie waarbij kinderen van 2, 4, 6 en 12 maanden
oud in Israël hetzij Prevenar 13 hetzij Prevenar (7-valent) ontvingen. Prevenar 13 reduceerde
significant de nieuw geïdentificeerde NP acquisitie van de 6 additionele serotypen (en serotype 6C)
gecombineerd en van individuele serotypen 1, 6A, 6C, 7F, 19A in vergelijking met Prevenar. Er werd
geen reductie gezien bij serotype 3 en bij serotype 5 was de kolonisatie te zeldzaam om de impact te
kunnen beoordelen. Voor 6 van de overgebleven 7 normale serotypen werden vergelijkbare aantallen
17
van NP acquisitie waargenomen in beide vaccingroepen; voor serotype 19F werd een significante
reductie waargenomen.
In dit onderzoek werden verminderingen gedocumenteerd van
S. pneumoniae
serotypen 19A, 19F en
6A die niet gevoelig waren voor een aantal antibiotica. De verminderingen lopen uiteen tussen 34% en
62%, afhankelijk van serotype en antibioticum.
Prevenar (7-valent vaccin) beschermingswerkzaamheid bij zuigelingen en kinderen
De werkzaamheid van 7-valent Prevenar is geëvalueerd in twee belangrijke studies – de “Northern
California Kaiser Permanente” (NCKP) studie en de “Finnish Otitis Media” (FinOM) studie. Beide
studies waren gerandomiseerde, dubbelblinde, actief-gecontroleerde studies waarbij zuigelingen
werden gerandomiseerd naar toediening van ofwel Prevenar ofwel een controlevaccin (NCKP,
meningokokken serogroep C CRM-conjugaat [MnCC] vaccin; FinOM, hepatitis B-vaccin) in een vier-
doses serie op een leeftijd van 2, 4, 6, en 12-15 maanden. De resultaten van de werkzaamheid in deze
studies (voor invasieve pneumokokkenziekte, pneumonie en acute otitis media) staan hieronder
weergegeven (Tabel 3).
Tabel 3: Samenvatting van de werkzaamheid van 7-valent Prevenar
1
Test
N
VE
2
NCKP: Vaccin-serotype IPD
3
97%
30.258
NCKP: Klinische pneumonie met abnormale röntgenfoto van de borst
NCKP: Acute Otitis Media (AOM)
4
Totaal aantal episodes
Terugkerende AOM (3 episodes in 6 maanden, of 4 episodes in 1 jaar)
Terugkerende AOM (5 episodes in 6 maanden, of 6 episodes in 1 jaar)
Plaatsing van een trommelvliesbuisje
FinOM: AOM
Totaal aantal episodes
Alle pneumokokken AOM
Vaccin-serotype AOM
1
Per protocol
2
Vaccinwerkzaamheid
3
Oktober 1995 tot 20 april 1999
4
Oktober 1995 tot 30 april 1998
Effectiviteit van Prevenar (7-valent)
De effectiviteit (zowel direct als indirect effect) van 7-valent Prevenar tegen pneumokokkenziekte is
geëvalueerd in immunisatieprogramma’s met zowel drie-doses als twee-doses primaire
zuigelingenseries, alle met boosterdoses (Tabel 4). Na wijdverbreid gebruik van Prevenar is de
incidentie van IPD consistent en substantieel gedaald.
Gebruikmakend van de screeningmethode betroffen schattingen van serotype-specifieke effectiviteit
voor 2 doses onder de leeftijd van 1 jaar in het VK respectievelijk 66% (-29 – 91%) en 100% (25 –
100%) voor serotype 6B en 23F.
23.746
23.746
7%
9%
23%
20%
1.662
6%
34%
57%
-4 – 16
21 – 45
44 – 67
4 – 10
3 – 15
7 – 36
2 – 35
35%
95% CI
85 –
100
4 – 56
18
Tabel 4: Samenvatting van werkzaamheid van 7-valent Prevenar voor invasieve
pneumokokkenziekte
Land
Aanbevolen schema
Ziektevermindering, %
95% CI
(jaar van introductie)
VK (Engeland &
2, 4, + 13 maanden
Vaccin serotypen:
49 – 95%
1
Wales) (2006)
Twee doses onder de leeftijd
van 1 jaar: 85%
VS (2000)
2, 4, 6, + 12 – 15
maanden
2
Kinderen <5
Vaccin serotypen: 98%
97 – 99%
Alle serotypen: 77%
73 – 79%
Personen ≥65
3
Vaccin serotypen: 76%
nvt
Alle serotypen: 38%
nvt
4
Canada (Quebec)
2, 4, + 12 maanden
Alle serotypen: 73%
nvt
(2004)
Vaccin serotypen:
2-doses zuigelingenserie: 99%
92 - 100%
Volledig schema:100%
82 - 100%
1
Kinderen < 2 jaar. Berekende vaccineffectiviteit vanaf juni 2008 (Broome-methode).
2
2005 data.
3
2004 data.
4
Kinderen < 5 jaar. Januari 2005 tot december 2007. Volledige werkzaamheid voor routine 2+1
schema nog niet beschikbaar.
Acute otitis media
Effectiviteit van Prevenar in een 3+1 schema is ook waargenomen voor acute otitis media en
pneumonie sinds de introductie in een nationaal immunisatieprogramma. In een retrospectieve
evaluatie van een grote verzekeringsdatabase in de Verenigde Staten, waren AOM bezoeken
verminderd met 42,7% (95% CI, 42,4 – 43,1%) en voorschriften voor AOM met 41,9% bij kinderen
jonger dan 2 jaar, vergeleken met een baseline van voor registratie (2004 versus 1997-1999). In een
vergelijkbare analyse waren ziekenhuisopnames en poliklinische bezoeken voor pneumonie door alle
oorzaken verminderd met respectievelijk 52,4% en 41,1%. Voor gebeurtenissen specifiek
geïdentificeerd als pneumokokken pneumonie was de waargenomen afname in ziekenhuisopnames en
poliklinische bezoeken respectievelijk 57,6% en 46,9%, bij kinderen jonger dan 2 jaar oud, vergeleken
met een baseline van voor registratie (2004 versus 1997-1999). Hoewel een direct oorzaak-en-gevolg
niet kan worden vastgesteld middels dit type observationele analyses, suggereren deze bevindingen dat
Prevenar een belangrijke rol speelt in het verminderen van de last van mucosale ziekten (AOM en
pneumonie) in de “target” populatie.
Studie naar de werkzaamheid bij volwassenen van 65 jaar en ouder
De werkzaamheid tegen vaccintype (VT) pneumokokken-CAP en IPD is beoordeeld in een
grootschalige gerandomiseerde, dubbelblinde, placebogecontroleerde studie (Community-Acquired
Pneumonia Immunization Trial in Adults–CAPiTA) in Nederland. Personen van 65 jaar en ouder
(n=84.496) kregen een enkele vaccinatie met Prevenar 13 of placebo in een 1:1 randomisatie.
In de CAPiTA-studie werden vrijwilligers ≥ 65 jaar opgenomen van wie de demografische
eigenschappen en gezondheidskenmerken kunnen afwijken van die van personen die zich in de
praktijk laten vaccineren.
Een eerste episode van in het ziekenhuis door een thoraxröntgenfoto bevestigde pneumonie werd
vastgesteld bij ongeveer 2% van deze populatie (n=1.814 personen), waarvan 329 gevallen bevestigd
werden als pneumokokken-CAP en 182 gevallen VT pneumokokken-CAP waren in de per-protocol-
en aangepaste intent-to-treat (mITT)-populaties.
De werkzaamheid werd aangetoond voor de primaire en secundaire eindpunten in de per-
protocolpopulatie (Tabel 5).
19
Tabel 5: Vaccinwerkzaamheid (VW) voor de primaire en secundaire eindpunten van de
CAPiTA-studie (per-protocolpopulatie)
Gevallen
Werkzaamheidseindpunt
Primair eindpunt
Eerste episode van bevestigde VT
pneumokokken-CAP
Secundaire eindpunten
Eerste episode van bevestigde
NB/NI
1
vaccintype pneumokokken-
CAP
Eerste episode van VT-IPD
2
1
2
Prevenar 13-
Totaal
groep
Placebo-
groep
VW (%)
(95,2% BI)
p-waarde
139
49
90
45,56
(21,82; 62,49)
0,0006
93
35
33
7
60
28
45,00
(14,21; 65,31)
75,00
(41,06; 90,87)
0,0067
0,0005
NB/NI – niet-bacteriëmisch/niet-invasief
VT-IPD – vaccintype invasieve pneumokokkenziekte
De beschermende werking tegen een eerste episode van VT pneumokokken-CAP,
NB/NI VT pneumokokken-CAP en VT-IPD hield aan gedurende de volledige studie van vier jaar.
De studie was niet opgezet om de werkzaamheid in subgroepen aan te tonen. Het aantal proefpersonen
≥85 jaar was niet voldoende om de werkzaamheid in deze leeftijdsgroep aan te tonen.
Er werd een post-hocanalyse gebruikt om de volgende uitkomsten voor de volksgezondheid tegen
klinische CAP te schatten (zoals omschreven in de CAPiTA-studie en gebaseerd op klinische
bevindingen ongeacht radiologisch infiltraat of etiologische bevestiging): vaccinwerkzaamheid (VW),
daling van de incidentiecijfers (IRR,
Incidence Rate Reduction)
en het aantal mensen dat gevaccineerd
moet worden om één bepaalde gebeurtenis te voorkomen (NNV,
Number Needed to Vaccinate)
(Tabel 6).
IRR, ook wel genoemd incidentie van door vaccinatie te voorkomen ziekten, is het aantal gevallen
door vaccinatie te voorkomen ziekten per 100.000 persoonsjaren observatie.
In Tabel 6 is NNV een maat voor het kwantificeren van het aantal mensen dat gevaccineerd moet
worden om één klinisch geval van CAP te voorkomen.
Tabel 6: Vaccinwerkzaamheid (VW) tegen klinische CAP
*
Episodes
Vaccinwerkzaamheid
1
Incidentie per 100.000
Daling
% (95% BI)
persoonsjaren
incidentie-
(1-zijdige p-waarde)
observatie
cijfer
2
(95% BI)
Prevenar
Placebo
Prevenar
Placebo
13
13
1.375
1.495
8,1
819,1
891,2
72,2
(-5,3;
(-0,6; 16,1)
149,6)
(0,034)
1.126
1.214
670,7
723,7
53,0
7,3
(-2,7;
(-0,4; 14,4)
108,7)
(0,031)
NNV
3
Analyse
van alle
episodes
277
Analyse
378
van
eerste
episode
* Patiënten met ten minste 2 van de volgende verschijnselen: hoesten; purulent sputum, temperatuur >38°C of
<36,1°C; pneumonie (auscultatorische bevindingen); leukocytose; C-reactieve proteïnewaarde hoger dan 3 keer de
bovengrens van de normaalwaarde; hypoxemie met een partiële zuurstofdruk <60 mm Hg terwijl kamerlucht wordt
ingeademd.
1
Een Poisson regressiemodel met willekeurige effecten werd gebruikt om de VW te berekenen.
2
Per 100.000 persoonsjaren observatie. IRR wordt berekend als de incidentie in de placebogroep minus de incidentie
20
in de vaccingroep, en was rekenkundig gelijkwaardig aan de VW × de incidentie in de placebogroep.
3
Gebaseerd op een 5-jarige beschermingsduur. NNV is geen percentage maar geeft het aantal gevallen aan dat
voorkomen wordt voor een bepaald aantal gevaccineerde personen. NNV omvat ook de duur van het onderzoek of
de beschermingsduur en wordt berekend als 1 gedeeld door het product van de IRR en de beschermingsduur (of de
duur van het onderzoek) (=1/(IRR × duur).
Immunogeniciteitsonderzoek bij volwassenen ≥ 18 jaar en ouderen
Bij volwassenen is geen drempel vastgesteld voor de antilichaamconcentratie voor de
serotypespecifieke pneumokokkenpolysaccharide IgG-binding die bescherming geeft. In alle
klinische hoofdonderzoeken werd een serotypespecifieke opsonofagocytoseproef (OPA) als surrogaat
gebruikt voor de bepaling van de potentiële effectiviteit tegen invasieve pneumokokkenziekte en
pneumonie. De OPA geometrisch gemiddelde titers (GMT’s), gemeten 1 maand na elke vaccinatie,
werden berekend. De OPA-titers zijn uitgedrukt als het omgekeerd evenredige van de hoogste
serumverdunning die de overleving van de pneumokokken met ten minste 50% reduceert.
De hoofdonderzoeken voor Prevenar 13 werden opgezet om aan te tonen dat de functionele OPA-
antilichaamrespons voor de 13 serotypen niet-inferieur zijn en voor sommige serotypen superieur aan
de 12 serotypen die Prevenar 13 gemeenschappelijk heeft met het geregistreerde 23-valente
pneumokokkenpolysaccharidevaccin [1, 3, 4, 5, 6B, 7F, 9V, 14, 18C, 19A, 19F, 23F] een maand na
toediening van het vaccin. De respons op serotype 6A, dat uniek is voor Prevenar 13, werd aangetoond
door een 4-voudige toename van de specifieke OPA-titer boven het niveau van voor de immunisatie.
In Europa en de VS werden vijf klinische studies naar de immunogeniciteit van Prevenar 13 in
verschillende leeftijdsgroepen tussen 18 en 95 jaar verricht. Uit klinische studies met Prevenar 13 zijn
momenteel immunogeniciteitsdata van Prevenar 13 bekend bij volwassenen van 18 jaar en ouder,
onder wie volwassenen van 65 jaar en ouder die 5 jaar voor het onderzoek waren gevaccineerd met
een of meer doses van 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin. Elke studie omvatte gezonde en
immuuncompetente volwassenen met stabiele onderliggende aandoeningen waarvan bekend is dat zij
predisponerend zijn voor pneumokokkeninfectie (bijvoorbeeld chronische cardiovasculaire
aandoeningen, chronische longaandoeningen inclusief astma, nieraandoeningen, diabetes mellitus,
chronische leveraandoeningen inclusief leveraandoeningen door alcohol) en volwassenen met
risicofactoren zoals roken en alcoholmisbruik.
De immunogeniciteit en veiligheid van Prevenar 13 zijn aangetoond bij volwassenen van 18 jaar en
ouder met inbegrip van personen die eerder waren gevaccineerd met een pneumokokkenpolysaccha-
ridevaccin.
Volwassenen, niet eerder gevaccineerd met 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin
In een head-to-head, vergelijkend onderzoek bij volwassenen van 60-64 jaar kregen de proefpersonen
een enkele dosis van Prevenar 13 of 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin. In hetzelfde
onderzoek kreeg een andere groep volwassenen van 50-59 jaar oud en een andere groep volwassenen
van 18-49 jaar oud een enkele dosis Prevenar 13.
In tabel 7 worden de OPA GMT’s 1 maand na vaccinatie bij 60-64-jarigen die een enkele dosis van
Prevenar 13 of 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin kregen vergeleken met de OPA GMT’s
bij 50-59-jarigen die een enkele dosis Prevenar 13 kregen.
21
Tabel 7: OPA GMT's bij volwassenen van 60-64 jaar die Prevenar 13 of 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin (PPSV23) kregen en volwassenen van 50-59 jaar die
Prevenar 13 kregen
a,b,c
Prevenar 13
Prevenar 13
vergeleken met
50-59 vergeleken met
50-59 jaar
60-64 jaar 60-64 jaar
PPSV23,
60-64 jaar
N=350-384 N=359-404 N=367-402
60-64 jaar
Serotype
GMT
GMT
GMT
GMR
(95% CI)
GMR
(95% CI)
1
200
146
104
1,4
(1,08, 1,73)
1,4
(1,10, 1,78)
3
91
93
85
1,0
(0,81, 1,19)
1,1
(0,90, 1,32)
4
2833
2062
1295
1,4
(1,07, 1,77)
1,6
(1,19, 2,13)
5
269
199
162
1,4
(1,01, 1,80)
1,2
(0,93, 1,62)
6A
4328
2593
213
1,7
(1,30, 2,15) 12,1 (8,63, 17,08)
6B
3212
1984
788
1,6
(1,24, 2,12)
2,5
(1,82, 3,48)
7F
1520
1120
405
1,4
(1,03, 1,79)
2,8
(1,98, 3,87)
9V
1726
1164
407
1,5
(1,11, 1,98)
2,9
(2,00, 4,08)
14
957
612
692
1,6
(1,16, 2,12)
0,9
(0,64, 1,21)
18C
1939
1726
925
1,1
(0,86, 1,47)
1,9
(1,39, 2,51)
19A
956
682
352
1,4
(1,16, 1,69)
1,9
(1,56, 2,41)
19F
599
517
539
1,2
(0,87, 1,54)
1,0
(0,72, 1,28)
23F
494
375
72
1,3
(0,94, 1,84)
5,2
(3,67, 7,33)
a
Niet-inferioriteit werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor GMR hoger was
dan 0,5.
b
Statistisch significant hogere respons werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI
voor GMR hoger was dan 1.
c
Voor serotype 6A
, uniek voor Prevenar 13, werd een statistisch significant hogere respons
vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor de GMR hoger was dan 2.
Bij volwassenen van 60-64 jaar waren de OPA GMT’s voor Prevenar 13 niet-inferieur aan de OPA
GMT’s teweeggebracht door het 23-valente pneumokokkenpolysaccharidevaccin voor de twaalf
serotypen die beide vaccins gemeenschappelijk hebben. Voor 9 serotypen werd aangetoond dat de
OPA-titers statistisch significant hoger waren bij personen die Prevenar 13 kregen.
Bij volwassenen van 50-59 jaar waren de OPA GMT’s voor alle 13 serotypen van Prevenar 13 niet-
inferieur aan de responsen op Prevenar 13 bij volwassenen van 60-64 jaar. Voor 9 serotypen waren de
immuunresponsen afhankelijk van de leeftijd: volwassenen in de groep tussen 50-59 jaar hadden
statistisch significant hogere responsen dan volwassenen van 60-64 jaar.
Bij alle volwassenen van 50 jaar en ouder die een enkele dosis Prevenar 13 kregen, waren de OPA-
titers voor serotype 6A significant hoger dan bij volwassenen van 60 jaar en ouder die een enkele
dosis 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin kregen.
Een jaar na vaccinatie met Prevenar 13 waren de OPA-titers afgenomen ten opzichte van een maand
na vaccinatie; de OPA-titers waren voor alle serotypen echter nog steeds hoger dan op baseline:
OPA GMT-niveaus op
baseline
Volwassenen 50-59 jaar die niet eerder
gevaccineerd waren met 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin
Volwassenen 60-64 jaar die niet eerder
gevaccineerd waren met 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin
5 tot 45
5 tot 37
OPA GMT-niveaus 1 jaar na
Prevenar 13
20 tot 1.234
19 tot 733
Prevenar 13 Prevenar 13 PPSV23
22
Tabel 8 toont OPA GMT’s aan 1 maand na een enkelvoudige dosis Prevenar 13 bij personen van
18-49 jaar oud, vergeleken met personen van 60-64 jaar oud.
Tabel 8: OPA GMT’s bij volwassenen van 18-49 jaar oud en van 60-64 jaar oud die Prevenar
13
a,b
kregen
18-49 jaar
60-64 jaar
18-49 jaar vergeleken met
N=836-866
N=359-404
60-64 jaar
b
b
Serotype
GMT
GMT
GMR
(95% CI
c
)
1
353
146
2,4
(2,03, 2,87)
3
91
93
1,0
(0,84, 1,13)
4
4747
2062
2,3
(1,92, 2,76)
5
386
199
1,9
(1,55, 2,42)
6A
5746
2593
2,2
(1,84, 2,67)
6B
9813
1984
4,9
(4,13, 5,93)
7F
3249
1120
2,9
(2,41, 3,49)
9V
3339
1164
2,9
(2,34, 3,52)
14
2983
612
4,9
(4,01, 5,93)
18C
3989
1726
2,3
(1,91, 2,79)
19A
1580
682
2,3
(2,02, 2,66)
19F
1533
517
3,0
(2,44, 3,60)
23F
1570
375
4,2
(3,31, 5,31)
a
Niet-inferioriteit werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor GMR hoger was
dan 0,5.
b
Statistisch significant hogere respons werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI
voor GMR hoger was dan 1.
cc
De betrouwbaarheidsintervallen (CI) voor de ratio zijn inverse transformaties van een
betrouwbaarheidsinterval op basis van de Student-t-verdeling voor het gemiddelde verschil van de
logaritmen van de metingen.
Bij volwassenen van 18-49 jaar waren de OPA GMT’s voor alle 13 serotypen in Prevenar 13 niet-
inferieur aan de responsen op Prevenar 13 bij volwassenen van 60-64 jaar.
Eén jaar na vaccinatie met Prevenar 13 waren de OPA-titers afgenomen vergeleken met één maand na
vaccinatie, maar de OPA-titers voor alle serotypen bleven hoger dan de niveaus op baseline.
OPA GMT niveaus op
baseline
Volwassenen van 18-49 jaar, niet
eerder gevaccineerd met 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevacci
n
5 tot 186
OPA GMT niveaus één jaar na
Prevenar 13
23 tot 2.948
Volwassenen, eerder gevaccineerd met 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin
De immuunresponsen voor Prevenar 13 en 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin werden
vergeleken in een head-to-head onderzoek bij volwassenen van 70 jaar en ouder die ten minste 5 jaar
voor de onderzoeksvaccinatie een enkele dosis pneumokokkenpolysaccharidevaccin hadden gekregen.
In tabel 9 worden de OPA GMT’s 1 maand na vaccinatie vergeleken bij met
pneumokokkenpolysaccharidevaccin geïmmuniseerde volwassenen van 70 jaar en ouder die een
enkele dosis van Prevenar 13 of 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin kregen.
23
Tabel 9: OPA GMT's bij met pneumokokkenpolysaccharidevaccin geïmmuniseerde volwassenen
≥ 70 jaar, die
Prevenar 13 of 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin (PPSV23) kregen
a,b,c
Prevenar 13
PPSV23
Prevenar OPA GMT
N=400-426
N=395-445
vergeleken met PPSV23
Serotype
OPA GMT
OPA GMT
GMR
(95% CI)
1
81
55
1,5
(1,17; 1,88)
3
55
49
1,1
(0,91; 1,35)
4
545
203
2,7
(1,93; 3,74)
5
72
36
2,0
(1,55; 2,63)
6A
903
94
9,6
(7,00; 13,26)
6B
1.261
417
3,0
(2,21; 4,13)
7F
245
160
1,5
(1,07; 2,18)
9V
181
90
2,0
(1,36; 2,97)
14
280
285
1,0
(0,73; 1,33)
18C
907
481
1,9
(1,42; 2,50)
19A
354
200
1,8
(1,43; 2,20)
19F
333
214
1,6
(1,17; 2,06)
23F
158
43
3,7
(2,69; 5,09)
a
Niet-inferioriteit werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor GMR hoger was
dan 0,5.
b
Statistisch significant hogere respons werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI
voor GMR hoger was dan 1.
c Voor serotype 6A†, uniek voor Prevenar 13, werd een statistisch significant hogere respons
vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor de GMR hoger was dan 2.
Bij volwassenen die ten minste 5 jaar voor het klinisch onderzoek gevaccineerd waren met
pneumokokkenpolysaccharidevaccin waren de OPA GMT’s voor Prevenar 13 niet-inferieur aan de
responsen op het 23-valente pneumokokkenpolysaccharidevaccin voor de 12 serotypen die beide
vaccins gemeenschappelijk hebben. Bovendien werden in dit onderzoek statistisch significant hogere
OPA GMT’s aangetoond voor 10 van de 12 gemeenschappelijke serotypes. De immuunresponsen
voor serotype 6A waren statistisch significant hoger na vaccinatie met Prevenar 13 dan na 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin.
Een jaar na vaccinatie met Prevenar 13 in volwassenen van 70 jaar en ouder die ten minste 5 jaar voor
het onderzoek met 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin gevaccineerd waren, waren de
OPA-titers afgenomen ten opzichte van een maand na vaccinatie. De OPA-titers waren voor alle
serotypen echter nog steeds hoger dan op baseline:
OPA GMT-niveaus op
baseline
Volwassenen ≥ 70 jaar, ten minste 5
jaar voor het onderzoek gevaccineerd
met 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin
Immuunresponsen in speciale populaties
Voor personen met de hieronder beschreven aandoeningen geldt een verhoogd risico op
pneumokokkenziekte. De klinische relevantie van de antilichaamspiegels veroorzaakt door Prevenar
13 in deze speciale populaties is onbekend.
Sikkelcelziekte
Een open-label eenarmige studie in Frankrijk, Italië, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten,
Libanon, Egypte en Saoedi-Arabië met 2 doses Prevenar 13, 6 maanden na elkaar gegeven, werd
24
OPA GMT-niveaus 1 jaar
na Prevenar 13
18 tot 381
9 tot 122
uitgevoerd onder 158 kinderen en adolescenten ≥6 tot <18 jaar met sikkelcelziekte die ten minste
6 maanden voorafgaand aan inclusie waren gevaccineerd met een of meerdere doses 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin. Na de eerste vaccinatie veroorzaakte Prevenar 13
antilichaamspiegels gemeten met zowel IgG GMC’s als OPA GMT’s die statistisch significant hoger
waren dan de spiegels voorafgaand aan vaccinatie. Na de tweede dosis waren de immuunresponsen
vergelijkbaar met die na de eerste dosis. Een jaar na de tweede dosis aren de antilichaamspiegels,
gemeten met zowel IgG GMC’s als OPA GMT’s, hoger dan de spiegels voorafgaand aan de eerste
dosis Prevenar 13, behalve voor de IgG GMC’s voor serotypen 3 en 5, die numeriek vergelijkbaar
waren.
Aanvullende Prevenar (7-valent) immunogeniciteitsgegevens: kinderen met sikkelcelziekte
De immunogeniciteit van Prevenar is onderzocht in een open-label, multicenter studie onder
49 zuigelingen met sikkelcelziekte. De kinderen werden gevaccineerd met Prevenar (3 doses met een
maand tussen de doses vanaf de leeftijd van 2 maanden) en 46 van deze kinderen kregen ook een
23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin op de leeftijd van 15-18 maanden. Na de eerste
immunisatie had 95,6% van de proefpersonen antilichaamniveaus van ten minste 0,35 µg/ml voor alle
zeven serotypen die in Prevenar aanwezig zijn. Er werd een significante stijging gezien in de
concentraties van antilichamen tegen de zeven serotypen na de polysaccharidevaccinatie, wat
suggereert dat het immunologisch geheugen goed tot stand gekomen was.
Hiv-infectie
Kinderen en volwassenen niet eerder gevaccineerd met een pneumokokkenvaccin
Hiv-geïnfecteerde kinderen en volwassenen met CD4 ≥ 200 cellen/µl (gemiddeld 717,0 cellen/μl),
virusaantal < 50.000 kopieën/ml (gemiddeld 2090,0 kopieën/ml), vrij van actieve aids-gerelateerde
ziekte en niet eerder gevaccineerd met een pneumokokkenvaccin, ontvingen 3 doses Prevenar 13. In
navolging van de algemene aanbevelingen werd vervolgens een enkele dosis 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin toegediend. De vaccins werden met intervallen van 1 maand
toegediend. De immuunresponsen werden bij 259-270 evalueerbare proefpersonen bepaald ongeveer
1 maand na elke vaccindosis. Na de eerste dosis veroorzaakte Prevenar 13 antilichaamspiegels,
gemeten met zowel IgG GMC’s als OPA GMT’s, die statistisch significant hoger waren dan de
spiegels voorafgaand aan vaccinatie. Na de tweede en derde dosis Prevenar 13 waren de
immuunresponsen vergelijkbaar met of hoger dan die na de eerste dosis.
Volwassenen eerder gevaccineerd met 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin
Hiv-geïnfecteerde volwassenen ≥ 18 jaar oud met CD4 ≥200 cellen/µl (gemiddeld 609,1 cellen/µl) en
virusaantal <50.000 kopieën/ml (gemiddeld 330,6 kopieën/ml), die vrij waren van actieve aids-
gerelateerde ziekte en die ten minste 6 maanden voorafgaand aan inclusie waren gevaccineerd met
23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin, kregen 3 doses Prevenar 13 toegediend, bij inclusie,
6 maanden en 12 maanden na de eerste dosis Prevenar 13. De immuunresponsen werden beoordeeld
bij 231-255 beoordeelbare proefpersonen, ongeveer 1 maand na elke dosis Prevenar 13.
Na de eerste dosis veroorzaakte Prevenar 13 antilichaamresponsen gemeten met zowel IgG GMC’s als
OPA GMT’s die statistisch significant hoger waren dan de spiegels voorafgaand aan vaccinatie. Na de
tweede en derde dosis Prevenar 13 waren de immuunresponsen vergelijkbaar met of hoger dan die na
de eerste dosis. In de studie hadden 162 proefpersonen een eerdere dosis 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin ontvangen, 143 proefpersonen 2 eerdere doses en
26 proefpersonen meer dan 2 eerdere doses 23-valent polysaccharidevaccin. De proefpersonen die
twee of meer eerdere doses 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin kregen, vertoonden een
immuunrespons die vergelijkbaar was met die van proefpersonen die één eerdere dosis kregen.
Hematopoëtische stamceltransplantatie
Kinderen en volwassenen met een allogene hematopoëtische stamceltransplantatie (HSCT) op een
leeftijd van ≥ 2 jaar oud met volledige hematologische remissie van onderliggende ziekte of met zeer
goede gedeeltelijke remissie in geval van lymfoom en myeloom, ontvingen drie doses Prevenar 13 met
een interval van ten minste 1 maand tussen de doses. De eerste dosis werd 3 tot 6 maanden na HSCT
toegediend. Een vierde (booster) dosis Prevenar 13 werd 6 maanden na de derde dosis toegediend. In
25
navolging van de algemene aanbevelingen werd een enkele dosis 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin toegediend 1 maand na de vierde dosis Prevenar 13. De
immuunresponsen zoals gemeten met IgG GMC’s werden bij 168-211 evalueerbare proefpersonen
bepaald ongeveer 1 maand na vaccinatie. Prevenar 13 veroorzaakte verhoogde antilichaamspiegels na
elke dosis Prevenar 13. De immuunresponsen na de vierde dosis Prevenar 13 waren voor alle
serotypen significant verhoogd vergeleken met na de derde dosis. Functionele antilichaamtiters (OPA
titers) zijn niet gemeten in deze studie.
5.2
Farmacokinetische eigenschappen
Niet van toepassing.
5.3
Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Niet-klinische gegevens duiden niet op een speciaal risico voor mensen. Deze gegevens zijn afkomstig
van conventioneel onderzoek op het gebied van veiligheidsfarmacologie, toxiciteit bij eenmalige en
herhaalde dosering, lokale tolerantie en reproductie- en ontwikkelingstoxiciteit.
6.
6.1
FARMACEUTISCHE GEGEVENS
Lijst van hulpstoffen
Natriumchloride
Barnsteenzuur
Polysorbaat 80
Water voor injecties
Voor adjuvantia, zie rubriek 2.
6.2
Gevallen van onverenigbaarheid
Bij gebrek aan onderzoek naar onverenigbaarheden, mag dit geneesmiddel niet met andere
geneesmiddelen gemengd worden.
6.3
3 jaar.
6.4
Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Houdbaarheid
Bewaren in de koelkast (2°C – 8°C). Niet in de vriezer bewaren.
Prevenar 13 is gedurende 4 dagen stabiel bij temperaturen tot 25
o
C. Aan het eind van deze periode
dient Prevenar 13 te worden gebruikt of afgevoerd. Deze gegevens zijn bedoeld als leidraad voor
beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg in geval van tijdelijke temperatuur afwijkingen.
6.5
Aard en inhoud van de verpakking
0,5 ml suspensie voor injectie in een voorgevulde spuit (Type I glas) met een zuiger (latexvrij
chlorobutylrubber) en een tip-beschermdopje (latexvrij isopreen bromobutylrubber).
Verpakkingsgroottes van 1, 10 en 50, met of zonder naald.
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
26
6.6
Speciale voorzorgsmaatregelen voor verwijderen en andere instructies
Tijdens opslag kan een witte neerslag en een helder supernatant worden waargenomen. Dit is geen
teken van bederf.
Het vaccin moet goed worden geschud om een homogene, witte suspensie te verkrijgen voordat lucht
uit de spuit verwijderd wordt en moet vóór toediening visueel worden gecontroleerd op vaste deeltjes
en/of een verandering in het fysieke voorkomen. Niet gebruiken als de inhoud er anders uitziet.
Geen bijzondere vereisten voor verwijdering.
Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale
voorschriften.
7.
HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Pfizer Europe MA EEIG
Boulevard de la Plaine 17
1050 Brussel
België
8.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
EU/1/09/590/001
EU/1/09/590/002
EU/1/09/590/003
EU/1/09/590/004
EU/1/09/590/005
EU/1/09/590/006
9.
DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN
DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 09 december 2009
Datum van laatste verlenging: 18 september 2014
10.
DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees
Geneesmiddelenbureau (http://www.ema.europa.eu).
27
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Prevenar 13 suspensie voor injectie in een injectieflacon met een enkelvoudige dosis.
pneumokokkenpolysaccharidenconjugaatvaccin (13-valent, geadsorbeerd)
2.
KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
1 dosis (0,5 ml) bevat:
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 1
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 3
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 4
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 5
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 6A
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 6B
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 7F
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 9V
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 14
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 18C
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 19A
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 19F
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 23F
1
1
2,2 µg
2,2 µg
2,2 µg
2,2 µg
2,2 µg
4,4 µg
2,2 µg
2,2 µg
2,2 µg
2,2 µg
2,2 µg
2,2 µg
2,2 µg
Geconjugeerd aan het dragereiwit CRM
197
, geadsorbeerd aan aluminiumfosfaat.
1 dosis (0,5 ml) bevat ongeveer 32 µg dragereiwit CRM
197
en 0,125 mg aluminium.
Hulpstoffen met bekend effect:
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3.
FARMACEUTISCHE VORM
Suspensie voor injectie in een injectieflacon met een enkelvoudige dosis.
Het vaccin is een homogene witte suspensie.
4.
4.1
KLINISCHE GEGEVENS
Therapeutische indicaties
Actieve immunisatie voor de preventie van invasieve ziekten, pneumonie en acute otitis media
veroorzaakt door
Streptococcus pneumoniae
bij zuigelingen, kinderen en adolescenten in de leeftijd
van 6 weken tot en met 17 jaar.
Actieve immunisatie voor de preventie van invasieve ziekten en pneumonie veroorzaakt door
Streptococcus pneumoniae
bij volwassenen ≥ 18 jaar en ouderen.
Zie de rubrieken 4.4 en 5.1 voor informatie over bescherming tegen specifieke
pneumokokkenserotypen.
Het gebruik van Prevenar 13 dient te worden bepaald op basis van officiële aanbevelingen waarbij
rekening wordt gehouden met zowel het risico op invasieve ziekten en pneumonie in verschillende
leeftijdsgroepen en onderliggende comorbiditeiten als met de variabiliteit van de epidemiologie van
serotypen in verschillende geografische gebieden.
28
4.2
Dosering en wijze van toediening
De immunisatieschema’s voor Prevenar 13 dienen gebaseerd te zijn op officiële aanbevelingen.
Dosering
Zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar
Het wordt aanbevolen dat zuigelingen die een eerste dosis Prevenar 13 krijgen het vaccinatieschema
met Prevenar 13 afmaken.
Zuigelingen van 6 weken - 6 maanden
Drie-doses primaire serie
De aanbevolen immunisatieserie bestaat uit vier doses, elk van 0,5 ml. De primaire zuigelingenserie
bestaat uit drie doses, de eerste dosis gewoonlijk gegeven op de leeftijd van 2 maanden en met een
interval van ten minste 1 maand tussen de doses. De eerste dosis mag ook al bij zes weken worden
gegeven. De vierde (booster) dosis wordt aanbevolen bij een leeftijd tussen 11 en 15 maanden.
Twee-doses primaire serie
Als Prevenar 13 wordt toegediend als onderdeel van een routinematig immunisatieprogramma voor
zuigelingen, kan ook een schema dat bestaat uit 3 doses, elk van 0,5 ml, worden gegeven. De eerste
dosis kan worden toegediend vanaf een leeftijd van 2 maanden met een tweede dosis 2 maanden later.
De derde (booster) dosis wordt aanbevolen bij een leeftijd tussen 11 en 15 maanden (zie rubriek 5.1).
Te vroeg geboren zuigelingen (zwangerschap < 37 weken)
Bij te vroeg geboren zuigelingen bestaat de aanbevolen immunisatieserie uit vier doses, elk van 0,5
ml. De primaire serie voor zuigelingen bestaat uit drie doses, waarbij de eerste dosis wordt gegeven op
de leeftijd van 2 maanden en er een interval van ten minste 1 maand tussen de doses wordt toegepast.
De eerste dosis mag al bij zes weken worden gegeven. De vierde (booster) dosis wordt aanbevolen bij
een leeftijd tussen 11 en 15 maanden (zie rubrieken 4.4 en 5.1).
Ongevaccineerde zuigelingen en kinderen ≥ 7 maanden
Zuigelingen van 7 - 11 maanden
Twee doses, elk van 0,5 ml, met een interval van ten minste 1 maand tussen de doses. Een derde dosis
wordt aanbevolen in het tweede levensjaar.
Kinderen van 12 - 23 maanden
Twee doses, elk van 0,5 ml, met een interval van ten minste 2 maanden tussen de doses (zie rubriek
5.1).
Kinderen en adolescenten van 2 - 17 jaar
Eén enkele dosis van 0,5 ml.
Prevenar 13 vaccinatieschema voor zuigelingen en kinderen voorheen gevaccineerd met Prevenar (7-
valent) (Streptococcus
pneumoniae
serotypen 4, 6B, 9V, 14, 18C, 19F en 23F)
Prevenar 13 bevat dezelfde 7 serotypen als Prevenar en gebruikt hetzelfde dragereiwit CRM
197.
Zuigelingen en kinderen die de immunisatie zijn begonnen met Prevenar kunnen op elk moment in het
schema overstappen op Prevenar 13.
Jonge kinderen (12-59 maanden) die volledig zijn geïmmuniseerd met Prevenar (7-valent)
29
Jonge kinderen die als volledig geïmmuniseerd met Prevenar (7-valent) worden beschouwd, dienen
één dosis van 0,5 ml Prevenar 13 te krijgen om immuunresponsen teweeg te brengen op de 6 overige
serotypen. Deze dosis Prevenar 13 dient ten minste 8 weken na de laatste dosis Prevenar (7-valent) te
worden toegediend (zie rubriek 5.1).
Kinderen en adolescenten van 5 - 17 jaar
Kinderen van 5 tot en met 17 jaar mogen één dosis Prevenar 13 toegediend krijgen indien zij eerder
zijn gevaccineerd met een of meer doses Prevenar. Deze dosis Prevenar 13 moet worden toegediend
ten minste 8 weken na de laatste dosis Prevenar (7-valent) (zie rubriek 5.1).
Volwassenen ≥ 18 jaar en ouderen
Eén enkele dosis.
De noodzaak van revaccinatie met een volgende dosis Prevenar 13 is niet vastgesteld.
Als het gebruik van een 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin zinvol wordt geacht, dient
eerst Prevenar 13 gegeven te worden, ongeacht de eerdere pneumokokkenvaccinatiestatus (zie de
rubrieken 4.5 en 5.1).
Speciale populaties
Personen die onderliggende aandoeningen hebben waardoor ze gevoelig zijn voor invasieve
pneumokokkenziekte (zoals sikkelcelziekte of hiv-infectie), waaronder diegenen die eerder zijn
gevaccineerd met een of meerdere doses 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin, mogen
minimaal één dosis Prevenar 13 toegediend krijgen (zie rubriek 5.1).
Bij personen met een hematopoëtische stamceltransplantatie (HSCT) bestaat de aanbevolen
immunisatieserie uit vier doses Prevenar 13 van elk 0,5 ml. De primaire serie bestaat uit drie doses,
waarbij de eerste dosis 3 tot 6 maanden na HSCT wordt gegeven en met een interval van ten minste 1
maand tussen de doses. Een vierde (booster) dosis wordt aanbevolen 6 maanden na de derde dosis (zie
rubriek 5.1).
Wijze van toediening
Het vaccin dient te worden toegediend als intramusculaire injectie. De voorkeursplaatsen zijn het
anterolaterale aspect van de dij (musculus vastus lateralis) bij de zuigeling of de deltoïdeusspier van de
bovenarm bij kinderen en volwassenen.
4.3
Contra-indicaties
Overgevoeligheid voor de werkzame stoffen of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen of
voor het difterietoxoïd.
Zoals dat ook voor andere vaccins geldt, dient de toediening van Prevenar 13 te worden uitgesteld bij
patiënten die aan een acute, ernstige ziekte met koorts lijden. Echter, aanwezigheid van een milde
infectie, zoals een verkoudheid, dient geen uitstel van vaccinatie tot gevolg te hebben.
4.4
Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Prevenar 13 mag niet intravasculair worden toegediend.
Zoals bij alle injecteerbare vaccins dienen passende medische behandeling en toezicht altijd direct
beschikbaar te zijn voor het geval zich in zeldzame gevallen een anafylactische reactie voordoet na
toediening van het vaccin.
Dit vaccin mag niet worden gegeven als een intramusculaire injectie aan personen met
trombocytopenie of een stollingsstoornis die een contra-indicatie zou vormen voor een intramusculaire
30
injectie, maar kan subcutaan worden toegediend, indien het potentiële voordeel duidelijk opweegt
tegen de risico's (zie rubriek 5.1).
Prevenar 13 zal alleen beschermen tegen serotypen van
Streptococcus pneumoniae
die zich in het
vaccin bevinden, en zal geen bescherming bieden tegen andere micro-organismen die invasieve
ziekten, pneumonie of otitis media veroorzaken. Zoals voor elk vaccin geldt, kan het zijn dat
Prevenar 13 niet alle personen die het vaccin krijgen beschermt tegen pneumokokkenziekte.
Raadpleeg de desbetreffende nationale organisatie voor de meest recente epidemiologische informatie
in uw land.
Bij personen met verminderde immuunresponsiviteit, door het gebruik van immunosuppressiva,
genetische afwijkingen, hiv (humaan immunodeficiëntievirus-)infectie of andere oorzaken, kan de
antilichaamrespons op actieve immunisatie verminderd zijn.
Over een beperkt aantal personen met sikkelcelziekte, hiv-infectie of een hematopoëtische
stamceltransplantatie zijn veiligheids- en immunogeniciteitsgegevens beschikbaar (zie rubriek 5.1).
Over personen uit andere specifieke immuungecompromitteerde groepen (bijvoorbeeld maligniteiten
of nefrotisch syndroom) zijn geen veiligheids- en immunogeniciteitsgegevens voor Prevenar 13
beschikbaar. Vaccinatie dient dan op individuele basis te worden overwogen.
Dit geneesmiddel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per dosis, dat wil zeggen dat het in
essentie “natriumvrij” is.
Zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar
In klinische studies bracht Prevenar 13 een immuunrespons teweeg voor alle dertien serotypen in het
vaccin. De immuunrespons voor serotype 3 was na de boosterdosis niet toegenomen boven het niveau
na de zuigelingenvaccinatieseries; de klinische relevantie van deze observatie voor de inductie van
immunologisch geheugen voor serotype 3 is onbekend (zie rubriek 5.1).
Het aandeel van functionele antilichaamresponders (OPA-titers ≥ 1:8) op serotypen 1, 3 en 5 was
hoog. Echter, de OPA geometrische gemiddelde titers waren lager dan die voor elk van de
overgebleven additionele vaccinserotypen; de klinische relevantie van deze waarneming voor de
beschermende werkzaamheid is niet bekend (zie rubriek 5.1).
Beperkte gegevens hebben aangetoond dat Prevenar 7-valent (primaire serie van drie doses) een
acceptabele immuunrespons induceert bij kinderen met sikkelcelziekte met een veiligheidsprofiel
vergelijkbaar met dat wat bij niet-hoog-risicogroepen werd waargenomen (zie rubriek 5.1).
Kinderen onder de 2 jaar dienen de bij de leeftijd passende Prevenar 13-vaccinatieserie te krijgen (zie
rubriek 4.2). Het gebruik van pneumokokkenconjugaatvaccin vervangt niet het gebruik van 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin bij kinderen ≥ 2 jaar met aandoeningen die hen een groter risico
opleveren voor invasieve ziekten veroorzaakt door
Streptococcus pneumoniae
(zoals sikkelcelziekte,
asplenie, hiv-infectie, chronische ziekten, of zij die immuungecompromitteerd zijn). Wanneer
aanbevolen dienen kinderen met een leeftijd
24 maanden die risico lopen en al eerder Prevenar 13
(“priming”) hebben gehad het 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin te ontvangen. Het
interval tussen de toediening van het 13-valent pneumokokkenconjugaatvaccin (Prevenar 13) en het
23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin dient niet minder dan 8 weken te bedragen. Er zijn
geen gegevens beschikbaar die aangeven of toediening van 23-valent pneumokokkenpolysaccharide-
vaccin aan ongevaccineerde kinderen of kinderen die eerder Prevenar 13 hebben gehad zou kunnen
resulteren in hyporesponsiviteit op verdere doses Prevenar 13.
Bij toediening van de primaire immunisatieserie aan zeer premature kinderen (geboren
28 weken
zwangerschap) moet rekening worden gehouden met het potentiële risico op apneu en moet de
benodigde controle van de ademhaling gedurende 48-72 uur overwogen worden, vooral bij kinderen
31
met een voorgeschiedenis van onvoldoende rijping van de longen. Aangezien het voordeel van
vaccinatie groot is bij deze groep kinderen, moet vaccinatie niet worden onthouden of uitgesteld.
Bij vaccinserotypen wordt verwacht dat de bescherming tegen otitis media lager is dan de
bescherming tegen invasieve ziekten. Aangezien otitis media wordt veroorzaakt door vele andere
organismen dan de pneumokokkenserotypen die in het vaccin gerepresenteerd worden, wordt
verwacht dat de bescherming tegen alle otitis media laag is (zie rubriek 5.1).
Wanneer Prevenar 13 gelijktijdig wordt toegediend met Infanrix hexa (DTPa-HBV-IPV/Hib), komt
het aantal koortsreacties dat optreedt overeen met het aantal dat wordt waargenomen bij gelijktijdige
toediening van Prevenar (7-valent) en Infanrix hexa (zie rubriek 4.8). Een verhoogd aantal meldingen
van convulsies (met of zonder koorts) en hypotonisch hyporesponsieve episode (HHE) zijn
waargenomen bij gelijktijdige toediening van Prevenar 13 en Infanrix hexa (zie rubriek 4.8).
Antipyretische behandeling dient te worden gestart in overeenstemming met de plaatselijke
behandelingsrichtlijnen voor kinderen met epileptische stoornissen of kinderen met een
voorgeschiedenis van koortsstuipen en voor alle kinderen die Prevenar 13 tegelijkertijd krijgen
toegediend met vaccins die volledige cellen van pertussis bevatten.
4.5
Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar
Prevenar 13 kan gelijktijdig worden toegediend met elk van de volgende vaccinantigenen, hetzij als
monovalent of als combinatievaccins: difterie, tetanus, acellulaire pertussis of pertussis met volledige
cellen,
Haemophilus influenzae
type b, geïnactiveerde poliomyelitis, hepatitis B (zie rubriek 4.4 voor
advies over Infanrix hexa), meningokokken serogroep C, mazelen, de bof, rubella, varicella en het
vaccin tegen rotavirus.
Prevenar 13 kan ook gelijktijdig worden toegediend tussen 12-23 maanden met het tetanustoxoïd-
meningokokkenpolysaccharideconjugaatvaccin serogroepen A, C, W en Y aan kinderen die voldoende
geprimed zijn met Prevenar 13 (volgens lokale aanbevelingen).
Gegevens uit een klinische postmarketingstudie die de impact van het profylactisch gebruik van
antipyretica evalueerde (ibuprofen en paracetamol) op de immuunrespons van Prevenar 13 suggereren
dat toediening van paracetamol, gelijktijdig of op dezelfde dag als de vaccinatie, de immuunrespons
van Prevenar 13 na de zuigelingenseries kan reduceren. Responsen op de boosterdosis toegediend bij
12 maanden waren onveranderd. De klinische significantie van deze observatie is niet bekend.
Kinderen en adolescenten van 6 tot en met 17 jaar
Momenteel zijn geen gegevens beschikbaar over het gelijktijdig gebruik met andere vaccins.
Volwassenen van 18 tot en met 49 jaar
Er zijn geen gegevens beschikbaar over het gelijktijdig gebruik met andere vaccins.
Volwassenen van 50 jaar en ouder
Prevenar 13 kan gelijktijdig met het trivalente geïnactiveerde seizoenvaccin tegen influenza (TIV)
worden toegediend.
In twee onderzoeken bij volwassenen van 50-59 jaar en 65 jaar en ouder werd aangetoond dat
Prevenar 13 gelijktijdig met het trivalente geïnactiveerde influenzavaccin (TIV) kan worden
toegediend. De respons op alle drie TIV-antigenen was vergelijkbaar wanneer TIV alleen of
gelijktijdig met Prevenar 13 werd gegeven.
32
Als Prevenar 13 gelijktijdig met TIV werd toegediend, was de immuunrespons op Prevenar 13 lager in
vergelijking met de toediening van Prevenar 13 alleen. Er was echter geen langetermijnimpact op de
circulerende antilichaamniveaus.
In een derde onderzoek bij volwassenen in de leeftijd van 50-93 jaar werd aangetoond dat Prevenar 13
gelijktijdig met het quadrivalente geïnactiveerde seizoenvaccin tegen influenza (QIV) kan worden
toegediend. De immuunresponsen op alle vier QIV-stammen waren niet inferieur als Prevenar 13
gelijktijdig met QIV werd toegediend in vergelijking met de toediening van QIV alleen.
De immuunresponsen op Prevenar 13 waren niet inferieur als Prevenar 13 gelijktijdig met QIV werd
toegediend in vergelijking met de toediening van Prevenar 13 alleen. Zoals bij gelijktijdige toediening
met trivalente vaccins, waren de immuunresponsen op sommige pneumokokkenserotypen lager als
beide vaccins gelijktijdig werden toegediend.
Gelijktijdig gebruik met andere vaccins is niet onderzocht.
Verschillende injecteerbare vaccins moeten altijd op verschillende vaccinatieplaatsen worden
toegediend.
Gelijktijdige toediening van Prevenar 13 en 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin is niet
onderzocht. Als in klinisch onderzoek Prevenar 13 1 jaar na 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin werd toegediend, waren de immuunresponsen voor alle
serotypen lager dan als Prevenar 13 werd toegediend aan proefpersonen die niet eerder waren
geïmmuniseerd met het 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin. De klinische significantie
hiervan is niet bekend.
4.6
Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Er zijn geen gegevens over het gebruik van 13-valent pneumokokkenconjugaatvaccin bij zwangere
vrouwen. Daarom dient het gebruik van Prevenar 13 vermeden te worden tijdens de zwangerschap.
Borstvoeding
Het is niet bekend of 13-valent pneumokokkenconjugaatvaccin wordt uitgescheiden in de
moedermelk.
Vruchtbaarheid
De resultaten van dieronderzoek duiden niet op directe of indirecte schadelijke effecten wat betreft
reproductietoxiciteit (zie rubriek 5.3).
4.7
Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Prevenar 13 heeft geen of een verwaarloosbare invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om
machines te bedienen. Sommige bijwerkingen die genoemd worden in rubriek 4.8 “Bijwerkingen”
kunnen echter de rijvaardigheid of het vermogen om machines te bedienen tijdelijk beïnvloeden.
4.8
Bijwerkingen
Analyse van postmarketingmeldingen suggereren een potentieel verhoogd risico op convulsies, met of
zonder koorts, en HHE bij vergelijking van groepen die Prevenar 13 met Infanrix hexa gebruiken ten
opzichte van groepen die alleen Prevenar 13 gebruiken.
De bijwerkingen die gerapporteerd werden in klinische studies of uit postmarketingervaring worden
voor alle leeftijdsgroepen weergegeven per systeem/orgaanklasse, naar afnemende frequentie en ernst.
33
De frequentie is als volgt gedefinieerd: zeer vaak ( 1/10), vaak ( 1/100, < 1/10), soms ( 1/1.000,
< 1/100), zelden ( 1/10.000, < 1/1.000), zeer zelden (< 1/10.000), niet bekend (kan met de
beschikbare gegevens niet worden bepaald).
Zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar
De veiligheid van het vaccin werd beoordeeld in verschillende gecontroleerde klinische studies
waarbij 14.267 doses werden gegeven aan 4.429 gezonde zuigelingen van 6 weken bij de eerste
vaccinatie en 11-16 maanden bij de boosterdosis. Bij alle zuigelingenstudies werd Prevenar 13
gelijktijdig toegediend met routinematig toegediende kindervaccins (zie rubriek 4.5).
De veiligheid werd ook beoordeeld bij 354 voorheen ongevaccineerde kinderen (met een leeftijd van 7
maanden tot en met 5 jaar).
De meest gemelde bijwerkingen bij kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar waren reacties op de plaats
van vaccinatie, koorts, prikkelbaarheid, verminderde eetlust en meer en/of minder slapen.
In een klinische studie bij zuigelingen die werden gevaccineerd op de leeftijd van 2, 3 en 4 maanden
waren er meer meldingen van koorts ≥ 38°C bij de kinderen die Prevenar (7-valent) gelijktijdig kregen
toegediend met Infanrix hexa (28,3% tot 42,3%) dan bij kinderen die alleen Infanrix hexa kregen
(15,6% tot 23,1%). Na een boosterdosis op de leeftijd van 12 tot en met 15 maanden werd koorts
≥ 38°C gemeld bij 50% van de kinderen die Prevenar (7-valent) en Infanrix hexa gelijktijdig kregen
toegediend, in vergelijking met 33,6% van de kinderen die alleen Infanrix hexa kregen toegediend.
Deze koortsreacties waren meestal matig ernstig (lager dan of gelijk aan 39 °C) en van voorbijgaande
aard.
Een verhoging van reacties op de plaats van vaccinatie werd gemeld bij kinderen ouder dan 12
maanden vergeleken met de percentages waargenomen bij zuigelingen gedurende de primaire series
met Prevenar 13.
Bijwerkingen uit klinische studies
In klinische studies was het veiligheidsprofiel van Prevenar 13 vergelijkbaar met dat van Prevenar. De
volgende frequenties zijn gebaseerd op bijwerkingen die zijn beoordeeld in klinische studies met Prevenar 13:
Immuunsysteemaandoeningen:
Zelden:
Overgevoeligheidsreacties inclusief gezichtsoedeem, dyspneu, bronchospasme
Zenuwstelselaandoeningen:
Soms:
Insulten (inclusief febriele insulten)
Zelden:
Hypotoon-hyporesponsieve episode
Maagdarmstelselaandoeningen:
Zeer vaak:
Verminderde eetlust
Vaak:
Braken, diarree
Huid- en onderhuidaandoeningen:
Vaak:
Uitslag
Soms:
Urticaria of urticaria-achtige uitslag
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen:
Zeer vaak:
Pyrexie, prikkelbaarheid, erytheem op de plaats van vaccinatie, induratie/zwelling of
pijn/gevoeligheid, slaperigheid, slecht slapen
Erytheem op de plaats van vaccinatie of induratie/zwelling 2,5 cm–7,0 cm (na de
boosterdosis en bij oudere kinderen [leeftijd 2 tot en met 5 jaar])
Vaak:
Pyrexie > 39°C, bewegingsbeperking op de plaats van vaccinatie (door pijn),
erytheem op de plaats van vaccinatie of induratie/zwelling 2,5 cm – 7,0 cm (na de
zuigelingenserie)
34
Soms:
Erytheem op de plaats van vaccinatie, induratie/zwelling >7,0 cm, huilen
Aanvullende informatie in speciale populaties
Apneu bij zeer premature kinderen ( 28 weken zwangerschap) (zie rubriek 4.4).
Kinderen en adolescenten van 6 tot en met 17 jaar
De veiligheid werd geëvalueerd bij 592 kinderen (294 kinderen van 5 tot en met 10 jaar die eerder
waren geïmmuniseerd met ten minste één dosis Prevenar, en bij 298 kinderen van 10 tot en met 17 jaar
die niet eerder een pneumokokkenvaccin hadden gekregen).
De meest voorkomende bijwerkingen bij kinderen en adolescenten van 6 tot en met 17 jaar waren:
Zenuwstelselaandoeningen:
Vaak:
Hoofdpijn
Maagdarmstelselaandoeningen:
Zeer vaak:
Verminderde eetlust
Vaak:
Braken, diarree
Huid- en onderhuidaandoeningen:
Vaak:
Huiduitslag, urticaria of urticaria-achtige huiduitslag
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen:
Zeer vaak:
Prikkelbaarheid, erytheem op de vaccinatieplaats, induratie/zwelling of
pijn/gevoeligheid, slaperigheid, slecht slapen, gevoeligheid op de vaccinatieplaats
(inclusief bewegingsbeperking)
Vaak:
Koorts
Andere bijwerkingen die eerder zijn waargenomen bij zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met
5 jaar kunnen ook op deze leeftijdsgroep van toepassing zijn, maar zijn niet in dit onderzoek
waargenomen, mogelijk door de kleine steekproefgrootte.
Aanvullende informatie over speciale populaties
Kinderen en adolescenten met sikkelcelziekte, hiv-infectie of een hematopoëtische
stamceltransplantatie hebben vergelijkbare frequenties van bijwerkingen, behalve dat hoofdpijn,
braken, diarree, pyrexie, vermoeidheid, artralgie en myalgie zeer vaak voorkwamen.
Volwassenen ≥ 18 jaar en ouderen
De veiligheid werd beoordeeld in 7 klinische onderzoeken met 91.593 volwassenen in de leeftijd van
18 tot en met 101 jaar. Prevenar 13 werd toegediend aan 48.806 volwassenen; 2.616 (5,4%) in de
leeftijd van 50 tot en met 64 jaar en 45.291 (92,8%) van 65 jaar en ouder. Aan een van de 7
onderzoeken nam een groep volwassenen deel (n=899) met een leeftijd die varieerde van 18 tot en met
49 jaar die Prevenar 13 kregen en die niet eerder waren gevaccineerd met 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin. Van de volwassenen die Prevenar 13 kregen, waren er 1.916
eerder gevaccineerd met het 23-valente pneumokokkenpolysaccharidevaccin ten minste 3 jaar voor de
onderzoeksvaccinatie; 46.890 hadden niet eerder het 23-valente pneumokokkenpolysaccharidevaccin
gekregen.
Een trend naar een lagere frequentie van bijwerkingen werd geassocieerd met hogere leeftijd;
volwassenen > 65 jaar oud (ongeacht eerdere pneumokokkenvaccinatiestatus) meldden minder
bijwerkingen dan jongere volwassenen, waarbij de bijwerkingen in het algemeen het vaakst
voorkwamen bij de jongste volwassenen, namelijk die van 18 tot en met 29 jaar oud.
In het algemeen waren de frequentiecategorieën in alle leeftijdsgroepen vergelijkbaar, met
uitzondering van braken, wat zeer vaak voorkwam ( 1/10) bij volwassenen van 18 tot en met 49 jaar
35
oud en vaak ( 1/100, < 1/10) in alle andere leeftijdsgroepen, en pyrexie kwam zeer vaak voor bij
volwassenen van 18 tot en met 29 jaar oud en vaak in alle andere leeftijdsgroepen. Ernstige
pijn/gevoeligheid op de vaccinatieplaats en ernstige beperking van de armbeweging kwam zeer vaak
voor bij volwassenen van 18 tot en met 39 jaar oud en kwam vaak voor in alle andere leeftijdsgroepen.
Bijwerkingen uit klinische studies
In 6 studies werden de lokale en systemische reacties na elke vaccinatie 14 dagen lang bijgehouden; in
de resterende studie gebeurde dit gedurende 7 dagen. De volgende frequenties zijn gebaseerd op
bijwerkingen beoordeeld in klinische studies van Prevenar 13 bij volwassenen:
Voedings- en stofwisselingsstoornissen:
Zeer vaak:
Verminderde eetlust
Zenuwstelselaandoeningen:
Zeer vaak:
Hoofdpijn
Maagdarmstelselaandoeningen:
Zeer vaak:
Diarree, braken (bij volwassenen van 18 tot en met 49 jaar)
Vaak:
Braken (bij volwassenen van 50 jaar en ouder)
Soms:
Misselijkheid
Immuunsysteemaandoeningen:
Soms:
Overgevoeligheidsreacties, waaronder oedeem in het gezicht, dyspnoe,
bronchospasmen
Huid- en onderhuidaandoeningen:
Zeer vaak:
Huiduitslag
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen:
Zeer vaak:
Koude rillingen, vermoeidheid, roodheid op de vaccinatieplaats, induratie of zwelling
op de vaccinatieplaats; pijn/gevoeligheid op de vaccinatieplaats (ernstige
pijn/gevoeligheid op de vaccinatieplaats komt zeer vaak voor bij volwassenen van 18
tot en met 39 jaar); beperking van de armbeweging (ernstige beperking van de
armbeweging komt zeer vaak voor bij volwassenen van 18 tot en met 39 jaar).
Vaak:
Koorts (komt zeer vaak voor bij volwassenen van 18 tot en met 29 jaar).
Soms:
Lymfadenopathie in het gebied van de vaccinatieplaats.
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen:
Zeer vaak:
Spier- en gewrichtspijn.
In het algemeen werden geen significante verschillen in de frequentie van bijwerkingen waargenomen
bij toediening van Prevenar 13 aan volwassenen die eerder geïmmuniseerd waren met het
pneumokokkenpolysaccharidevaccin.
Aanvullende informatie over speciale populaties
Volwassenen met hiv-infectie hebben vergelijkbare frequenties van bijwerkingen, behalve dat pyrexie
en braken zeer vaak voorkwamen en misselijkheid vaak.
Volwassenen met een hematopoëtische stamceltransplantatie hebben vergelijkbare frequenties van
bijwerkingen, behalve dat pyrexie en braken zeer vaak voorkwamen.
Als Prevenar 13 gelijktijdig met trivalent, geïnactiveerd influenzavaccin (TIV) werd toegediend,
werden hogere frequenties van een aantal bijgehouden systemische reacties waargenomen dan bij
toediening van TIV alleen (hoofdpijn, koude rillingen, huiduitslag, verminderde eetlust, gewrichtspijn
en spierpijn) of Prevenar 13 alleen (hoofdpijn, vermoeidheid, koude rillingen, verminderde eetlust en
gewrichtspijn).
36
Bijwerkingen van Prevenar 13 tijdens postmarketingervaring
De volgende geneesmiddelbijwerkingen worden beschouwd als bijwerkingen van Prevenar 13; omdat
deze reacties zijn gebaseerd op spontane meldingen, konden de frequenties niet worden bepaald en
worden deze daarom als niet bekend beschouwd.
Bloed- en lymfestelselaandoeningen:
Lymfadenopathie (gelokaliseerd in het gebied rond de vaccinatieplaats)
Immuunsysteemaandoeningen:
Anafylactische/anafylactoïde reacties waaronder shock, angio-oedeem
Huid- en onderhuidaandoeningen:
Erythema multiforme
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen:
Urticaria op de vaccinatieplaats, dermatitis op de vaccinatieplaats, pruritus op de
vaccinatieplaats, blozen
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op
deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden
gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen
te melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in aanhangsel V.
4.9
Overdosering
Overdosering met Prevenar 13 is niet waarschijnlijk wegens de presentatie als een injectieflacon met een
enkelvoudige dosis. Echter bij zuigelingen en kinderen zijn er meldingen geweest van overdosering met
Prevenar 13 gedefinieerd als gevallen van opvolgende doses die dichter op elkaar zijn toegediend dan is
aanbevolen. Bijwerkingen die gemeld zijn bij overdosering zijn in het algemeen vergelijkbaar met de
bijwerkingen die gemeld worden bij doses in het aanbevolen schema van Prevenar 13 voor kinderen.
5.
5.1
FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: vaccins, pneumokokkenvaccins, ATC-code: J07AL02.
Prevenar 13 bevat de 7 pneumokokken capsulaire polysacchariden die ook in Prevenar zitten (4, 6B,
9V, 14, 18C, 19F, 23F) plus 6 additionele polysacchariden (1, 3, 5, 6A, 7F, 19A), alle geconjugeerd
aan CRM
197
dragereiwit.
Ziektelast
Zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar oud
Gebaseerd op serotype surveillance in Europa uitgevoerd vóór de introductie van Prevenar, wordt
geschat dat Prevenar 13 een dekking heeft van 73-100% (afhankelijk van het land) van serotypen die
invasieve pneumokokkenziekten (IPD) veroorzaken bij kinderen jonger dan 5 jaar. In deze
leeftijdsgroep dragen serotypen 1, 3, 5, 6A, 7F en 19A voor 15,6% tot 59,7% bij aan invasieve ziekte,
afhankelijk van het land, de bestudeerde tijdsperiode en het gebruik van Prevenar.
Acute otitis media (AOM) is een algemene kinderziekte met verschillende etiologieën. Bacteriën
kunnen verantwoordelijk zijn voor 60-70% van de klinische episoden van AOM.
S. pneumoniae
is
wereldwijd één van de meest voorkomende oorzaken van bacteriële AOM.
37
Geschat wordt dat Prevenar 13 een dekking geeft van 90% van de serotypen die antimicrobieel
resistente IPD veroorzaken.
Kinderen en adolescenten van 6 tot en met 17 jaar
Bij kinderen en adolescenten van 6 tot en met 17 jaar is de incidentie van pneumokokkenziekte laag,
maar er is een grotere kans op morbiditeit en mortaliteit bij personen met onderliggende
comorbiditeiten.
Volwassenen ≥ 18 jaar en ouderen
Pneumonie is de meest voorkomende klinische verschijningsvorm van pneumokokkenziekte bij
volwassenen.
De gemelde incidentie van buiten het ziekenhuis opgelopen pneumonie (CAP) en IPD in Europa
verschilt per land, neemt vanaf het vijftigste levensjaar toe met de jaren en is het hoogst bij mensen
≥ 65 jaar.
S. pneumoniae
is de meest voorkomende oorzaak van CAP, en is in ontwikkelde landen
verantwoordelijk voor naar schatting circa 30% van alle gevallen van CAP bij volwassenen waarbij
ziekenhuisopname noodzakelijk is.
Bacteriëmische pneumonie (ongeveer 80% van de IPD-gevallen bij volwassenen), bacteriëmie zonder
een focus en meningitis zijn de meest voorkomende manifestaties van IPD bij volwassenen. Uit
surveillance gegevens blijkt dat na de introductie van Prevenar maar voor de introductie van
Prevenar 13 in jeugdvaccinatieprogramma’s de pneumokokkenserotypen in Prevenar 13
verantwoordelijk kunnen zijn voor ten minste 50-76% (afhankelijk van het land) van de IPD-gevallen
bij volwassenen.
Het risico op CAP en IPD bij volwassenen is ook hoger bij onderliggende chronische medische
aandoeningen, met name anatomische of functionele asplenie, diabetes mellitus, astma, chronische
cardiovasculaire, pulmonale, nier- of leveraandoening, en is het hoogst bij diegenen bij wie sprake is
van immuunsuppressie zoals bij personen met een maligne hematologische aandoening of hiv-infectie.
Prevenar 13 klinische immunogeniciteitsstudies bij zuigelingen, kinderen en adolescenten
De beschermende werkzaamheid van Prevenar 13 tegen IPD is niet bestudeerd. Zoals aanbevolen door
de World Health Organization (WHO) is de beoordeling van de mogelijke werkzaamheid tegen IPD
bij zuigelingen en jonge kinderen gebaseerd op een vergelijking van immuunresponsen op de zeven
gemeenschappelijke serotypen, aanwezig in zowel Prevenar 13 als Prevenar, waarvoor beschermende
werkzaamheid is bewezen (voor werkzaamheid van Prevenar (7-valent) bij zuigelingen en kinderen,
zie hieronder). Immuunresponsen op de overige 6 serotypen werden ook gemeten.
Immuunresponsen na een drie-doses primaire zuigelingenserie
Klinische studies zijn uitgevoerd in een aantal Europese landen en in de Verenigde Staten waarbij
gebruik is gemaakt van meerdere vaccinatieschema’s, waaronder twee gerandomiseerde non-
inferioriteitstudies (Duitsland, waar een 2, 3, 4 maanden primaire serie werd gebruikt [006] en de
Verenigde Staten waar een 2, 4, 6 maanden primaire serie werd gebruikt [004]). In deze twee studies
werden pneumokokken-immuunresponsen vergeleken met behulp van een aantal non-
inferioriteitscriteria, waaronder het percentage proefpersonen met serum anti-polysaccharide serotype-
specifiek IgG ≥ 0,35 μg/ml één maand na de primaire serie en de vergelijking van IgG geometrisch
gemiddelde concentraties (ELISA GMC’s); eveneens werden functionele antilichaamtiters (OPA)
tussen proefpersonen die Prevenar 13 en Prevenar kregen vergeleken. Voor de zes overige serotypen
werden deze waarden vergeleken met de laagste respons onder alle zeven gemeenschappelijke
serotypen bij degenen die Prevenar kregen.
38
De non-inferioriteit immuunresponsvergelijkingen voor studie 006, gebaseerd op het deel van de
zuigelingen dat anti-polysaccharide IgG-concentraties ≥ 0,35 μg/ml bereikte, zijn weergegeven in
Tabel 1. De resultaten voor studie 004 waren vergelijkbaar. Prevenar 13 non-inferioriteit (ondergrens
van het 95% betrouwbaarheidsinterval voor het verschil in percentage van responders bij 0,35 µg/ml
tussen de groepen was > -10%) werd aangetoond voor alle 7 gemeenschappelijke serotypen behalve
voor serotype 6B in studie 006 en serotypen 6B en 9V in studie 004 welke het met een kleine marge
niet haalden. Alle zeven gemeenschappelijke serotypen bereikten de vooraf gedefinieerde non-
inferioriteitscriteria voor IgG ELISA GMC’s. Prevenar 13 wekte vergelijkbare, hoewel gering lagere,
antilichaamniveaus op met Prevenar voor de 7 gemeenschappelijke serotypen. De klinische
significantie van deze verschillen is niet bekend.
Non-inferioriteit werd bereikt voor de 6 additionele serotypen gebaseerd op het deel van de
zuigelingen dat antilichaamconcentraties van ≥ 0,35 μg/ml bereikte en vergelijking van IgG ELISA
GMC’s in studie 006 en werd bereikt voor 5 van de 6 serotypen, met uitzondering van serotype 3 in
studie 004. Voor serotype 3 waren de percentages kinderen met serum IgG ≥ 0,35 μg/ml die
Prevenar 13 hadden gekregen 98,2% (studie 006) en 63,5% (studie 004).
Tabel 1: Vergelijking van het deel van de proefpersonen dat een pneumokokkenanti-
polysaccharide IgG antilichaamconcentratie bereikten van ≥ 0,35 μg/ml na dosis 3 van de
zuigelingen series – studie 006
Prevenar 13
7-valent Prevenar
%
%
Verschil
Serotypen
(N=282-285)
(N=277-279)
(95% CI)
7-valent Prevenar serotypen
4
98,2
98,2
0,0 (-2,5 – 2,6)
6B
77,5
87,1
-9,6 (-16,0 – -3,3)
9V
98,6
96,4
2,2 (-0,4 – 5,2)
14
98,9
97,5
1,5 (-0,9 – 4,1)
18C
97,2
98,6
-1,4 (-4,2 – 1,2)
19F
95,8
96,0
-0,3 (-3,8 – 3,3)
23F
88,7
89,5
-0,8 (-6,0 – 4,5)
Additionele serotypen in Prevenar 13
1
96,1
87,1*
9,1 (4,5 – 13,9)
3
98,2
87,1
11,2 (7,0 – 15,8)
5
93,0
87,1
5,9 (0,8 – 11,1)
6A
91,9
87,1
4,8 (-0,3 – 10,1)
7F
98,6
87,1
11,5 (7,4 – 16,1)
19A
99,3
87,1
12,2 (8,3 – 16,8)
*
Het serotype in Prevenar met het laagste responspercentage was 6B in studie 006 (87,1%)
Prevenar 13 wekte functionele antilichamen tegen alle 13 vaccinserotypen in studies 004 en 006 op.
Voor de 7 gemeenschappelijke serotypen waren er geen verschillen tussen de groepen in het deel van
de proefpersonen met OPA-titers ≥ 1:8. Voor elk van de zeven gemeenschappelijke serotypen
bereikten > 96% en > 90% van de kinderen die Prevenar 13 kregen een OPA-titer ≥ 1:8 één maand na
de primaire serie in respectievelijk studie 006 en 004.
Voor elk van de 6 additionele serotypen wekte Prevenar 13 OPA-titers ≥ 1:8 bij 91,4% tot 100% van
de gevaccineerden op, één maand na de primaire serie in studies 004/006. De functionele antilichaam
(OPA) geometrische gemiddelde titers voor serotypen 1, 3 en 5 waren lager dan de titers voor elk van
de andere additionele serotypen; de klinische relevantie van deze waarneming op beschermende
werkzaamheid is onbekend.
39
Immuunresponsen op een twee-doses primaire serie bij zuigelingen
De immunogeniciteit na twee doses bij zuigelingen is gedocumenteerd in vier studies. Het deel van de
zuigelingen dat een pneumokokken anti-capsulaire polysaccharide IgG-concentratie ≥ 0,35
g/ml
bereikte één maand na de tweede dosis varieerde van 79,6% tot 98,5% voor 11 van de
13 vaccinserotypen. Een kleiner deel van de zuigelingen bereikte deze drempel voor de
antilichaamconcentratie voor serotype 6B (27,9% tot 57,3%) en 23F (55,8% tot 68,1%) voor alle
studies met een schema met vaccinaties op 2 en 4 maanden, vergeleken met 58,4% voor serotype 6B
en 68,6% voor 23F voor een studie met een schema met vaccinaties op 3 en 5 maanden. Na de
boosterdosis hadden alle vaccinserotypen, inclusief 6B en 23F, immuunresponsen consistent met een
adequate “priming” in een twee-doses primaire serie. In een studie in het Verenigd Koninkrijk waren
de functionele antilichaamresponsen (OPA) vergelijkbaar voor alle serotypen inclusief 6B en 23F in
de Prevenar- en Prevenar 13-armen na de primaire serie bij 2 en 4 maanden en na de boosterdosis bij
een leeftijd van 12 maanden. Voor de kinderen die Prevenar 13 kregen, was het percentage responders
met een OPA-titer
1:8 ten minste 87% na de zuigelingenserie en ten minste 93% na de boosterdosis.
De OPA geometrische gemiddelde titers voor serotypen 1, 3 en 5 waren lager dan de titers voor elk
van de andere additionele serotypen; de klinische relevantie van deze waarneming is onbekend.
Boosterresponsen na primaire series van twee doses en drie doses bij zuigelingen
Na de boosterdosis stegen de antilichaamconcentraties ten opzichte van het pre-boosterniveau voor
alle 13 serotypen. Post-booster antilichaamconcentraties waren hoger voor 12 serotypen dan de
concentraties die werden behaald na de primaire zuigelingenserie. Deze waarnemingen zijn in
overeenstemming met adequate priming (de inductie van immunologisch geheugen). De
immuunrespons voor serotype 3 volgend op de boosterdosis was niet hoger geworden dan boven de
niveaus gezien na de zuigelingenvaccinatieserie; de klinische relevantie van deze observatie
aangaande de inductie van serotype 3 immuungeheugen is onbekend.
Antilichaamresponsen op boosterdoses na de twee-doses of drie-doses primaire zuigelingenserie
waren vergelijkbaar voor alle 13 vaccinserotypen.
Voor kinderen in de leeftijd van 7 maanden tot en met 5 jaar resulteerden catch-up
immunisatieschema’s, passend bij de leeftijd (zoals beschreven in rubriek 4.2) in niveaus van anti-
capsulaire polysaccharide IgG-antilichaamresponsen op elk van de 13 serotypen die ten minste
vergelijkbaar waren met die van een drie-doses primaire serie bij zuigelingen.
Antilichaampersistentie en immunologisch geheugen zijn geëvalueerd in een onderzoek bij gezonde
kinderen die een enkele dosis Prevenar 13 kregen. Dit gebeurde ten minste 2 jaar nadat ze eerder
waren geïmmuniseerd met ofwel 4 doses Prevenar, een zuigelingenserie van 3 doses Prevenar gevolgd
door Prevenar 13 op de leeftijd van 12 maanden, of met 4 doses Prevenar 13.
De enkele dosis Prevenar 13 induceerde bij kinderen van ongeveer 3,4 jaar oud (ongeacht
voorgeschiedenis van vaccinatie met Prevenar of Prevenar 13) een sterke antilichaamrespons voor
zowel de 7 gemeenschappelijke serotypen als de 6 overige serotypen in Prevenar 13.
Sinds de introductie van 7-valent Prevenar in 2000 hebben gegevens van
pneumokokkenziektensurveillance niet aangetoond dat de immuniteit opgewekt door Prevenar tijdens
de kindertijd over de tijd is afgenomen.
Te vroeg geboren zuigelingen
De veiligheid en immunogeniciteit van Prevenar 13 gegeven na 2, 3, 4 en 12 maanden werd
beoordeeld bij ongeveer 100 premature zuigelingen (gemiddelde Estimated Gestational Age [EGA]
31 weken; bereik 26 tot 36 weken) en vergeleken met ongeveer 100 zuigelingen die voldragen werden
geboren (gemiddelde EGA 39 weken; bereik 37 tot 42 weken).
40
De immuunresponsen bij te vroeg geboren en voldragen zuigelingen werden vergeleken met
gebruikmaking van het percentage proefpersonen dat een pneumokokkenpolysaccharide IgG-
bindende antilichaamconcentratie ≥0,35 μg/ml bereikte, 1 maand na de zuigelingenserie. Deze
benadering werd gebruikt voor immunogeniciteitsvergelijkingen van Prevenar 13 met Prevenar op
basis van WHO-richtlijnen.
Meer dan 85% bereikte een pneumokokkenpolysaccharide IgG-bindende antilichaamconcentratie
≥0,35 µg/ml 1 maand na de vaccinatieserie bij zuigelingen, behalve voor serotypen 5 (71,7%), 6A
(82,7%) en 6B (72,7%) in de te vroeg geboren groep. Voor deze 3 serotypen was het percentage
responders onder de te vroeg geboren zuigelingen significant lager dan onder de voldragen
zuigelingen. Ongeveer een maand na de dosis voor peuters was het percentage proefpersonen in elke
groep dat dezelfde antilichaamconcentratiedrempel bereikte >97%, behalve voor serotype 3 (71% bij
de te vroeg geboren zuigelingen en 79% bij de voldragen zuigelingen). Het is onbekend of het
immunologisch geheugen voor alle serotypen geïnduceerd wordt bij te vroeg geboren zuigelingen. In
het algemeen waren de serotypespecifieke IgG GMC’s lager voor te vroeg geboren dan voor
voldragen zuigelingen.
Na de vaccinatieserie bij zuigelingen waren de OPA GMT’s hetzelfde bij te vroeg geboren zuigelingen
als bij voldragen zuigelingen, behalve voor serotype 5, welke lager was bij te vroeg geboren
zuigelingen. De OPA GMT’s na de peuterdosis gerelateerd aan die na de zuigelingenserie waren
vergelijkbaar of lager voor 4 serotypen (4, 14, 18C en 19F) en waren statistisch significant hoger voor
6 van de 13 serotypen (1, 3, 5, 7F, 9V en 19A) bij te vroeg geboren zuigelingen in vergelijking met 10
van de 13 serotypen (1, 3, 4, 5, 6A, 7F, 9V, 18C, 19A en 23F) bij voldragen zuigelingen.
Kinderen (12-59 maanden) die volledig zijn geïmmuniseerd met Prevenar (7-valent)
Na toediening van een enkele dosis Prevenar 13 aan kinderen (12-59 maanden) die werden beschouwd
als volledig geïmmuniseerd met Prevenar (7-valent) (primaire serie van 2 of 3 doses plus booster) was
het aandeel dat serum-IgG-spiegels ≥ 0,35µg/ml en OPA-titers ≥1:8 bereikte ten minste 90%. Echter,
3 (serotype 1, 5 en 6A) van de 6 overige serotypen vertoonden een lagere IgG GMC en OPA GMT in
vergelijking met kinderen die ten minste één eerdere vaccinatie met Prevenar 13 hadden gekregen. De
klinische relevantie van de lagere GMC’s en GMT’s is op dit moment niet bekend.
Ongevaccineerde kinderen (12-23 maanden)
Studies met Prevenar (7-valent) bij ongevaccineerde kinderen (12 - 23 maanden) toonden aan dat
2 doses nodig waren om serum-IgG-concentraties voor 6B en 23F te bereiken die vergelijkbaar waren
met die geïnduceerd via een zuigelingenserie van 3 doses.
Kinderen en adolescenten van 5 tot en met 17 jaar
In een open-labelonderzoek bij 592 gezonde kinderen en adolescenten inclusief diegenen met astma
(17,4%) die mogelijk meer vatbaar zijn voor pneumokokkeninfectie, wekte Prevenar 13 een
immuunrespons op voor alle 13 serotypen. Een eenmalige dosis Prevenar 13 was toegediend aan
kinderen van 5 tot en met 10 jaar die eerder waren gevaccineerd met ten minste 1 dosis Prevenar, en
aan kinderen en adolescenten van 10 tot en met 17 jaar die niet eerder een pneumokokkenvaccin
toegediend hadden gekregen.
Bij zowel de kinderen van 5 tot en met 10 jaar als de kinderen en adolescenten van 10 tot en met
17 jaar was de immuunrespons op Prevenar 13 niet inferieur aan Prevenar voor de
7 gemeenschappelijke serotypen en voor Prevenar 13 voor de 6 additionele serotypen, in vergelijking
met de immuunrespons na de vierde dosis bij zuigelingen gevaccineerd op een leeftijd van 2, 4, 6 en
12-15 maanden, zoals gemeten met serum IgG.
Bij kinderen en adolescenten van 10 tot en met 17 jaar waren de OPA GMT’s 1 maand na vaccinatie
niet inferieur aan de OPA GMT’s in de leeftijdsgroep van 5 tot en met 10 jaar voor 12 van de
13 serotypen (uitgezonderd serotype 3).
41
Immuunrespons na subcutane toediening
Subcutane toediening van Prevenar 13 is geëvalueerd in een niet-vergelijkende studie bij 185 gezonde
Japanse zuigelingen en kinderen die vier doses toegediend kregen toen zij 2, 4, 6 en 12-15 maanden
oud waren. De studie toonde aan dat veiligheid en immunogeniciteit over het algemeen vergelijkbaar
waren met waarnemingen uit studies bij intramusculaire toediening.
Effectiviteit van Prevenar 13
Invasieve pneumokokkenziekte
Data gepubliceerd door Public Health England liet zien dat vier jaar na de introductie van Prevenar als
een primaire zuigelingserie van twee doses met boosterdosis in het tweede levensjaar en met een
opname van het vaccin van 94% er in Engeland en Wales een afname van 98% was (95% BI 95; 99)
van door de 7 vaccinserotypen veroorzaakte ziekte. Vier jaar na de overstap naar Prevenar 13
varieerde de verdere daling van de incidentie van IPD als gevolg van de 7 serotypen in Prevenar
vervolgens van 76% bij kinderen jonger dan 2 jaar tot 91% bij kinderen in de leeftijd van 5-14 jaar.
Tabel 2 toont de serotype-specifieke dalingen voor elk van de 5 additionele serotypen in Prevenar 13
(er werden geen gevallen van IPD van het serotype 5 waargenomen) per leeftijdsgroep. Deze dalingen
varieerden van 68% (serotype 3) tot 100% (serotype 6A) bij kinderen jonger dan 5 jaar. In oudere
leeftijdsgroepen die niet met Prevenar 13 waren gevaccineerd, werden eveneens significante dalingen
in de incidentie waargenomen (indirect effect).
Tabel 2: Aantal serotype-specifieke gevallen en dalingen van de incidentie van IPD in 2013/2014
vergeleken met 2008/2009-2009/2010 (2008/2010), per leeftijdsgroep, in Engeland en Wales
< 5 jaar
2008-
2010
§
2013/
2014
§
% Daling
incidentie
(95% CI*)
2008-
2010
§
5 t/m 64 jaar
2013/
2014
§
% Daling
incidentie
(95% CI*)
2008-
2010
§
≥ 65 jaar
2013/
2014
§
% Daling
incidentie
(95% CI*)
Additionele serotypen die worden gedekt door Prevenar 13
1
59 (54)
5 (5)
91%
(98%;
68%)**
3
26 (24)
8 (8)
68%
(89%; 6%)
6A
10 (9)
0 (0)
100%
(100%;
62%)**
7F
90 (82)
8 (8)
91%
(97%;
74%)**
19A
85 (77)
7 (7)
91%
(97%;
75%)**
430
(361)
160
(148)
458
(382)
77
(71)
83%
(88%;
74%)**
59%
(72%;
38%)**
90%
(97%;
56%)**
63%
(71%;
50%)**
54%
(65%;
32%)**
173
(152)
75
(77)
256
(224)
102 (89)
13
(13)
87%
(94%;
72%)**
44%
(57%;
27%)**
95%
(99%;
81%)**
56%
(70%;
37%)**
65%
(75%;
53%)**
178
(148)
73
(68)
143
(146)
53 (44)
5 (5)
94 (82)
5 (5)
225
(191)
104
(97)
279
(246)
97
(99)
42
§
Gecorrigeerd voor het aantal geserotypeerde monsters, ontbrekende leeftijd, noemer vergeleken met
2009/2010 en voor de trend in de totale invasieve pneumokokkenziekte tot 2009/2010 (waarna geen
trendcorrectie werd toegepast).
95%-BI bepaald op basis van een poissonverdeling met overdispersieparameter 2,1, gemodelleerd op
data van alle IPD-gegevens van 2000-2006 voorafgaand aan de introductie van Prevenar.
*
** p < 0,005 voor de dekking van 6A waarbij p = 0,002
Otitis media (OM)
In een gepubliceerd onderzoek uitgevoerd in Israël, waarin gebruik werd gemaakt van een primaire
serie van 2 doses plus boosterdosis in het tweede levensjaar, werd het effect van Prevenar 13 op OM
gedocumenteerd in een populatie-gebaseerd, actief surveillancesysteem, waar Israëlische kinderen
jonger dan 2 jaar met OM een kweek van vocht uit het middenoor werd afgenomen via
tympanocentese.
Na de introductie van Prevenar en vervolgens Prevenar 13 daalde de incidentie van 2,1 naar 0,1
gevallen per 1.000 kinderen (95%) voor wat betreft de Prevenar-serotypen plus serotype 6A en nam de
incidentie af van 0,9 naar 0,1 gevallen per 1.000 kinderen (89%) voor wat betreft de additionele
serotypen 1, 3, 5, 7F en 19A in Prevenar 13. De algemene incidentie van pneumokokken-OM op
jaarbasis nam af van 9,6 naar 2,1 gevallen per 1.000 kinderen (78%) tussen juli 2004 (vóór de
introductie van Prevenar) en juni 2013 (na de introductie van Prevenar 13).
Pneumonie
In een observationeel multicenteronderzoek in Frankrijk, waarin de perioden voor en na de overstap
van Prevenar naar Prevenar 13 werden vergeleken, nam op eerstehulpafdelingen het totale aantal
gevallen van buiten het ziekenhuis opgelopen pneumonie (CAP) bij kinderen in de leeftijd van
1 maand tot 15 jaar met 16% (van 2.060 naar 1.725 gevallen) af. De dalingen bedroegen 53% (van 167
naar 79 gevallen) (p < 0,001) voor gevallen van CAP met pleurale effusie en 63% (van 64 naar
24 gevallen) (p < 0,001) voor microbiologisch bevestigde gevallen van door pneumokokken
veroorzaakte CAP. In het tweede jaar na de introductie van Prevenar 13 nam het totale aantal CAP-
gevallen, als gevolg van de 6 additionele vaccinserotypen in Prevenar 13, af van 27 naar 7 isolaten
(74%).
De afname van pneumoniegevallen ongeacht de oorzaak was het meest uitgesproken in de jongere
gevaccineerde leeftijdsgroepen met een afname van respectievelijk 31,8% (van 757 naar 516 gevallen)
en 16,6% (van 833 naar 695 gevallen) in de leeftijdsgroepen < 2 jaar en 2 tot en met 5 jaar. De
incidentie bij de oudere, overwegend niet-gevaccineerde kinderen (> 5 jaar) veranderde niet in de loop
van het onderzoek.
In een lopend surveillancesysteem (2004 tot en met 2013) werd de impact van Prevenar en vervolgens
Prevenar 13 op CAP gedocumenteerd bij kinderen jonger dan 5 jaar in het zuiden van Israël die
werden behandeld met een primaire serie met twee doses met een boosterdosis in het tweede
levensjaar. Na de introductie van Prevenar 13 namen het aantal poliklinische bezoeken en het aantal
ziekenhuisopnames wegens alveolaire CAP af met respectievelijk 68% (95% BI 73; 61) en 32% (95%
BI 39; 22) in vergelijking met de periode voordat Prevenar werd geïntroduceerd.
Effect op nasofaryngeaal dragerschap
Bij een surveillance studie in Frankrijk waarbij kinderen verschijnselen van een acute
middenoorontsteking vertoonden, zijn veranderingen van nasofaryngeaal (NP) dragerschap van
pneumokokkenserotypen geëvalueerd na introductie van Prevenar (7-valent) en vervolgens
Prevenar 13. Prevenar 13 reduceerde significant het NP dragerschap van de 6 additionele serotypen
(en serotype 6C) gecombineerd en de individuele serotypen 6C, 7F, 19A in vergelijking met Prevenar.
Een reductie in dragerschap werd ook gezien bij serotype 3 (2,5% vs. 1,1%; p=0,1). Er werd geen
dragerschap van serotypen 1 en 5 waargenomen.
43
Het effect van vaccinatie met het pneumokokkenconjugaat op nasofaryngeaal dragerschap werd
bestudeerd in een gerandomiseerde dubbelblinde studie waarbij kinderen van 2, 4, 6 en 12 maanden
oud in Israël hetzij Prevenar 13 hetzij Prevenar (7-valent) ontvingen. Prevenar 13 reduceerde
significant de nieuw geïdentificeerde NP acquisitie van de 6 additionele serotypen (en serotype 6C)
gecombineerd en van individuele serotypen 1, 6A, 6C, 7F, 19A in vergelijking met Prevenar. Er werd
geen reductie gezien bij serotype 3 en bij serotype 5 was de kolonisatie te zeldzaam om de impact te
kunnen beoordelen. Voor 6 van de overgebleven 7 normale serotypen werden vergelijkbare aantallen
van NP acquisitie waargenomen in beide vaccingroepen; voor serotype 19F werd een significante
reductie waargenomen.
In dit onderzoek werden verminderingen gedocumenteerd van
S. pneumoniae
serotypen 19A, 19F en
6A die niet gevoelig waren voor een aantal antibiotica. De verminderingen lopen uiteen tussen 34% en
62%, afhankelijk van serotype en antibioticum.
Prevenar (7-valent vaccin) beschermingswerkzaamheid bij zuigelingen en kinderen
De werkzaamheid van 7-valent Prevenar is geëvalueerd in twee belangrijke studies – de “Northern
California Kaiser Permanente” (NCKP) studie en de “Finnish Otitis Media” (FinOM) studie. Beide
studies waren gerandomiseerde, dubbelblinde, actief-gecontroleerde studies waarbij zuigelingen
werden gerandomiseerd naar toediening van ofwel Prevenar ofwel een controlevaccin (NCKP,
meningokokken serogroep C CRM-conjugaat [MnCC] vaccin; FinOM, hepatitis B-vaccin) in een vier-
doses serie op een leeftijd van 2, 4, 6, en 12-15 maanden. De resultaten van de werkzaamheid in deze
studies (voor invasieve pneumokokkenziekte, pneumonie en acute otitis media) staan hieronder
weergegeven (Tabel 3).
Tabel 3: Samenvatting van de werkzaamheid van 7-valent Prevenar
1
Test
N
VE
2
NCKP: Vaccin-serotype IPD
3
97%
30.258
NCKP: Klinische pneumonie met abnormale röntgenfoto van de borst
NCKP: Acute Otitis Media (AOM)
4
Totaal aantal episodes
Terugkerende AOM (3 episodes in 6 maanden, of 4 episodes in 1 jaar)
Terugkerende AOM (5 episodes in 6 maanden, of 6 episodes in 1 jaar)
Plaatsing van een trommelvliesbuisje
FinOM: AOM
Totaal aantal episodes
Alle pneumokokken AOM
Vaccin-serotype AOM
1
Per protocol
2
Vaccinwerkzaamheid
3
Oktober 1995 tot 20 april 1999
4
Oktober 1995 tot 30 april 1998
Effectiviteit van Prevenar (7-valent)
De effectiviteit (zowel direct als indirect effect) van 7-valent Prevenar tegen pneumokokkenziekte is
geëvalueerd in immunisatieprogramma’s met zowel drie-doses als twee-doses primaire
zuigelingenseries, alle met boosterdoses (Tabel 4). Na wijdverbreid gebruik van Prevenar is de
incidentie van IPD consistent en substantieel gedaald.
Gebruikmakend van de screeningmethode betroffen schattingen van serotype-specifieke effectiviteit
voor 2 doses onder de leeftijd van 1 jaar in het VK respectievelijk 66% (-29 – 91%) en 100% (25 -
100%) voor serotype 6B en 23F.
23.746
23.746
7%
9%
23%
20%
1.662
6%
34%
57%
-4 – 16
21 – 45
44 – 67
4 – 10
3 – 15
7 – 36
2 – 35
35%
95% CI
85 –
100
4 – 56
44
Tabel 4: Samenvatting van werkzaamheid van 7-valent Prevenar voor invasieve
pneumokokkenziekte
Land
Aanbevolen schema
Ziektevermindering, %
95% CI
(jaar van introductie)
VK (Engeland &
2, 4, + 13 maanden
Vaccin serotypen:
49 – 95%
1
Wales) (2006)
Twee doses onder de leeftijd
van 1 jaar: 85%
VS (2000)
2, 4, 6, + 12 – 15
maanden
2
Kinderen <5
Vaccin serotypen: 98%
97 – 99%
Alle serotypen: 77%
73 – 79%
Personen ≥65
3
Vaccin serotypen: 76%
nvt
Alle serotypen: 38%
nvt
4
Canada (Quebec)
2, 4, + 12 maanden
Alle serotypen: 73%
nvt
(2004)
Vaccin serotypen:
2-doses zuigelingenserie: 99%
92 - 100%
Volledig schema:100%
82 - 100%
1
Kinderen < 2 jaar. Berekende vaccineffectiviteit vanaf juni 2008 (Broome-methode).
2
2005 data.
3
2004 data.
4
Kinderen < 5 jaar. Januari 2005 tot december 2007. Volledige werkzaamheid voor routine 2+1
schema nog niet beschikbaar.
Acute otitis media
Effectiviteit van Prevenar in een 3+1 schema is ook waargenomen voor acute otitis media en
pneumonie sinds de introductie in een nationaal immunisatieprogramma. In een retrospectieve
evaluatie van een grote verzekeringsdatabase in de Verenigde Staten, waren AOM bezoeken
verminderd met 42,7% (95% CI, 42,4 – 43,1%) en voorschriften voor AOM met 41,9% bij kinderen
jonger dan 2 jaar, vergeleken met een baseline van voor registratie (2004 versus 1997-1999). In een
vergelijkbare analyse waren ziekenhuisopnames en poliklinische bezoeken voor pneumonie door alle
oorzaken verminderd met respectievelijk 52,4% en 41,1%. Voor gebeurtenissen specifiek
geïdentificeerd als pneumokokken pneumonie was de waargenomen afname in ziekenhuisopnames en
poliklinische bezoeken respectievelijk 57,6% en 46,9%, bij kinderen jonger dan 2 jaar oud, vergeleken
met een baseline van voor registratie (2004 versus 1997-1999). Hoewel een direct oorzaak-en-gevolg
niet kan worden vastgesteld middels dit type observationele analyses, suggereren deze bevindingen dat
Prevenar een belangrijke rol speelt in het verminderen van de last van mucosale ziekten (AOM en
pneumonie) in de “target” populatie.
Studie naar de werkzaamheid bij volwassenen van 65 jaar en ouder
De werkzaamheid tegen vaccintype (VT) pneumokokken-CAP en IPD is beoordeeld in een
grootschalige gerandomiseerde, dubbelblinde, placebogecontroleerde studie (Community-Acquired
Pneumonia Immunization Trial in Adults–CAPiTA) in Nederland. Personen van 65 jaar en ouder
(n=84.496) kregen een enkele vaccinatie met Prevenar 13 of placebo in een 1:1 randomisatie.
In de CAPiTA-studie werden vrijwilligers ≥ 65 jaar opgenomen van wie de demografische
eigenschappen en gezondheidskenmerken kunnen afwijken van die van personen die zich in de
praktijk laten vaccineren.
Een eerste episode van in het ziekenhuis door een thoraxröntgenfoto bevestigde pneumonie werd
vastgesteld bij ongeveer 2% van deze populatie (n=1.814 personen), waarvan 329 gevallen bevestigd
werden als pneumokokken-CAP en 182 gevallen VT pneumokokken-CAP waren in de per-protocol-
en aangepaste intent-to-treat (mITT)-populaties.
De werkzaamheid werd aangetoond voor de primaire en secundaire eindpunten in de per-
protocolpopulatie (Tabel 5).
45
Tabel 5: Vaccinwerkzaamheid (VW) voor de primaire en secundaire eindpunten van de
CAPiTA-studie (per-protocolpopulatie)
Gevallen
Werkzaamheidseindpunt
Primair eindpunt
Eerste episode van bevestigde VT
pneumokokken-CAP
Secundaire eindpunten
Eerste episode van bevestigde
NB/NI
1
vaccintype pneumokokken-
CAP
Eerste episode van VT-IPD
2
1
2
Prevenar 13-
Totaal
groep
Placebo-
groep
VW (%)
(95,2% BI)
p-waarde
139
49
90
45,56
(21,82; 62,49)
0,0006
93
35
33
7
60
28
45,00
(14,21; 65,31)
75,00
(41,06; 90,87)
0,0067
0,0005
NB/NI – niet-bacteriëmisch/niet-invasief
VT-IPD – vaccintype invasieve pneumokokkenziekte
De beschermende werking tegen een eerste episode van VT pneumokokken-CAP,
NB/NI VT pneumokokken-CAP en VT-IPD hield aan gedurende de volledige studie van vier jaar.
De studie was niet opgezet om de werkzaamheid in subgroepen aan te tonen. Het aantal proefpersonen
≥85 jaar was niet voldoende om de werkzaamheid in deze leeftijdsgroep aan te tonen.
Er werd een post-hocanalyse gebruikt om de volgende uitkomsten voor de volksgezondheid tegen
klinische CAP te schatten (zoals omschreven in de CAPiTA-studie en gebaseerd op klinische
bevindingen ongeacht radiologisch infiltraat of etiologische bevestiging): vaccinwerkzaamheid (VW),
daling van de incidentiecijfers (IRR,
Incidence Rate Reduction)
en het aantal mensen dat gevaccineerd
moet worden om één bepaalde gebeurtenis te voorkomen (NNV,
Number Needed to Vaccinate)
(Tabel 6).
IRR, ook wel genoemd incidentie van door vaccinatie te voorkomen ziekten, is het aantal gevallen
door vaccinatie te voorkomen ziekten per 100.000 persoonsjaren observatie.
In Tabel 6 is NNV een maat voor het kwantificeren van het aantal mensen dat gevaccineerd moet
worden om één klinisch geval van CAP te voorkomen.
Tabel 6: Vaccinwerkzaamheid (VW) tegen klinische CAP
*
Episodes
Vaccinwerkzaamheid
1
Incidentie per 100.000
Daling
% (95% BI)
persoonsjaren
incidentie-
(1-zijdige p-waarde)
observatie
cijfer
2
(95% BI)
Prevenar
Placebo
Prevenar
Placebo
13
13
1.375
1.495
8,1
819,1
891,2
72,2
(-5,3;
(-0,6; 16,1)
149,6)
(0,034)
1.126
1.214
670,7
723,7
53,0
7,3
(-2,7;
(-0,4; 14,4)
108,7)
(0,031)
NNV
3
Analyse
van alle
episodes
277
Analyse
378
van
eerste
episode
* Patiënten met ten minste 2 van de volgende verschijnselen: hoesten; purulent sputum, temperatuur >38°C of
<36,1°C; pneumonie (auscultatorische bevindingen); leukocytose; C-reactieve proteïnewaarde hoger dan 3 keer de
bovengrens van de normaalwaarde; hypoxemie met een partiële zuurstofdruk <60 mm Hg terwijl kamerlucht wordt
ingeademd.
1
Een Poisson regressiemodel met willekeurige effecten werd gebruikt om de VW te berekenen.
2
Per 100.000 persoonsjaren observatie. IRR wordt berekend als de incidentie in de placebogroep minus de incidentie
46
in de vaccingroep, en was rekenkundig gelijkwaardig aan de VW × de incidentie in de placebogroep.
3
Gebaseerd op een 5-jarige beschermingsduur. NNV is geen percentage maar geeft het aantal gevallen aan dat
voorkomen wordt voor een bepaald aantal gevaccineerde personen. NNV omvat ook de duur van het onderzoek of
de beschermingsduur en wordt berekend als 1 gedeeld door het product van de IRR en de beschermingsduur (of de
duur van het onderzoek) (=1/(IRR × duur).
Immunogeniciteitsonderzoek bij volwassenen ≥ 18 jaar en ouderen
Bij volwassenen is geen drempel vastgesteld voor de antilichaamconcentratie voor de
serotypespecifieke pneumokokkenpolysaccharide IgG-binding die bescherming geeft. In alle klinische
hoofdonderzoeken werd een serotypespecifieke opsonofagocytoseproef (OPA) als surrogaat gebruikt
voor de bepaling van de potentiële effectiviteit tegen invasieve pneumokokkenziekte en pneumonie.
De OPA geometrisch gemiddelde titers (GMT’s) gemeten 1 maand na elke vaccinatie, werden
berekend. De OPA-titers zijn uitgedrukt als het omgekeerd evenredige van de hoogste
serumverdunning die de overleving van de pneumokokken met ten minste 50% reduceert.
De hoofdonderzoeken voor Prevenar 13 werden opgezet om aan te tonen dat de functionele OPA-
antilichaamrespons voor de 13 serotypen niet-inferieur zijn en voor sommige serotypen superieur aan
de 12 serotypen die Prevenar 13 gemeenschappelijk heeft met het geregistreerde 23-valente
pneumokokkenpolysaccharidevaccin [1, 3, 4, 5, 6B, 7F, 9V, 14, 18C, 19A, 19F, 23F] een maand na
toediening van het vaccin. De respons op serotype 6A, dat uniek is voor Prevenar 13, werd aangetoond
door een 4-voudige toename van de specifieke OPA-titer boven het niveau van voor de immunisatie.
In Europa en de VS werden vijf klinische studies naar de immunogeniciteit van Prevenar 13 in
verschillende leeftijdsgroepen tussen 18 en 95 jaar verricht. Uit klinische studies met Prevenar 13 zijn
momenteel immunogeniciteitsdata van Prevenar 13 bekend bij volwassenen van 18 jaar en ouder,
onder wie volwassenen van 65 jaar en ouder die 5 jaar voor het onderzoek waren gevaccineerd met
een of meer doses van 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin. Elke studie omvatte gezonde en
immuuncompetente volwassenen met stabiele onderliggende aandoeningen waarvan bekend is dat zij
predisponerend zijn voor pneumokokkeninfectie (bijvoorbeeld chronische cardiovasculaire
aandoeningen, chronische longaandoeningen inclusief astma, nieraandoeningen, diabetes mellitus,
chronische leveraandoeningen inclusief leveraandoeningen door alcohol) en volwassenen met
risicofactoren zoals roken en alcoholmisbruik.
De immunogeniciteit en veiligheid van Prevenar 13 zijn aangetoond bij volwassenen van 18 jaar en
ouder met inbegrip van personen die eerder waren gevaccineerd met een pneumokokkenpolysaccha-
ridevaccin.
Volwassenen, niet eerder gevaccineerd met 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin
In een head-to-head, vergelijkend onderzoek bij volwassenen van 60-64 jaar kregen de proefpersonen
een enkele dosis van Prevenar 13 of 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin. In hetzelfde
onderzoek kreeg een andere groep volwassenen van 50-59 jaar oud en een andere groep volwassenen
van 18-49 jaar oud een enkele dosis Prevenar 13.
In tabel 7 worden de OPA GMT’s 1 maand na vaccinatie bij 60-64-jarigen die een enkele dosis van
Prevenar 13 of 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin kregen vergeleken met de OPA GMT’s
bij 50-59-jarigen die een enkele dosis Prevenar 13 kregen.
47
Tabel 7: OPA GMT's bij volwassenen van 60-64 jaar die Prevenar 13 of 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin (PPSV23) kregen en volwassenen van 50-59 jaar die
Prevenar 13 kregen
a,b,c
Prevenar 13
Prevenar 13
vergeleken met
50-59 vergeleken met
50-59 jaar
60-64 jaar 60-64 jaar
PPSV23,
60-64 jaar
N=350-384 N=359-404 N=367-402
60-64 jaar
Serotype
GMT
GMT
GMT
GMR
(95% CI)
GMR
(95% CI)
1
200
146
104
1,4
(1,08, 1,73)
1,4
(1,10, 1,78)
3
91
93
85
1,0
(0,81, 1,19)
1,1
(0,90, 1,32)
4
2833
2062
1295
1,4
(1,07, 1,77)
1,6
(1,19, 2,13)
5
269
199
162
1,4
(1,01, 1,80)
1,2
(0,93, 1,62)
6A
4328
2593
213
1,7
(1,30, 2,15) 12,1 (8,63, 17,08)
6B
3212
1984
788
1,6
(1,24, 2,12)
2,5
(1,82, 3,48)
7F
1520
1120
405
1,4
(1,03, 1,79)
2,8
(1,98, 3,87)
9V
1726
1164
407
1,5
(1,11, 1,98)
2,9
(2,00, 4,08)
14
957
612
692
1,6
(1,16, 2,12)
0,9
(0,64, 1,21)
18C
1939
1726
925
1,1
(0,86, 1,47)
1,9
(1,39, 2,51)
19A
956
682
352
1,4
(1,16, 1,69)
1,9
(1,56, 2,41)
19F
599
517
539
1,2
(0,87, 1,54)
1,0
(0,72, 1,28)
23F
494
375
72
1,3
(0,94, 1,84)
5,2
(3,67, 7,33)
a
Niet-inferioriteit werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor GMR hoger was
dan 0,5.
b
Statistisch significant hogere respons werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI
voor GMR hoger was dan 1.
c
Voor serotype 6A
, uniek voor Prevenar 13, werd een statistisch significant hogere respons
vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor de GMR hoger was dan 2.
Bij volwassenen van 60-64 jaar waren de OPA GMT’s voor Prevenar 13 niet-inferieur aan de OPA
GMT’s teweeggebracht door het 23-valente pneumokokkenpolysaccharidevaccin voor de twaalf
serotypen die beide vaccins gemeenschappelijk hebben. Voor 9 serotypen werd aangetoond dat de
OPA-titers statistisch significant hoger waren bij personen die Prevenar 13 kregen.
Bij volwassenen van 50-59 jaar waren de OPA GMT’s voor alle 13 serotypen van Prevenar 13 niet-
inferieur aan de responsen op Prevenar 13 bij volwassenen van 60-64 jaar. Voor 9 serotypen waren de
immuunresponsen afhankelijk van de leeftijd: volwassenen in de groep tussen 50-59 jaar hadden
statistisch significant hogere responsen dan volwassenen van 60-64 jaar.
Bij alle volwassenen van 50 jaar en ouder die een enkele dosis Prevenar 13 kregen, waren de OPA-
titers voor serotype 6A significant hoger dan bij volwassenen van 60 jaar en ouder die een enkele
dosis 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin kregen.
Een jaar na vaccinatie met Prevenar 13 waren de OPA-titers afgenomen ten opzichte van een maand
na vaccinatie; de OPA-titers waren voor alle serotypen echter nog steeds hoger dan op baseline:
OPA GMT-niveaus op
baseline
Volwassenen 50-59 jaar die niet eerder
gevaccineerd waren met 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin
Volwassenen 60-64 jaar die niet eerder
gevaccineerd waren met 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin
5 tot 45
5 tot 37
OPA GMT-niveaus 1 jaar na
Prevenar 13
20 tot 1.234
19 tot 733
Prevenar 13 Prevenar 13 PPSV23
48
Tabel 8 toont OPA GMT’s aan 1 maand na een enkelvoudige dosis Prevenar 13 bij personen van
18-49 jaar oud, vergeleken met personen van 60-64 jaar oud.
Tabel 8: OPA GMT’s bij volwassenen van 18-49 jaar oud en van 60-64 jaar oud die
Prevenar 13
a,b
kregen
18-49 jaar
60-64 jaar
18-49 jaar vergeleken met
N=836-866
N=359-404
60-64 jaar
b
b
Serotype
GMT
GMT
GMR
(95% CI
c
)
1
353
146
2,4
(2,03, 2,87)
3
91
93
1,0
(0,84, 1,13)
4
4747
2062
2,3
(1,92, 2,76)
5
386
199
1,9
(1,55, 2,42)
6A
5746
2593
2,2
(1,84, 2,67)
6B
9813
1984
4,9
(4,13, 5,93)
7F
3249
1120
2,9
(2,41, 3,49)
9V
3339
1164
2,9
(2,34, 3,52)
14
2983
612
4,9
(4,01, 5,93)
18C
3989
1726
2,3
(1,91, 2,79)
19A
1580
682
2,3
(2,02, 2,66)
19F
1533
517
3,0
(2,44, 3,60)
23F
1570
375
4,2
(3,31, 5,31)
a
Niet-inferioriteit werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor GMR hoger was
dan 0,5.
b
Statistisch significant hogere respons werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI
voor GMR hoger was dan 1.
cc
De betrouwbaarheidsintervallen (CI) voor de ratio zijn inverse transformaties van een
betrouwbaarheidsinterval op basis van de Student-t-verdeling voor het gemiddelde verschil van de
logaritmen van de metingen.
Bij volwassenen van 18-49 jaar waren de OPA GMT’s voor alle 13 serotypen in Prevenar 13 niet-
inferieur aan de responsen op Prevenar 13 bij volwassenen van 60-64 jaar.
Eén jaar na vaccinatie met Prevenar 13 waren de OPA-titers afgenomen vergeleken met één maand na
vaccinatie, maar de OPA-titers voor alle serotypen bleven hoger dan de niveaus op baseline.
OPA GMT niveaus op
baseline
Volwassenen van 18-49 jaar, niet
eerder gevaccineerd met 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevacci
n
5 tot 186
OPA GMT niveaus één jaar na
Prevenar 13
23 tot 2.948
Volwassenen, eerder gevaccineerd met 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin
De immuunresponsen voor Prevenar 13 en 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin werden
vergeleken in een head-to-head onderzoek bij volwassenen van 70 jaar en ouder die ten minste 5 jaar
voor de onderzoeksvaccinatie een enkele dosis pneumokokkenpolysaccharidevaccin hadden gekregen.
In tabel 9 worden de OPA GMT’s 1 maand na vaccinatie vergeleken bij met
pneumokokkenpolysaccharidevaccin geïmmuniseerde volwassenen van 70 jaar en ouder die een
enkele dosis van Prevenar 13 of 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin kregen.
49
Tabel 9: OPA GMT's bij met pneumokokkenpolysaccharidevaccin geïmmuniseerde volwassenen
≥ 70 jaar, die
Prevenar 13 of 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin (PPSV23) kregen
a,b,c
Prevenar 13
PPSV23
Prevenar OPA GMT
N=400-426
N=395-445
vergeleken met PPSV23
Serotype
OPA GMT
OPA GMT
GMR
(95% CI)
1
81
55
1,5
(1,17; 1,88)
3
55
49
1,1
(0,91; 1,35)
4
545
203
2,7
(1,93; 3,74)
5
72
36
2,0
(1,55; 2,63)
6A
903
94
9,6
(7,00; 13,26)
6B
1261
417
3,0
(2,21; 4,13)
7F
245
160
1,5
(1,07; 2,18)
9V
181
90
2,0
(1,36; 2,97)
14
280
285
1,0
(0,73; 1,33)
18C
907
481
1,9
(1,42; 2,50)
19A
354
200
1,8
(1,43; 2,20)
19F
333
214
1,6
(1,17; 2,06)
23F
158
43
3,7
(2,69; 5,09)
a
Niet-inferioriteit werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor GMR hoger was
dan 0,5.
b
Statistisch significant hogere respons werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI
voor GMR hoger was dan 1.
c Voor serotype 6A†, uniek voor Prevenar 13, werd een statistisch significant hogere respons
vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor de GMR hoger was dan 2.
Bij volwassenen die ten minste 5 jaar voor het klinisch onderzoek gevaccineerd waren met
pneumokokkenpolysaccharidevaccin waren de OPA GMT’s voor Prevenar 13 niet-inferieur aan de
responsen op het 23-valente pneumokokkenpolysaccharidevaccin voor de 12 serotypen die beide
vaccins gemeenschappelijk hebben. Bovendien werden in dit onderzoek statistisch significant hogere
OPA GMT’s aangetoond voor 10 van de 12 gemeenschappelijke serotypes. De immuunresponsen
voor serotype 6A waren statistisch significant hoger na vaccinatie met Prevenar 13 dan na 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin.
Een jaar na vaccinatie met Prevenar 13 in volwassenen van 70 jaar en ouder die ten minste 5 jaar voor
het onderzoek met 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin gevaccineerd waren, waren de
OPA-titers afgenomen ten opzichte van een maand na vaccinatie. De OPA-titers waren voor alle
serotypen echter nog steeds hoger dan op baseline:
OPA GMT-niveaus op
baseline
Volwassenen ≥ 70 jaar, ten minste 5
jaar voor het onderzoek gevaccineerd
met 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin
Immuunresponsen in speciale populaties
Voor personen met de hieronder beschreven aandoeningen geldt een verhoogd risico op
pneumokokkenziekte. De klinische relevantie van de antilichaamspiegels veroorzaakt door Prevenar
13 in deze speciale populaties is onbekend.
Sikkelcelziekte
Een open-label eenarmige studie in Frankrijk, Italië, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten,
Libanon, Egypte en Saoedi-Arabië met 2 doses Prevenar 13, 6 maanden na elkaar gegeven, werd
50
OPA GMT-niveaus 1 jaar na
Prevenar 13
18 tot 381
9 tot 122
uitgevoerd onder 158 kinderen en adolescenten ≥6 tot <18 jaar met sikkelcelziekte die ten minste
6 maanden voorafgaand aan inclusie waren gevaccineerd met een of meerdere doses 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin. Na de eerste vaccinatie veroorzaakte Prevenar 13
antilichaamspiegels gemeten met zowel IgG GMC’s als OPA GMT’s die statistisch significant hoger
waren dan de spiegels voorafgaand aan vaccinatie. Na de tweede dosis waren de immuunresponsen
vergelijkbaar met die na de eerste dosis. Een jaar na de tweede dosis waren de antilichaamspiegels,
gemeten met zowel IgG GMC’s als OPA GMT’s, hoger dan de spiegels voorafgaand aan de eerste
dosis Prevenar 13, behalve voor de IgG GMC’s voor serotypen 3 en 5 die numeriek vergelijkbaar
waren.
Aanvullende Prevenar (7-valent) immunogeniciteitsgegevens: kinderen met sikkelcelziekte
De immunogeniciteit van Prevenar is onderzocht in een open-label, multicenter studie onder
49 zuigelingen met sikkelcelziekte. De kinderen werden gevaccineerd met Prevenar (3 doses met een
maand tussen de doses vanaf de leeftijd van 2 maanden) en 46 van deze kinderen kregen ook een
23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin op de leeftijd van 15-18 maanden. Na de eerste
immunisatie had 95,6% van de proefpersonen antilichaamniveaus van ten minste 0,35 µg/ml voor alle
zeven serotypen die in Prevenar aanwezig zijn. Er werd een significante stijging gezien in de
concentraties van antilichamen tegen de zeven serotypen na de polysaccharidevaccinatie, wat
suggereert dat het immunologisch geheugen goed tot stand gekomen was.
Hiv-infectie
Kinderen en volwassenen niet eerder gevaccineerd met een pneumokokkenvaccin
Hiv-geïnfecteerde kinderen en volwassenen met CD4 ≥ 200 cellen/µl (gemiddeld 717,0 cellen/μl),
virusaantal < 50,000 kopieën/ml (gemiddeld 2090,0 kopieën/ml), vrij van actieve aids-gerelateerde
ziekte en niet eerder gevaccineerd met een pneumokokkenvaccin, ontvingen 3 doses Prevenar 13. In
navolging van de algemene aanbevelingen werd vervolgens een enkele dosis 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin toegediend. De vaccins werden met intervallen van 1 maand
toegediend. De immuunresponsen werden bij 259-270 evalueerbare proefpersonen bepaald ongeveer
1 maand na elke vaccindosis. Na de eerste dosis veroorzaakte Prevenar 13 antilichaamspiegels,
gemeten met zowel IgG GMC’s als OPA GMT’s, die statistisch significant hoger waren dan de
spiegels voorafgaand aan vaccinatie. Na de tweede en derde dosis Prevenar 13 waren de
immuunresponsen vergelijkbaar met of hoger dan die na de eerste dosis.
Volwassenen eerder gevaccineerd met 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin
Hiv-geïnfecteerde volwassenen ≥ 18 jaar oud met CD4 ≥200 cellen/µl (gemiddeld 609,1 cellen/µl) en
virusaantal <50.000 kopieën/ml (gemiddeld 330,6 kopieën/ml), die vrij waren van actieve aids-
gerelateerde ziekte, en die ten minste 6 maanden voorafgaand aan inclusie waren gevaccineerd met 23-
valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin, kregen 3 doses Prevenar 13 toegediend, bij inclusie,
6 maanden en 12 maanden na de eerste dosis Prevenar 13. De immuunresponsen werden beoordeeld
bij 231-255 beoordeelbare proefpersonen, ongeveer 1 maand na elke dosis Prevenar 13.
Na de eerste dosis veroorzaakte Prevenar 13 antilichaamresponsen, gemeten met zowel IgG GMC’s
als OPA GMT’s, die statistisch significant hoger waren dan de spiegels voorafgaand aan vaccinatie.
Na de tweede en derde dosis Prevenar 13 waren de immuunresponsen vergelijkbaar met of hoger dan
die na de eerste dosis. In de studie hadden 162 proefpersonen een eerdere dosis 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin ontvangen, 143 proefpersonen 2 eerdere doses en
26 proefpersonen meer dan 2 eerdere doses 23-valent polysaccharidevaccin. De proefpersonen die
twee of meer eerdere doses 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin kregen, vertoonden een
immuunrespons die vergelijkbaar was met die van proefpersonen die één eerdere dosis kregen.
Hematopoëtische stamceltransplantatie
Kinderen en volwassenen met een allogene hematopoëtische stamceltransplantatie (HSCT) op een
leeftijd van ≥ 2 jaar oud met volledige hematologische remissie van onderliggende ziekte of met zeer
goede gedeeltelijke remissie in geval van lymfoom en myeloom, ontvingen drie doses Prevenar 13 met
een interval van ten minste 1 maand tussen de doses. De eerste dosis werd 3 tot 6 maanden na HSCT
toegediend. Een vierde (booster) dosis Prevenar 13 werd 6 maanden na de derde dosis toegediend. In
51
navolging van de algemene aanbevelingen werd een enkele dosis 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin toegediend 1 maand na de vierde dosis Prevenar 13. De
immuunresponsen zoals gemeten met IgG GMC’s werden bij 168-211 evalueerbare proefpersonen
bepaald ongeveer 1 maand na vaccinatie. Prevenar 13 veroorzaakte verhoogde antilichaamspiegels na
elke dosis Prevenar 13. De immuunresponsen na de vierde dosis Prevenar 13 waren voor alle
serotypen significant verhoogd vergeleken met na de derde dosis. Functionele antilichaamtiters (OPA
titers) zijn niet gemeten in deze studie.
5.2
Farmacokinetische eigenschappen
Niet van toepassing.
5.3
Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Niet-klinische gegevens duiden niet op een speciaal risico voor mensen. Deze gegevens zijn afkomstig
van conventioneel onderzoek op het gebied van veiligheidsfarmacologie, toxiciteit bij eenmalige en
herhaalde dosering, lokale tolerantie en reproductie- en ontwikkelingstoxiciteit.
6.
6.1
FARMACEUTISCHE GEGEVENS
Lijst van hulpstoffen
Natriumchloride
Barnsteenzuur
Polysorbaat 80
Water voor injecties
Voor adjuvantia, zie rubriek 2.
6.2
Gevallen van onverenigbaarheid
Bij gebrek aan onderzoek naar onverenigbaarheden, mag dit geneesmiddel niet met andere
geneesmiddelen gemengd worden.
6.3
3 jaar.
6.4
Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Houdbaarheid
Bewaren in de koelkast (2°C – 8°C). Niet in de vriezer bewaren.
6.5
Aard en inhoud van de verpakking
0,5 ml suspensie voor injectie in een injectieflacon (Type I glas) met een latexvrije grijze stop van
chloorbutylrubber en afgesloten met een aluminium flip-off-sluiting en een polypropyleen flip-off-
beschermdopje.
Verpakkingsgroottes van 1, 5, 10, 25 en 50.
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
6.6
Speciale voorzorgsmaatregelen voor verwijderen en andere instructies
Tijdens opslag kan een witte neerslag en een helder supernatant worden waargenomen. Dit is geen
teken van bederf.
52
Het vaccin moet goed worden geschud om een homogene, witte suspensie te verkrijgen en moet vóór
toediening visueel worden gecontroleerd op vaste deeltjes en/of een verandering in het fysieke
voorkomen. Niet gebruiken als de inhoud er anders uitziet.
Geen bijzondere vereisten voor verwijdering.
Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale
voorschriften.
7.
HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Pfizer Europe MA EEIG
Boulevard de la Plaine 17
1050 Brussel
België
8.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
EU/1/09/590/007
EU/1/09/590/008
EU/1/09/590/009
EU/1/09/590/010
EU/1/09/590/011
9.
DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN
DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 09 december 2009
Datum van laatste verlenging: 18 september 2014
10.
DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees
Geneesmiddelenbureau (http://www.ema.europa.eu).
53
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Prevenar 13 suspensie voor injectie in een meervoudige dosis container.
pneumokokkenpolysaccharidenconjugaatvaccin (13-valent, geadsorbeerd)
2.
KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
1 dosis (0,5 ml) bevat:
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 1
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 3
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 4
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 5
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 6A
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 6B
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 7F
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 9V
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 14
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 18C
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 19A
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 19F
1
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 23F
1
1
2,2 µg
2,2 µg
2,2 µg
2,2 µg
2,2 µg
4,4 µg
2,2 µg
2,2 µg
2,2 µg
2,2 µg
2,2 µg
2,2 µg
2,2 µg
Geconjugeerd aan het dragereiwit CRM
197
, geadsorbeerd aan aluminiumfosfaat.
1 dosis (0,5 ml) bevat ongeveer 32 µg dragereiwit CRM
197
en 0,125 mg aluminium.
Hulpstoffen met bekend effect:
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
Dit is een meervoudige dosis presentatie. Zie rubriek 6.5 voor het aantal doses per container.
3.
FARMACEUTISCHE VORM
Suspensie voor injectie in een meervoudige dosis container (4 doses).
Het vaccin is een homogene witte suspensie.
4.
4.1
KLINISCHE GEGEVENS
Therapeutische indicaties
Actieve immunisatie voor de preventie van invasieve ziekten, pneumonie en acute otitis media
veroorzaakt door
Streptococcus pneumoniae
bij zuigelingen, kinderen en adolescenten in de leeftijd
van 6 weken tot en met 17 jaar.
Actieve immunisatie voor de preventie van invasieve ziekten en pneumonie veroorzaakt door
Streptococcus pneumoniae
bij volwassenen ≥ 18 jaar en ouderen.
Zie de rubrieken 4.4 en 5.1 voor informatie over bescherming tegen specifieke
pneumokokkenserotypen.
Het gebruik van Prevenar 13 dient te worden bepaald op basis van officiële aanbevelingen waarbij
rekening wordt gehouden met zowel het risico op invasieve ziekten en pneumonie in verschillende
54
leeftijdsgroepen en onderliggende comorbiditeiten als met de variabiliteit van de epidemiologie van
serotypen in verschillende geografische gebieden.
4.2
Dosering en wijze van toediening
De immunisatieschema’s voor Prevenar 13 dienen gebaseerd te zijn op officiële aanbevelingen.
Dosering
Zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar
Het wordt aanbevolen dat zuigelingen die een eerste dosis Prevenar 13 krijgen het vaccinatieschema
met Prevenar 13 afmaken.
Zuigelingen van 6 weken - 6 maanden
Drie-doses primaire serie
De aanbevolen immunisatieserie bestaat uit vier doses, elk van 0,5 ml. De primaire zuigelingenserie
bestaat uit drie doses, de eerste dosis gewoonlijk gegeven op de leeftijd van 2 maanden en met een
interval van ten minste 1 maand tussen de doses. De eerste dosis mag ook al bij zes weken worden
gegeven. De vierde (booster) dosis wordt aanbevolen bij een leeftijd tussen 11 en 15 maanden.
Twee-doses primaire serie
Als Prevenar 13 wordt toegediend als onderdeel van een routinematig immunisatieprogramma voor
zuigelingen, kan ook een schema dat bestaat uit 3 doses, elk van 0,5 ml, worden gegeven. De eerste
dosis kan worden toegediend vanaf een leeftijd van 2 maanden met een tweede dosis 2 maanden later.
De derde (booster) dosis wordt aanbevolen bij een leeftijd tussen 11 en 15 maanden (zie rubriek 5.1).
Te vroeg geboren zuigelingen (zwangerschap < 37 weken)
Bij te vroeg geboren zuigelingen bestaat de aanbevolen immunisatieserie uit vier doses, elk van 0,5
ml. De primaire serie voor zuigelingen bestaat uit drie doses, waarbij de eerste dosis wordt gegeven op
de leeftijd van 2 maanden en er een interval van ten minste 1 maand tussen de doses wordt toegepast.
De eerste dosis mag al bij zes weken worden gegeven. De vierde (booster) dosis wordt aanbevolen bij
een leeftijd tussen 11 en 15 maanden (zie rubrieken 4.4 en 5.1).
Ongevaccineerde zuigelingen en kinderen ≥ 7 maanden
Zuigelingen van 7 - 11 maanden
Twee doses, elk van 0,5 ml, met een interval van ten minste 1 maand tussen de doses. Een derde dosis
wordt aanbevolen in het tweede levensjaar.
Kinderen van 12 - 23 maanden
Twee doses, elk van 0,5 ml, met een interval van ten minste 2 maanden tussen de doses (zie rubriek
5.1).
Kinderen en adolescenten van 2 - 17 jaar
Eén enkele dosis van 0,5 ml.
Prevenar 13 vaccinatieschema voor zuigelingen en kinderen voorheen gevaccineerd met Prevenar
(7-valent) (Streptococcus
pneumoniae
serotypen 4, 6B, 9V, 14, 18C, 19F en 23F)
Prevenar 13 bevat dezelfde 7 serotypen als Prevenar en gebruikt hetzelfde dragereiwit CRM
197.
Zuigelingen en kinderen die de immunisatie zijn begonnen met Prevenar kunnen op elk moment in het
schema overstappen op Prevenar 13.
55
Jonge kinderen (12 - 59 maanden) die volledig zijn geïmmuniseerd met Prevenar (7-valent)
Jonge kinderen die als volledig geïmmuniseerd met Prevenar (7-valent) worden beschouwd, dienen
één dosis van 0,5 ml Prevenar 13 te krijgen om immuunresponsen teweeg te brengen op de 6 overige
serotypen. Deze dosis Prevenar 13 dient ten minste 8 weken na de laatste dosis Prevenar (7-valent) te
worden toegediend (zie rubriek 5.1).
Kinderen en adolescenten van 5 - 17 jaar
Kinderen van 5 tot en met 17 jaar mogen één dosis Prevenar 13 toegediend krijgen indien zij eerder
zijn gevaccineerd met een of meer doses Prevenar. Deze dosis Prevenar 13 moet worden toegediend
ten minste 8 weken na de laatste dosis Prevenar (7-valent) (zie rubriek 5.1).
Volwassenen ≥ 18 jaar en ouderen
Eén enkele dosis.
De noodzaak van revaccinatie met een volgende dosis Prevenar 13 is niet vastgesteld.
Als het gebruik van een 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin zinvol wordt geacht, dient
eerst Prevenar 13 gegeven te worden, ongeacht de eerdere pneumokokkenvaccinatiestatus (zie de
rubrieken 4.5 en 5.1).
Speciale populaties
Personen die onderliggende aandoeningen hebben waardoor ze gevoelig zijn voor invasieve
pneumokokkenziekte (zoals sikkelcelziekte of hiv-infectie), waaronder diegenen die eerder zijn
gevaccineerd met een of meerdere doses 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin, mogen
minimaal één dosis Prevenar 13 toegediend krijgen (zie rubriek 5.1).
Bij personen met een hematopoëtische stamceltransplantatie (HSCT) bestaat de aanbevolen
immunisatieserie uit vier doses Prevenar 13 van elk 0,5 ml. De primaire serie bestaat uit drie doses,
waarbij de eerste dosis 3 tot 6 maanden na HSCT wordt gegeven en met een interval van ten minste
1 maand tussen de doses. Een vierde (booster) dosis wordt aanbevolen 6 maanden na de derde dosis
(zie rubriek 5.1).
Wijze van toediening
Het vaccin dient te worden toegediend als intramusculaire injectie. De voorkeursplaatsen zijn het
anterolaterale aspect van de dij (musculus vastus lateralis) bij de zuigeling of de deltoïdeusspier van de
bovenarm bij kinderen en volwassenen.
4.3
Contra-indicaties
Overgevoeligheid voor de werkzame stoffen of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen of
voor het difterietoxoïd.
Zoals dat ook voor andere vaccins geldt, dient de toediening van Prevenar 13 te worden uitgesteld bij
patiënten die aan een acute, ernstige ziekte met koorts lijden. Echter, aanwezigheid van een milde
infectie, zoals een verkoudheid, dient geen uitstel van vaccinatie tot gevolg te hebben.
4.4
Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Prevenar 13 mag niet intravasculair worden toegediend.
Zoals bij alle injecteerbare vaccins dienen passende medische behandeling en toezicht altijd direct
beschikbaar te zijn voor het geval zich in zeldzame gevallen een anafylactische reactie voordoet na
toediening van het vaccin.
56
Dit vaccin mag niet worden gegeven als een intramusculaire injectie aan personen met
trombocytopenie of een stollingsstoornis die een contra-indicatie zou vormen voor een intramusculaire
injectie, maar kan subcutaan worden toegediend, indien het potentiële voordeel duidelijk opweegt
tegen de risico's (zie rubriek 5.1).
Prevenar 13 zal alleen beschermen tegen serotypen van
Streptococcus pneumoniae
die zich in het
vaccin bevinden, en zal geen bescherming bieden tegen andere micro-organismen die invasieve
ziekten, pneumonie of otitis media veroorzaken. Zoals voor elk vaccin geldt, kan het zijn dat
Prevenar 13 niet alle personen die het vaccin krijgen beschermt tegen pneumokokkenziekte.
Raadpleeg de desbetreffende nationale organisatie voor de meest recente epidemiologische informatie
in uw land.
Bij personen met verminderde immuunresponsiviteit, door het gebruik van immunosuppressiva,
genetische afwijkingen, hiv (humaan immunodeficiëntievirus-)infectie of andere oorzaken, kan de
antilichaamrespons op actieve immunisatie verminderd zijn.
Over een beperkt aantal personen met sikkelcelziekte, hiv-infectie of een hematopoëtische
stamceltransplantatie zijn veiligheids- en immunogeniciteitsgegevens beschikbaar (zie rubriek 5.1).
Over personen uit andere specifieke immuungecompromitteerde groepen (bijvoorbeeld maligniteiten
of nefrotisch syndroom) zijn geen veiligheids- en immunogeniciteitsgegevens voor Prevenar 13
beschikbaar. Vaccinatie dient dan op individuele basis te worden overwogen.
Dit geneesmiddel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per dosis, dat wil zeggen dat het in
essentie “natriumvrij” is.
Zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar
In klinische studies bracht Prevenar 13 een immuunrespons teweeg voor alle dertien serotypen in het
vaccin. De immuunrespons voor serotype 3 was na de boosterdosis niet toegenomen boven het niveau
na de zuigelingenvaccinatieseries; de klinische relevantie van deze observatie voor de inductie van
immunologisch geheugen voor serotype 3 is onbekend (zie rubriek 5.1).
Het aandeel van functionele antilichaamresponders (OPA-titers ≥ 1:8) op serotypen 1, 3 en 5 was
hoog. Echter, de OPA geometrische gemiddelde titers waren lager dan die voor elk van de
overgebleven additionele vaccinserotypen; de klinische relevantie van deze waarneming voor de
beschermende werkzaamheid is niet bekend (zie rubriek 5.1).
Beperkte gegevens hebben aangetoond dat Prevenar 7-valent (primaire serie van drie doses) een
acceptabele immuunrespons induceert bij kinderen met sikkelcelziekte met een veiligheidsprofiel
vergelijkbaar met dat wat bij niet-hoog-risicogroepen werd waargenomen (zie rubriek 5.1).
Kinderen onder de 2 jaar dienen de bij de leeftijd passende Prevenar 13-vaccinatieserie te krijgen (zie
rubriek 4.2). Het gebruik van pneumokokkenconjugaatvaccin vervangt niet het gebruik van 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin bij kinderen ≥ 2 jaar met aandoeningen die hen een groter risico
opleveren voor invasieve ziekten veroorzaakt door
Streptococcus pneumoniae
(zoals sikkelcelziekte,
asplenie, hiv-infectie, chronische ziekten, of zij die immuungecompromitteerd zijn). Wanneer
aanbevolen dienen kinderen met een leeftijd
24 maanden die risico lopen en al eerder Prevenar 13
(“priming”) hebben gehad het 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin te ontvangen. Het
interval tussen de toediening van het 13-valent pneumokokkenconjugaatvaccin (Prevenar 13) en het
23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin dient niet minder dan 8 weken te bedragen. Er zijn
geen gegevens beschikbaar die aangeven of toediening van 23-valent pneumokokkenpolysaccharide-
vaccin aan ongevaccineerde kinderen of kinderen die eerder Prevenar 13 hebben gehad zou kunnen
resulteren in hyporesponsiviteit op verdere doses Prevenar 13.
57
Bij toediening van de primaire immunisatieserie aan zeer premature kinderen (geboren
28 weken
zwangerschap) moet rekening worden gehouden met het potentiële risico op apneu en moet de
benodigde controle van de ademhaling gedurende 48-72 uur overwogen worden, vooral bij kinderen
met een voorgeschiedenis van onvoldoende rijping van de longen. Aangezien het voordeel van
vaccinatie groot is bij deze groep kinderen, moet vaccinatie niet worden onthouden of uitgesteld.
Bij vaccinserotypen wordt verwacht dat de bescherming tegen otitis media lager is dan de
bescherming tegen invasieve ziekten. Aangezien otitis media wordt veroorzaakt door vele andere
organismen dan de pneumokokkenserotypen die in het vaccin gerepresenteerd worden, wordt
verwacht dat de bescherming tegen alle otitis media laag is (zie rubriek 5.1).
Wanneer Prevenar 13 gelijktijdig wordt toegediend met Infanrix hexa (DTPa-HBV-IPV/Hib), komt
het aantal koortsreacties dat optreedt overeen met het aantal dat wordt waargenomen bij gelijktijdige
toediening van Prevenar (7-valent) en Infanrix hexa (zie rubriek 4.8). Een verhoogd aantal meldingen
van convulsies (met of zonder koorts) en hypotonisch hyporesponsieve episode (HHE) zijn
waargenomen bij gelijktijdige toediening van Prevenar 13 en Infanrix hexa (zie rubriek 4.8).
Antipyretische behandeling dient te worden gestart in overeenstemming met de plaatselijke
behandelingsrichtlijnen voor kinderen met epileptische stoornissen of kinderen met een
voorgeschiedenis van koortsstuipen en voor alle kinderen die Prevenar 13 tegelijkertijd krijgen
toegediend met vaccins die volledige cellen van pertussis bevatten.
4.5
Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar
Prevenar 13 kan gelijktijdig worden toegediend met elk van de volgende vaccinantigenen, hetzij als
monovalent of als combinatievaccins: difterie, tetanus, acellulaire pertussis of pertussis met volledige
cellen,
Haemophilus influenzae
type b, geïnactiveerde poliomyelitis, hepatitis B (zie rubriek 4.4 voor
advies over Infanrix hexa), meningokokken serogroep C, mazelen, de bof, rubella, varicella en het
vaccin tegen rotavirus.
Prevenar 13 kan ook gelijktijdig worden toegediend tussen 12-23 maanden met het tetanustoxoïd-
meningokokkenpolysaccharideconjugaatvaccin serogroepen A, C, W en Y aan kinderen die voldoende
geprimed zijn met Prevenar 13 (volgens lokale aanbevelingen).
Gegevens uit een klinische postmarketingstudie die de impact van het profylactisch gebruik van
antipyretica evalueerde (ibuprofen en paracetamol) op de immuunrespons van Prevenar 13 suggereren
dat toediening van paracetamol, gelijktijdig of op dezelfde dag als de vaccinatie, de immuunrespons
van Prevenar 13 na de zuigelingenseries kan reduceren. Responsen op de boosterdosis toegediend bij
12 maanden waren onveranderd. De klinische significantie van deze observatie is niet bekend.
Kinderen en adolescenten van 6 tot en met 17 jaar
Momenteel zijn geen gegevens beschikbaar over het gelijktijdig gebruik met andere vaccins.
Volwassenen van 18 tot en met 49 jaar
Er zijn geen gegevens beschikbaar over het gelijktijdig gebruik met andere vaccins.
Volwassenen van 50 jaar en ouder
Prevenar 13 kan gelijktijdig met het trivalente geïnactiveerde seizoenvaccin tegen influenza (TIV)
worden toegediend.
In twee onderzoeken bij volwassenen van 50-59 jaar en 65 jaar en ouder werd aangetoond dat
Prevenar 13 gelijktijdig met het trivalente geïnactiveerde influenzavaccin (TIV) kan worden
58
toegediend. De respons op alle drie TIV-antigenen was vergelijkbaar wanneer TIV alleen of
gelijktijdig met Prevenar 13 werd gegeven.
Als Prevenar 13 gelijktijdig met TIV werd toegediend, was de immuunrespons op Prevenar 13 lager in
vergelijking met de toediening van Prevenar 13 alleen. Er was echter geen langetermijnimpact op de
circulerende antilichaamniveaus.
In een derde onderzoek bij volwassenen in de leeftijd van 50-93 jaar werd aangetoond dat Prevenar 13
gelijktijdig met het quadrivalente geïnactiveerde seizoenvaccin tegen influenza (QIV) kan worden
toegediend. De immuunresponsen op alle vier QIV-stammen waren niet inferieur als Prevenar 13
gelijktijdig met QIV werd toegediend in vergelijking met de toediening van QIV alleen.
De immuunresponsen op Prevenar 13 waren niet inferieur als Prevenar 13 gelijktijdig met QIV werd
toegediend in vergelijking met de toediening van Prevenar 13 alleen. Zoals bij gelijktijdige toediening
met trivalente vaccins, waren de immuunresponsen op sommige pneumokokkenserotypen lager als
beide vaccins gelijktijdig werden toegediend.
Gelijktijdig gebruik met andere vaccins is niet onderzocht.
Verschillende injecteerbare vaccins moeten altijd op verschillende vaccinatieplaatsen worden
toegediend.
Gelijktijdige toediening van Prevenar 13 en 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin is niet
onderzocht. Als in klinisch onderzoek Prevenar 13 1 jaar na 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin werd toegediend, waren de immuunresponsen voor alle
serotypen lager dan als Prevenar 13 werd toegediend aan proefpersonen die niet eerder waren
geïmmuniseerd met het 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin. De klinische significantie
hiervan is niet bekend.
4.6
Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Er zijn geen gegevens over het gebruik van 13-valent pneumokokkenconjugaatvaccin bij zwangere
vrouwen. Daarom dient het gebruik van Prevenar 13 vermeden te worden tijdens de zwangerschap.
Borstvoeding
Het is niet bekend of 13-valent pneumokokkenconjugaatvaccin wordt uitgescheiden in de
moedermelk.
Vruchtbaarheid
De resultaten van dieronderzoek duiden niet op directe of indirecte schadelijke effecten wat betreft
reproductietoxiciteit (zie rubriek 5.3).
4.7
Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Prevenar 13 heeft geen of een verwaarloosbare invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om
machines te bedienen. Sommige bijwerkingen die genoemd worden in rubriek 4.8 “Bijwerkingen”
kunnen echter de rijvaardigheid of het vermogen om machines te bedienen tijdelijk beïnvloeden.
4.8
Bijwerkingen
Analyse van postmarketingmeldingen suggereren een potentieel verhoogd risico op convulsies, met of
zonder koorts, en HHE bij vergelijking van groepen die Prevenar 13 met Infanrix hexa gebruiken ten
opzichte van groepen die alleen Prevenar 13 gebruiken.
59
De bijwerkingen die gerapporteerd werden in klinische studies of uit postmarketingervaring worden
voor alle leeftijdsgroepen weergegeven per systeem/orgaanklasse, naar afnemende frequentie en ernst.
De frequentie is als volgt gedefinieerd: zeer vaak ( 1/10), vaak ( 1/100, < 1/10), soms ( 1/1.000,
< 1/100), zelden ( 1/10.000, < 1/1.000), zeer zelden (< 1/10.000), niet bekend (kan met de
beschikbare gegevens niet worden bepaald).
Zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar
De veiligheid van het vaccin werd beoordeeld in verschillende gecontroleerde klinische studies
waarbij 14.267 doses werden gegeven aan 4.429 gezonde zuigelingen van 6 weken bij de eerste
vaccinatie en 11-16 maanden bij de boosterdosis. Bij alle zuigelingenstudies werd Prevenar 13
gelijktijdig toegediend met routinematig toegediende kindervaccins (zie rubriek 4.5).
De veiligheid werd ook beoordeeld bij 354 voorheen ongevaccineerde kinderen (met een leeftijd van
7 maanden tot en met 5 jaar).
De meest gemelde bijwerkingen bij kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar waren reacties op de plaats
van vaccinatie, koorts, prikkelbaarheid, verminderde eetlust en meer en/of minder slapen.
In een klinische studie bij zuigelingen die werden gevaccineerd op de leeftijd van 2, 3 en 4 maanden
waren er meer meldingen van koorts ≥ 38°C bij de kinderen die Prevenar (7-valent) gelijktijdig kregen
toegediend met Infanrix hexa (28,3% tot 42,3%) dan bij kinderen die alleen Infanrix hexa kregen
(15,6% tot 23,1%). Na een boosterdosis op de leeftijd van 12 tot en met 15 maanden werd koorts
≥ 38°C gemeld bij 50% van de kinderen die Prevenar (7-valent) en Infanrix hexa gelijktijdig kregen
toegediend, in vergelijking met 33,6% van de kinderen die alleen Infanrix hexa kregen toegediend.
Deze koortsreacties waren meestal matig ernstig (lager dan of gelijk aan 39 °C) en van voorbijgaande
aard.
Een verhoging van reacties op de plaats van vaccinatie werd gemeld bij kinderen ouder dan
12 maanden vergeleken met de percentages waargenomen bij zuigelingen gedurende de primaire
series met Prevenar 13.
Bijwerkingen uit klinische studies
In klinische studies was het veiligheidsprofiel van Prevenar 13 vergelijkbaar met dat van Prevenar. De
volgende frequenties zijn gebaseerd op bijwerkingen die zijn beoordeeld in klinische studies met Prevenar 13:
Immuunsysteemaandoeningen:
Zelden:
Overgevoeligheidsreacties inclusief gezichtsoedeem, dyspneu, bronchospasme
Zenuwstelselaandoeningen:
Soms:
Insulten (inclusief febriele insulten)
Zelden:
Hypotoon-hyporesponsieve episode
Maagdarmstelselaandoeningen:
Zeer vaak:
Verminderde eetlust
Vaak:
Braken, diarree
Huid- en onderhuidaandoeningen:
Vaak:
Uitslag
Soms:
Urticaria of urticaria-achtige uitslag
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen:
Zeer vaak:
Pyrexie, prikkelbaarheid, erytheem op de plaats van vaccinatie, induratie/zwelling of
pijn/gevoeligheid, slaperigheid, slecht slapen
Erytheem op de plaats van vaccinatie of induratie/zwelling 2,5 cm–7,0 cm (na de
boosterdosis en bij oudere kinderen [leeftijd 2 tot en met 5 jaar])
60
Vaak:
Soms:
Pyrexie > 39°C, bewegingsbeperking op de plaats van vaccinatie (door pijn),
erytheem op de plaats van vaccinatie of induratie/zwelling 2,5 cm – 7,0 cm (na de
zuigelingenserie)
Erytheem op de plaats van vaccinatie, induratie/zwelling >7,0 cm, huilen
Aanvullende informatie in speciale populaties
Apneu bij zeer premature kinderen ( 28 weken zwangerschap) (zie rubriek 4.4).
Kinderen en adolescenten van 6 tot en met 17 jaar
De veiligheid werd geëvalueerd bij 592 kinderen (294 kinderen van 5 tot en met 10 jaar die eerder
waren geïmmuniseerd met ten minste één dosis Prevenar, en bij 298 kinderen van 10 tot en met 17 jaar
die niet eerder een pneumokokkenvaccin hadden gekregen).
De meest voorkomende bijwerkingen bij kinderen en adolescenten van 6 tot en met 17 jaar waren:
Zenuwstelselaandoeningen:
Vaak:
Hoofdpijn
Maagdarmstelselaandoeningen:
Zeer vaak:
Verminderde eetlust
Vaak:
Braken, diarree
Huid- en onderhuidaandoeningen:
Vaak:
Huiduitslag, urticaria of urticaria-achtige huiduitslag
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen:
Zeer vaak:
Prikkelbaarheid, erytheem op de vaccinatieplaats, induratie/zwelling of
pijn/gevoeligheid, slaperigheid, slecht slapen, gevoeligheid op de vaccinatieplaats
(inclusief bewegingsbeperking)
Vaak:
Koorts
Andere bijwerkingen die eerder zijn waargenomen bij zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met
5 jaar kunnen ook op deze leeftijdsgroep van toepassing zijn, maar zijn niet in dit onderzoek
waargenomen, mogelijk door de kleine steekproefgrootte.
Aanvullende informatie over speciale populaties
Kinderen en adolescenten met sikkelcelziekte, hiv-infectie of een hematopoëtische
stamceltransplantatie hebben vergelijkbare frequenties van bijwerkingen, behalve dat hoofdpijn,
braken, diarree, pyrexie, vermoeidheid, artralgie en myalgie zeer vaak voorkwamen.
Volwassenen ≥ 18 jaar en ouderen
De veiligheid werd beoordeeld in 7 klinische onderzoeken met 91.593 volwassenen in de leeftijd van
18 tot en met 101 jaar. Prevenar 13 werd toegediend aan 48.806 volwassenen; 2.616 (5,4%) in de
leeftijd van 50 tot en met 64 jaar en 45.291 (92,8%) van 65 jaar en ouder. Aan een van de
7 onderzoeken nam een groep volwassenen deel (n=899) met een leeftijd die varieerde van 18 tot en
met 49 jaar die Prevenar 13 kregen en die niet eerder waren gevaccineerd met 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin. Van de volwassenen die Prevenar 13 kregen, waren er 1.916
eerder gevaccineerd met het 23-valente pneumokokkenpolysaccharidevaccin ten minste 3 jaar voor de
onderzoeksvaccinatie; 46.890 hadden niet eerder het 23-valente pneumokokkenpolysaccharidevaccin
gekregen.
Een trend naar een lagere frequentie van bijwerkingen werd geassocieerd met hogere leeftijd;
volwassenen > 65 jaar oud (ongeacht eerdere pneumokokkenvaccinatiestatus) meldden minder
bijwerkingen dan jongere volwassenen, waarbij de bijwerkingen in het algemeen het vaakst
voorkwamen bij de jongste volwassenen, namelijk die van 18 tot en met 29 jaar oud.
61
In het algemeen waren de frequentiecategorieën in alle leeftijdsgroepen vergelijkbaar, met
uitzondering van braken, wat zeer vaak voorkwam ( 1/10) bij volwassenen van 18 tot en met 49 jaar
oud en vaak ( 1/100, < 1/10) in alle andere leeftijdsgroepen, en pyrexie kwam zeer vaak voor bij
volwassenen van 18 tot en met 29 jaar oud en vaak in alle andere leeftijdsgroepen. Ernstige
pijn/gevoeligheid op de vaccinatieplaats en ernstige beperking van de armbeweging kwam zeer vaak
voor bij volwassenen van 18 tot en met 39 jaar oud en kwam vaak voor in alle andere leeftijdsgroepen.
Bijwerkingen uit klinische studies
In 6 studies werden de lokale en systemische reacties na elke vaccinatie 14 dagen lang bijgehouden; in
de resterende studie gebeurde dit gedurende 7 dagen. De volgende frequenties zijn gebaseerd op
bijwerkingen beoordeeld in klinische studies van Prevenar 13 bij volwassenen:
Voedings- en stofwisselingsstoornissen:
Zeer vaak:
Verminderde eetlust
Zenuwstelselaandoeningen:
Zeer vaak:
Hoofdpijn
Maagdarmstelselaandoeningen:
Zeer vaak:
Diarree, braken (bij volwassenen van 18 tot en met 49 jaar)
Vaak:
Braken (bij volwassenen van 50 jaar en ouder)
Soms:
Misselijkheid
Immuunsysteemaandoeningen:
Soms:
Overgevoeligheidsreacties, waaronder oedeem in het gezicht, dyspnoe,
bronchospasmen
Huid- en onderhuidaandoeningen:
Zeer vaak:
Huiduitslag
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen:
Zeer vaak:
Koude rillingen, vermoeidheid, roodheid op de vaccinatieplaats, induratie of zwelling
op de vaccinatieplaats; pijn/gevoeligheid op de vaccinatieplaats (ernstige
pijn/gevoeligheid op de vaccinatieplaats komt zeer vaak voor bij volwassenen van 18
tot en met 39 jaar); beperking van de armbeweging (ernstige beperking van de
armbeweging komt zeer vaak voor bij volwassenen van 18 tot en met 39 jaar).
Vaak:
Koorts (komt zeer vaak voor bij volwassenen van 18 tot en met 29 jaar).
Soms:
Lymfadenopathie in het gebied van de vaccinatieplaats.
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen:
Zeer vaak:
Spier- en gewrichtspijn.
In het algemeen werden geen significante verschillen in de frequentie van bijwerkingen waargenomen
bij toediening van Prevenar 13 aan volwassenen die eerder geïmmuniseerd waren met het
pneumokokkenpolysaccharidevaccin.
Aanvullende informatie over speciale populaties
Volwassenen met hiv-infectie hebben vergelijkbare frequenties van bijwerkingen, behalve dat pyrexie
en braken zeer vaak voorkwamen en misselijkheid vaak.
Volwassenen met een hematopoëtische stamceltransplantatie hebben vergelijkbare frequenties van
bijwerkingen, behalve dat pyrexie en braken zeer vaak voorkwamen.
Als Prevenar 13 gelijktijdig met trivalent, geïnactiveerd influenzavaccin (TIV) werd toegediend,
werden hogere frequenties van een aantal bijgehouden systemische reacties waargenomen dan bij
62
toediening van TIV alleen (hoofdpijn, koude rillingen, huiduitslag, verminderde eetlust, gewrichtspijn
en spierpijn) of Prevenar 13 alleen (hoofdpijn, vermoeidheid, koude rillingen, verminderde eetlust en
gewrichtspijn).
Bijwerkingen van Prevenar 13 tijdens postmarketingervaring
De volgende geneesmiddelbijwerkingen worden beschouwd als bijwerkingen van Prevenar 13; omdat
deze reacties zijn gebaseerd op spontane meldingen, konden de frequenties niet worden bepaald en
worden deze daarom als niet bekend beschouwd.
Bloed- en lymfestelselaandoeningen:
Lymfadenopathie (gelokaliseerd in het gebied rond de vaccinatieplaats)
Immuunsysteemaandoeningen:
Anafylactische/anafylactoïde reacties waaronder shock, angio-oedeem
Huid- en onderhuidaandoeningen:
Erythema multiforme
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen:
Urticaria op de vaccinatieplaats, dermatitis op de vaccinatieplaats, pruritus op de
vaccinatieplaats, blozen
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op
deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico’s van het geneesmiddel voortdurend worden
gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen
te melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in aanhangsel V.
4.9
Overdosering
Bij zuigelingen en kinderen zijn er meldingen geweest van overdosering met Prevenar 13 gedefinieerd als
gevallen van opvolgende doses die dichter op elkaar zijn toegediend dan is aanbevolen. Bijwerkingen die
gemeld zijn bij overdosering zijn in het algemeen vergelijkbaar met de bijwerkingen die gemeld worden bij
doses in het aanbevolen schema van Prevenar 13 voor kinderen.
5.
5.1
FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: vaccins, pneumokokkenvaccins, ATC-code: J07AL02.
Prevenar 13 bevat de 7 pneumokokken capsulaire polysacchariden die ook in Prevenar zitten (4, 6B,
9V, 14, 18C, 19F, 23F) plus 6 additionele polysacchariden (1, 3, 5, 6A, 7F, 19A), alle geconjugeerd
aan CRM
197
dragereiwit.
Ziektelast
Zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar oud
Gebaseerd op serotype surveillance in Europa uitgevoerd vóór de introductie van Prevenar, wordt
geschat dat Prevenar 13 een dekking heeft van 73-100% (afhankelijk van het land) van serotypen die
invasieve pneumokokkenziekten (IPD) veroorzaken bij kinderen jonger dan 5 jaar. In deze
leeftijdsgroep dragen serotypen 1, 3, 5, 6A, 7F en 19A voor 15,6% tot 59,7% bij aan invasieve ziekte,
afhankelijk van het land, de bestudeerde tijdsperiode en het gebruik van Prevenar.
63
Acute otitis media (AOM) is een algemene kinderziekte met verschillende etiologieën. Bacteriën
kunnen verantwoordelijk zijn voor 60-70% van de klinische episoden van AOM.
S. pneumoniae
is
wereldwijd één van de meest voorkomende oorzaken van bacteriële AOM.
Geschat wordt dat Prevenar 13 een dekking geeft van 90% van de serotypen die antimicrobieel
resistente IPD veroorzaken.
Kinderen en adolescenten van 6 tot en met 17 jaar
Bij kinderen en adolescenten van 6 tot en met 17 jaar is de incidentie van pneumokokkenziekte laag,
maar er is een grotere kans op morbiditeit en mortaliteit bij personen met onderliggende
comorbiditeiten.
Volwassenen ≥ 18 jaar en ouderen
Pneumonie is de meest voorkomende klinische verschijningsvorm van pneumokokkenziekte bij
volwassenen.
De gemelde incidentie van buiten het ziekenhuis opgelopen pneumonie (CAP) en IPD in Europa
verschilt per land, neemt vanaf het vijftigste levensjaar toe met de jaren en is het hoogst bij mensen
≥ 65 jaar.
S. pneumoniae
is de meest voorkomende oorzaak van CAP, en is in ontwikkelde landen
verantwoordelijk voor naar schatting circa 30% van alle gevallen van CAP bij volwassenen waarbij
ziekenhuisopname noodzakelijk is.
Bacteriëmische pneumonie (ongeveer 80% van de IPD-gevallen bij volwassenen), bacteriëmie zonder
een focus en meningitis zijn de meest voorkomende manifestaties van IPD bij volwassenen. Uit
surveillance gegevens blijkt dat na de introductie van Prevenar maar voor de introductie van
Prevenar 13 in jeugdvaccinatieprogramma’s de pneumokokkenserotypen in Prevenar 13
verantwoordelijk kunnen zijn voor ten minste 50-76% (afhankelijk van het land) van de IPD-gevallen
bij volwassenen.
Het risico op CAP en IPD bij volwassenen is ook hoger bij onderliggende chronische medische
aandoeningen, met name anatomische of functionele asplenie, diabetes mellitus, astma, chronische
cardiovasculaire, pulmonale, nier- of leveraandoening, en is het hoogst bij diegenen bij wie sprake is
van immuunsuppressie zoals bij personen met een maligne hematologische aandoening of hiv-infectie.
Prevenar 13 klinische immunogeniciteitsstudies bij zuigelingen, kinderen en adolescenten
De beschermende werkzaamheid van Prevenar 13 tegen IPD is niet bestudeerd. Zoals aanbevolen door
de World Health Organization (WHO) is de beoordeling van de mogelijke werkzaamheid tegen IPD
bij zuigelingen en jonge kinderen gebaseerd op een vergelijking van immuunresponsen op de zeven
gemeenschappelijke serotypen, aanwezig in zowel Prevenar 13 als Prevenar, waarvoor beschermende
werkzaamheid is bewezen (voor werkzaamheid van Prevenar (7-valent) bij zuigelingen en kinderen,
zie hieronder). Immuunresponsen op de overige 6 serotypen werden ook gemeten.
Studie van Prevenar 13 dat 2-fenoxyethanol (2-PE) als conserveermiddel bevat:
De veiligheid en immunogeniciteit van Prevenar 13 dat het conserveermiddel 2-PE bevat (geleverd in
een meervoudige dosis container) gegeven aan gezonde zuigelingen op de leeftijd van 8, 12 en
16 weken werden vergeleken met Prevenar 13 zonder het toegevoegde conserveermiddel
(250 zuigelingen per groep).
De pneumokokken-immuunresponsen werden vergeleken met behulp van non-inferioriteitscriteria,
inclusief het percentage proefpersonen met een serum anti-polysaccharide serotype-specifieke IgG-
concentratie van ≥ 0,35 μg/ml en de vergelijking van IgG GMC’s één maand na de zuigelingenserie.
Daarnaast werden de GMT’s van functionele antilichaamtiters (OPA’s) vergeleken tussen
proefpersonen die Prevenar 13 met of zonder 2-PE kregen.
64
Voor het deel proefpersonen dat een IgG-concentratie van
0,35 μg/ml bereikte, werd voor alle
13 serotypes non-inferioriteit aangetoond (de ondergrens van het 97,5% betrouwbaarheidsinterval (BI)
voor het verschil in percentage responders bij 0,35 µg/ml tussen de groepen was > -10%). Daarnaast
voldeden alle 13 serotypes aan het vooraf gedefinieerde non-inferioriteitscriterium voor IgG GMC’s
(ondergrens van het 97,5% BI van de GMC-ratio [GMR] was hoger dan 0,5).
De OPA GMT’s waren in beide groepen hetzelfde, behalve voor serotype 3, welke lager was, en voor
serotype 18C, welke hoger was, in de groep die Prevenar 13 met 2-PE kreeg.
Studies van Prevenar 13 zonder 2-PE als conserveermiddel
Immuunresponsen na een drie-doses primaire zuigelingenserie
Klinische studies zijn uitgevoerd in een aantal Europese landen en in de Verenigde Staten waarbij
gebruik is gemaakt van meerdere vaccinatieschema’s, waaronder twee gerandomiseerde non-
inferioriteitstudies (Duitsland, waar een 2, 3, 4 maanden primaire serie werd gebruikt [006] en de
Verenigde Staten waar een 2, 4, 6 maanden primaire serie werd gebruikt [004]). In deze twee studies
werden pneumokokken-immuunresponsen vergeleken met behulp van een aantal non-
inferioriteitscriteria, waaronder het percentage proefpersonen met serum anti-polysaccharide serotype-
specifiek IgG ≥ 0,35 μg/ml één maand na de primaire serie en de vergelijking van IgG geometrisch
gemiddelde concentraties (ELISA GMC’s); eveneens werden functionele antilichaamtiters (OPA)
tussen proefpersonen die Prevenar 13 en Prevenar kregen vergeleken. Voor de zes overige serotypen
werden deze waarden vergeleken met de laagste respons onder alle zeven gemeenschappelijke
serotypen bij degenen die Prevenar kregen.
De non-inferioriteit immuunresponsvergelijkingen voor studie 006, gebaseerd op het deel van de
zuigelingen dat anti-polysaccharide IgG-concentraties ≥ 0,35 μg/ml bereikte, zijn weergegeven in
Tabel 1. De resultaten voor studie 004 waren vergelijkbaar. Prevenar 13 non-inferioriteit (ondergrens
van het 95% betrouwbaarheidsinterval voor het verschil in percentage van responders bij 0,35 µg/ml
tussen de groepen was > -10%) werd aangetoond voor alle 7 gemeenschappelijke serotypen behalve
voor serotype 6B in studie 006 en serotypen 6B en 9V in studie 004 welke het met een kleine marge
niet haalden. Alle zeven gemeenschappelijke serotypen bereikten de vooraf gedefinieerde non-
inferioriteitscriteria voor IgG ELISA GMC’s. Prevenar 13 wekte vergelijkbare, hoewel gering lagere,
antilichaamniveaus op met Prevenar voor de 7 gemeenschappelijke serotypen. De klinische
significantie van deze verschillen is niet bekend.
Non-inferioriteit werd bereikt voor de 6 additionele serotypen gebaseerd op het deel van de
zuigelingen dat antilichaamconcentraties van ≥ 0,35 μg/ml bereikte en vergelijking van IgG ELISA
GMC’s in studie 006 en werd bereikt voor 5 van de 6 serotypen, met uitzondering van serotype 3 in
studie 004. Voor serotype 3 waren de percentages kinderen met serum IgG ≥ 0,35 μg/ml die
Prevenar 13 hadden gekregen 98,2% (studie 006) en 63,5% (studie 004).
65
Tabel 1: Vergelijking van het deel van de proefpersonen dat een pneumokokkenanti-
polysaccharide IgG antilichaamconcentratie bereikte van ≥ 0,35 μg/ml na dosis 3 van de
zuigelingen series – studie 006
Prevenar 13
7-valent Prevenar
%
%
Verschil
Serotypen
(N=282-285)
(N=277-279)
(95 % CI)
7-valent Prevenar serotypen
4
98,2
98,2
0,0 (-2,5 – 2,6)
6B
77,5
87,1
-9,6 (-16,0 – -3,3)
9V
98,6
96,4
2,2 (-0,4 – 5,2)
14
98,9
97,5
1,5 (-0,9 – 4,1)
18C
97,2
98,6
-1,4 (-4,2 – 1,2)
19F
95,8
96,0
-0,3 (-3,8 – 3,3)
23F
88,7
89,5
-0,8 (-6,0 – 4,5)
Additionele serotypen in Prevenar 13
1
96,1
87,1*
9,1 (4,5 – 13,9)
3
98,2
87,1
11,2 (7,0 – 15,8)
5
93,0
87,1
5,9 (0,8 – 11,1)
6A
91,9
87,1
4,8 (-0,3 – 10,1)
7F
98,6
87,1
11,5 (7,4 – 16,1)
19A
99,3
87,1
12,2 (8,3 – 16,8)
*
Het serotype in Prevenar met het laagste responspercentage was 6B in studie 006 (87,1%)
Prevenar 13 wekte functionele antilichamen tegen alle 13 vaccinserotypen in studies 004 en 006 op.
Voor de 7 gemeenschappelijke serotypen waren er geen verschillen tussen de groepen in het deel van
de proefpersonen met OPA-titers ≥ 1:8. Voor elk van de zeven gemeenschappelijke serotypen
bereikten > 96% en > 90% van de kinderen die Prevenar 13 kregen een OPA-titer ≥ 1:8 één maand na
de primaire serie in respectievelijk studie 006 en 004.
Voor elk van de 6 additionele serotypen wekte Prevenar 13 OPA-titers ≥ 1:8 bij 91,4% tot 100% van
de gevaccineerden op, één maand na de primaire serie in studies 004/006. De functionele antilichaam
(OPA) geometrische gemiddelde titers voor serotypen 1, 3 en 5 waren lager dan de titers voor elk van
de andere additionele serotypen; de klinische relevantie van deze waarneming op beschermende
werkzaamheid is onbekend.
Immuunresponsen op een twee-doses primaire serie bij zuigelingen
De immunogeniciteit na twee doses bij zuigelingen is gedocumenteerd in vier studies. Het deel van de
zuigelingen dat een pneumokokken anti-capsulaire polysaccharide IgG-concentratie ≥ 0,35
g/ml
bereikte één maand na de tweede dosis varieerde van 79,6% tot 98,5% voor 11 van de
13 vaccinserotypen. Een kleiner deel van de zuigelingen bereikte deze drempel voor de
antilichaamconcentratie voor serotype 6B (27,9% tot 57,3%) en 23F (55,8% tot 68,1%) voor alle
studies met een schema met vaccinaties op 2 en 4 maanden, vergeleken met 58,4% voor serotype 6B
en 68,6% voor 23F voor een studie met een schema met vaccinaties op 3 en 5 maanden. Na de
boosterdosis hadden alle vaccinserotypen, inclusief 6B en 23F, immuunresponsen consistent met een
adequate “priming” in een twee-doses primaire serie. In een studie in het Verenigd Koninkrijk waren
de functionele antilichaamresponsen (OPA) vergelijkbaar voor alle serotypen inclusief 6B en 23F in
de Prevenar- en Prevenar 13-armen na de primaire serie bij 2 en 4 maanden en na de boosterdosis bij
een leeftijd van 12 maanden. Voor de kinderen die Prevenar 13 kregen, was het percentage responders
met een OPA-titer
1:8 ten minste 87% na de zuigelingenserie en ten minste 93% na de boosterdosis.
De OPA geometrische gemiddelde titers voor serotypen 1, 3 en 5 waren lager dan de titers voor elk
van de andere additionele serotypen; de klinische relevantie van deze waarneming is onbekend.
66
Boosterresponsen na primaire series van twee doses en drie doses bij zuigelingen
Na de boosterdosis stegen de antilichaamconcentraties ten opzichte van het pre-boosterniveau voor
alle 13 serotypen. Post-booster antilichaamconcentraties waren hoger voor 12 serotypen dan de
concentraties die werden behaald na de primaire zuigelingenserie. Deze waarnemingen zijn in
overeenstemming met adequate priming (de inductie van immunologisch geheugen). De
immuunrespons voor serotype 3 volgend op de boosterdosis was niet hoger geworden dan de niveaus
gezien na de zuigelingenvaccinatieserie; de klinische relevantie van deze observatie aangaande de
inductie van serotype 3 immuungeheugen is onbekend.
Antilichaamresponsen op boosterdoses na de twee-doses of drie-doses primaire zuigelingenseries
waren vergelijkbaar voor alle 13 vaccinserotypen.
Voor kinderen in de leeftijd van 7 maanden tot en met 5 jaar resulteerden catch-up
immunisatieschema’s, passend bij de leeftijd (zoals beschreven in rubriek 4.2) in niveaus van anti-
capsulaire polysaccharide IgG-antilichaamresponsen op elk van de 13 serotypen die ten minste
vergelijkbaar waren met die van een drie-doses primaire serie bij zuigelingen.
Antilichaampersistentie en immunologisch geheugen zijn geëvalueerd in een onderzoek bij gezonde
kinderen die een enkele dosis Prevenar 13 kregen. Dit gebeurde ten minste 2 jaar nadat ze eerder
waren geïmmuniseerd met ofwel 4 doses Prevenar, een zuigelingenserie van 3 doses Prevenar gevolgd
door Prevenar 13 op de leeftijd van 12 maanden, of met 4 doses Prevenar 13.
De enkele dosis Prevenar 13 induceerde bij kinderen van ongeveer 3,4 jaar oud (ongeacht
voorgeschiedenis van vaccinatie met Prevenar of Prevenar 13) een sterke antilichaamrespons voor
zowel de 7 gemeenschappelijke serotypen als de 6 overige serotypen in Prevenar 13.
Sinds de introductie van 7-valent Prevenar in 2000 hebben gegevens van
pneumokokkenziektensurveillance niet aangetoond dat de immuniteit opgewekt door Prevenar tijdens
de kindertijd over de tijd is afgenomen.
Te vroeg geboren zuigelingen
De veiligheid en immunogeniciteit van Prevenar 13 gegeven na 2, 3, 4 en 12 maanden werd
beoordeeld bij ongeveer 100 premature zuigelingen (gemiddelde Estimated Gestational Age [EGA]
31 weken; bereik 26 tot 36 weken) en vergeleken met ongeveer 100 zuigelingen die voldragen werden
geboren (gemiddelde EGA 39 weken; bereik 37 tot 42 weken).
De immuunresponsen bij te vroeg geboren en voldragen zuigelingen werden vergeleken met
gebruikmaking van het percentage proefpersonen dat een pneumokokkenpolysaccharide IgG-
bindende antilichaamconcentratie ≥0,35 μg/ml bereikte, 1 maand na de zuigelingenserie. Deze
benadering werd gebruikt voor immunogeniciteitsvergelijkingen van Prevenar 13 met Prevenar op
basis van WHO-richtlijnen.
Meer dan 85% bereikte een pneumokokkenpolysaccharide IgG-bindende antilichaamconcentratie
≥0,35 µg/ml 1 maand na de vaccinatieserie bij zuigelingen, behalve voor serotypen 5 (71,7%), 6A
(82,7%) en 6B (72,7%) in de te vroeg geboren groep. Voor deze 3 serotypen was het percentage
responders onder de te vroeg geboren zuigelingen significant lager dan onder de voldragen
zuigelingen. Ongeveer een maand na de dosis voor peuters was het percentage proefpersonen in elke
groep dat dezelfde antilichaamconcentratiedrempel bereikte >97%, behalve voor serotype 3 (71% bij
de te vroeg geboren zuigelingen en 79% bij de voldragen zuigelingen). Het is onbekend of het
immunologisch geheugen voor alle serotypen geïnduceerd wordt bij te vroeg geboren zuigelingen. In
het algemeen waren de serotypespecifieke IgG GMC’s lager voor te vroeg geboren dan voor
voldragen zuigelingen.
Na de vaccinatieserie bij zuigelingen waren de OPA GMT’s hetzelfde bij te vroeg geboren zuigelingen
als bij voldragen zuigelingen, behalve voor serotype 5, welke lager was bij te vroeg geboren
67
zuigelingen. De OPA GMT’s na de peuterdosis gerelateerd aan die na de zuigelingenserie waren
vergelijkbaar of lager voor 4 serotypen (4, 14, 18C en 19F) en waren statistisch significant hoger voor
6 van de 13 serotypen (1, 3, 5, 7F, 9V en 19A) bij te vroeg geboren zuigelingen in vergelijking met 10
van de 13 serotypen (1, 3, 4, 5, 6A, 7F, 9V, 18C, 19A en 23F) bij voldragen zuigelingen.
Kinderen (12-59 maanden) die volledig zijn geïmmuniseerd met Prevenar (7-valent)
Na toediening van een enkele dosis Prevenar 13 aan kinderen (12-59 maanden) die werden beschouwd
als volledig geïmmuniseerd met Prevenar (7-valent) (primaire serie van 2 of 3 doses plus booster) was
het aandeel dat serum-IgG-spiegels ≥ 0,35µg/ml en OPA-titers ≥ 1:8 bereikte ten minste 90%. Echter,
3 (serotype 1, 5 en 6A) van de 6 overige serotypen vertoonden een lagere IgG GMC en OPA GMT in
vergelijking met kinderen die ten minste één eerdere vaccinatie met Prevenar 13 hadden gekregen. De
klinische relevantie van de lagere GMC’s en GMT’s is op dit moment niet bekend.
Ongevaccineerde kinderen (12-23 maanden)
Studies met Prevenar (7-valent) bij ongevaccineerde kinderen (12 - 23 maanden) toonden aan dat
2 doses nodig waren om serum-IgG-concentraties voor 6B en 23F te bereiken die vergelijkbaar waren
met die geïnduceerd via een zuigelingenserie van 3 doses.
Kinderen en adolescenten van 5 tot en met 17 jaar
In een open-labelonderzoek bij 592 gezonde kinderen en adolescenten inclusief diegenen met astma
(17,4%) die mogelijk meer vatbaar zijn voor pneumokokkeninfectie, wekte Prevenar 13 een
immuunrespons op voor alle 13 serotypen. Een eenmalige dosis Prevenar 13 was toegediend aan
kinderen van 5 tot en met 10 jaar die eerder waren gevaccineerd met ten minste 1 dosis Prevenar, en
aan kinderen en adolescenten van 10 tot en met 17 jaar die niet eerder een pneumokokkenvaccin
toegediend hadden gekregen.
Bij zowel de kinderen van 5 tot en met 10 jaar als de kinderen en adolescenten van 10 tot en met
17 jaar was de immuunrespons op Prevenar 13 niet inferieur aan Prevenar voor de
7 gemeenschappelijke serotypen en voor Prevenar 13 voor de 6 additionele serotypen, in vergelijking
met de immuunrespons na de vierde dosis bij zuigelingen gevaccineerd op een leeftijd van 2, 4, 6 en
12-15 maanden, zoals gemeten met serum IgG.
Bij kinderen en adolescenten van 10 tot en met 17 jaar waren de OPA GMT’s 1 maand na vaccinatie
niet inferieur aan de OPA GMT’s in de leeftijdsgroep van 5 tot en met 10 jaar voor 12 van de
13 serotypen (uitgezonderd serotype 3).
Immuunrespons na subcutane toediening
Subcutane toediening van Prevenar 13 is geëvalueerd in een niet-vergelijkende studie bij 185 gezonde
Japanse zuigelingen en kinderen die vier doses toegediend kregen toen zij 2, 4, 6 en 12-15 maanden
oud waren. De studie toonde aan dat veiligheid en immunogeniciteit over het algemeen vergelijkbaar
waren met waarnemingen uit studies bij intramusculaire toediening.
Effectiviteit van Prevenar 13
Invasieve pneumokokkenziekte
Data gepubliceerd door Public Health England liet zien dat vier jaar na de introductie van Prevenar als
een primaire zuigelingserie van twee doses met boosterdosis in het tweede levensjaar en met een
opname van het vaccin van 94% er in Engeland en Wales een afname van 98% was (95% BI 95; 99)
van door de 7 vaccinserotypen veroorzaakte ziekte. Vier jaar na de overstap naar Prevenar 13,
varieerde de verdere daling van de incidentie van IPD als gevolg van de 7 serotypen in Prevenar
vervolgens van 76% bij kinderen jonger dan 2 jaar tot 91% bij kinderen in de leeftijd van 5-14 jaar.
Tabel 2 toont de serotype-specifieke dalingen voor elk van de 5 additionele serotypen in Prevenar 13
(er werden geen gevallen van IPD van het serotype 5 waargenomen) per leeftijdsgroep. Deze dalingen
68
varieerden van 68% (serotype 3) tot 100% (serotype 6A) bij kinderen jonger dan 5 jaar. In oudere
leeftijdsgroepen die niet met Prevenar 13 waren gevaccineerd, werden eveneens significante dalingen
in de incidentie waargenomen (indirect effect).
Tabel 2: Aantal serotype-specifieke gevallen en dalingen van de incidentie van IPD in
2013/2014 vergeleken met 2008/2009-2009/2010 (2008/2010), per leeftijdsgroep, in Engeland
en Wales
< 5 jaar
2008-
2010
§
2013/
2014
§
5 t/m 64 jaar
2008-
2010
§
2013/
2014
§
≥ 65 jaar
2008-
2010
§
2013/
2014
§
% Daling
incidentie
(95% CI*)
% Daling
incidenti
e (95%
CI*)
% Daling
incidentie
(95% CI*)
Additionele serotypen die worden gedekt door Prevenar 13
1
59 (54)
5 (5)
91%
(98%;
68%)**
3
26 (24)
8 (8)
68%
(89%; 6%)
6A
10 (9)
0 (0)
100%
(100%;
62%)**
7F
90 (82)
8 (8)
91%
(97%;
74%)**
19
A
§
458
(382)
178
(148)
53 (44)
77
(71)
73
(68)
5 (5)
83%
(88%;
74%)**
59%
(72%;
38%)**
90%
(97%;
56%)**
102
(89)
256
(224)
94 (82)
13
(13)
143
(146)
5 (5)
87%
(94%;
72%)**
44%
(57%;
27%)**
95%
(99%;
81%)**
430
(361)
225
(191)
160
(148
)
104
(97)
63%
(71%;
50%)**
54%
(65%;
32%)**
173
(152)
279
(246)
75
(77)
97
(99)
56%
(70%;
37%)**
65%
(75%;
53%)**
85 (77)
7 (7)
91%
(97%;
75%)**
Gecorrigeerd voor het aantal geserotypeerde monsters, ontbrekende leeftijd, noemer
vergeleken met 2009/2010 en voor de trend in de totale invasieve pneumokokkenziekte tot
2009/2010 (waarna geen trendcorrectie werd toegepast).
95%-BI bepaald op basis van een poissonverdeling met overdispersieparameter 2,1,
gemodelleerd op data van alle IPD-gegevens van 2000-2006 voorafgaand aan de introductie
van Prevenar.
*
** p < 0,005 voor de dekking van 6A waarbij p = 0,002
Otitis media (OM)
In een gepubliceerd onderzoek uitgevoerd in Israël, waarin gebruik werd gemaakt van een primaire
serie van 2 doses plus boosterdosis in het tweede levensjaar, werd het effect van Prevenar 13 op OM
gedocumenteerd in een populatie-gebaseerd, actief surveillancesysteem, waar Israëlische kinderen
jonger dan 2 jaar met OM een kweek van vocht uit het middenoor werd afgenomen via
tympanocentese.
Na de introductie van Prevenar en vervolgens Prevenar 13 daalde de incidentie van 2,1 naar 0,1
gevallen per 1.000 kinderen (95%) voor wat betreft de Prevenar-serotypen plus serotype 6A en nam de
incidentie af van 0,9 naar 0,1 gevallen per 1.000 kinderen (89%) voor wat betreft de additionele
serotypen 1, 3, 5, 7F en 19A in Prevenar 13. De algemene incidentie van pneumokokken-OM op
jaarbasis nam af van 9,6 naar 2,1 gevallen per 1.000 kinderen (78%) tussen juli 2004 (vóór de
69
introductie van Prevenar) en juni 2013 (na de introductie van Prevenar 13).
Pneumonie
In een observationeel multicenteronderzoek in Frankrijk, waarin de perioden voor en na de overstap
van Prevenar naar Prevenar 13 werden vergeleken, nam op eerstehulpafdelingen het totale aantal
gevallen van buiten het ziekenhuis opgelopen pneumonie (CAP) bij kinderen in de leeftijd van
1 maand tot 15 jaar met 16% (van 2.060 naar 1.725 gevallen) af. De dalingen bedroegen 53% (van 167
naar 79 gevallen) (p < 0,001) voor gevallen van CAP met pleurale effusie en 63% (van 64 naar
24 gevallen) (p < 0,001) voor microbiologisch bevestigde gevallen van door pneumokokken
veroorzaakte CAP. In het tweede jaar na de introductie van Prevenar 13 nam het totale aantal CAP-
gevallen, als gevolg van de 6 additionele vaccinserotypen in Prevenar 13, af van 27 naar 7 isolaten
(74%).
De afname van pneumoniegevallen ongeacht de oorzaak was het meest uitgesproken in de jongere
gevaccineerde leeftijdsgroepen met een afname van respectievelijk 31,8% (van 757 naar 516 gevallen)
en 16,6% (van 833 naar 695 gevallen) in de leeftijdsgroepen < 2 jaar en 2 tot en met 5 jaar. De
incidentie bij de oudere, overwegend niet-gevaccineerde kinderen (> 5 jaar) veranderde niet in de loop
van het onderzoek.
In een lopend surveillancesysteem (2004 tot en met 2013) werd de impact van Prevenar en vervolgens
Prevenar 13 op CAP gedocumenteerd bij kinderen jonger dan 5 jaar in het zuiden van Israël die
werden behandeld met een primaire serie met twee doses met een boosterdosis in het tweede
levensjaar. Na de introductie van Prevenar 13 namen het aantal poliklinische bezoeken en het aantal
ziekenhuisopnames wegens alveolaire CAP af met respectievelijk 68% (95% BI 73; 61) en 32% (95%
BI 39; 22) in vergelijking met de periode voordat Prevenar werd geïntroduceerd.
Effect op nasofaryngeaal dragerschap
Bij een surveillance studie in Frankrijk waarbij kinderen verschijnselen van een acute
middenoorontsteking vertoonden, zijn veranderingen van nasofaryngeaal (NP) dragerschap van
pneumokokkenserotypen geëvalueerd na introductie van Prevenar (7-valent) en vervolgens
Prevenar 13. Prevenar 13 reduceerde significant het NP dragerschap van de 6 additionele serotypen
(en serotype 6C) gecombineerd en de individuele serotypen 6C, 7F, 19A in vergelijking met Prevenar.
Een reductie in dragerschap werd ook gezien bij serotype 3 (2,5% vs. 1,1%; p=0,1). Er werd geen
dragerschap van serotypen 1 en 5 waargenomen.
Het effect van vaccinatie met het pneumokokkenconjugaat op nasofaryngeaal dragerschap werd
bestudeerd in een gerandomiseerde dubbelblinde studie waarbij kinderen van 2, 4, 6 en 12 maanden
oud in Israël hetzij Prevenar 13 hetzij Prevenar (7-valent) ontvingen. Prevenar 13 reduceerde
significant de nieuw geïdentificeerde NP acquisitie van de 6 additionele serotypen (en serotype 6C)
gecombineerd en van individuele serotypen 1, 6A, 6C, 7F, 19A in vergelijking met Prevenar. Er werd
geen reductie gezien bij serotype 3 en bij serotype 5 was de kolonisatie te zeldzaam om de impact te
kunnen beoordelen. Voor 6 van de overgebleven 7 normale serotypen werden vergelijkbare aantallen
van NP acquisitie waargenomen in beide vaccingroepen; voor serotype 19F werd een significante
reductie waargenomen.
In dit onderzoek werden verminderingen gedocumenteerd van
S. pneumoniae
serotypen 19A, 19F en
6A die niet gevoelig waren voor een aantal antibiotica. De verminderingen lopen uiteen tussen 34% en
62%, afhankelijk van serotype en antibioticum.
Prevenar (7-valent vaccin) beschermingswerkzaamheid bij zuigelingen en kinderen
De werkzaamheid van 7-valent Prevenar is geëvalueerd in twee belangrijke studies – de “Northern
California Kaiser Permanente” (NCKP) studie en de “Finnish Otitis Media” (FinOM) studie. Beide
studies waren gerandomiseerde, dubbelblinde, actief-gecontroleerde studies waarbij zuigelingen
werden gerandomiseerd naar toediening van ofwel Prevenar ofwel een controlevaccin (NCKP,
meningokokken serogroep C CRM-conjugaat [MnCC] vaccin; FinOM, hepatitis B-vaccin) in een vier-
doses serie op een leeftijd van 2, 4, 6, en 12-15 maanden. De resultaten van de werkzaamheid in deze
70
studies (voor invasieve pneumokokkenziekte, pneumonie en acute otitis media) staan hieronder
weergegeven (Tabel 3).
Tabel 3: Samenvatting van de werkzaamheid van 7-valent Prevenar
1
Test
N
VE
2
NCKP: Vaccin-serotype IPD
3
97%
30.258
NCKP: Klinische pneumonie met abnormale röntgenfoto van de borst
NCKP: Acute Otitis Media (AOM)
4
Totaal aantal episodes
Terugkerende AOM (3 episodes in 6 maanden, of 4 episodes in 1 jaar)
Terugkerende AOM (5 episodes in 6 maanden, of 6 episodes in 1 jaar)
Plaatsing van een trommelvliesbuisje
FinOM: AOM
Totaal aantal episodes
Alle pneumokokken AOM
Vaccin-serotype AOM
1
Per protocol
2
Vaccinwerkzaamheid
3
Oktober 1995 tot 20 april 1999
4
Oktober 1995 tot 30 april 1998
Effectiviteit van Prevenar (7-valent)
De effectiviteit (zowel direct als indirect effect) van 7-valent Prevenar tegen pneumokokkenziekte is
geëvalueerd in immunisatieprogramma’s met zowel drie-doses als twee-doses primaire
zuigelingenseries, alle met boosterdoses (Tabel 4). Na wijdverbreid gebruik van Prevenar is de
incidentie van IPD consistent en substantieel gedaald.
Gebruikmakend van de screeningmethode betroffen schattingen van serotype-specifieke effectiviteit
voor 2 doses onder de leeftijd van 1 jaar in het VK respectievelijk 66% (-29 – 91%) en 100% (25 –
100%) voor serotype 6B en 23F.
Tabel 4: Samenvatting van werkzaamheid van 7-valent Prevenar voor invasieve
pneumokokkenziekte
Land
Aanbevolen schema
Ziektevermindering, %
95% CI
(jaar van introductie)
VK (Engeland &
2, 4, + 13 maanden
Vaccin serotypen:
49 – 95%
1
Wales) (2006)
Twee doses onder de leeftijd
van 1 jaar: 85%
VS (2000)
2, 4, 6, + 12 – 15
maanden
2
Kinderen <5
Vaccin serotypen: 98%
97 – 99%
Alle serotypen: 77%
73 – 79%
Personen ≥65
3
Vaccin serotypen: 76%
nvt
Alle serotypen: 38%
nvt
4
Canada (Quebec)
2, 4, + 12 maanden
Alle serotypen: 73%
nvt
(2004)
Vaccin serotypen:
2-doses zuigelingenserie: 99%
92 - 100%
Volledig schema:100%
82 - 100%
1
Kinderen < 2 jaar. Berekende vaccineffectiviteit vanaf juni 2008 (Broome-methode).
2
2005 data.
3
2004 data.
4
Kinderen < 5 jaar. Januari 2005 tot december 2007. Volledige werkzaamheid voor routine 2+1
schema nog niet beschikbaar.
71
23.746
23.746
35%
7%
9%
23%
20%
95% CI
85 –
100
4 – 56
4 – 10
3 – 15
7 – 36
2 – 35
-4 – 16
21 – 45
44 – 67
1.662
6%
34%
57%
Acute otitis media
Effectiviteit van Prevenar in een 3+1 schema is ook waargenomen voor acute otitis media en
pneumonie sinds de introductie in een nationaal immunisatieprogramma. In een retrospectieve
evaluatie van een grote verzekeringsdatabase in de Verenigde Staten, waren AOM bezoeken
verminderd met 42,7% (95% CI, 42,4 – 43,1%) en voorschriften voor AOM met 41,9% bij kinderen
jonger dan 2 jaar, vergeleken met een baseline van voor registratie (2004 versus 1997-1999). In een
vergelijkbare analyse waren ziekenhuisopnames en poliklinische bezoeken voor pneumonie door alle
oorzaken verminderd met respectievelijk 52,4 % en 41,1 %. Voor gebeurtenissen specifiek
geïdentificeerd als pneumokokken pneumonie was de waargenomen afname in ziekenhuisopnames en
poliklinische bezoeken respectievelijk 57,6 % en 46,9 %, bij kinderen jonger dan 2 jaar oud,
vergeleken met een baseline van voor registratie (2004 versus 1997-1999). Hoewel een direct oorzaak-
en-gevolg niet kan worden vastgesteld middels dit type observationele analyses, suggereren deze
bevindingen dat Prevenar een belangrijke rol speelt in het verminderen van de last van mucosale
ziekten (AOM en pneumonie) in de “target” populatie.
Studie naar de werkzaamheid bij volwassenen van 65 jaar en ouder
De werkzaamheid tegen vaccintype (VT) pneumokokken-CAP en IPD is beoordeeld in een
grootschalige gerandomiseerde, dubbelblinde, placebogecontroleerde studie (Community-Acquired
Pneumonia Immunization Trial in Adults–CAPiTA) in Nederland. Personen van 65 jaar en ouder
(n=84.496) kregen een enkele vaccinatie met Prevenar 13 of placebo in een 1:1 randomisatie.
In de CAPiTA-studie werden vrijwilligers ≥ 65 jaar opgenomen van wie de demografische
eigenschappen en gezondheidskenmerken kunnen afwijken van die van personen die zich in de
praktijk laten vaccineren.
Een eerste episode van in het ziekenhuis door een thoraxröntgenfoto bevestigde pneumonie werd
vastgesteld bij ongeveer 2% van deze populatie (n=1.814 personen), waarvan 329 gevallen bevestigd
werden als pneumokokken-CAP en 182 gevallen VT pneumokokken-CAP waren in de per-protocol-
en aangepaste intent-to-treat (mITT)-populaties.
De werkzaamheid werd aangetoond voor de primaire en secundaire eindpunten in de per-
protocolpopulatie (Tabel 5).
Tabel 5: Vaccinwerkzaamheid (VW) voor de primaire en secundaire eindpunten van de
CAPiTA-studie (per-protocolpopulatie)
Gevallen
Werkzaamheidseindpunt
Primair eindpunt
Eerste episode van bevestigde VT
pneumokokken-CAP
Secundaire eindpunten
Eerste episode van bevestigde
NB/NI
1
vaccintype pneumokokken-
CAP
Eerste episode van VT-IPD
2
1
2
Prevenar 13-
Totaal
groep
Placebo-
groep
VW (%)
(95,2% BI)
p-waarde
139
49
90
45,56
(21,82; 62,49)
0,0006
93
35
33
7
60
28
45,00
(14,21; 65,31)
75,00
(41,06; 90,87)
0,0067
0,0005
NB/NI – niet-bacteriëmisch/niet-invasief
VT-IPD – vaccintype invasieve pneumokokkenziekte
De beschermende werking tegen een eerste episode van VT pneumokokken-CAP,
NB/NI VT pneumokokken-CAP en VT-IPD hield aan gedurende de volledige studie van vier jaar.
72
De studie was niet opgezet om de werkzaamheid in subgroepen aan te tonen. Het aantal proefpersonen
≥85 jaar was niet voldoende om de werkzaamheid in deze leeftijdsgroep aan te tonen.
Er werd een post-hocanalyse gebruikt om de volgende uitkomsten voor de volksgezondheid tegen
klinische CAP te schatten (zoals omschreven in de CAPiTA-studie en gebaseerd op klinische
bevindingen ongeacht radiologisch infiltraat of etiologische bevestiging): vaccinwerkzaamheid (VW),
daling van de incidentiecijfers (IRR,
Incidence Rate Reduction)
en het aantal mensen dat gevaccineerd
moet worden om één bepaalde gebeurtenis te voorkomen (NNV,
Number Needed to Vaccinate)
(Tabel 6).
IRR, ook wel genoemd incidentie van door vaccinatie te voorkomen ziekten, is het aantal gevallen
door vaccinatie te voorkomen ziekten per 100.000 persoonsjaren observatie.
In Tabel 6 is NNV een maat voor het kwantificeren van het aantal mensen dat gevaccineerd moet
worden om één klinisch geval van CAP te voorkomen.
Tabel 6: Vaccinwerkzaamheid (VW) tegen klinische CAP
*
Episodes
Vaccinwerkzaamheid
1
Incidentie per 100.000
Daling
% (95% BI)
persoonsjaren
incidentie-
(1-zijdige p-waarde)
observatie
cijfer
2
(95% BI)
Prevenar
Placebo
Prevenar
Placebo
13
13
1.375
1.495
8,1
819,1
891,2
72,2
(-5,3;
(-0,6; 16,1)
149,6)
(0,034)
1.126
1.214
7,3
670,7
723,7
53,0
(-2,7;
(-0,4; 14,4)
108,7)
(0,031)
NNV
3
Analyse
van alle
episodes
277
Analyse
378
van
eerste
episode
* Patiënten met ten minste 2 van de volgende verschijnselen: hoesten; purulent sputum, temperatuur >38°C of
<36,1°C; pneumonie (auscultatorische bevindingen); leukocytose; C-reactieve proteïnewaarde hoger dan 3 keer de
bovengrens van de normaalwaarde; hypoxemie met een partiële zuurstofdruk <60 mm Hg terwijl kamerlucht wordt
ingeademd.
1
Een Poisson regressiemodel met willekeurige effecten werd gebruikt om de VW te berekenen.
2
Per 100.000 persoonsjaren observatie. IRR wordt berekend als de incidentie in de placebogroep minus de incidentie
in de vaccingroep, en was rekenkundig gelijkwaardig aan de VW × de incidentie in de placebogroep.
3
Gebaseerd op een 5-jarige beschermingsduur. NNV is geen percentage maar geeft het aantal gevallen aan dat
voorkomen wordt voor een bepaald aantal gevaccineerde personen. NNV omvat ook de duur van het onderzoek of
de beschermingsduur en wordt berekend als 1 gedeeld door het product van de IRR en de beschermingsduur (of de
duur van het onderzoek) (=1/(IRR × duur).
Immunogeniciteitsonderzoek bij volwassenen ≥ 18 jaar en ouderen
Bij volwassenen is geen drempel vastgesteld voor de antilichaamconcentratie voor de
serotypespecifieke pneumokokkenpolysaccharide IgG-binding die bescherming geeft. In alle klinische
hoofdonderzoeken werd een serotypespecifieke opsonofagocytoseproef (OPA) als surrogaat gebruikt
voor de bepaling van de potentiële effectiviteit tegen invasieve pneumokokkenziekte en pneumonie.
De OPA geometrisch gemiddelde titers (GMT’s), gemeten 1 maand na elke vaccinatie, werden
berekend. De OPA-titers zijn uitgedrukt als het omgekeerd evenredige van de hoogste
serumverdunning die de overleving van de pneumokokken met ten minste 50% reduceert.
De hoofdonderzoeken voor Prevenar 13 werden opgezet om aan te tonen dat de functionele OPA-
antilichaamrespons voor de 13 serotypen niet-inferieur zijn en voor sommige serotypen superieur aan
de 12 serotypen die Prevenar 13 gemeenschappelijk heeft met het geregistreerde 23-valente
pneumokokkenpolysaccharidevaccin [1, 3, 4, 5, 6B, 7F, 9V, 14, 18C, 19A, 19F, 23F] een maand na
toediening van het vaccin. De respons op serotype 6A, dat uniek is voor Prevenar 13, werd aangetoond
door een 4-voudige toename van de specifieke OPA-titer boven het niveau van voor de immunisatie.
73
In Europa en de VS werden vijf klinische studies naar de immunogeniciteit van Prevenar 13 in
verschillende leeftijdsgroepen tussen 18 en 95 jaar verricht. Uit klinische studies met Prevenar 13 zijn
momenteel immunogeniciteitsdata van Prevenar 13 bekend bij volwassenen van 18 jaar en ouder,
onder wie volwassenen van 65 jaar en ouder die 5 jaar voor het onderzoek waren gevaccineerd met
een of meer doses van 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin. Elke studie omvatte gezonde en
immuuncompetente volwassenen met stabiele onderliggende aandoeningen waarvan bekend is dat zij
predisponerend zijn voor pneumokokkeninfectie (bijvoorbeeld chronische cardiovasculaire
aandoeningen, chronische longaandoeningen inclusief astma, nieraandoeningen, diabetes mellitus,
chronische leveraandoeningen inclusief leveraandoeningen door alcohol) en volwassenen met
risicofactoren zoals roken en alcoholmisbruik.
De immunogeniciteit en veiligheid van Prevenar 13 zijn aangetoond bij volwassenen van 18 jaar en
ouder met inbegrip van personen die eerder waren gevaccineerd met een pneumokokkenpolysaccha-
ridevaccin.
Volwassenen, niet eerder gevaccineerd met 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin
In een head-to-head, vergelijkend onderzoek bij volwassenen van 60-64 jaar kregen de proefpersonen
een enkele dosis van Prevenar 13 of 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin. In hetzelfde
onderzoek kreeg een andere groep volwassenen van 50-59 jaar oud en een andere groep volwassenen
van 18-49 jaar oud een enkele dosis Prevenar 13.
In tabel 7 worden de OPA GMT’s 1 maand na vaccinatie bij 60-64-jarigen die een enkele dosis van
Prevenar 13 of 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin kregen vergeleken met de OPA GMT’s
bij 50-59-jarigen die een enkele dosis Prevenar 13 kregen.
Tabel 7: OPA GMT's bij volwassenen van 60-64 jaar die Prevenar 13 of 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin (PPSV23) kregen en volwassenen van 50-59 jaar die
Prevenar 13 kregen
a,b,c
Prevenar 13 Prevenar 13 PPSV23
Prevenar 13
Prevenar 13 vergeleken
50-59 vergeleken met
met PPSV23,
50-59 jaar
60-64 jaar
60-64 jaar
60-64 jaar
60-64 jaar
N=350-384
N=359-404
N=367-402
Serotype
GMT
GMT
GMT
GMR
(95% CI)
GMR
(95% CI)
1
200
146
104
1,4
(1,08, 1,73)
1,4
(1,10, 1,78)
3
91
93
85
1,0
(0,81, 1,19)
1,1
(0,90, 1,32)
4
2833
2062
1295
1,4
(1,07, 1,77)
1,6
(1,19, 2,13)
5
269
199
162
1,4
(1,01, 1,80)
1,2
(0,93, 1,62)
6A
4328
2593
213
1,7
(1,30, 2,15)
12,1
(8,63, 17,08)
6B
3212
1984
788
1,6
(1,24, 2,12)
2,5
(1,82, 3,48)
7F
1520
1120
405
1,4
(1,03, 1,79)
2,8
(1,98, 3,87)
9V
1726
1164
407
1,5
(1,11, 1,98)
2,9
(2,00, 4,08)
14
957
612
692
1,6
(1,16, 2,12)
0,9
(0,64, 1,21)
18C
1939
1726
925
1,1
(0,86, 1,47)
1,9
(1,39, 2,51)
19A
956
682
352
1,4
(1,16, 1,69)
1,9
(1,56, 2,41)
19F
599
517
539
1,2
(0,87, 1,54)
1,0
(0,72, 1,28)
23F
494
375
72
1,3
(0,94, 1,84)
5,2
(3,67, 7,33)
a
Niet-inferioriteit werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor GMR hoger was dan 0,5.
b
Statistisch significant hogere respons werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor GMR
hoger was dan 1.
c
Voor serotype 6A
, uniek voor Prevenar 13, werd een statistisch significant hogere respons vastgesteld als de
ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor de GMR hoger was dan 2.
Bij volwassenen van 60-64 jaar waren de OPA GMT’s voor Prevenar 13 niet-inferieur aan de OPA-
GMT’s teweeggebracht door het 23-valente pneumokokkenpolysaccharidevaccin voor de twaalf
serotypen die beide vaccins gemeenschappelijk hebben. Voor 9 serotypen werd aangetoond dat de
OPA-titers statistisch significant hoger waren bij personen die Prevenar 13 kregen.
Bij volwassenen van 50-59 jaar waren de OPA GMT’s voor alle 13 serotypen van Prevenar 13 niet-
inferieur aan de responsen op Prevenar 13 bij volwassenen van 60-64 jaar. Voor 9 serotypen waren de
74
immuunresponsen afhankelijk van de leeftijd: volwassenen in de groep tussen 50-59 jaar hadden
statistisch significant hogere responsen dan volwassenen van 60-64 jaar.
Bij alle volwassenen van 50 jaar en ouder die een enkele dosis Prevenar 13 kregen, waren de OPA-
titers voor serotype 6A significant hoger dan bij volwassenen van 60 jaar en ouder die een enkele
dosis 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin kregen.
Een jaar na vaccinatie met Prevenar 13 waren de OPA-titers afgenomen ten opzichte van een maand
na vaccinatie; de OPA-titers waren voor alle serotypen echter nog steeds hoger dan op baseline:
OPA GMT-niveaus op
baseline
Volwassenen 50-59 jaar die niet eerder
gevaccineerd waren met 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin
Volwassenen 60-64 jaar die niet eerder
gevaccineerd waren met 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin
5 tot 45
5 tot 37
OPA GMT-niveaus 1 jaar na
Prevenar 13
20 tot 1.234
19 tot 733
Tabel 8 toont OPA GMT’s aan 1 maand na een enkelvoudige dosis Prevenar 13 bij personen van 18-
49 jaar oud, vergeleken met personen van 60-64 jaar oud.
Tabel 8: OPA GMT’s bij volwassenen van 18-49 jaar oud en van 60-64 jaar oud die Prevenar 13
a,b
kregen
18-49 jaar
60-64 jaar
18-49 jaar vergeleken met
N=836-866
N=359-404
60-64 jaar
b
b
Serotype
GMT
GMT
GMR
(95% CI
c
)
1
353
146
2,4
(2,03, 2,87)
3
91
93
1,0
(0,84, 1,13)
4
4747
2062
2,3
(1,92, 2,76)
5
386
199
1,9
(1,55, 2,42)
6A
5746
2593
2,2
(1,84, 2,67)
6B
9813
1984
4,9
(4,13, 5,93)
7F
3249
1120
2,9
(2,41, 3,49)
9V
3339
1164
2,9
(2,34, 3,52)
14
2983
612
4,9
(4,01, 5,93)
18C
3989
1726
2,3
(1,91, 2,79)
19A
1580
682
2,3
(2,02, 2,66)
19F
1533
517
3,0
(2,44, 3,60)
23F
1570
375
4,2
(3,31, 5,31)
a
Niet-inferioriteit werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor GMR hoger was dan 0,5.
b
Statistisch significant hogere respons werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor GMR
hoger was dan 1.
cc
De betrouwbaarheidsintervallen (CI) voor de ratio zijn inverse transformaties van een betrouwbaarheidsinterval
op basis van de Student-t-verdeling voor het gemiddelde verschil van de logaritmen van de metingen.
Bij volwassenen van 18-49 jaar waren de OPA GMT’s voor alle 13 serotypen in Prevenar 13 niet-
inferieur aan de responsen op Prevenar 13 bij volwassenen van 60-64 jaar.
Eén jaar na vaccinatie met Prevenar 13 waren de OPA-titers afgenomen vergeleken met één maand na
vaccinatie, maar de OPA-titers voor alle serotypen bleven hoger dan de niveaus op baseline.
OPA GMT niveaus op
baseline
Volwassenen van 18-49 jaar, niet
eerder gevaccineerd met 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin
5 tot 186
OPA GMT niveaus één jaar na
Prevenar 13
23 tot 2.948
75
Volwassenen, eerder gevaccineerd met 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin
De immuunresponsen voor Prevenar 13 en 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin werden
vergeleken in een head-to-head onderzoek bij volwassenen van 70 jaar en ouder die ten minste 5 jaar
voor de onderzoeksvaccinatie een enkele dosis pneumokokkenpolysaccharidevaccin hadden gekregen.
In tabel 9 worden de OPA GMT’s 1 maand na vaccinatie vergeleken bij met
pneumokokkenpolysaccharidevaccin geïmmuniseerde volwassenen van 70 jaar en ouder die een
enkele dosis van Prevenar 13 of 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin kregen.
Tabel 9: OPA GMT's bij met pneumokokkenpolysaccharidevaccin geïmmuniseerde volwassenen
≥ 70 jaar, die
Prevenar 13 of 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin (PPSV23) kregen
a,b,c
Prevenar 13
PPSV23
Prevenar OPA GMT
N=400-426
N=395-445
vergeleken met PPSV23
Serotype
OPA GMT
OPA GMT
GMR
(95% CI)
1
81
55
1,5
(1,17; 1,88)
3
55
49
1,1
(0,91; 1,35)
4
545
203
2,7
(1,93; 3,74)
5
72
36
2,0
(1,55; 2,63)
6A
903
94
9,6
(7,00; 13,26)
6B
1261
417
3,0
(2,21; 4,13)
7F
245
160
1,5
(1,07; 2,18)
9V
181
90
2,0
(1,36; 2,97)
14
280
285
1,0
(0,73; 1,33)
18C
907
481
1,9
(1,42; 2,50)
19A
354
200
1,8
(1,43; 2,20)
19F
333
214
1,6
(1,17; 2,06)
23F
158
43
3,7
(2,69; 5,09)
a
Niet-inferioriteit werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor GMR hoger was
dan 0,5.
b
Statistisch significant hogere respons werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI
voor GMR hoger was dan 1.
c Voor serotype 6A†, uniek voor Prevenar 13, werd een statistisch significant hogere respons
vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor de GMR hoger was dan 2.
Bij volwassenen die ten minste 5 jaar voor het klinisch onderzoek gevaccineerd waren met
pneumokokkenpolysaccharidevaccin waren de OPA GMT’s voor Prevenar 13 niet-inferieur aan de
responsen op het 23-valente pneumokokkenpolysaccharidevaccin voor de 12 serotypen die beide
vaccins gemeenschappelijk hebben. Bovendien werden in dit onderzoek statistisch significant hogere
OPA GMT’s aangetoond voor 10 van de 12 gemeenschappelijke serotypes. De immuunresponsen
voor serotype 6A waren statistisch significant hoger na vaccinatie met Prevenar 13 dan na 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin.
Een jaar na vaccinatie met Prevenar 13 in volwassenen van 70 jaar en ouder die ten minste 5 jaar voor
het onderzoek met 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin gevaccineerd waren, waren de
OPA-titers afgenomen ten opzichte van een maand na vaccinatie. De OPA-titers waren voor alle
serotypen echter nog steeds hoger dan op baseline:
OPA GMT-niveaus op
baseline
Volwassenen ≥ 70 jaar, ten minste 5
jaar voor het onderzoek gevaccineerd
met 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin
9 tot 122
OPA GMT-niveaus 1 jaar na
Prevenar 13
18 tot 381
76
Immuunresponsen in speciale populaties
Voor personen met de hieronder beschreven aandoeningen geldt een verhoogd risico op pneumokok-
kenziekte. De klinische relevantie van de antilichaamspiegels veroorzaakt door Prevenar 13 in deze
speciale populaties is onbekend.
Sikkelcelziekte
Een open-label eenarmige studie in Frankrijk, Italië, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten,
Libanon, Egypte en Saoedi-Arabië met 2 doses Prevenar 13, 6 maanden na elkaar gegeven, werd
uitgevoerd onder 158 kinderen en adolescenten ≥6 tot <18 jaar met sikkelcelziekte die ten minste
6 maanden voorafgaand aan inclusie waren gevaccineerd met een of meerdere doses 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin. Na de eerste vaccinatie veroorzaakte Prevenar 13
antilichaamspiegels gemeten met zowel IgG GMC’s als OPA GMT’s die statistisch significant hoger
waren dan de spiegels voorafgaand aan vaccinatie. Na de tweede dosis waren de immuunresponsen
vergelijkbaar met die na de eerste dosis. Een jaar na de tweede dosis waren de antilichaamspiegels,
gemeten met zowel IgG GMC’s als OPA GMT’s, hoger dan de spiegels voorafgaand aan de eerste
dosis Prevenar 13, behalve voor de IgG GMC’s voor serotypen 3 en 5 die numeriek vergelijkbaar
waren.
Aanvullende Prevenar (7-valent) immunogeniciteitsgegevens: kinderen met sikkelcelziekte
De immunogeniciteit van Prevenar is onderzocht in een open-label, multicenter studie onder
49 zuigelingen met sikkelcelziekte. De kinderen werden gevaccineerd met Prevenar (3 doses met een
maand tussen de doses vanaf de leeftijd van 2 maanden) en 46 van deze kinderen kregen ook een
23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin op de leeftijd van 15-18 maanden. Na de eerste
immunisatie had 95,6% van de proefpersonen antilichaamniveaus van ten minste 0,35 µg/ml voor alle
zeven serotypen die in Prevenar aanwezig zijn. Er werd een significante stijging gezien in de
concentraties van antilichamen tegen de zeven serotypen na de polysaccharidevaccinatie, wat
suggereert dat het immunologisch geheugen goed tot stand gekomen was.
Hiv-infectie
Kinderen en volwassenen niet eerder gevaccineerd met een pneumokokkenvaccin
Hiv-geïnfecteerde kinderen en volwassenen met CD4 ≥ 200 cellen/µl (gemiddeld 717,0 cellen/μl),
virusaantal < 50,000 kopieën/ml (gemiddeld 2090,0 kopieën/ml), vrij van actieve aids-gerelateerde
ziekte en niet eerder gevaccineerd met een pneumokokkenvaccin, ontvingen 3 doses Prevenar 13. In
navolging van de algemene aanbevelingen werd vervolgens een enkele dosis 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin toegediend. De vaccins werden met intervallen van 1 maand
toegediend. De immuunresponsen werden bij 259-270 evalueerbare proefpersonen bepaald ongeveer
1 maand na elke vaccindosis. Na de eerste dosis veroorzaakte Prevenar 13 antilichaamspiegels,
gemeten met zowel IgG GMC’s als OPA GMT’s, die statistisch significant hoger waren dan de
spiegels voorafgaand aan vaccinatie. Na de tweede en derde dosis Prevenar 13 waren de
immuunresponsen vergelijkbaar met of hoger dan die na de eerste dosis.
Volwassenen eerder gevaccineerd met 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin
Hiv-geïnfecteerde volwassenen ≥ 18 jaar oud met CD4 ≥200 cellen/µl (gemiddeld 609,1 cellen/µl) en
virusaantal <50.000 kopieën/ml (gemiddeld 330,6 kopieën/ml), die vrij waren van actieve aids-
gerelateerde ziekte, en die ten minste 6 maanden voorafgaand aan inclusie waren gevaccineerd met 23-
valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin, kregen 3 doses Prevenar 13 toegediend, bij inclusie,
6 maanden en 12 maanden na de eerste dosis Prevenar 13. De immuunresponsen werden beoordeeld
bij 231-255 beoordeelbare proefpersonen, ongeveer 1 maand na elke dosis Prevenar 13.
Na de eerste dosis veroorzaakte Prevenar 13 antilichaamresponsen, gemeten met zowel IgG GMC’s
als OPA GMT’s, die statistisch significant hoger waren dan de spiegels voorafgaand aan vaccinatie.
Na de tweede en derde dosis Prevenar 13 waren de immuunresponsen vergelijkbaar met of hoger dan
die na de eerste dosis. In de studie hadden 162 proefpersonen een eerdere dosis 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin ontvangen, 143 proefpersonen 2 eerdere doses en
26 proefpersonen meer dan 2 eerdere doses 23-valent polysaccharidevaccin. De proefpersonen die
77
twee of meer eerdere doses 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin kregen, vertoonden een
immuunrespons die vergelijkbaar was met die van proefpersonen die één eerdere dosis kregen.
Hematopoëtische stamceltransplantatie
Kinderen en volwassenen met een allogene hematopoëtische stamceltransplantatie (HSCT) op een
leeftijd van ≥ 2 jaar oud met volledige hematologische remissie van onderliggende ziekte of met zeer
goede gedeeltelijke remissie in geval van lymfoom en myeloom, ontvingen drie doses Prevenar 13 met
een interval van ten minste 1 maand tussen de doses. De eerste dosis werd 3 tot 6 maanden na HSCT
toegediend. Een vierde (booster) dosis Prevenar 13 werd 6 maanden na de derde dosis toegediend. In
navolging van de algemene aanbevelingen werd een enkele dosis 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin toegediend 1 maand na de vierde dosis Prevenar 13. De
immuunresponsen zoals gemeten met IgG GMC’s werden bij 168-211 evalueerbare proefpersonen
bepaald ongeveer 1 maand na vaccinatie. Prevenar 13 veroorzaakte verhoogde antilichaamspiegels na
elke dosis Prevenar 13. De immuunresponsen na de vierde dosis Prevenar 13 waren voor alle
serotypen significant verhoogd vergeleken met na de derde dosis. Functionele antilichaamtiters (OPA
titers) zijn niet gemeten in deze studie.
5.2
Farmacokinetische eigenschappen
Niet van toepassing.
5.3
Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Niet-klinische gegevens duiden niet op een speciaal risico voor mensen. Deze gegevens zijn afkomstig
van conventioneel onderzoek op het gebied van veiligheidsfarmacologie, toxiciteit bij eenmalige en
herhaalde dosering, lokale tolerantie en reproductie- en ontwikkelingstoxiciteit.
6.
6.1
FARMACEUTISCHE GEGEVENS
Lijst van hulpstoffen
Natriumchloride
Barnsteenzuur
Polysorbaat 80
2-fenoxyethanol
Water voor injecties
Voor adjuvans, zie rubriek 2.
6.2
Gevallen van onverenigbaarheid
Bij gebrek aan onderzoek naar onverenigbaarheden, mag dit geneesmiddel niet met andere
geneesmiddelen gemengd worden.
6.3
3 jaar
Na het eerste gebruik:
Eenmaal geopend, kan het product gedurende maximaal 28 dagen worden bewaard bij 2°C – 8°C.
Andere bewaartijden en -condities na opening zijn de verantwoordelijkheid van de gebruiker.
6.4
Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Houdbaarheid
Bewaren in de koelkast (2°C – 8°C). Niet in de vriezer bewaren.
78
Voor de bewaarcondities van het geneesmiddel na opening, zie rubriek 6.3.
6.5
Aard en inhoud van de verpakking
2 ml (4 x 0,5 ml doses) suspensie voor injectie in een container (Type I glas) met een latexvrije grijze
stop van chloorbutylrubber en afgesloten met een aluminium flip-off-sluiting en een polypropyleen
flip-off-beschermdopje.
Verpakkingsgroottes van 1, 5, 10, 25 en 50.
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
6.6
Speciale voorzorgsmaatregelen voor verwijderen en andere instructies
Tijdens opslag kan een witte neerslag en een helder supernatant worden waargenomen. Dit is geen
teken van bederf.
Het vaccin moet goed worden geschud om een homogene, witte suspensie te verkrijgen en moet vóór
toediening visueel worden gecontroleerd op vaste deeltjes en/of een verandering in het fysieke
voorkomen. Niet gebruiken als de inhoud er anders uitziet.
Geen bijzondere vereisten voor verwijdering.
Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale
voorschriften.
7.
HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Pfizer Europe MA EEIG
Boulevard de la Plaine 17
1050 Brussel
België
8.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
EU/1/09/590/012
EU/1/09/590/013
EU/1/09/590/014
EU/1/09/590/015
EU/1/09/590/016
9.
DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN
DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 09 december 2009
Datum van laatste verlenging: 18 september 2014
10.
DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees
Geneesmiddelenbureau (http://www.ema.europa.eu).
79
BIJLAGE II
A.
B.
C.
FABRIKANTEN VAN DE BIOLOGISCH WERKZAME STOFFEN
EN FABRIKANT VERANTWOORDELIJK VOOR VRIJGIFTE
VOORWAARDEN OF BEPERKINGEN TEN AANZIEN VAN
LEVERING EN GEBRUIK
ANDERE VOORWAARDEN EN EISEN DIE DOOR DE HOUDER
VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
MOETEN WORDEN NAGEKOMEN
VOORWAARDEN OF BEPERKINGEN MET BETREKKING TOT
EEN VEILIG EN DOELTREFFEND GEBRUIK VAN HET
GENEESMIDDEL
D.
80
A.
FABRIKANTEN VAN DE BIOLOGISCH WERKZAME STOFFEN EN FABRIKANT
VERANTWOORDELIJK VOOR VRIJGIFTE
Naam en adres van de fabrikanten van de biologisch werkzame stoffen
Wyeth BioPharma Division of Wyeth Pharmaceuticals LLC
One Burtt Road
Andover, MA 01810
Verenigde Staten
Pfizer Ireland Pharmaceuticals
Grange Castle Business Park
Clondalkin
Dublin 22
Ierland
Wyeth Pharmaceutical, Division of Wyeth Holdings LLC
4300 Oak Park
Sanford, NC 27330
Verenigde Staten
Naam en adres van de fabrikant verantwoordelijk voor vrijgifte
Pfizer Manufacturing Belgium N.V.
Rijksweg 12
B-2870 Puurs
België
B.
VOORWAARDEN OF BEPERKINGEN TEN AANZIEN VAN LEVERING EN
GEBRUIK
Aan medisch voorschrift onderworpen geneesmiddel.
Officiële vrijgifte van de batch
In overeenstemming met artikel 114 van Richtlijn 2001/83/EG, zal de officiële vrijgifte van de batch
worden uitgevoerd door een rijkslaboratorium of een specifiek daartoe aangewezen laboratorium.
C.
ANDERE VOORWAARDEN EN EISEN DIE DOOR DE HOUDER VAN DE
VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN MOETEN WORDEN
NAGEKOMEN
Periodieke veiligheidsverslagen
De vereisten voor de indiening van periodieke veiligheidsverslagen worden vermeld in de lijst met
Europese referentie data (EURD-lijst), waarin voorzien wordt in artikel 107c, onder punt 7 van
Richtlijn 2001/83/EG en eventuele hierop volgende aanpassingen gepubliceerd op het Europese
webportaal voor geneesmiddelen.
81
D.
VOORWAARDEN EN BEPERKINGEN MET BETREKKING TOT HET VEILIG EN
EFFECTIEF GEBRUIK VAN HET GENEESMIDDEL
Risk Management Plan (RMP)
De vergunninghouder voert de verplichte onderzoeken en maatregelen uit ten behoeve van de
geneesmiddelenbewaking, zoals uitgewerkt in het overeengekomen RMP en weergegeven in module
1.8.2 van de handelsvergunning, en in eventuele daaropvolgende overeengekomen RMP-
aanpassingen.
Een aanpassing van het RMP wordt ingediend:
op verzoek van het Europees Geneesmiddelenbureau;
steeds wanneer het risicomanagementsysteem gewijzigd wordt, met name als gevolg van het
beschikbaar komen van nieuwe informatie die kan leiden tot een belangrijke wijziging van de
bestaande verhouding tussen de voordelen en risico’s of nadat een belangrijke mijlpaal (voor
geneesmiddelenbewaking of voor beperking van de risico’s tot een minimum) is bereikt.
82
BIJLAGE III
ETIKETTERING EN BIJSLUITER
83
A. ETIKETTERING
84
GEGEVENS DIE OP DE BUITENVERPAKKING MOETEN WORDEN VERMELD
KARTONNEN BUITENVERPAKKING
Verpakking van 1, 10 en 50 voorgevulde spuiten, met of zonder naald – INCLUSIEF BLUE
BOX
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Prevenar 13 suspensie voor injectie
pneumokokkenpolysaccharidenconjugaatvaccin (13-valent, geadsorbeerd)
2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
1 dosis (0,5 ml) bevat 2,2 µg polysaccharide voor de serotypen 1, 3, 4, 5, 6A, 7F, 9V, 14, 18C, 19A,
19F, 23F en 4,4 µg voor serotype 6B geconjugeerd aan het dragereiwit CRM
197
, geadsorbeerd aan
aluminiumfosfaat. Eén dosis (0,5 ml) bevat 0,125 mg aluminium.
3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Natriumchloride, barnsteenzuur, polysorbaat 80 en water voor injecties.
4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Suspensie voor injectie
1 voorgevulde spuit met enkelvoudige dosis (0,5 ml) met aparte naald
1 voorgevulde spuit met enkelvoudige dosis (0,5 ml) zonder naald
10 voorgevulde spuiten met enkelvoudige dosis (0,5 ml) met aparte naalden
10 voorgevulde spuiten met enkelvoudige dosis (0,5 ml) zonder naald
50 voorgevulde spuiten met enkelvoudige dosis (0,5 ml) met aparte naalden
50 voorgevulde spuiten met enkelvoudige dosis (0,5 ml) zonder naald
5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Intramusculair gebruik.
Goed schudden voor gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
85
8.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
9.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de koelkast.
Niet in de vriezer bewaren.
Prevenar 13 is gedurende 4 dagen stabiel bij temperaturen tot 25
o
C. Aan het eind van deze periode
dient Prevenar 13 te worden gebruikt of afgevoerd.
10.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)
11.
NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN
Pfizer Europe MA EEIG
Boulevard de la Plaine 17
1050 Brussel
België
12.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
EU/1/09/590/002 – 1 stuks verpakking met aparte naald
EU/1/09/590/001 – 1 stuks verpakking zonder naald
EU/1/09/590/004 – 10 stuks verpakking met aparte naalden
EU/1/09/590/003 – 10 stuks verpakking zonder naald
EU/1/09/590/006 – 50 stuks verpakking met aparte naalden
EU/1/09/590/005 – 50 stuks verpakking zonder naald
13.
Lot
14.
ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING
PARTIJNUMMER
15.
INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK
16.
INFORMATIE IN BRAILLE
Rechtvaardiging voor uitzondering van braille is aanvaardbaar
86
17.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK - 2D MATRIXCODE
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.
18.
PC
SN
NN
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK - VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
87
GEGEVENS DIE IN IEDER GEVAL OP PRIMAIRE KLEINVERPAKKINGEN MOETEN
WORDEN VERMELD
Voorgevulde spuit
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Prevenar 13 suspensie voor injectie
IM
2.
WIJZE VAN TOEDIENING
Voor gebruik goed schudden.
3.
EXP
4.
Lot
5.
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
PARTIJNUMMER
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
1 dosis (0,5 ml)
6.
OVERIGE
88
GEGEVENS DIE OP DE BUITENVERPAKKING MOETEN WORDEN VERMELD
KARTONNEN BUITENVERPAKKING
1, 5, 10, 25, 50 injectieflacons met enkelvoudige dosis
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Prevenar 13 suspensie voor injectie in een injectieflacon met enkelvoudige dosis
pneumokokkenpolysaccharidenconjugaatvaccin (13-valent, geadsorbeerd)
2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
1 dosis (0,5 ml) bevat 2,2 µg polysaccharide voor de serotypen 1, 3, 4, 5, 6A, 7F, 9V, 14, 18C, 19A,
19F, 23F en 4,4 µg voor serotype 6B geconjugeerd aan het dragereiwit CRM
197
, geadsorbeerd aan
aluminiumfosfaat. Eén dosis (0,5 ml) bevat 0,125 mg aluminium.
3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Natriumchloride, barnsteenzuur, polysorbaat 80 en water voor injecties.
4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Suspensie voor injectie
1 injectieflacon met enkelvoudige dosis (0,5 ml)
5 injectieflacons met enkelvoudige dosis (0,5 ml)
10 injectieflacons met enkelvoudige dosis (0,5 ml)
25 injectieflacons met enkelvoudige dosis (0,5 ml)
50 injectieflacons met enkelvoudige dosis (0,5 ml)
5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Intramusculair gebruik.
Goed schudden voor gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
89
9.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de koelkast.
Niet in de vriezer bewaren.
10.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)
11.
NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN
Pfizer Europe MA EEIG
Boulevard de la Plaine 17
1050 Brussel
België
12.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
EU/1/09/590/007 – verpakking met 1 injectieflacon
EU/1/09/590/008 – verpakking met 5 injectieflacons
EU/1/09/590/009 – verpakking met 10 injectieflacons
EU/1/09/590/010 – verpakking met 25 injectieflacons
EU/1/09/590/011 – verpakking met 50 injectieflacons
13.
Lot
14.
ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING
PARTIJNUMMER
15.
INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK
16.
INFORMATIE IN BRAILLE
Rechtvaardiging voor uitzondering van braille is aanvaardbaar
17.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK - 2D MATRIXCODE
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.
90
18.
PC
SN
NN
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK - VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
91
GEGEVENS DIE IN IEDER GEVAL OP PRIMAIRE KLEINVERPAKKINGEN MOETEN
WORDEN VERMELD
Etiket injectieflacon met enkelvoudige dosis
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Prevenar 13 suspensie voor injectie in een injectieflacon met enkelvoudige dosis
IM
2.
WIJZE VAN TOEDIENING
Voor gebruik goed schudden.
3.
EXP
4.
Lot
5.
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
PARTIJNUMMER
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
1 dosis (0,5 ml)
6.
OVERIGE
92
GEGEVENS DIE OP DE BUITENVERPAKKING MOETEN WORDEN VERMELD
KARTONNEN BUITENVERPAKKING
1, 5, 10, 25, 50 meervoudige dosis containers
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Prevenar 13 suspensie voor injectie in een meervoudige dosis container
pneumokokkenpolysaccharidenconjugaatvaccin (13-valent, geadsorbeerd)
2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
1 dosis (0,5 ml) bevat 2,2 µg polysaccharide voor de serotypen 1, 3, 4, 5, 6A, 7F, 9V, 14, 18C, 19A,
19F, 23F en 4,4 µg voor serotype 6B geconjugeerd aan het dragereiwit CRM
197
, geadsorbeerd aan
aluminiumfosfaat. Eén dosis (0,5 ml) bevat 0,125 mg aluminium.
3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Natriumchloride, barnsteenzuur, polysorbaat 80, 2-fenoxyethanol en water voor injecties
4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Suspensie voor injectie in een meervoudige dosis container
1 meervoudige dosis container (4 x 0,5 ml doses)
5 meervoudige dosis containers (4 x 0,5 ml doses per container)
10 meervoudige dosis containers (4 x 0,5 ml doses per container)
25 meervoudige dosis containers (4 x 0,5 ml doses per container)
50 meervoudige dosis containers (4 x 0,5 ml doses per container)
5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Intramusculair gebruik.
Goed schudden voor gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
EXP
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
93
9.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de koelkast.
Niet in de vriezer bewaren.
Na het eerste gebruik kan het product gedurende maximaal 28 dagen in de koelkast worden bewaard.
10.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)
11.
NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN
Pfizer Europe MA EEIG
Boulevard de la Plaine 17
1050 Brussel
België
12.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
EU/1/09/590/012 – verpakking met 1 meervoudige dosis container
EU/1/09/590/013 – verpakking met 5 meervoudige dosis containers
EU/1/09/590/014 – verpakking met 10 meervoudige dosis containers
EU/1/09/590/015 – verpakking met 25 meervoudige dosis containers
EU/1/09/590/016 – verpakking met 50 meervoudige dosis containers
13.
Lot
14.
ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING
PARTIJNUMMER
15.
INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK
16.
INFORMATIE IN BRAILLE
Rechtvaardiging voor uitzondering van braille is aanvaardbaar.
17.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK - 2D MATRIXCODE
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.
94
18.
PC
SN
NN
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK - VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
95
GEGEVENS DIE IN IEDER GEVAL OP PRIMAIRE KLEINVERPAKKINGEN MOETEN
WORDEN VERMELD
Etiket meervoudige dosis containers
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Prevenar 13 suspensie voor injectie in een meervoudige dosis container
IM
2.
WIJZE VAN TOEDIENING
Voor gebruik goed schudden.
3.
EXP
4.
Lot
5.
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
PARTIJNUMMER
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
4 x 0,5 ml doses
6.
OVERIGE
96
B. BIJSLUITER
97
Bijsluiter: informatie voor de gebruiker
Prevenar 13 suspensie voor injectie
pneumokokkenpolysaccharidenconjugaatvaccin (13-valent, geadsorbeerd)
Lees goed de hele bijsluiter voordat u of uw kind dit vaccin ontvangt want er staat belangrijke
informatie in voor u.
Bewaar deze bijsluiter. Misschien heeft u hem later weer nodig.
Heeft u nog vragen? Neem dan contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige.
Geef dit vaccin niet door aan anderen, want het is alleen aan u of uw kind voorgeschreven.
Krijgt u of uw kind last van een van de bijwerkingen die in rubriek 4 staan? Of krijgt u of uw
kind een bijwerking die niet in deze bijsluiter staat? Neem dan contact op met uw arts,
apotheker of verpleegkundige.
Inhoud van deze bijsluiter
1.
2.
3.
4.
5.
6.
1.
Wat is Prevenar 13 en waarvoor wordt dit middel gebruikt?
Wanneer mag u of uw kind dit middel niet toegediend krijgen of moet u er extra voorzichtig
mee zijn?
Hoe wordt dit middel toegediend?
Mogelijke bijwerkingen
Hoe bewaart u dit middel?
Inhoud van de verpakking en overige informatie
Wat is Prevenar 13 en waarvoor wordt dit middel gebruikt?
Prevenar 13 is een pneumokokkenvaccin dat wordt gegeven aan:
kinderen van 6 weken tot en met 17 jaar,
ter bescherming tegen ziekten zoals meningitis
(hersenvliesontsteking), sepsis of bacteriëmie (bacteriën in het bloed), pneumonie
(longontsteking) en oorontstekingen
volwassenen van 18 jaar en ouder
ter voorkoming van ziekten zoals pneumonie (longinfectie),
sepsis of bacteriëmie (bacteriën in het bloed) en meningitis (hersenvliesontsteking)
veroorzaakt door 13 typen van de bacterie
Streptococcus pneumoniae.
Prevenar 13 biedt bescherming tegen 13 typen van de
Streptococcus pneumoniae-bacterie
en
vervangt Prevenar, dat bescherming bood tegen 7 typen.
Het vaccin werkt door het lichaam te helpen zijn eigen antistoffen aan te maken, die u of uw kind
tegen deze ziekten beschermen.
2.
Wanneer mag u of uw kind dit middel niet toegediend krijgen of moet u er extra
voorzichtig mee zijn?
Wanneer mag dit middel niet worden toegediend?
U bent/uw kind is allergisch voor een van de stoffen in dit geneesmiddel of voor een ander
vaccin dat difterietoxoïd bevat. De stoffen in dit geneesmiddel kunt u vinden in rubriek 6.
U of uw kind heeft een ernstige infectie met hoge koorts (boven 38°C). Als dit bij u of uw kind
het geval is, dan zal de vaccinatie worden uitgesteld totdat u of uw kind zich beter voelt. Een
milde infectie, zoals een verkoudheid, moet geen probleem zijn. Echter, overleg eerst met uw
arts, apotheker of verpleegkundige.
98
Wanneer moet u extra voorzichtig zijn met dit middel?
Neem contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige voordat de vaccinatie plaatsvindt als u of
uw kind:
nu of in het verleden medische klachten heeft of heeft gehad zoals een allergische reactie of
problemen met ademhalen na een dosis Prevenar of Prevenar 13.
bloedingsproblemen heeft of snel blauwe plekken krijgt.
een verzwakt immuunsysteem heeft (zoals bijv. door een hiv-infectie); het kan zijn dat u/zij/hij
niet alle voordelen van Prevenar 13 zal hebben.
epileptische aanvallen heeft ervaren omdat mogelijk geneesmiddelen genomen moeten worden
om koorts te laten zakken voordat Prevenar 13 wordt gegeven. Als uw kind niet reageert of
epileptische aanvallen (toevallen) ervaart na de vaccinatie, neem onmiddellijk contact op met
uw arts. Zie ook rubriek 4.
Neem contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige voordat de vaccinatie plaatsvindt als uw
kind veel te vroeg werd geboren (bij een zwangerschap van 28 weken of eerder), omdat abnormaal
lange adempauzes kunnen optreden gedurende 2-3 dagen na vaccinatie. Zie ook rubriek 4.
Zoals met alle vaccins zal Prevenar 13 niet alle personen beschermen die worden gevaccineerd.
Prevenar 13 zal bij kinderen alleen bescherming bieden tegen oorinfecties die worden veroorzaakt
door de typen
Streptococcus pneumoniae
waarvoor het vaccin is ontwikkeld. Het zal niet beschermen
tegen andere ziekteverwekkers die een oorontsteking kunnen veroorzaken.
Gebruikt u of uw kind nog andere geneesmiddelen/vaccins?
Uw arts kan u vragen om uw kind paracetamol of andere medicijnen die de koorts verlagen te geven
voordat Prevenar 13 wordt toegediend. Dit zal helpen om sommige bijwerkingen van Prevenar 13 te
verminderen.
Gebruikt u of uw kind naast Prevenar 13 nog andere geneesmiddelen, heeft u of uw kind dat kort
geleden gedaan of bestaat de mogelijkheid dat u of uw kind binnenkort andere geneesmiddelen gaat
gebruiken of heeft u of uw kind kort geleden een ander vaccin toegediend gekregen? Vertel dat dan uw
arts, apotheker of verpleegkundige.
Zwangerschap en borstvoeding
Bent u zwanger, denkt u zwanger te zijn, wilt u zwanger worden of geeft u borstvoeding? Neem dan
contact op met uw arts of apotheker voordat u dit geneesmiddel toegediend krijgt.
Rijvaardigheid en het gebruik van machines
Prevenar 13 heeft geen of een verwaarloosbare invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om
machines te bedienen. Sommige bijwerkingen die genoemd worden in rubriek 4 “Mogelijke
bijwerkingen” kunnen echter de rijvaardigheid of het vermogen om machines te bedienen, tijdelijk
beïnvloeden.
Prevenar 13 bevat natrium
Dit geneesmiddel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per dosis, dat wil zeggen dat het
geneesmiddel in essentie “natriumvrij” is.
3.
Hoe wordt dit middel toegediend?
De arts of verpleegkundige zal de aanbevolen dosis (0,5 ml) van het vaccin injecteren
99
in uw arm of in de arm- of beenspier van uw kind.
Zuigelingen in de leeftijd van 6 weken tot en met 6 maanden
Gewoonlijk moet er bij uw kind een beginserie van drie injecties van het vaccin toegediend worden
gevolgd door een booster dosis.
De eerste injectie mag gegeven worden vanaf een leeftijd van zes weken.
Elke injectie zal minimaal een maand na de vorige worden gegeven.
Een vierde injectie (booster) zal worden gegeven bij een leeftijd tussen 11 en 15 maanden.
Er zal u worden verteld wanneer uw kind terug moet komen voor een volgende injectie.
Volgens officiële aanbevelingen in uw land kan ook een alternatief schema door zorgverleners worden
gebruikt. Neem contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige voor meer informatie.
Te vroeg geboren zuigelingen
Uw kind krijgt een eerste kuur van drie injecties. De eerste injectie mag bij zes weken worden gegeven
met minimaal een maand tussen de doses. Als hij/zij tussen de 11 en 15 maanden oud is, krijgt uw
kind een vierde injectie (booster).
Ongevaccineerde zuigelingen, kinderen ouder dan 7 maanden en jongeren
Zuigelingen in de leeftijd van
7 tot en met 11 maanden
dienen twee injecties te krijgen. Elke injectie
zal minimaal een maand na de vorige worden gegeven. Een derde injectie zal worden gegeven in het
tweede levensjaar.
Kinderen in de leeftijd van
12 tot en met 23 maanden
dienen twee injecties te krijgen. De injecties
zullen met een interval van minimaal twee maanden worden gegeven.
Kinderen in de leeftijd van
2 tot en met 17 jaar
dienen één injectie te krijgen.
Zuigelingen, kinderen en jongeren eerder gevaccineerd met Prevenar
Zuigelingen en kinderen die eerder Prevenar hebben gekregen, kunnen Prevenar 13 krijgen om het
injectieschema af te maken.
Voor kinderen in de leeftijd van
1 tot en met 5 jaar
die eerder zijn gevaccineerd met Prevenar, zal uw
arts of verpleegkundige adviseren hoeveel injecties van Prevenar 13 nodig zijn.
Kinderen en jongeren van
6 tot en met 17 jaar
dienen één injectie te krijgen
Het is belangrijk om de instructies van de arts, apotheker of verpleegkundige te volgen, zodat uw kind
het injectieschema afmaakt.
Als u een afspraak bent vergeten, vraag dan de arts, apotheker of verpleegkundige om advies.
Volwassenen
Volwassenen dienen één injectie te krijgen.
Vertel het uw arts, apotheker of verpleegkundige als u eerder een pneumokokkenvaccin heeft
gekregen.
Heeft u nog andere vragen over het gebruik van dit geneesmiddel? Neem dan contact op met uw arts,
apotheker of verpleegkundige.
100
Speciale populaties
Personen die een hoger risico op pneumokokkeninfectie hebben (zoals diegenen met sikkelcelziekte of
hiv-infectie), met inbegrip van diegenen die eerder zijn gevaccineerd met het 23-valente
pneumokokkenpolysaccharidevaccin, mogen minimaal een dosis Prevenar 13 toegediend krijgen.
Personen met een bloedvormende stamceltransplantatie mogen drie injecties ontvangen, waarbij de
eerste 3 tot 6 maanden na de transplantatie wordt gegeven en met een interval van ten minste 1 maand
tussen de doses. Een vierde (booster) injectie wordt aanbevolen 6 maanden na de derde injectie.
4.
Mogelijke bijwerkingen
Zoals elk vaccin kan ook dit vaccin bijwerkingen hebben, al krijgt niet iedereen daarmee te maken.
De volgende bijwerkingen zijn gemeld voor Prevenar 13 bij zuigelingen en kinderen (van 6
weken tot en met 5 jaar oud):
Zeer vaak voorkomende bijwerkingen
(deze kunnen optreden bij meer dan 1 op de 10 doses van het
vaccin) zijn:
Verminderde eetlust
Koorts, prikkelbaarheid, pijn, gevoeligheid, roodheid, zwelling of verharding van de
vaccinatieplaats, slaperigheid, rusteloze slaap
Roodheid, verharding, zwelling van 2,5 cm tot 7,0 cm van de vaccinatieplaats (na de
boosterdosis en bij oudere kinderen [leeftijd van 2 tot en met 5 jaar])
Vaak voorkomende bijwerkingen
(deze kunnen optreden bij minder dan 1 op de 10 doses van het
vaccin) zijn:
Braken, diarree
Koorts van 39°C of meer, gevoeligheid van de vaccinatieplaats die beweging belemmert,
roodheid, verharding, zwelling van 2,5 cm tot 7,0 cm van de vaccinatieplaats (na de eerste
injectiereeks)
Huiduitslag
Soms voorkomende bijwerkingen
(deze kunnen optreden bij minder dan 1 op de 100 doses van het
vaccin) zijn:
Stuipen (toevallen), inclusief stuipen veroorzaakt door een hoge temperatuur
Netelroos (urticaria of urticaria-achtige uitslag)
Roodheid, zwelling of verharding van de vaccinatieplaats van meer dan 7 cm, huilen
Zelden voorkomende bijwerkingen
(deze kunnen optreden bij minder dan 1 op de 1.000 doses van
het vaccin) zijn:
In elkaar zakken of shockachtige staat (hypotoon-hyporesponsieve episode)
Allergische (overgevoeligheids-) reactie, inclusief zwelling van het gezicht en/of de lippen,
moeite met ademhalen
101
De volgende bijwerkingen van Prevenar 13 zijn gemeld bij kinderen en jongeren (6 tot en met
17 jaar oud):
Zeer vaak voorkomende bijwerkingen
(deze kunnen optreden bij meer dan 1 op 10 doses van het
vaccin) zijn:
Verminderde eetlust
Prikkelbaarheid, pijn, gevoeligheid, roodheid, zwelling of verharding van de vaccinatieplaats,
slaperigheid, onrustige slaap, gevoeligheid van de vaccinatieplaats met bewegingsbeperking
Vaak voorkomende bijwerkingen
(deze kunnen optreden bij minder dan 1 op 10 doses van het
vaccin) zijn:
Hoofdpijn
Braken, diarree
Huiduitslag, netelroos (urticaria of urticaria-achtige uitslag)
Koorts
Kinderen en jongeren met ofwel hiv-infectie, sikkelcelziekte of een bloedvormende
stamceltransplantatie hadden vergelijkbare bijwerkingen, behalve dat hoofdpijn, braken, diarree,
koorts, vermoeidheid en gewrichts- en spierpijn zeer vaak voorkwamen.
Bij zeer prematuur geboren baby’s (na of voor 28 weken zwangerschap) kunnen langere adempauzes
dan normaal voorkomen gedurende 2-3 dagen na vaccinatie.
De volgende bijwerkingen zijn gemeld voor Prevenar 13 bij volwassenen:
Zeer vaak voorkomende bijwerkingen
(deze kunnen optreden bij meer dan 1 op de 10 doses van het
vaccin) zijn:
Verminderde eetlust, hoofdpijn, diarree, overgeven (voor personen van 18 tot en met 49 jaar
oud)
Koude rillingen, vermoeidheid, uitslag, pijn, roodheid, zwelling, verharding of gevoeligheid van
de vaccinatieplaats die beweging van de arm belemmert (ernstige pijn of gevoeligheid van de
vaccinatieplaats voor personen van 18 tot en met 39 jaar oud en ernstige beperking van de
armbeweging voor personen van 18 tot en met 39 jaar oud)
Ergere of nieuwe pijn in uw gewrichten, ergere of nieuwe pijn in uw spieren
Koorts (voor personen van 18 tot en met 29 jaar oud)
Vaak voorkomende bijwerkingen
(deze kunnen optreden bij minder dan 1 op de 10 doses van het
vaccin) zijn:
Overgeven (voor personen van 50 jaar en ouder), koorts (voor personen van 30 jaar en ouder)
Soms voorkomende bijwerkingen
(deze kunnen optreden bij minder dan 1 op de 100 doses van het
vaccin) zijn:
Misselijkheid
Allergische (overgevoeligheids-)reactie, inclusief zwelling van het gezicht en/of de lippen,
moeite met ademhalen
Vergrote lymfeknopen of -klieren (lymfadenopathie) bij de vaccinatieplaats, zoals in de oksel
Volwassenen met hiv-infectie hadden vergelijkbare bijwerkingen behalve dat koorts en braken zeer
vaak voorkwamen en misselijkheid vaak voorkwam.
102
Volwassenen met een bloedvormende stamceltransplantatie hadden vergelijkbare bijwerkingen
behalve dat koorts en braken zeer vaak voorkwamen.
De volgende aanvullende bijwerkingen zijn gezien met Prevenar 13 na het in de handel
brengen
Ernstige allergische reactie inclusief shock (cardiovasculaire collaps), angio-oedeem (zwelling
van lippen, gezicht of keel)
Netelroos (urticaria), roodheid en irritatie (dermatitis) en jeuk (pruritus) op de vaccinatieplaats,
blozen
Vergroting van de lymfeknopen of -klieren (lymfadenopathie) in het gebied rond de
vaccinatieplaats, zoals onder de arm of in de lies
Huiduitslag die jeukende, rode vlekken veroorzaakt (erythema multiforme)
Het melden van bijwerkingen
Krijgt u of uw kind last van bijwerkingen, neem dan contact op met uw arts, apotheker of
verpleegkundige. Dit geldt ook voor mogelijke bijwerkingen die niet in deze bijsluiter staan. U kunt
bijwerkingen ook rechtstreeks melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in aanhangsel V.
Door bijwerkingen te melden, kunt u ons helpen meer informatie te verkrijgen over de veiligheid van
dit geneesmiddel.
5.
Hoe bewaart u dit middel?
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
Gebruik dit geneesmiddel niet meer na de uiterste houdbaarheidsdatum. Die vindt u op de doos en het
etiket na EXP. Daar staat een maand en een jaar. De laatste dag van die maand is de uiterste
houdbaarheidsdatum.
Bewaren in de koelkast (2°C – 8°C).
Niet in de vriezer bewaren.
Prevenar 13 is gedurende 4 dagen stabiel bij temperaturen tot 25
o
C. Aan het eind van deze periode
dient Prevenar 13 te worden gebruikt of afgevoerd. Deze gegevens zijn bedoeld als leidraad voor
beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg in geval van tijdelijke temperatuur afwijkingen.
Spoel geneesmiddelen niet door de gootsteen of de WC en gooi ze niet in de vuilnisbak. Vraag uw
apotheker wat u met geneesmiddelen moet doen die u niet meer gebruikt. Als u geneesmiddelen op de
juiste manier afvoert worden ze op een verantwoorde manier vernietigd en komen ze niet in het milieu
terecht.
6.
Inhoud van de verpakking en overige informatie
Welke stoffen zitten er in dit middel?
De werkzame stoffen in dit middel zijn polysaccharide CRM
197
-conjugaten bestaande uit:
2,2 µg polysaccharide voor serotypen 1, 3, 4, 5, 6A, 7F, 9V, 14, 18C, 19A, 19F en 23F
4,4 µg polysaccharide voor serotype 6B
1 dosis (0,5 ml) bevat ongeveer 32 µg dragereiwit CRM
197
, geadsorbeerd aan aluminiumfosfaat
(0,125 mg aluminium).
De andere stoffen in dit middel zijn natriumchloride, barnsteenzuur, polysorbaat 80 en water voor
injecties.
103
Hoe ziet Prevenar 13 eruit en hoeveel zit er in een verpakking?
Het vaccin is een witte suspensie voor injectie en wordt geleverd in een voorgevulde spuit met een
enkelvoudige dosis (0,5 ml).
Verpakkingsgrootten van 1, 10 en 50, met of zonder naald. Niet alle genoemde verpakkingsgrootten
worden in de handel gebracht.
Houder van de vergunning voor het in de handel brengen en fabrikant
Houder van de vergunning voor het in de handel
brengen:
Pfizer Europe MA EEIG
Boulevard de la Plaine 17
1050 Brussel
België
Fabrikant verantwoordelijk voor partijvrijgifte:
Pfizer Manufacturing Belgium N.V.
Rijksweg 12
B-2870 Puurs
België
Neem voor alle informatie over dit geneesmiddel contact op met de lokale vertegenwoordiger van de
houder van de vergunning voor het in de handel brengen:
België/Belgique/Belgien
Luxembourg/Luxemburg
Pfizer NV/SA
Tél/Tel: + 32 (0)2 554 62 11
България
Пфайзер Люксембург САРЛ, Кло½
България
Teл: +359 2 970 4333
Česká Republika
Pfizer, spol. s r.o.
Tel: +420 283 004 111
Danmark
Pfizer ApS
Tlf: + 45 44 201 100
Deutschland
Pfizer Pharma GmbH
Tel: + 49 (0)30 550055-51000
Eesti
Pfizer Luxembourg SARL Eesti filiaal
Tel: +372 666 7500
Ελλάδα
Pfizer Ελλάς A.E.
Τηλ.: +30 210 6785 800
España
Pfizer, S.L.
Télf:+34914909900
France
Pfizer
Tél +33 1 58 07 34 40
Lietuva
Pfizer Luxembourg SARL filialas Lietuvoje
Tel. + 370 52 51 4000
Magyarország
Pfizer Kft
Tel: +36 1 488 3700
Malta
Vivian Corporation Ltd.
Tel: + 35621 344610
Nederland
Pfizer bv
Tel: +31 (0)10 406 43 01
Norge
Pfizer AS
Tlf: +47 67 52 61 00
Österreich
Pfizer Corporation Austria Ges.m.b.H
Tel: + 43 (0)1 521 15-0
Polska
Pfizer Polska Sp. z o.o.
Tel.: +48 22 335 61 00
Portugal
Laboratórios Pfizer, Lda.
Tel: +351 21 423 5500
România
Pfizer Romania S.R.L
Tel: +40 (0) 21 207 28 00
104
Hrvatska
Pfizer Croatia d.o.o.
Tel: + 385 1 3908 777
Slovenija
Pfizer Luxembourg SARL
Pfizer, podružnica za svetovanje s področja
farmacevtske dejavnosti, Ljubljana
Tel.: + 386 (0) 1 52 11 400
Slovenská republika
Pfizer Luxembourg SARL,
organizačná zložka
Tel: + 421 2 3355 5500
Suomi/Finland
Pfizer Oy
Puh/Tel: +358 (0)9 430 040
Sverige
Pfizer AB
Tel: +46 (0)8 550 520 00
United Kingdom (Northern Ireland)
Pfizer Limited
Tel: +44 (0) 1304 616161
Ireland
Pfizer Healthcare Ireland
Tel: 1800 633 363 (toll free)
+44 (0)1304 616161
Ísland
Icepharma hf
Simi: + 354 540 8000
Italia
Pfizer S.r.l.
Tel: +39 06 33 18 21
Kύπρος
Pfizer Ελλάς A.E. (Cyprus Branch)
Tηλ: +357 22 817690
Latvija
Pfizer Luxembourg SARL filiāle Latvijā
Tel.: + 371 670 35 775
Deze bijsluiter is voor het laatst goedgekeurd in
Andere informatiebronnen
Meer informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees
Geneesmiddelenbureau: http://www.ema.europa.eu.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
De volgende informatie is alleen bestemd voor beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg:
Tijdens opslag kan een witte neerslag en helder supernatant worden waargenomen. Dit is geen teken
van bederf.
Inspecteer visueel op vreemde deeltjes en / of abnormaal fysiek uiterlijk; niet gebruiken indien één of
allebei wordt gevonden.
Voordat lucht uit de spuit wordt verwijderd, schud goed om een homogene witte suspensie te krijgen.
De volledige dosis toedienen.
Prevenar 13 is uitsluitend bedoeld voor intramusculair gebruik. Niet intravasculair toedienen.
Prevenar 13 mag niet worden gemengd met andere vaccins in dezelfde injectiespuit.
Prevenar 13 kan gegeven worden op hetzelfde moment als de andere vaccins voor kinderen, in dat
geval moeten verschillende vaccinatieplaatsen worden gebruikt.
Prevenar 13 kan aan volwassenen van 50 jaar en ouder tegelijk met het trivalente of quadrivalente
geïnactiveerde influenzavaccin gegeven worden.
Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale
voorschriften.
105
Bijsluiter: informatie voor de gebruiker
Prevenar 13 suspensie voor injectie in een injectieflacon met een enkelvoudige dosis
pneumokokkenpolysaccharidenconjugaatvaccin (13-valent, geadsorbeerd)
Lees goed de hele bijsluiter voordat u of uw kind dit vaccin ontvangt want er staat belangrijke
informatie in voor u.
Bewaar deze bijsluiter. Misschien heeft u hem later weer nodig.
Heeft u nog vragen? Neem dan contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige.
Geef dit vaccin niet door aan anderen, want het is alleen aan u of uw kind voorgeschreven.
Krijgt u of uw kind last van een van de bijwerkingen die in rubriek 4 staan? Of krijgt u of uw
kind een bijwerking die niet in deze bijsluiter staat? Neem dan contact op met uw arts,
apotheker of verpleegkundige.
Inhoud van deze bijsluiter
1.
2.
3.
4.
5.
6.
1.
Wat is Prevenar 13 en waarvoor wordt dit middel gebruikt?
Wanneer mag u of uw kind dit middel niet toegediend krijgen of moet u er extra voorzichtig
mee zijn?
Hoe wordt dit middel toegediend?
Mogelijke bijwerkingen
Hoe bewaart u dit middel?
Inhoud van de verpakking en overige informatie
Wat is Prevenar 13 en waarvoor wordt dit middel gebruikt?
Prevenar 13 is een pneumokokkenvaccin dat wordt gegeven aan:
kinderen van 6 weken tot en met 17 jaar,
ter bescherming tegen ziekten zoals meningitis
(hersenvliesontsteking), sepsis of bacteriëmie (bacteriën in het bloed), pneumonie
(longontsteking) en oorontstekingen
volwassenen van 18 jaar en ouder
ter voorkoming van ziekten zoals pneumonie (longinfectie),
sepsis of bacteriëmie (bacteriën in het bloed) en meningitis (hersenvliesontsteking)
veroorzaakt door 13 typen van de bacterie
Streptococcus pneumoniae.
Prevenar 13 biedt bescherming tegen 13 typen van de
Streptococcus pneumoniae-bacterie
en
vervangt Prevenar, dat bescherming bood tegen 7 typen.
Het vaccin werkt door het lichaam te helpen zijn eigen antistoffen aan te maken, die u of uw kind
tegen deze ziekten beschermen.
2.
Wanneer mag u of uw kind dit middel niet toegediend krijgen of moet u er extra
voorzichtig mee zijn?
Wanneer mag dit middel niet worden toegediend?
U bent/uw kind is allergisch voor een van de stoffen in dit geneesmiddel of voor een ander
vaccin dat difterietoxoïd bevat. De stoffen in dit geneesmiddel kunt u vinden in rubriek 6.
U of uw kind heeft een ernstige infectie met hoge koorts (boven 38°C). Als dit bij u of uw kind
het geval is, dan zal de vaccinatie worden uitgesteld totdat u of uw kind zich beter voelt. Een
milde infectie, zoals een verkoudheid, moet geen probleem zijn. Echter, overleg eerst met uw
arts, apotheker of verpleegkundige.
106
Wanneer moet u extra voorzichtig zijn met dit middel?
Neem contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige voordat de vaccinatie plaatsvindt als u of
uw kind:
nu of in het verleden medische klachten heeft of heeft gehad zoals een allergische reactie of
problemen met ademhalen na een dosis Prevenar of Prevenar 13.
bloedingsproblemen heeft of snel blauwe plekken krijgt.
een verzwakt immuunsysteem heeft (zoals bijv. door een hiv-infectie); het kan zijn dat u/zij/hij
niet alle voordelen van Prevenar 13 zal hebben.
epileptische aanvallen heeft ervaren omdat mogelijk geneesmiddelen genomen moeten worden
om koorts te laten zakken voordat Prevenar 13 wordt gegeven. Als uw kind niet reageert of
epileptische aanvallen (toevallen) ervaart na de vaccinatie, neem onmiddellijk contact op met
uw arts. Zie ook rubriek 4.
Neem contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige voordat de vaccinatie plaatsvindt als uw
kind veel te vroeg werd geboren (bij een zwangerschap van 28 weken of eerder), omdat abnormaal
lange adempauzes kunnen optreden gedurende 2-3 dagen na vaccinatie. Zie ook rubriek 4.
Zoals met alle vaccins zal Prevenar 13 niet alle personen beschermen die worden gevaccineerd.
Prevenar 13 zal bij kinderen alleen bescherming bieden tegen oorinfecties die worden veroorzaakt
door de typen
Streptococcus pneumoniae
waarvoor het vaccin is ontwikkeld. Het zal niet beschermen
tegen andere ziekteverwekkers die een oorontsteking kunnen veroorzaken.
Gebruikt u of uw kind nog andere geneesmiddelen/vaccins?
Uw arts kan u vragen om uw kind paracetamol of andere medicijnen die de koorts verlagen te geven
voordat Prevenar 13 wordt toegediend. Dit zal helpen om sommige bijwerkingen van Prevenar 13 te
verminderen.
Gebruikt u of uw kind naast Prevenar 13 nog andere geneesmiddelen, heeft u of uw kind dat kort
geleden gedaan of bestaat de mogelijkheid dat u of uw kind binnenkort andere geneesmiddelen gaat
gebruiken of heeft u of uw kind kort geleden een ander vaccin toegediend gekregen? Vertel dat dan uw
arts, apotheker of verpleegkundige.
Zwangerschap en borstvoeding
Bent u zwanger, denkt u zwanger te zijn, wilt u zwanger worden of geeft u borstvoeding? Neem dan
contact op met uw arts of apotheker voordat u dit geneesmiddel toegediend krijgt.
Rijvaardigheid en het gebruik van machines
Prevenar 13 heeft geen of een verwaarloosbare invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om
machines te bedienen. Sommige bijwerkingen die genoemd worden in rubriek 4 “Mogelijke
bijwerkingen” kunnen echter de rijvaardigheid of het vermogen om machines te bedienen, tijdelijk
beïnvloeden.
Prevenar 13 bevat natrium
Dit geneesmiddel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per dosis, dat wil zeggen dat het
geneesmiddel in essentie “natriumvrij” is.
3.
Hoe wordt dit middel toegediend?
De arts of verpleegkundige zal de aanbevolen dosis (0,5 ml) van het vaccin injecteren
107
in uw arm of in de arm- of beenspier van uw kind.
Zuigelingen in de leeftijd van 6 weken tot en met 6 maanden
Gewoonlijk moet er bij uw kind een beginserie van drie injecties van het vaccin toegediend worden
gevolgd door een booster dosis.
De eerste injectie mag gegeven worden vanaf een leeftijd van zes weken.
Elke injectie zal minimaal een maand na de vorige worden gegeven.
Een vierde injectie (booster) zal worden gegeven bij een leeftijd tussen 11 en 15 maanden.
Er zal u worden verteld wanneer uw kind terug moet komen voor een volgende injectie.
Volgens officiële aanbevelingen in uw land kan ook een alternatief schema door zorgverleners worden
gebruikt. Neem contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige voor meer informatie.
Te vroeg geboren zuigelingen
Uw kind krijgt een eerste kuur van drie injecties. De eerste injectie mag bij zes weken worden
gegeven, met minimaal een maand tussen de doses. Als hij/zij tussen de 11 en 15 maanden oud is,
krijgt uw kind een vierde injectie (booster).
Ongevaccineerde zuigelingen, kinderen ouder dan 7 maanden en jongeren
Zuigelingen in de leeftijd van
7 tot en met 11 maanden
dienen twee injecties te krijgen. Elke injectie
zal minimaal een maand na de vorige worden gegeven. Een derde injectie zal worden gegeven in het
tweede levensjaar.
Kinderen in de leeftijd van
12 tot en met 23 maanden
dienen twee injecties te krijgen. De injecties
zullen met een interval van minimaal twee maanden worden gegeven.
Kinderen in de leeftijd van
2 tot en met 17 jaar
dienen één injectie te krijgen.
Zuigelingen, kinderen en jongeren eerder gevaccineerd met Prevenar
Zuigelingen en kinderen die eerder Prevenar hebben gekregen, kunnen Prevenar 13 krijgen om het
injectieschema af te maken.
Voor kinderen in de leeftijd van
1 tot en met 5 jaar
die eerder zijn gevaccineerd met Prevenar, zal uw
arts of verpleegkundige adviseren hoeveel injecties van Prevenar 13 nodig zijn.
Kinderen en jongeren van
6 tot en met 17 jaar
dienen één injectie te krijgen
Het is belangrijk om de instructies van de arts, apotheker of verpleegkundige te volgen, zodat uw kind
het injectieschema afmaakt.
Als u een afspraak bent vergeten, vraag dan de arts, apotheker of verpleegkundige om advies.
Volwassenen
Volwassenen dienen één injectie te krijgen.
Vertel het uw arts, apotheker of verpleegkundige als u eerder een pneumokokkenvaccin heeft
gekregen.
Heeft u nog andere vragen over het gebruik van dit geneesmiddel? Neem dan contact op met uw arts,
apotheker of verpleegkundige.
108
Speciale populaties
Personen die een hoger risico op pneumokokkeninfectie hebben (zoals diegenen met sikkelcelziekte of
hiv-infectie), met inbegrip van diegenen die eerder zijn gevaccineerd met het 23-valente
pneumokokkenpolysaccharidevaccin, mogen minimaal een dosis Prevenar 13 toegediend krijgen.
Personen met een bloedvormende stamceltransplantatie mogen drie injecties ontvangen, waarbij de
eerste 3 tot 6 maanden na de transplantatie wordt gegeven en met een interval van ten minste 1 maand
tussen de doses. Een vierde (booster) injectie wordt aanbevolen 6 maanden na de derde injectie.
4.
Mogelijke bijwerkingen
Zoals elk vaccin kan ook dit vaccin bijwerkingen hebben, al krijgt niet iedereen daarmee te maken.
De volgende bijwerkingen zijn gemeld voor Prevenar 13 bij zuigelingen en kinderen (van 6
weken tot en met 5 jaar oud):
Zeer vaak voorkomende bijwerkingen
(deze kunnen optreden bij meer dan 1 op de 10 doses van het
vaccin) zijn:
Verminderde eetlust
Koorts, prikkelbaarheid, pijn, gevoeligheid, roodheid, zwelling of verharding van de
vaccinatieplaats, slaperigheid, rusteloze slaap
Roodheid, verharding, zwelling van 2,5 cm tot 7,0 cm van de vaccinatieplaats (na de
boosterdosis en bij oudere kinderen [leeftijd van 2 tot en met 5 jaar])
Vaak voorkomende bijwerkingen
(deze kunnen optreden bij minder dan 1 op de 10 doses van het
vaccin) zijn:
Braken, diarree
Koorts van 39°C of meer, gevoeligheid van de vaccinatieplaats die beweging belemmert,
roodheid, verharding, zwelling van 2,5 cm tot 7,0 cm van de vaccinatieplaats (na de eerste
injectiereeks)
Huiduitslag
Soms voorkomende bijwerkingen
(deze kunnen optreden bij minder dan 1 op de 100 doses van het
vaccin) zijn:
Stuipen (toevallen), inclusief stuipen veroorzaakt door een hoge temperatuur
Netelroos (urticaria of urticaria-achtige uitslag)
Roodheid, zwelling of verharding van de vaccinatieplaats van meer dan 7 cm, huilen
Zelden voorkomende bijwerkingen
(deze kunnen optreden bij minder dan 1 op de 1.000 doses van
het vaccin) zijn:
In elkaar zakken of shockachtige staat (hypotoon-hyporesponsieve episode)
Allergische (overgevoeligheids-) reactie, inclusief zwelling van het gezicht en/of de lippen,
moeite met ademhalen
De volgende bijwerkingen van Prevenar 13 zijn gemeld bij kinderen en jongeren (6 tot en met
17 jaar oud):
Zeer vaak voorkomende bijwerkingen
(deze kunnen optreden bij meer dan 1 op 10 doses van het
vaccin) zijn:
109
Verminderde eetlust
Prikkelbaarheid, pijn, gevoeligheid, roodheid, zwelling of verharding van de vaccinatieplaats,
slaperigheid, onrustige slaap, gevoeligheid van de vaccinatieplaats met bewegingsbeperking
Vaak voorkomende bijwerkingen
(deze kunnen optreden bij minder dan 1 op 10 doses van het
vaccin) zijn:
Hoofdpijn
Braken, diarree
Huiduitslag, netelroos (urticaria of urticaria-achtige uitslag)
Koorts
Kinderen en jongeren met ofwel hiv-infectie, sikkelcelziekte of een bloedvormende
stamceltransplantatie hadden vergelijkbare bijwerkingen, behalve dat hoofdpijn, braken, diarree,
koorts, vermoeidheid en gewrichts- en spierpijn zeer vaak voorkwamen.
Bij zeer prematuur geboren baby’s (na of voor 28 weken zwangerschap) kunnen langere adempauzes
dan normaal voorkomen gedurende 2-3 dagen na vaccinatie.
De volgende bijwerkingen zijn gemeld voor Prevenar 13 bij volwassenen:
Zeer vaak voorkomende bijwerkingen
(deze kunnen optreden bij meer dan 1 op de 10 doses van het
vaccin) zijn:
Verminderde eetlust, hoofdpijn, diarree, overgeven (voor personen van 18 tot en met 49 jaar
oud)
Koude rillingen, vermoeidheid, uitslag, pijn, roodheid, zwelling, verharding of gevoeligheid van
de vaccinatieplaats die beweging van de arm belemmert (ernstige pijn of gevoeligheid van de
vaccinatieplaats voor personen van 18 tot en met 39 jaar oud en ernstige beperking van de
armbeweging voor personen van 18 tot en met 39 jaar oud)
Ergere of nieuwe pijn in uw gewrichten, ergere of nieuwe pijn in uw spieren
Koorts (voor personen van 18 tot en met 29 jaar oud)
Vaak voorkomende bijwerkingen
(deze kunnen optreden bij minder dan 1 op de 10 doses van het
vaccin) zijn:
Overgeven (voor personen van 50 jaar en ouder), koorts (voor personen van 30 jaar en ouder)
Soms voorkomende bijwerkingen
(deze kunnen optreden bij minder dan 1 op de 100 doses van het
vaccin) zijn:
Misselijkheid
Allergische (overgevoeligheids-)reactie, inclusief zwelling van het gezicht en/of de lippen,
moeite met ademhalen
Vergrote lymfeknopen of -klieren (lymfadenopathie) bij de vaccinatieplaats, zoals in de oksel
Volwassenen met hiv-infectie hadden vergelijkbare bijwerkingen behalve dat koorts en braken zeer
vaak voorkwamen en misselijkheid vaak voorkwam.
Volwassenen met een bloedvormende stamceltransplantatie hadden vergelijkbare bijwerkingen
behalve dat koorts en braken zeer vaak voorkwamen.
110
De volgende aanvullende bijwerkingen zijn gezien met Prevenar 13 na het in de handel
brengen
Ernstige allergische reactie inclusief shock (cardiovasculaire collaps), angio-oedeem (zwelling
van lippen, gezicht of keel)
Netelroos (urticaria), roodheid en irritatie (dermatitis) en jeuk (pruritus) op de vaccinatieplaats,
blozen
Vergroting van de lymfeknopen of -klieren (lymfadenopathie) in het gebied rond de
vaccinatieplaats, zoals onder de arm of in de lies
Huiduitslag die jeukende, rode vlekken veroorzaakt (erythema multiforme)
Het melden van bijwerkingen
Krijgt u of uw kind last van bijwerkingen, neem dan contact op met uw arts, apotheker of
verpleegkundige. Dit geldt ook voor mogelijke bijwerkingen die niet in deze bijsluiter staan. U kunt
bijwerkingen ook rechtstreeks melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in aanhangsel V.
Door bijwerkingen te melden, kunt u ons helpen meer informatie te verkrijgen over de veiligheid van
dit geneesmiddel.
5.
Hoe bewaart u dit middel?
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
Gebruik dit geneesmiddel niet meer na de uiterste houdbaarheidsdatum. Die vindt u op de doos en het
etiket na EXP. Daar staat een maand en een jaar. De laatste dag van die maand is de uiterste
houdbaarheidsdatum.
Bewaren in de koelkast (2°C – 8°C).
Niet in de vriezer bewaren.
Spoel geneesmiddelen niet door de gootsteen of de WC en gooi ze niet in de vuilnisbak. Vraag uw
apotheker wat u met geneesmiddelen moet doen die u niet meer gebruikt. Als u geneesmiddelen op de
juiste manier afvoert worden ze op een verantwoorde manier vernietigd en komen ze niet in het milieu
terecht.
6.
Inhoud van de verpakking en overige informatie
Welke stoffen zitten er in dit middel?
De werkzame stoffen in dit middel zijn polysaccharide CRM
197
-conjugaten bestaande uit:
2,2 µg polysaccharide voor serotypen 1, 3, 4, 5, 6A, 7F, 9V, 14, 18C, 19A, 19F en 23F
4,4 µg polysaccharide voor serotype 6B
1 dosis (0,5 ml) bevat ongeveer 32 µg dragereiwit CRM
197
, geadsorbeerd aan aluminiumfosfaat
(0,125 mg aluminium).
De andere stoffen in dit middel zijn natriumchloride, barnsteenzuur, polysorbaat 80 en water voor
injecties.
Hoe ziet Prevenar 13 eruit en hoeveel zit er in een verpakking?
Het vaccin is een witte suspensie voor injectie en wordt geleverd in een injectieflacon met een
enkelvoudige dosis (0,5 ml). Verpakkingsgrootten van 1, 5, 10, 25 en 50 injectieflacons. Niet alle
genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
111
Houder van de vergunning voor het in de handel brengen en fabrikant
Houder van de vergunning voor het in de handel
brengen:
Pfizer Europe MA EEIG
Boulevard de la Plaine 17
1050 Brussel
België
Fabrikant verantwoordelijk voor partijvrijgifte:
Pfizer Manufacturing Belgium N.V.
Rijksweg 12
B-2870 Puurs
België
Neem voor alle informatie over dit geneesmiddel contact op met de lokale vertegenwoordiger van de
houder van de vergunning voor het in de handel brengen:
België/Belgique/Belgien
Luxembourg/Luxemburg
Pfizer NV/SA
Tél/Tel: + 32 (0)2 554 62 11
България
Пфайзер Люксембург САРЛ, Кло½
България
Teл: +359 2 970 4333
Česká Republika
Pfizer, spol. s r.o.
Tel: +420 283 004 111
Danmark
Pfizer ApS
Tlf: + 45 44 201 100
Deutschland
Pfizer Pharma GmbH
Tel: + 49 (0)30 550055-51000
Eesti
Pfizer Luxembourg SARL Eesti filiaal
Tel: +372 666 7500
Ελλάδα
Pfizer Ελλάς A.E.
Τηλ.: +30 210 6785 800
España
Pfizer, S.L.
Télf:+34914909900
France
Pfizer
Tél +33 1 58 07 34 40
Hrvatska
Pfizer Croatia d.o.o.
Tel: + 385 1 3908 777
Lietuva
Pfizer Luxembourg SARL filialas Lietuvoje
Tel. + 370 52 51 4000
Magyarország
Pfizer Kft
Tel: +36 1 488 3700
Malta
Vivian Corporation Ltd.
Tel: + 35621 344610
Nederland
Pfizer bv
Tel: +31 (0)10 406 43 01
Norge
Pfizer AS
Tlf: +47 67 52 61 00
Österreich
Pfizer Corporation Austria Ges.m.b.H
Tel: + 43 (0)1 521 15-0
Polska
Pfizer Polska Sp. z o.o.
Tel.: +48 22 335 61 00
Portugal
Laboratórios Pfizer, Lda.
Tel: +351 21 423 5500
România
Pfizer Romania S.R.L
Tel: +40 (0) 21 207 28 00
Slovenija
Pfizer Luxembourg SARL
Pfizer, podružnica za svetovanje s področja
farmacevtske dejavnosti, Ljubljana
Tel.: + 386 (0) 1 52 11 400
112
Ireland
Pfizer Healthcare Ireland
Tel: 1800 633 363 (toll free)
+44 (0)1304 616161
Ísland
Icepharma hf
Simi: + 354 540 8000
Italia
Pfizer S.r.l.
Tel: +39 06 33 18 21
Kύπρος
Pfizer Ελλάς A.E. (Cyprus Branch)
Tηλ: +357 22 817690
Latvija
Pfizer Luxembourg SARL filiāle Latvijā
Tel.: + 371 670 35 775
Deze bijsluiter is voor het laatst goedgekeurd in
Andere informatiebronnen
Slovenská republika
Pfizer Luxembourg SARL,
organizačná zložka
Tel: + 421 2 3355 5500
Suomi/Finland
Pfizer Oy
Puh/Tel: +358 (0)9 430 040
Sverige
Pfizer AB
Tel: +46 (0)8 550 520 00
United Kingdom (Northern Ireland)
Pfizer Limited
Tel: +44 (0) 1304 616161
Meer informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees
Geneesmiddelenbureau: http://www.ema.europa.eu.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
De volgende informatie is alleen bestemd voor beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg:
Tijdens opslag kan een witte neerslag en helder supernatant worden waargenomen. Dit is geen teken
van bederf.
Inspecteer visueel op vreemde deeltjes en / of abnormaal fysiek uiterlijk; niet gebruiken indien één of
allebei wordt gevonden.
Goed schudden vóór gebruik om een homogene witte suspensie te krijgen.
De volledige dosis toedienen.
Prevenar 13 is uitsluitend bedoeld voor intramusculair gebruik. Niet intravasculair toedienen.
Prevenar 13 mag niet worden gemengd met andere vaccins in dezelfde injectiespuit.
Prevenar 13 kan gegeven worden op hetzelfde moment als de andere vaccins voor kinderen, in dat
geval moeten verschillende vaccinatieplaatsen worden gebruikt.
Prevenar 13 kan aan volwassenen van 50 jaar en ouder tegelijk met het trivalente of quadrivalente
geïnactiveerde influenzavaccin gegeven worden.
Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale
voorschriften.
113
Bijsluiter: informatie voor de gebruiker
Prevenar 13 suspensie voor injectie in een meervoudige dosis container
pneumokokkenpolysaccharidenconjugaatvaccin (13-valent, geadsorbeerd)
Lees goed de hele bijsluiter voordat u of uw kind dit vaccin ontvangt want er staat belangrijke
informatie in voor u.
Bewaar deze bijsluiter. Misschien heeft u hem later weer nodig.
Heeft u nog vragen? Neem dan contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige.
Geef dit vaccin niet door aan anderen, want het is alleen aan u of uw kind voorgeschreven.
Krijgt u of uw kind last van een van de bijwerkingen die in rubriek 4 staan? Of krijgt u of uw
kind een bijwerking die niet in deze bijsluiter staat? Neem dan contact op met uw arts,
apotheker of verpleegkundige.
Inhoud van deze bijsluiter
1.
2.
3.
4.
5.
6.
1.
Wat is Prevenar 13 en waarvoor wordt dit middel gebruikt?
Wanneer mag u of uw kind dit middel niet toegediend krijgen of moet u er extra voorzichtig
mee zijn?
Hoe wordt dit middel toegediend?
Mogelijke bijwerkingen
Hoe bewaart u dit middel?
Inhoud van de verpakking en overige informatie
Wat is Prevenar 13 en waarvoor wordt dit middel gebruikt?
Prevenar 13 is een pneumokokkenvaccin dat wordt gegeven aan:
kinderen van 6 weken tot en met 17 jaar,
ter bescherming tegen ziekten zoals meningitis
(hersenvliesontsteking), sepsis of bacteriëmie (bacteriën in het bloed), pneumonie
(longontsteking) en oorontstekingen
volwassenen van 18 jaar en ouder
ter voorkoming van ziekten zoals pneumonie (longinfectie),
sepsis of bacteriëmie (bacteriën in het bloed) en meningitis (hersenvliesontsteking)
veroorzaakt door 13 typen van de bacterie
Streptococcus pneumoniae.
Prevenar 13 biedt bescherming tegen 13 typen van de
Streptococcus pneumoniae-bacterie
en
vervangt Prevenar, dat bescherming bood tegen 7 typen.
Het vaccin werkt door het lichaam te helpen zijn eigen antistoffen aan te maken, die u of uw kind
tegen deze ziekten beschermen.
2.
Wanneer mag u of uw kind dit middel niet toegediend krijgen of moet u er extra
voorzichtig mee zijn?
Wanneer mag dit middel niet worden toegediend?
U bent/uw kind is allergisch voor een van de stoffen in dit geneesmiddel of voor een ander
vaccin dat difterietoxoïd bevat. De stoffen in dit geneesmiddel kunt u vinden in rubriek 6.
U of uw kind heeft een ernstige infectie met hoge koorts (boven 38°C). Als dit bij u of uw kind
het geval is, dan zal de vaccinatie worden uitgesteld totdat u of uw kind zich beter voelt. Een
milde infectie, zoals een verkoudheid, moet geen probleem zijn. Echter, overleg eerst met uw
arts, apotheker of verpleegkundige.
114
Wanneer moet u extra voorzichtig zijn met dit middel?
Neem contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige voordat de vaccinatie plaatsvindt als u of
uw kind:
nu of in het verleden medische klachten heeft of heeft gehad zoals een allergische reactie of
problemen met ademhalen na een dosis Prevenar of Prevenar 13.
bloedingsproblemen heeft of snel blauwe plekken krijgt.
een verzwakt immuunsysteem heeft (zoals bijv. door een hiv-infectie); het kan zijn dat u/zij/hij
niet alle voordelen van Prevenar 13 zal hebben.
epileptische aanvallen heeft ervaren omdat mogelijk geneesmiddelen genomen moeten worden
om koorts te laten zakken voordat Prevenar 13 wordt gegeven. Als uw kind niet reageert of
epileptische aanvallen (toevallen) ervaart na de vaccinatie, neem onmiddellijk contact op met
uw arts. Zie ook rubriek 4.
Neem contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige voordat de vaccinatie plaatsvindt als uw
kind veel te vroeg werd geboren (bij een zwangerschap van 28 weken of eerder), omdat abnormaal
lange adempauzes kunnen optreden gedurende 2-3 dagen na vaccinatie. Zie ook rubriek 4.
Zoals met alle vaccins zal Prevenar 13 niet alle personen beschermen die worden gevaccineerd.
Prevenar 13 zal bij kinderen alleen bescherming bieden tegen oorinfecties die worden veroorzaakt
door de typen
Streptococcus pneumoniae
waarvoor het vaccin is ontwikkeld. Het zal niet beschermen
tegen andere ziekteverwekkers die een oorontsteking kunnen veroorzaken.
Gebruikt u of uw kind nog andere geneesmiddelen/vaccins?
Uw arts kan u vragen om uw kind paracetamol of andere medicijnen die de koorts verlagen te geven
voordat Prevenar 13 wordt toegediend. Dit zal helpen om sommige bijwerkingen van Prevenar 13 te
verminderen.
Gebruikt u of uw kind naast Prevenar 13 nog andere geneesmiddelen, heeft u of uw kind dat kort
geleden gedaan of bestaat de mogelijkheid dat u of uw kind binnenkort andere geneesmiddelen gaat
gebruiken of heeft u of uw kind kort geleden een ander vaccin toegediend gekregen? Vertel dat dan uw
arts, apotheker of verpleegkundige.
Zwangerschap en borstvoeding
Bent u zwanger, denkt u zwanger te zijn, wilt u zwanger worden of geeft u borstvoeding? Neem dan
contact op met uw arts of apotheker voordat u dit geneesmiddel toegediend krijgt.
Rijvaardigheid en het gebruik van machines
Prevenar 13 heeft geen of een verwaarloosbare invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om
machines te bedienen. Sommige bijwerkingen die genoemd worden in rubriek 4 “Mogelijke
bijwerkingen” kunnen echter de rijvaardigheid of het vermogen om machines te bedienen, tijdelijk
beïnvloeden.
Prevenar 13 bevat natrium
Dit geneesmiddel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per dosis, dat wil zeggen dat het
geneesmiddel in essentie “natriumvrij” is.
3.
Hoe wordt dit middel toegediend?
De arts of verpleegkundige zal de aanbevolen dosis (0,5 ml) van het vaccin injecteren
115
in uw arm of in de arm- of beenspier van uw kind.
Zuigelingen in de leeftijd van 6 weken tot en met 6 maanden
Gewoonlijk moet er bij uw kind een beginserie van drie injecties van het vaccin toegediend worden
gevolgd door een booster dosis.
De eerste injectie mag gegeven worden vanaf een leeftijd van zes weken.
Elke injectie zal minimaal een maand na de vorige worden gegeven.
Een vierde injectie (booster) zal worden gegeven bij een leeftijd tussen 11 en 15 maanden.
Er zal u worden verteld wanneer uw kind terug moet komen voor een volgende injectie.
Volgens officiële aanbevelingen in uw land kan ook een alternatief schema door zorgverleners worden
gebruikt. Neem contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige voor meer informatie.
Te vroeg geboren zuigelingen
Uw kind krijgt een eerste kuur van drie injecties. De eerste injectie mag bij zes weken worden
gegeven, met minimaal een maand tussen de doses. Als hij/zij tussen de 11 en 15 maanden oud is,
krijgt uw kind een vierde injectie (booster).
Ongevaccineerde zuigelingen, kinderen ouder dan 7 maanden en jongeren
Zuigelingen in de leeftijd van
7 tot en met 11 maanden
dienen twee injecties te krijgen. Elke injectie
zal minimaal een maand na de vorige worden gegeven. Een derde injectie zal worden gegeven in het
tweede levensjaar.
Kinderen in de leeftijd van
12 tot en met 23 maanden
dienen twee injecties te krijgen. De injecties
zullen met een interval van minimaal twee maanden worden gegeven.
Kinderen in de leeftijd van
2 tot en met 17 jaar
dienen één injectie te krijgen.
Zuigelingen, kinderen en jongeren eerder gevaccineerd met Prevenar
Zuigelingen en kinderen die eerder Prevenar hebben gekregen, kunnen Prevenar 13 krijgen om het
injectieschema af te maken.
Voor kinderen in de leeftijd van
1 tot en met 5 jaar
die eerder zijn gevaccineerd met Prevenar, zal uw
arts of verpleegkundige adviseren hoeveel injecties van Prevenar 13 nodig zijn.
Kinderen en jongeren van
6 tot en met 17 jaar
dienen één injectie te krijgen
Het is belangrijk om de instructies van de arts, apotheker of verpleegkundige te volgen, zodat uw kind
het injectieschema afmaakt.
Als u een afspraak bent vergeten, vraag dan de arts, apotheker of verpleegkundige om advies.
Volwassenen
Volwassenen dienen één injectie te krijgen.
Vertel het uw arts, apotheker of verpleegkundige als u eerder een pneumokokkenvaccin heeft
gekregen.
Heeft u nog andere vragen over het gebruik van dit geneesmiddel? Neem dan contact op met uw arts,
apotheker of verpleegkundige.
116
Speciale populaties
Personen die een hoger risico op pneumokokkeninfectie hebben (zoals diegenen met sikkelcelziekte of
hiv-infectie), met inbegrip van diegenen die eerder zijn gevaccineerd met het 23-valente
pneumokokkenpolysaccharidevaccin, mogen minimaal een dosis Prevenar 13 toegediend krijgen.
Personen met een bloedvormende stamceltransplantatie mogen drie injecties ontvangen, waarbij de
eerste 3 tot 6 maanden na de transplantatie wordt gegeven en met een interval van ten minste 1 maand
tussen de doses. Een vierde (booster) injectie wordt aanbevolen 6 maanden na de derde injectie.
4.
Mogelijke bijwerkingen
Zoals elk vaccin kan ook dit vaccin bijwerkingen hebben, al krijgt niet iedereen daarmee te maken.
De volgende bijwerkingen zijn gemeld voor Prevenar 13 bij zuigelingen en kinderen (van 6
weken tot en met 5 jaar oud):
Zeer vaak voorkomende bijwerkingen
(deze kunnen optreden bij meer dan 1 op de 10 doses van het
vaccin) zijn:
Verminderde eetlust
Koorts, prikkelbaarheid, pijn, gevoeligheid, roodheid, zwelling of verharding van de
vaccinatieplaats, slaperigheid, rusteloze slaap
Roodheid, verharding, zwelling van 2,5 cm tot 7,0 cm van de vaccinatieplaats (na de
boosterdosis en bij oudere kinderen [leeftijd van 2 tot en met 5 jaar])
Vaak voorkomende bijwerkingen
(deze kunnen optreden bij minder dan 1 op de 10 doses van het
vaccin) zijn:
Braken, diarree
Koorts van 39°C of meer, gevoeligheid van de vaccinatieplaats die beweging belemmert,
roodheid, verharding, zwelling van 2,5 cm tot 7,0 cm van de vaccinatieplaats (na de eerste
injectiereeks)
Huiduitslag
Soms voorkomende bijwerkingen
(deze kunnen optreden bij minder dan 1 op de 100 doses van het
vaccin) zijn:
Stuipen (toevallen), inclusief stuipen veroorzaakt door een hoge temperatuur
Netelroos (urticaria of urticaria-achtige uitslag)
Roodheid, zwelling of verharding van de vaccinatieplaats van meer dan 7 cm, huilen
Zelden voorkomende bijwerkingen
(deze kunnen optreden bij minder dan 1 op de 1.000 doses van
het vaccin) zijn:
In elkaar zakken of shockachtige staat (hypotoon-hyporesponsieve episode)
Allergische (overgevoeligheids-) reactie, inclusief zwelling van het gezicht en/of de lippen,
moeite met ademhalen
De volgende bijwerkingen van Prevenar 13 zijn gemeld bij kinderen en jongeren (6 tot en met
17 jaar oud):
Zeer vaak voorkomende bijwerkingen
(deze kunnen optreden bij meer dan 1 op 10 doses van het
vaccin) zijn:
117
Verminderde eetlust
Prikkelbaarheid, pijn, gevoeligheid, roodheid, zwelling of verharding van de vaccinatieplaats,
slaperigheid, onrustige slaap, gevoeligheid van de vaccinatieplaats met bewegingsbeperking
Vaak voorkomende bijwerkingen
(deze kunnen optreden bij minder dan 1 op 10 doses van het
vaccin) zijn:
Hoofdpijn
Braken, diarree
Huiduitslag, netelroos (urticaria of urticaria-achtige uitslag)
Koorts
Kinderen en jongeren met ofwel hiv-infectie, sikkelcelziekte of een bloedvormende
stamceltransplantatie hadden vergelijkbare bijwerkingen, behalve dat hoofdpijn, braken, diarree,
koorts, vermoeidheid en gewrichts- en spierpijn zeer vaak voorkwamen.
Bij zeer prematuur geboren baby’s (na of voor 28 weken zwangerschap) kunnen langere adempauzes
dan normaal voorkomen gedurende 2-3 dagen na vaccinatie.
De volgende bijwerkingen zijn gemeld voor Prevenar 13 bij volwassenen:
Zeer vaak voorkomende bijwerkingen
(deze kunnen optreden bij meer dan 1 op de 10 doses van het
vaccin) zijn:
Verminderde eetlust, hoofdpijn, diarree, overgeven (voor personen van 18 tot en met 49 jaar
oud)
Koude rillingen, vermoeidheid, uitslag, pijn, roodheid, zwelling, verharding of gevoeligheid van
de vaccinatieplaats die beweging van de arm belemmert (ernstige pijn of gevoeligheid van de
vaccinatieplaats voor personen van 18 tot en met 39 jaar oud en ernstige beperking van de
armbeweging voor personen van 18 tot en met 39 jaar oud)
Ergere of nieuwe pijn in uw gewrichten, ergere of nieuwe pijn in uw spieren
Koorts (voor personen van 18 tot en met 29 jaar oud)
Vaak voorkomende bijwerkingen
(deze kunnen optreden bij minder dan 1 op de 10 doses van het
vaccin) zijn:
Overgeven (voor personen van 50 jaar en ouder), koorts (voor personen van 30 jaar en ouder)
Soms voorkomende bijwerkingen
(deze kunnen optreden bij minder dan 1 op de 100 doses van het
vaccin) zijn:
Misselijkheid
Allergische (overgevoeligheids-)reactie, inclusief zwelling van het gezicht en/of de lippen,
moeite met ademhalen
Vergrote lymfeknopen of -klieren (lymfadenopathie) bij de vaccinatieplaats, zoals in de oksel
Volwassenen met hiv-infectie hadden vergelijkbare bijwerkingen behalve dat koorts en braken zeer
vaak voorkwamen en misselijkheid vaak voorkwam.
Volwassenen met een bloedvormende stamceltransplantatie hadden vergelijkbare bijwerkingen
behalve dat koorts en braken zeer vaak voorkwamen.
118
De volgende aanvullende bijwerkingen zijn gezien met Prevenar 13 na het in de handel
brengen
Ernstige allergische reactie inclusief shock (cardiovasculaire collaps), angio-oedeem (zwelling
van lippen, gezicht of keel)
Netelroos (urticaria), roodheid en irritatie (dermatitis) en jeuk (pruritus) op de vaccinatieplaats,
blozen
Vergroting van de lymfeknopen of -klieren (lymfadenopathie) in het gebied rond de
vaccinatieplaats, zoals onder de arm of in de lies
Huiduitslag die jeukende, rode vlekken veroorzaakt (erythema multiforme)
Het melden van bijwerkingen
Krijgt u of uw kind last van bijwerkingen, neem dan contact op met uw arts, apotheker of
verpleegkundige. Dit geldt ook voor mogelijke bijwerkingen die niet in deze bijsluiter staan. U kunt
bijwerkingen ook rechtstreeks melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in aanhangsel V.
Door bijwerkingen te melden, kunt u ons helpen meer informatie te verkrijgen over de veiligheid van
dit geneesmiddel.
5.
Hoe bewaart u dit middel?
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
Gebruik dit geneesmiddel niet meer na de uiterste houdbaarheidsdatum. Die vindt u op de doos en het
etiket na EXP. Daar staat een maand en een jaar. De laatste dag van die maand is de uiterste
houdbaarheidsdatum.
Bewaren in de koelkast (2°C – 8°C).
Niet in de vriezer bewaren.
Na het eerste gebruik kan het product gedurende maximaal 28 dagen in de koelkast worden bewaard.
Spoel geneesmiddelen niet door de gootsteen of de WC en gooi ze niet in de vuilnisbak. Vraag uw
apotheker wat u met geneesmiddelen moet doen die u niet meer gebruikt. Als u geneesmiddelen op de
juiste manier afvoert worden ze op een verantwoorde manier vernietigd en komen ze niet in het milieu
terecht.
6.
Inhoud van de verpakking en overige informatie
Welke stoffen zitten er in dit middel?
De werkzame stoffen in dit middel zijn polysaccharide CRM
197
-conjugaten bestaande uit:
2,2 µg polysaccharide voor serotypen 1, 3, 4, 5, 6A, 7F, 9V, 14, 18C, 19A, 19F en 23F
4,4 µg polysaccharide voor serotype 6B
1 dosis (0,5 ml) bevat ongeveer 32 µg dragereiwit CRM
197
, geadsorbeerd aan aluminiumfosfaat
(0,125 mg aluminium).
De andere stoffen in dit middel zijn natriumchloride, barnsteenzuur, polysorbaat 80, 2-fenoxyethanol
en water voor injecties.
Hoe ziet Prevenar 13 eruit en hoeveel zit er in een verpakking?
Het vaccin is een witte suspensie voor injectie en wordt geleverd in een meervoudige dosis container
(4 x 0,5 ml doses). Verpakkingsgrootten van 1, 5, 10, 25 en 50 containers. Niet alle genoemde
verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
119
Houder van de vergunning voor het in de handel brengen en fabrikant
Houder van de vergunning voor het in de handel
brengen:
Pfizer Europe MA EEIG
Boulevard de la Plaine 17
1050 Brussel
België
Fabrikant verantwoordelijk voor partijvrijgifte:
Pfizer Manufacturing Belgium N.V.
Rijksweg 12
B-2870 Puurs
België
Neem voor alle informatie over dit geneesmiddel contact op met de lokale vertegenwoordiger van de
houder van de vergunning voor het in de handel brengen:
België/Belgique/Belgien
Luxembourg/Luxemburg
Pfizer NV/SA
Tél/Tel: + 32 (0)2 554 62 11
България
Пфайзер Люксембург САРЛ, Кло½
България
Teл: +359 2 970 4333
Česká Republika
Pfizer, spol. s r.o.
Tel: +420 283 004 111
Danmark
Pfizer ApS
Tlf: + 45 44 201 100
Deutschland
Pfizer Pharma GmbH
Tel: + 49 (0)30 550055-51000
Eesti
Pfizer Luxembourg SARL Eesti filiaal
Tel: +372 666 7500
Ελλάδα
Pfizer Ελλάς A.E.
Τηλ.: +30 210 6785 800
España
Pfizer, S.L.
Télf:+34914909900
France
Pfizer
Tél +33 1 58 07 34 40
Hrvatska
Pfizer Croatia d.o.o.
Tel: + 385 1 3908 777
Lietuva
Pfizer Luxembourg SARL filialas Lietuvoje
Tel. + 370 52 51 4000
Magyarország
Pfizer Kft
Tel: +36 1 488 3700
Malta
Vivian Corporation Ltd.
Tel: + 35621 344610
Nederland
Pfizer bv
Tel: +31 (0)10 406 43 01
Norge
Pfizer AS
Tlf: +47 67 52 61 00
Österreich
Pfizer Corporation Austria Ges.m.b.H
Tel: + 43 (0)1 521 15-0
Polska
Pfizer Polska Sp. z o.o.
Tel.: +48 22 335 61 00
Portugal
Laboratórios Pfizer, Lda.
Tel: +351 21 423 5500
România
Pfizer Romania S.R.L
Tel: +40 (0) 21 207 28 00
Slovenija
Pfizer Luxembourg SARL
Pfizer, podružnica za svetovanje s področja
farmacevtske dejavnosti, Ljubljana
Tel.: + 386 (0) 1 52 11 400
120
Ireland
Pfizer Healthcare Ireland
Tel: 1800 633 363 (toll free)
+44 (0)1304 616161
Ísland
Icepharma hf
Simi: + 354 540 8000
Italia
Pfizer S.r.l.
Tel: +39 06 33 18 21
Kύπρος
Pfizer Ελλάς A.E. (Cyprus Branch)
Tηλ: +357 22 817690
Latvija
Pfizer Luxembourg SARL filiāle Latvijā
Tel.: + 371 670 35 775
Deze bijsluiter is voor het laatst goedgekeurd in
Andere informatiebronnen
Slovenská republika
Pfizer Luxembourg SARL,
organizačná zložka
Tel: + 421 2 3355 5500
Suomi/Finland
Pfizer Oy
Puh/Tel: +358 (0)9 430 040
Sverige
Pfizer AB
Tel: +46 (0)8 550 520 00
United Kingdom (Northern Ireland)
Pfizer Limited
Tel: +44 (0) 1304 616161
Meer informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees
Geneesmiddelenbureau: http://www.ema.europa.eu.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
De volgende informatie is alleen bestemd voor beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg:
Tijdens opslag kan een witte neerslag en helder supernatant worden waargenomen. Dit is geen teken
van bederf.
Inspecteer visueel op vreemde deeltjes en / of abnormaal fysiek uiterlijk; niet gebruiken indien één of
allebei wordt gevonden.
Goed schudden vóór gebruik om een homogene witte suspensie te krijgen.
De volledige dosis toedienen.
Prevenar 13 is uitsluitend bedoeld voor intramusculair gebruik. Niet intravasculair toedienen.
Prevenar 13 mag niet worden gemengd met andere vaccins in dezelfde injectiespuit.
Prevenar 13 kan gegeven worden op hetzelfde moment als de andere vaccins voor kinderen, in dat
geval moeten verschillende vaccinatieplaatsen worden gebruikt.
Prevenar 13 kan aan volwassenen van 50 jaar en ouder tegelijk met het trivalente of quadrivalente
geïnactiveerde influenzavaccin gegeven worden.
Na het eerste gebruik kan het product gedurende maximaal 28 dagen in de koelkast worden bewaard.
Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale
voorschriften.
121

SAMENVATTING VAN DE PRODUCTKENMERKEN
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Prevenar 13 suspensie voor injectie
pneumokokkenpolysaccharidenconjugaatvaccin (13-valent, geadsorbeerd)
2.
KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
1 dosis (0,5 ml) bevat:
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 11
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 31
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 41
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 51
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 6A1
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 6B1
4,4 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 7F1
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 9V1
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 141
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 18C1
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 19A1
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 19F1
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 23F1
2,2 µg
1Geconjugeerd aan het dragereiwit CRM197, geadsorbeerd aan aluminiumfosfaat.
1 dosis (0,5 ml) bevat ongeveer 32 µg dragereiwit CRM197 en 0,125 mg aluminium.
Hulpstoffen met bekend effect:
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3.
FARMACEUTISCHE VORM
Suspensie voor injectie.
Het vaccin is een homogene witte suspensie.
4.
KLINISCHE GEGEVENS
4.1
Therapeutische indicaties
Actieve immunisatie voor de preventie van invasieve ziekten, pneumonie en acute otitis media
veroorzaakt door Streptococcus pneumoniae bij zuigelingen, kinderen en adolescenten in de leeftijd
van 6 weken tot en met 17 jaar.
Actieve immunisatie voor de preventie van invasieve ziekten en pneumonie veroorzaakt door
Streptococcus pneumoniae bij volwassenen 18 jaar en ouderen.
Zie de rubrieken 4.4 en 5.1 voor informatie over bescherming tegen specifieke
pneumokokkenserotypen.
Het gebruik van Prevenar 13 dient te worden bepaald op basis van officiële aanbevelingen waarbij
rekening wordt gehouden met zowel het risico op invasieve ziekten en pneumonie in verschillende
leeftijdsgroepen en onderliggende comorbiditeiten als met de variabiliteit van de epidemiologie van
serotypen in verschillende geografische gebieden.
Dosering en wijze van toediening
De immunisatieschema's voor Prevenar 13 dienen gebaseerd te zijn op officiële aanbevelingen.
Dosering
Zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar
Het wordt aanbevolen dat zuigelingen die een eerste dosis Prevenar 13 krijgen het vaccinatieschema
met Prevenar 13 afmaken.
Zuigelingen van 6 weken - 6 maanden
Drie-doses primaire serie
De aanbevolen immunisatieserie bestaat uit vier doses, elk van 0,5 ml. De primaire zuigelingenserie
bestaat uit drie doses, de eerste dosis gewoonlijk gegeven op de leeftijd van 2 maanden en met een
interval van ten minste 1 maand tussen de doses. De eerste dosis mag ook al bij zes weken worden
gegeven. De vierde (booster) dosis wordt aanbevolen bij een leeftijd tussen 11 en 15 maanden.
Twee-doses primaire serie
Als Prevenar 13 wordt toegediend als onderdeel van een routinematig immunisatieprogramma voor
zuigelingen, kan ook een schema dat bestaat uit 3 doses, elk van 0,5 ml, worden gegeven. De eerste
dosis kan worden toegediend vanaf een leeftijd van 2 maanden met een tweede dosis 2 maanden later.
De derde (booster) dosis wordt aanbevolen bij een leeftijd tussen 11 en 15 maanden (zie rubriek 5.1).
Te vroeg geboren zuigelingen (zwangerschap < 37 weken)
Bij te vroeg geboren zuigelingen bestaat de aanbevolen immunisatieserie uit vier doses, elk van 0,5
ml. De primaire serie voor zuigelingen bestaat uit drie doses, waarbij de eerste dosis wordt gegeven op
de leeftijd van 2 maanden en met een interval van ten minste 1 maand tussen de doses. De eerste dosis
mag al bij zes weken worden gegeven. De vierde (booster) dosis wordt aanbevolen bij een leeftijd
tussen 11 en 15 maanden (zie rubrieken 4.4 en 5.1).
Ongevaccineerde zuigelingen en kinderen 7 maanden
Zuigelingen van 7 - 11 maanden
Twee doses, elk van 0,5 ml, met een interval van ten minste 1 maand tussen de doses. Een derde dosis
wordt aanbevolen in het tweede levensjaar.
Kinderen van 12 - 23 maanden
Twee doses, elk van 0,5 ml, met een interval van ten minste 2 maanden tussen de doses (zie
rubriek 5.1).
Kinderen en adolescenten van 2 - 17 jaar
Eén enkele dosis van 0,5 ml.
Prevenar 13 vaccinatieschema voor zuigelingen en kinderen voorheen gevaccineerd met Prevenar (7-
valent) (Streptococcus pneumoniae serotypen 4, 6B, 9V, 14, 18C, 19F en 23F)
Prevenar 13 bevat dezelfde 7 serotypen als Prevenar en gebruikt hetzelfde dragereiwit CRM197.
Zuigelingen en kinderen die de immunisatie zijn begonnen met Prevenar kunnen op elk moment in het
schema overstappen op Prevenar 13.
Kinderen en adolescenten van 5 - 17 jaar
Kinderen van 5 tot en met 17 jaar mogen één dosis Prevenar 13 toegediend krijgen indien zij eerder
zijn gevaccineerd met een of meer doses Prevenar. Deze dosis Prevenar 13 moet worden toegediend
ten minste 8 weken na de laatste dosis Prevenar (7-valent) (zie rubriek 5.1).
Volwassenen 18 jaar en ouderen
Eén enkele dosis.
De noodzaak van revaccinatie met een volgende dosis Prevenar 13 is niet vastgesteld.
Als het gebruik van een 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin zinvol wordt geacht, dient
eerst Prevenar 13 gegeven te worden, ongeacht de eerdere pneumokokkenvaccinatiestatus (zie de
rubrieken 4.5 en 5.1).
Speciale populaties
Personen die onderliggende aandoeningen hebben waardoor ze gevoelig zijn voor invasieve
pneumokokkenziekte (zoals sikkelcelziekte of hiv-infectie), waaronder diegenen die eerder zijn
gevaccineerd met een of meerdere doses 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin, mogen
minimaal één dosis Prevenar 13 toegediend krijgen (zie rubriek 5.1).
Bij personen met een hematopoëtische stamceltransplantatie (HSCT) bestaat de aanbevolen
immunisatieserie uit vier doses Prevenar 13 van elk 0,5 ml. De primaire serie bestaat uit drie doses,
waarbij de eerste dosis 3 tot 6 maanden na HSCT wordt gegeven en met een interval van ten minste
1 maand tussen de doses. Een vierde (booster) dosis wordt aanbevolen 6 maanden na de derde dosis
(zie rubriek 5.1).
Wijze van toediening
Het vaccin dient te worden toegediend als intramusculaire injectie. De voorkeursplaatsen zijn het
anterolaterale aspect van de dij (musculus vastus lateralis) bij de zuigeling of de deltoïdeusspier van de
bovenarm bij kinderen en volwassenen.
4.3
Contra-indicaties
Overgevoeligheid voor de werkzame stoffen of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen of
voor het difterietoxoïd.
Zoals dat ook voor andere vaccins geldt, dient de toediening van Prevenar 13 te worden uitgesteld bij
patiënten die aan een acute, ernstige ziekte met koorts lijden. Echter, aanwezigheid van een milde
infectie, zoals een verkoudheid, dient geen uitstel van vaccinatie tot gevolg te hebben.
4.4
Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Prevenar 13 mag niet intravasculair worden toegediend.
Zoals bij alle injecteerbare vaccins dienen passende medische behandeling en toezicht altijd direct
beschikbaar te zijn voor het geval zich in zeldzame gevallen een anafylactische reactie voordoet na
toediening van het vaccin.
Prevenar 13 zal alleen beschermen tegen serotypen van Streptococcus pneumoniae die zich in het
vaccin bevinden, en zal geen bescherming bieden tegen andere micro-organismen die invasieve
ziekten, pneumonie of otitis media veroorzaken. Zoals voor elk vaccin geldt, kan het zijn dat
Prevenar 13 niet alle personen die het vaccin krijgen beschermt tegen pneumokokkenziekte.
Raadpleeg de desbetreffende nationale organisatie voor de meest recente epidemiologische informatie
in uw land.
Bij personen met verminderde immuunresponsiviteit, door het gebruik van immunosuppressiva,
genetische afwijkingen, hiv (humaan immunodeficiëntievirus-)infectie of andere oorzaken, kan de
antilichaamrespons op actieve immunisatie verminderd zijn.
Over een beperkt aantal personen met sikkelcelziekte, hiv-infectie of een hematopoëtische
stamceltransplantatie zijn veiligheids- en immunogeniciteitsgegevens beschikbaar (zie rubriek 5.1).
Over personen uit andere specifieke immuungecompromitteerde groepen (bijvoorbeeld maligniteiten
of nefrotisch syndroom) zijn geen veiligheids- en immunogeniciteitsgegevens voor Prevenar 13
beschikbaar. Vaccinatie dient dan op individuele basis te worden overwogen.
Dit geneesmiddel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per dosis, dat wil zeggen dat het in
essentie 'natriumvrij' is.
Zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar
In klinische studies bracht Prevenar 13 een immuunrespons teweeg voor alle dertien serotypen in het
vaccin. De immuunrespons voor serotype 3 was na de boosterdosis niet toegenomen boven het niveau
na de zuigelingenvaccinatieseries; de klinische relevantie van deze observatie voor de inductie van
immunologisch geheugen voor serotype 3 is onbekend (zie rubriek 5.1).
Het aandeel van functionele antilichaamresponders (OPA-titers 1:8) op serotypen 1, 3 en 5 was
hoog. Echter, de OPA geometrische gemiddelde titers waren lager dan die voor elk van de
overgebleven additionele vaccinserotypen; de klinische relevantie van deze waarneming voor de
beschermende werkzaamheid is niet bekend (zie rubriek 5.1).
Beperkte gegevens hebben aangetoond dat Prevenar 7-valent (primaire serie van drie doses) een
acceptabele immuunrespons induceert bij kinderen met sikkelcelziekte met een veiligheidsprofiel
vergelijkbaar met dat wat bij niet-hoog-risicogroepen werd waargenomen (zie rubriek 5.1).
Kinderen onder de 2 jaar dienen de bij de leeftijd passende Prevenar 13-vaccinatieserie te krijgen (zie
rubriek 4.2). Het gebruik van pneumokokkenconjugaatvaccin vervangt niet het gebruik van 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin bij kinderen 2 jaar met aandoeningen die hen een groter risico
opleveren voor invasieve ziekten veroorzaakt door Streptococcus pneumoniae (zoals sikkelcelziekte,
asplenie, hiv-infectie, chronische ziekten, of zij die immuungecompromitteerd zijn). Wanneer
aanbevolen dienen kinderen met een leeftijd 24 maanden die risico lopen en al eerder Prevenar 13
('priming') hebben gehad het 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin te ontvangen. Het
interval tussen de toediening van het 13-valent pneumokokkenconjugaatvaccin (Prevenar 13) en het
23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin dient niet minder dan 8 weken te bedragen. Er zijn
geen gegevens beschikbaar die aangeven of toediening van 23-valent pneumokokkenpolysaccharide-
vaccin aan ongevaccineerde kinderen of kinderen die eerder Prevenar 13 hebben gehad zou kunnen
resulteren in hyporesponsiviteit op verdere doses Prevenar 13.
Bij toediening van de primaire immunisatieserie aan zeer premature kinderen (geboren 28 weken
zwangerschap) moet rekening worden gehouden met het potentiële risico op apneu en moet de
Bij vaccinserotypen wordt verwacht dat de bescherming tegen otitis media lager is dan de
bescherming tegen invasieve ziekten. Aangezien otitis media wordt veroorzaakt door vele andere
organismen dan de pneumokokkenserotypen die in het vaccin gerepresenteerd worden, wordt
verwacht dat de bescherming tegen alle otitis media laag is (zie rubriek 5.1).
Wanneer Prevenar 13 gelijktijdig wordt toegediend met Infanrix hexa (DTPa-HBV-IPV/Hib), komt
het aantal koortsreacties dat optreedt overeen met het aantal dat wordt waargenomen bij gelijktijdige
toediening van Prevenar (7-valent) en Infanrix hexa (zie rubriek 4.8). Een verhoogd aantal meldingen
van convulsies (met of zonder koorts) en hypotonisch hyporesponsieve episode (HHE) zijn
waargenomen bij gelijktijdige toediening van Prevenar 13 en Infanrix hexa (zie rubriek 4.8).
Antipyretische behandeling dient te worden gestart in overeenstemming met de plaatselijke
behandelingsrichtlijnen voor kinderen met epileptische stoornissen of kinderen met een
voorgeschiedenis van koortsstuipen en voor alle kinderen die Prevenar 13 tegelijkertijd krijgen
toegediend met vaccins die volledige cellen van pertussis bevatten.
4.5
Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar
Prevenar 13 kan gelijktijdig worden toegediend met elk van de volgende vaccinantigenen, hetzij als
monovalent of als combinatievaccins: difterie, tetanus, acellulaire pertussis of pertussis met volledige
cellen, Haemophilus influenzae type b, geïnactiveerde poliomyelitis, hepatitis B (zie rubriek 4.4 voor
advies over Infanrix hexa), meningokokken serogroep C, mazelen, de bof, rubella, varicella en het
vaccin tegen rotavirus.
Prevenar 13 kan ook gelijktijdig worden toegediend tussen 12-23 maanden met het tetanustoxoïd-
meningokokkenpolysaccharideconjugaatvaccin serogroepen A, C, W en Y aan kinderen die voldoende
geprimed zijn met Prevenar 13 (volgens lokale aanbevelingen).
Gegevens uit een klinische postmarketingstudie die de impact van het profylactisch gebruik van
antipyretica evalueerde (ibuprofen en paracetamol) op de immuunrespons van Prevenar 13 suggereren
dat toediening van paracetamol, gelijktijdig of op dezelfde dag als de vaccinatie, de immuunrespons
van Prevenar 13 na de zuigelingenseries kan reduceren. Responsen op de boosterdosis toegediend bij
12 maanden waren onveranderd. De klinische significantie van deze observatie is niet bekend.
Kinderen en adolescenten van 6 tot en met 17 jaar
Momenteel zijn geen gegevens beschikbaar over het gelijktijdig gebruik met andere vaccins.
Volwassenen van 18 tot en met 49 jaar.
Er zijn geen gegevens beschikbaar over het gelijktijdig gebruik met andere vaccins.
Volwassenen van 50 jaar en ouder
Prevenar 13 kan gelijktijdig met het trivalente geïnactiveerde seizoenvaccin tegen influenza (TIV)
worden toegediend.
In twee onderzoeken bij volwassenen van 50-59 jaar en 65 jaar en ouder werd aangetoond dat
Prevenar 13 gelijktijdig met het trivalente geïnactiveerde influenzavaccin (TIV) kan worden
toegediend. De respons op alle drie TIV-antigenen was vergelijkbaar wanneer TIV alleen of
gelijktijdig met Prevenar 13 werd gegeven.
In een derde onderzoek bij volwassenen in de leeftijd van 50-93 jaar werd aangetoond dat Prevenar 13
gelijktijdig met het quadrivalente geïnactiveerde seizoenvaccin tegen influenza (QIV) kan worden
toegediend. De immuunresponsen op alle vier QIV-stammen waren niet inferieur als Prevenar 13
gelijktijdig met QIV werd toegediend in vergelijking met de toediening van QIV alleen.
De immuunresponsen op Prevenar 13 waren niet inferieur als Prevenar 13 gelijktijdig met QIV werd
toegediend in vergelijking met de toediening van Prevenar 13 alleen. Zoals bij gelijktijdige toediening
met trivalente vaccins, waren de immuunresponsen op sommige pneumokokkenserotypen lager als
beide vaccins gelijktijdig werden toegediend.
Gelijktijdig gebruik met andere vaccins is niet onderzocht.
Verschillende injecteerbare vaccins moeten altijd op verschillende vaccinatieplaatsen worden
toegediend.
Gelijktijdige toediening van Prevenar 13 en 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin is niet
onderzocht. Als in klinisch onderzoek Prevenar 13 1 jaar na 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin werd toegediend, waren de immuunresponsen voor alle
serotypen lager dan als Prevenar 13 werd toegediend aan proefpersonen die niet eerder waren
geïmmuniseerd met het 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin. De klinische significantie
hiervan is niet bekend.
4.6
Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Er zijn geen gegevens over het gebruik van 13-valent pneumokokkenconjugaatvaccin bij zwangere
vrouwen. Daarom dient het gebruik van Prevenar 13 vermeden te worden tijdens de zwangerschap.
Borstvoeding
Het is niet bekend of 13-valent pneumokokkenconjugaatvaccin wordt uitgescheiden in de
moedermelk.
Vruchtbaarheid
De resultaten van dieronderzoek duiden niet op directe of indirecte schadelijke effecten wat betreft
reproductietoxiciteit (zie rubriek 5.3).
4.7
Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Prevenar 13 heeft geen of een verwaarloosbare invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om
machines te bedienen. Sommige bijwerkingen die genoemd worden in rubriek 4.8 'Bijwerkingen'
kunnen echter de rijvaardigheid of het vermogen om machines te bedienen tijdelijk beïnvloeden.
4.8
Bijwerkingen
Analyse van postmarketingmeldingen suggereren een potentieel verhoogd risico op convulsies, met of
zonder koorts, en HHE bij vergelijking van groepen die Prevenar 13 met Infanrix hexa gebruiken ten
opzichte van groepen die alleen Prevenar 13 gebruiken.
Zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar
De veiligheid van het vaccin werd beoordeeld in verschillende gecontroleerde klinische studies
waarbij 14.267 doses werden gegeven aan 4.429 gezonde zuigelingen van 6 weken bij de eerste
vaccinatie en 11-16 maanden bij de boosterdosis. Bij alle zuigelingenstudies werd Prevenar 13
gelijktijdig toegediend met routinematig toegediende kindervaccins (zie rubriek 4.5).
De veiligheid werd ook beoordeeld bij 354 voorheen ongevaccineerde kinderen (met een leeftijd van
7 maanden tot en met 5 jaar).
De meest gemelde bijwerkingen bij kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar waren reacties op de plaats
van vaccinatie, koorts, prikkelbaarheid, verminderde eetlust en meer en/of minder slapen.
In een klinische studie bij zuigelingen die werden gevaccineerd op de leeftijd van 2, 3 en 4 maanden
waren er meer meldingen van koorts 38°C bij de kinderen die Prevenar (7-valent) gelijktijdig kregen
toegediend met Infanrix hexa (28,3% tot 42,3%) dan bij kinderen die alleen Infanrix hexa kregen
(15,6% tot 23,1%). Na een boosterdosis op de leeftijd van 12 tot en met 15 maanden werd koorts
38°C gemeld bij 50% van de kinderen die Prevenar (7-valent) en Infanrix hexa gelijktijdig kregen
toegediend, in vergelijking met 33,6% van de kinderen die alleen Infanrix hexa kregen toegediend.
Deze koortsreacties waren meestal matig ernstig (lager dan of gelijk aan 39 °C) en van voorbijgaande
aard.
Een verhoging van reacties op de plaats van vaccinatie werd gemeld bij kinderen ouder dan
12 maanden vergeleken met de percentages waargenomen bij zuigelingen gedurende de primaire
series met Prevenar 13.
Bijwerkingen uit klinische studies
In klinische studies was het veiligheidsprofiel van Prevenar 13 vergelijkbaar met dat van Prevenar. De
volgende frequenties zijn gebaseerd op bijwerkingen die zijn beoordeeld in klinische studies met Prevenar 13:
Immuunsysteemaandoeningen:
Zelden:
Overgevoeligheidsreacties inclusief gezichtsoedeem, dyspneu, bronchospasme
Zenuwstelselaandoeningen:
Soms:
Insulten (inclusief febriele insulten)
Zelden:
Hypotoon-hyporesponsieve episode
Maagdarmstelselaandoeningen:
Zeer vaak:
Verminderde eetlust
Vaak:
Braken, diarree
Huid- en onderhuidaandoeningen:
Vaak:
Uitslag
Soms:
Urticaria of urticaria-achtige uitslag
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen:
Zeer vaak:
Pyrexie, prikkelbaarheid, erytheem op de plaats van vaccinatie, induratie/zwelling of
pijn/gevoeligheid, slaperigheid, slecht slapen
Erytheem op de plaats van vaccinatie of induratie/zwelling 2,5 cm­7,0 cm (na de
boosterdosis en bij oudere kinderen [leeftijd 2 tot en met 5 jaar])
Vaak:
Pyrexie > 39°C, bewegingsbeperking op de plaats van vaccinatie (door pijn),
Soms:
Erytheem op de plaats van vaccinatie, induratie/zwelling >7,0 cm, huilen
Aanvullende informatie in speciale populaties
Apneu bij zeer premature kinderen ( 28 weken zwangerschap) (zie rubriek 4.4).
Kinderen en adolescenten van 6 tot en met 17 jaar
De veiligheid werd geëvalueerd bij 592 kinderen (294 kinderen van 5 tot en met 10 jaar die eerder
waren geïmmuniseerd met ten minste één dosis Prevenar, en bij 298 kinderen van 10 tot en met 17 jaar
die niet eerder een pneumokokkenvaccin hadden gekregen).
De meest voorkomende bijwerkingen bij kinderen en adolescenten van 6 tot en met 17 jaar waren:
Zenuwstelselaandoeningen:
Vaak:
Hoofdpijn
Maagdarmstelselaandoeningen:
Zeer vaak:
Verminderde eetlust
Vaak:
Braken, diarree
Huid- en onderhuidaandoeningen:
Vaak:
Huiduitslag, urticaria of urticaria-achtige huiduitslag
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen:
Zeer vaak:
Prikkelbaarheid, erytheem op de vaccinatieplaats, induratie/zwelling of
pijn/gevoeligheid, slaperigheid, slecht slapen, gevoeligheid op de vaccinatieplaats
(inclusief bewegingsbeperking)
Vaak:
Koorts
Andere bijwerkingen die eerder zijn waargenomen bij zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met
5 jaar kunnen ook op deze leeftijdsgroep van toepassing zijn, maar zijn niet in dit onderzoek
waargenomen, mogelijk door de kleine steekproefgrootte.
Aanvullende informatie over speciale populaties
Kinderen en adolescenten met sikkelcelziekte, hiv-infectie of een hematopoëtische
stamceltransplantatie hebben vergelijkbare frequenties van bijwerkingen, behalve dat hoofdpijn,
braken, diarree, pyrexie, vermoeidheid, artralgie en myalgie zeer vaak voorkwamen.
Volwassenen 18 jaar en ouderen
De veiligheid werd beoordeeld in 7 klinische onderzoeken met 91.593 volwassenen in de leeftijd van
18 tot en met 101 jaar. Prevenar 13 werd toegediend aan 48.806 volwassenen; 2.616 (5,4%) in de
leeftijd van 50 tot en met 64 jaar en 45.291 (92,8%) van 65 jaar en ouder. Aan een van de
7 onderzoeken nam een groep volwassenen deel (n=899) met een leeftijd die varieerde van 18 tot en
met 49 jaar die Prevenar 13 kregen en die niet eerder waren gevaccineerd met 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin. Van de volwassenen die Prevenar 13 kregen, waren er 1.916
eerder gevaccineerd met het 23-valente pneumokokkenpolysaccharidevaccin ten minste 3 jaar voor de
onderzoeksvaccinatie; 46.890 hadden niet eerder het 23-valente pneumokokkenpolysaccharidevaccin
gekregen.
Een trend naar een lagere frequentie van bijwerkingen werd geassocieerd met hogere leeftijd;
volwassenen > 65 jaar oud (ongeacht eerdere pneumokokkenvaccinatiestatus) meldden minder
bijwerkingen dan jongere volwassenen, waarbij de bijwerkingen in het algemeen het vaakst
voorkwamen bij de jongste volwassenen, namelijk die van 18 tot en met 29 jaar oud.
Bijwerkingen uit klinische studies
In 6 studies werden de lokale en systemische reacties na elke vaccinatie 14 dagen lang bijgehouden; in
de resterende studie gebeurde dit gedurende 7 dagen. De volgende frequenties zijn gebaseerd op
bijwerkingen beoordeeld in klinische studies van Prevenar 13 bij volwassenen:
Voedings- en stofwisselingsstoornissen:
Zeer vaak:
Verminderde eetlust.
Zenuwstelselaandoeningen:
Zeer vaak:
Hoofdpijn.
Maagdarmstelselaandoeningen:
Zeer vaak:
Diarree, braken (bij volwassenen van 18 tot en met 49 jaar).
Vaak:
Braken (bij volwassenen van 50 jaar en ouder).
Soms:
Misselijkheid.
Immuunsysteemaandoeningen:
Soms:
Overgevoeligheidsreacties, waaronder oedeem in het gezicht, dyspnoe,
bronchospasmen.
Huid- en onderhuidaandoeningen:
Zeer vaak:
Huiduitslag.
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen:
Zeer vaak:
Koude rillingen, vermoeidheid, roodheid op de vaccinatieplaats, induratie of zwelling
op de vaccinatieplaats; pijn/gevoeligheid op de vaccinatieplaats (ernstige
pijn/gevoeligheid op de vaccinatieplaats komt zeer vaak voor bij volwassenen van
18 tot en met 39 jaar), beperking van de armbeweging (ernstige beperking van de
armbeweging komt zeer vaak voor bij volwassenen van 18 tot en met 39 jaar).
Vaak:
Koorts (komt zeer vaak voor bij volwassenen van 18 tot en met 29 jaar).
Soms:
Lymfadenopathie in het gebied van de vaccinatieplaats.
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen:
Zeer vaak:
Spier- en gewrichtspijn.
In het algemeen werden geen significante verschillen in de frequentie van bijwerkingen waargenomen
bij toediening van Prevenar 13 aan volwassenen die eerder geïmmuniseerd waren met het
pneumokokkenpolysaccharidevaccin.
Aanvullende informatie over speciale populaties
Volwassenen met hiv-infectie hebben vergelijkbare frequenties van bijwerkingen, behalve dat pyrexie
en braken zeer vaak voorkwamen en misselijkheid vaak.
Volwassenen met een hematopoëtische stamceltransplantatie hebben vergelijkbare frequenties van
bijwerkingen, behalve dat pyrexie en braken zeer vaak voorkwamen.
Als Prevenar 13 gelijktijdig met trivalent, geïnactiveerd influenzavaccin (TIV) werd toegediend,
werden hogere frequenties van een aantal bijgehouden systemische reacties waargenomen dan bij
toediening van TIV alleen (hoofdpijn, koude rillingen, huiduitslag, verminderde eetlust, gewrichtspijn
Bijwerkingen van Prevenar 13 tijdens postmarketingervaring
De volgende geneesmiddelbijwerkingen worden beschouwd als bijwerkingen van Prevenar 13; omdat
deze reacties zijn gebaseerd op spontane meldingen, konden de frequenties niet worden bepaald en
worden deze daarom als niet bekend beschouwd.
Bloed- en lymfestelselaandoeningen:
Lymfadenopathie (gelokaliseerd in het gebied rond de vaccinatieplaats)
Immuunsysteemaandoeningen
:
Anafylactische/anafylactoïde reacties waaronder shock, angio-oedeem
Huid- en onderhuidaandoeningen:
Erythema multiforme
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen:
Urticaria op de vaccinatieplaats, dermatitis op de vaccinatieplaats, pruritus op de
vaccinatieplaats, blozen
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op
deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico's van het geneesmiddel voortdurend worden
gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen
te melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in aanhangsel V.
4.9
Overdosering
Overdosering met Prevenar 13 is niet waarschijnlijk wegens de presentatie in een voorgevulde spuit. Echter bij
zuigelingen en kinderen zijn er meldingen geweest van overdosering met Prevenar 13 gedefinieerd als
gevallen van opvolgende doses die dichter op elkaar zijn toegediend dan is aanbevolen. Bijwerkingen die
gemeld zijn bij overdosering zijn in het algemeen vergelijkbaar met de bijwerkingen die gemeld worden bij
doses in het aanbevolen schema van Prevenar 13 voor kinderen.
5.
FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: vaccins, pneumokokkenvaccins, ATC-code: J07AL02.
Prevenar 13 bevat de 7 pneumokokken capsulaire polysacchariden die ook in Prevenar zitten (4, 6B,
9V, 14, 18C, 19F, 23F) plus 6 additionele polysacchariden (1, 3, 5, 6A, 7F, 19A), alle geconjugeerd
aan CRM197 dragereiwit.
Ziektelast
Zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar oud
Gebaseerd op serotype surveillance in Europa uitgevoerd vóór de introductie van Prevenar, wordt
geschat dat Prevenar 13 een dekking heeft van 73-100% (afhankelijk van het land) van serotypen die
invasieve pneumokokkenziekten (IPD) veroorzaken bij kinderen jonger dan 5 jaar. In deze
leeftijdsgroep dragen serotypen 1, 3, 5, 6A, 7F en 19A voor 15,6% tot 59,7% bij aan invasieve ziekte,
afhankelijk van het land, de bestudeerde tijdsperiode en het gebruik van Prevenar.
Geschat wordt dat Prevenar 13 een dekking geeft van 90% van de serotypen die antimicrobieel
resistente IPD veroorzaken.
Kinderen en adolescenten van 6 tot en met 17 jaar
Bij kinderen en adolescenten van 6 tot en met 17 jaar is de incidentie van pneumokokkenziekte laag,
maar er is een grotere kans op morbiditeit en mortaliteit bij personen met onderliggende
comorbiditeiten.
Volwassenen 18 jaar en ouderen
Pneumonie is de meest voorkomende klinische verschijningsvorm van pneumokokkenziekte bij
volwassenen.
De gemelde incidentie van buiten het ziekenhuis opgelopen pneumonie (CAP) en IPD in Europa
verschilt per land, neemt vanaf het vijftigste levensjaar toe met de jaren en is het hoogst bij mensen
65 jaar. S. pneumoniae is de meest voorkomende oorzaak van CAP, en is in ontwikkelde landen
verantwoordelijk voor naar schatting circa 30% van alle gevallen van CAP bij volwassenen waarbij
ziekenhuisopname noodzakelijk is.
Bacteriëmische pneumonie (ongeveer 80% van de IPD-gevallen bij volwassenen), bacteriëmie zonder
een focus en meningitis zijn de meest voorkomende manifestaties van IPD bij volwassenen. Uit
surveillance gegevens blijkt dat na de introductie van Prevenar maar voor de introductie van Prevenar
13 in jeugdvaccinatieprogramma's de pneumokokkenserotypen in Prevenar 13 verantwoordelijk
kunnen zijn voor ten minste 50-76% (afhankelijk van het land) van de IPD-gevallen bij volwassenen.
Het risico op CAP en IPD bij volwassenen is ook hoger bij onderliggende chronische medische
aandoeningen, met name anatomische of functionele asplenie, diabetes mellitus, astma, chronische
cardiovasculaire, pulmonale, nier- of leveraandoening, en is het hoogst bij diegenen bij wie sprake is
van immuunsuppressie zoals bij personen met een maligne hematologische aandoening of hiv-infectie.
Prevenar 13 klinische immunogeniciteitsstudies bij zuigelingen, kinderen en adolescenten
De beschermende werkzaamheid van Prevenar 13 tegen IPD is niet bestudeerd. Zoals aanbevolen door
de World Health Organization (WHO) is de beoordeling van de mogelijke werkzaamheid tegen IPD
bij zuigelingen en jonge kinderen gebaseerd op een vergelijking van immuunresponsen op de zeven
gemeenschappelijke serotypen, aanwezig in zowel Prevenar 13 als Prevenar, waarvoor beschermende
werkzaamheid is bewezen (voor werkzaamheid van Prevenar (7-valent) bij zuigelingen en kinderen,
zie hieronder). Immuunresponsen op de overige 6 serotypen werden ook gemeten.
Immuunresponsen na een drie-doses primaire zuigelingenserie
Klinische studies zijn uitgevoerd in een aantal Europese landen en in de Verenigde Staten waarbij
gebruik is gemaakt van meerdere vaccinatieschema's, waaronder twee gerandomiseerde non-
inferioriteitstudies (Duitsland, waar een 2, 3, 4 maanden primaire serie werd gebruikt [006] en de
Verenigde Staten waar een 2, 4, 6 maanden primaire serie werd gebruikt [004]). In deze twee studies
werden pneumokokken-immuunresponsen vergeleken met behulp van een aantal non-
inferioriteitscriteria, waaronder het percentage proefpersonen met serum anti-polysaccharide serotype-
specifiek IgG 0,35 g/ml één maand na de primaire serie en de vergelijking van IgG geometrisch
gemiddelde concentraties (ELISA GMC's); eveneens werden functionele antilichaamtiters (OPA)
tussen proefpersonen die Prevenar 13 en Prevenar kregen vergeleken. Voor de zes overige serotypen
werden deze waarden vergeleken met de laagste respons onder alle zeven gemeenschappelijke
serotypen bij degenen die Prevenar kregen.
Non-inferioriteit werd bereikt voor de 6 additionele serotypen gebaseerd op het deel van de
zuigelingen dat antilichaamconcentraties van 0,35 g/ml bereikte en vergelijking van IgG ELISA
GMC's in studie 006 en werd bereikt voor 5 van de 6 serotypen, met uitzondering van serotype 3 in
studie 004. Voor serotype 3 waren de percentages kinderen met serum IgG 0,35 g/ml die
Prevenar 13 hadden gekregen 98,2% (studie 006) en 63,5% (studie 004).
Tabel 1: Vergelijking van het deel van de proefpersonen dat een pneumokokkenanti-
polysaccharide IgG antilichaamconcentratie bereikten van 0,35 g/ml na dosis 3 van de
zuigelingen series ­ studie 006
Prevenar 13
7-valent Prevenar
%
%
Verschil
Serotypen
(N=282-285)
(N=277-279)
(95% CI)
7-valent Prevenar serotypen
4
98,2
98,2
0,0 (-2,5 ­ 2,6)
6B
77,5
87,1
-9,6 (-16,0 ­ -3,3)
9V
98,6
96,4
2,2 (-0,4 ­ 5,2)
14
98,9
97,5
1,5 (-0,9 ­ 4,1)
18C
97,2
98,6
-1,4 (-4,2 ­ 1,2)
19F
95,8
96,0
-0,3 (-3,8 ­ 3,3)
23F
88,7
89,5
-0,8 (-6,0 ­ 4,5)
Additionele serotypen in Prevenar 13
1
96,1
87,1*
9,1 (4,5 ­ 13,9)
3
98,2
87,1
11,2 (7,0 ­ 15,8)
5
93,0
87,1
5,9 (0,8 ­ 11,1)
6A
91,9
87,1
4,8 (-0,3 ­ 10,1)
7F
98,6
87,1
11,5 (7,4 ­ 16,1)
19A
99,3
87,1
12,2 (8,3 ­ 16,8)
* Het serotype in Prevenar met het laagste responspercentage was 6B in studie 006 (87,1%)
Prevenar 13 wekte functionele antilichamen tegen alle 13 vaccinserotypen in studies 004 en 006 op.
Voor de 7 gemeenschappelijke serotypen waren er geen verschillen tussen de groepen in het deel van
de proefpersonen met OPA-titers 1:8. Voor elk van de zeven gemeenschappelijke serotypen
bereikten > 96% en > 90% van de kinderen die Prevenar 13 kregen een OPA-titer 1:8 één maand na
de primaire serie in respectievelijk studie 006 en 004.
Voor elk van de 6 additionele serotypen wekte Prevenar 13 OPA-titers 1:8 bij 91,4% tot 100% van
de gevaccineerden op, één maand na de primaire serie in studies 004/006. De functionele antilichaam
(OPA) geometrische gemiddelde titers voor serotypen 1, 3 en 5 waren lager dan de titers voor elk van
de andere additionele serotypen; de klinische relevantie van deze waarneming op beschermende
werkzaamheid is onbekend.
De immunogeniciteit na twee doses bij zuigelingen is gedocumenteerd in vier studies. Het deel van de
zuigelingen dat een pneumokokken anti-capsulaire polysaccharide IgG-concentratie 0,35 g/ml
bereikte één maand na de tweede dosis varieerde van 79,6% tot 98,5% voor 11 van de
13 vaccinserotypen. Een kleiner deel van de zuigelingen bereikte deze drempel voor de
antilichaamconcentratie voor serotype 6B (27,9% tot 57,3%) en 23F (55,8% tot 68,1%) voor alle
studies met een schema met vaccinaties op 2 en 4 maanden, vergeleken met 58,4% voor serotype 6B
en 68,6% voor 23F voor een studie met een schema met vaccinaties op 3 en 5 maanden. Na de
boosterdosis hadden alle vaccinserotypen, inclusief 6B en 23F, immuunresponsen consistent met een
adequate 'priming' in een twee-doses primaire serie. In een studie in het Verenigd Koninkrijk waren
de functionele antilichaamresponsen (OPA) vergelijkbaar voor alle serotypen inclusief 6B en 23F in
de Prevenar- en Prevenar 13-armen na de primaire serie bij 2 en 4 maanden en na de boosterdosis bij
een leeftijd van 12 maanden. Voor de kinderen die Prevenar 13 kregen, was het percentage responders
met een OPA-titer 1:8 ten minste 87% na de zuigelingenserie en ten minste 93% na de boosterdosis.
De OPA geometrische gemiddelde titers voor serotypen 1, 3 en 5 waren lager dan de titers voor elk
van de andere additionele serotypen; de klinische relevantie van deze waarneming is onbekend.
Boosterresponsen na primaire series van twee doses en drie doses bij zuigelingen
Na de boosterdosis stegen de antilichaamconcentraties ten opzichte van het pre-boosterniveau voor
alle 13 serotypen. Post-booster antilichaamconcentraties waren hoger voor 12 serotypen dan de
concentraties die werden behaald na de primaire zuigelingenserie. Deze waarnemingen zijn in
overeenstemming met adequate priming (de inductie van immunologisch geheugen). De
immuunrespons voor serotype 3 volgend op de boosterdosis was niet hoger geworden dan de niveaus
gezien na de zuigelingenvaccinatieserie; de klinische relevantie van deze observatie aangaande de
inductie van serotype 3 immuungeheugen is onbekend.
Antilichaamresponsen op boosterdoses na de twee-doses of drie-doses primaire zuigelingenserie
waren vergelijkbaar voor alle 13 vaccinserotypen.
Voor kinderen in de leeftijd van 7 maanden tot en met 5 jaar resulteerden catch-up
immunisatieschema's, passend bij de leeftijd (zoals beschreven in rubriek 4.2) in niveaus van anti-
capsulaire polysaccharide IgG-antilichaamresponsen op elk van de 13 serotypen die ten minste
vergelijkbaar waren met die van een drie-doses primaire serie bij zuigelingen.
Antilichaampersistentie en immunologisch geheugen zijn geëvalueerd in een onderzoek bij gezonde
kinderen die een enkele dosis Prevenar 13 kregen. Dit gebeurde ten minste 2 jaar nadat ze eerder
waren geïmmuniseerd met ofwel 4 doses Prevenar, een zuigelingenserie van 3 doses Prevenar gevolgd
door Prevenar 13 op de leeftijd van 12 maanden, of met 4 doses Prevenar 13.
De enkele dosis Prevenar 13 induceerde bij kinderen van ongeveer 3,4 jaar oud (ongeacht
voorgeschiedenis van vaccinatie met Prevenar of Prevenar 13) een sterke antilichaamrespons voor
zowel de 7 gemeenschappelijke serotypen als de 6 overige serotypen in Prevenar 13.
Sinds de introductie van 7-valent Prevenar in 2000 hebben gegevens van
pneumokokkenziektensurveillance niet aangetoond dat de immuniteit opgewekt door Prevenar tijdens
de kindertijd over de tijd is afgenomen.
Te vroeg geboren zuigelingen
De veiligheid en immunogeniciteit van Prevenar 13 gegeven na 2, 3, 4 en 12 maanden werd
beoordeeld bij ongeveer 100 premature zuigelingen (gemiddelde Estimated Gestational Age [EGA]
31 weken; bereik 26 tot 36 weken) en vergeleken met ongeveer 100 zuigelingen die voldragen werden
geboren (gemiddelde EGA 39 weken; bereik 37 tot 42 weken).
Meer dan 85% bereikte een pneumokokkenpolysaccharide IgG-bindende antilichaamconcentratie
0,35 µg/ml 1 maand na de vaccinatieserie bij zuigelingen, behalve voor serotypen 5 (71,7%), 6A
(82,7%) en 6B (72,7%) in de te vroeg geboren groep. Voor deze 3 serotypen was het percentage
responders onder de te vroeg geboren zuigelingen significant lager dan onder de voldragen
zuigelingen. Ongeveer een maand na de dosis voor peuters was het percentage proefpersonen in elke
groep dat dezelfde antilichaamconcentratiedrempel bereikte >97%, behalve voor serotype 3 (71% bij
de te vroeg geboren zuigelingen en 79% bij de voldragen zuigelingen). Het is onbekend of het
immunologisch geheugen voor alle serotypen geïnduceerd wordt bij te vroeg geboren zuigelingen. In
het algemeen waren de serotypespecifieke IgG GMC's lager voor te vroeg geboren dan voor
voldragen zuigelingen.
Na de vaccinatieserie bij zuigelingen waren de OPA GMT's hetzelfde bij te vroeg geboren zuigelingen
als bij voldragen zuigelingen, behalve voor serotype 5, welke lager was bij te vroeg geboren
zuigelingen. De OPA GMT's na de peuterdosis gerelateerd aan die na de zuigelingenserie waren
vergelijkbaar of lager voor 4 serotypen (4, 14, 18C en 19F) en waren statistisch significant hoger voor
6 van de 13 serotypen (1, 3, 5, 7F, 9V en 19A) bij te vroeg geboren zuigelingen in vergelijking met 10
van de 13 serotypen (1, 3, 4, 5, 6A, 7F, 9V, 18C, 19A en 23F) bij voldragen zuigelingen.
Kinderen (12-59 maanden) die volledig zijn geïmmuniseerd met Prevenar (7-valent)
Na toediening van een enkele dosis Prevenar 13 aan kinderen (12-59 maanden) die werden beschouwd
als volledig geïmmuniseerd met Prevenar (7-valent) (primaire serie van 2 of 3 doses plus booster) was
het aandeel dat serum-IgG-spiegels 0,35µg/ml en OPA-titers 1:8 bereikte ten minste 90%. Echter,
3 (serotype 1, 5 en 6A) van de 6 overige serotypen vertoonden een lagere IgG GMC en OPA GMT in
vergelijking met kinderen die ten minste één eerdere vaccinatie met Prevenar 13 hadden gekregen. De
klinische relevantie van de lagere GMC's en GMT's is op dit moment niet bekend.
Ongevaccineerde kinderen (12-23 maanden)
Studies met Prevenar (7-valent) bij ongevaccineerde kinderen (12 - 23 maanden) toonden aan dat
2 doses nodig waren om serum-IgG-concentraties voor 6B en 23F te bereiken die vergelijkbaar waren
met die geïnduceerd via een zuigelingenserie van 3 doses.
Kinderen en adolescenten van 5 tot en met 17 jaar
In een open-labelonderzoek bij 592 gezonde kinderen en adolescenten inclusief diegenen met astma
(17,4%) die mogelijk meer vatbaar zijn voor pneumokokkeninfectie, wekte Prevenar 13 een
immuunrespons op voor alle 13 serotypen. Een eenmalige dosis Prevenar 13 was toegediend aan
kinderen van 5 tot en met 10 jaar die eerder waren gevaccineerd met ten minste 1 dosis Prevenar, en
aan kinderen en adolescenten van 10 tot en met 17 jaar die niet eerder een pneumokokkenvaccin
toegediend hadden gekregen.
Bij zowel de kinderen van 5 tot en met 10 jaar als de kinderen en adolescenten van 10 tot en met
17 jaar was de immuunrespons op Prevenar 13 niet inferieur aan Prevenar voor de
7 gemeenschappelijke serotypen en voor Prevenar 13 voor de 6 additionele serotypen, in vergelijking
met de immuunrespons na de vierde dosis bij zuigelingen gevaccineerd op een leeftijd van 2, 4, 6 en
12-15 maanden, zoals gemeten met serum IgG.
Bij kinderen en adolescenten van 10 tot en met 17 jaar waren de OPA GMT's 1 maand na vaccinatie
niet inferieur aan de OPA GMT's in de leeftijdsgroep van 5 tot en met 10 jaar voor 12 van de
13 serotypen (uitgezonderd serotype 3).
Subcutane toediening van Prevenar 13 is geëvalueerd in een niet-vergelijkende studie bij 185 gezonde
Japanse zuigelingen en kinderen die vier doses toegediend kregen toen zij 2, 4, 6 en 12-15 maanden
oud waren. De studie toonde aan dat veiligheid en immunogeniciteit over het algemeen vergelijkbaar
waren met waarnemingen uit studies bij intramusculaire toediening.
Effectiviteit van Prevenar 13
Invasieve pneumokokkenziekte
Data gepubliceerd door Public Health England liet zien dat vier jaar na de introductie van Prevenar als
een primaire zuigelingserie van twee doses met boosterdosis in het tweede levensjaar en met een
opname van het vaccin van 94% er in Engeland en Wales een afname van 98% was (95% BI 95; 99)
van door de 7 vaccinserotypen veroorzaakte ziekte. Vier jaar na de overstap naar Prevenar 13
varieerde de verdere daling van de incidentie van IPD als gevolg van de 7 serotypen in Prevenar
vervolgens van 76% bij kinderen jonger dan 2 jaar tot 91% bij kinderen in de leeftijd van 5-14 jaar.
Tabel 2 toont de serotype-specifieke dalingen voor elk van de 5 additionele serotypen in Prevenar 13
(er werden geen gevallen van IPD van het serotype 5 waargenomen) per leeftijdsgroep. Deze dalingen
varieerden van 68% (serotype 3) tot 100% (serotype 6A) bij kinderen jonger dan 5 jaar. In oudere
leeftijdsgroepen die niet met Prevenar 13 waren gevaccineerd, werden eveneens significante dalingen
in de incidentie waargenomen (indirect effect).
Tabel 2: Aantal serotype-specifieke gevallen en dalingen van de incidentie van IPD in 2013/2014
vergeleken met 2008/2009-2009/2010 (2008/2010), per leeftijdsgroep, in Engeland en Wales
< 5 jaar
5 t/m 64 jaar
65 jaar
2008-
2013/
% Daling
2008-
2013/
% Daling
2008-
2013/
% Daling
2010§
2014§
incidentie
2010§
2014§
incidentie
2010§
2014§
incidentie
(95% CI*)
(95% CI*)
(95% CI*)
Additionele serotypen die worden gedekt door Prevenar 13
1
59 (54)
5 (5)
91%
458
77
83%
102 (89)
13
87%
(382)
(71)
(13)
(98%;
(88%;
(94%;
68%)**
74%)**
72%)**
3
26 (24)
8 (8)
68%
178
73
59%
256
143
44%
(148)
(68)
(224)
(146)
(89%; 6%)
(72%;
(57%;
38%)**
27%)**
6A
10 (9)
0 (0)
100%
53 (44)
5 (5)
90%
94 (82)
5 (5)
95%
(100%;
(97%;
(99%;
62%)**
56%)**
81%)**
7F
90 (82)
8 (8)
91%
430
160
63%
173
75
56%
(361)
(148)
(152)
(77)
(97%;
(71%;
(70%;
74%)**
50%)**
37%)**
19A
85 (77)
7 (7)
91%
225
104
54%
279
97
65%
(191)
(97)
(246)
(99)
(97%;
(65%;
(75%;
75%)**
32%)**
53%)**
§
Gecorrigeerd voor het aantal geserotypeerde monsters, ontbrekende leeftijd, noemer vergeleken met
2009/2010 en voor de trend in de totale invasieve pneumokokkenziekte tot 2009/2010 (waarna geen
trend correctie werd toegepast).
*
95%-BI bepaald op basis van een poissonverdeling met overdispersieparameter 2,1, gemodelleerd op
data van alle IPD-gegevens van 2000-2006 voorafgaand aan de introductie van Prevenar.
** p < 0,005 voor de dekking van 6A waarbij p = 0,002
Na de introductie van Prevenar en vervolgens Prevenar 13 daalde de incidentie van 2,1 naar 0,1
gevallen per 1.000 kinderen (95%) voor wat betreft de Prevenar-serotypen plus serotype 6A en nam de
incidentie af van 0,9 naar 0,1 gevallen per 1.000 kinderen (89%) voor wat betreft de additionele
serotypen 1, 3, 5, 7F en 19A in Prevenar 13. De algemene incidentie van pneumokokken-OM op
jaarbasis nam af van 9,6 naar 2,1 gevallen per 1.000 kinderen (78%) tussen juli 2004 (vóór de
introductie van Prevenar) en juni 2013 (na de introductie van Prevenar 13).
Pneumonie
In een observationeel multicenteronderzoek in Frankrijk, waarin de perioden voor en na de overstap
van Prevenar naar Prevenar 13 werden vergeleken, nam op eerstehulpafdelingen het totale aantal
gevallen van buiten het ziekenhuis opgelopen pneumonie (CAP) bij kinderen in de leeftijd van
1 maand tot 15 jaar met 16% (van 2.060 naar 1.725 gevallen) af. De dalingen bedroegen 53% (van 167
naar 79 gevallen) (p < 0,001) voor gevallen van CAP met pleurale effusie en 63% (van 64 naar
24 gevallen) (p < 0,001) voor microbiologisch bevestigde gevallen van door pneumokokken
veroorzaakte CAP. In het tweede jaar na de introductie van Prevenar 13 nam het totale aantal CAP-
gevallen, als gevolg van de 6 additionele vaccinserotypen in Prevenar 13, af van 27 naar 7 isolaten
(74%).
De afname van pneumoniegevallen ongeacht de oorzaak was het meest uitgesproken in de jongere
gevaccineerde leeftijdsgroepen met een afname van respectievelijk 31,8% (van 757 naar 516 gevallen)
en 16,6% (van 833 naar 695 gevallen) in de leeftijdsgroepen < 2 jaar en 2 tot en met 5 jaar. De
incidentie bij de oudere, overwegend niet-gevaccineerde kinderen (> 5 jaar) veranderde niet in de loop
van het onderzoek.
In een lopend surveillancesysteem (2004 tot en met 2013) werd de impact van Prevenar en vervolgens
Prevenar 13 op CAP gedocumenteerd bij kinderen jonger dan 5 jaar in het zuiden van Israël die
werden behandeld met een primaire serie met twee doses met een boosterdosis in het tweede
levensjaar. Na de introductie van Prevenar 13 namen het aantal poliklinische bezoeken en het aantal
ziekenhuisopnames wegens alveolaire CAP af met respectievelijk 68% (95% BI 73; 61) en 32% (95%
BI 39; 22) in vergelijking met de periode voordat Prevenar werd geïntroduceerd.
Effect op nasofaryngeaal dragerschap
Bij een surveillance studie in Frankrijk waarbij kinderen verschijnselen van een acute
middenoorontsteking vertoonden, zijn veranderingen van nasofaryngeaal (NP) dragerschap van
pneumokokkenserotypen geëvalueerd na introductie van Prevenar (7-valent) en vervolgens
Prevenar 13. Prevenar 13 reduceerde significant het NP dragerschap van de 6 additionele serotypen
(en serotype 6C) gecombineerd en de individuele serotypen 6C, 7F, 19A in vergelijking met Prevenar.
Een reductie in dragerschap werd ook gezien bij serotype 3 (2,5% vs. 1,1%; p=0,1). Er werd geen
dragerschap van serotypen 1 en 5 waargenomen.
Het effect van vaccinatie met het pneumokokkenconjugaat op nasofaryngeaal dragerschap werd
bestudeerd in een gerandomiseerde dubbelblinde studie waarbij kinderen van 2, 4, 6 en 12 maanden
oud in Israël hetzij Prevenar 13 hetzij Prevenar (7-valent) ontvingen. Prevenar 13 reduceerde
significant de nieuw geïdentificeerde NP acquisitie van de 6 additionele serotypen (en serotype 6C)
gecombineerd en van individuele serotypen 1, 6A, 6C, 7F, 19A in vergelijking met Prevenar. Er werd
geen reductie gezien bij serotype 3 en bij serotype 5 was de kolonisatie te zeldzaam om de impact te
kunnen beoordelen. Voor 6 van de overgebleven 7 normale serotypen werden vergelijkbare aantallen
Prevenar (7-valent vaccin) beschermingswerkzaamheid bij zuigelingen en kinderen
De werkzaamheid van 7-valent Prevenar is geëvalueerd in twee belangrijke studies ­ de 'Northern
California Kaiser Permanente' (NCKP) studie en de 'Finnish Otitis Media' (FinOM) studie. Beide
studies waren gerandomiseerde, dubbelblinde, actief-gecontroleerde studies waarbij zuigelingen
werden gerandomiseerd naar toediening van ofwel Prevenar ofwel een controlevaccin (NCKP,
meningokokken serogroep C CRM-conjugaat [MnCC] vaccin; FinOM, hepatitis B-vaccin) in een vier-
doses serie op een leeftijd van 2, 4, 6, en 12-15 maanden. De resultaten van de werkzaamheid in deze
studies (voor invasieve pneumokokkenziekte, pneumonie en acute otitis media) staan hieronder
weergegeven (Tabel 3).
Tabel 3: Samenvatting van de werkzaamheid van 7-valent Prevenar1
Test
N
VE2
95% CI
NCKP: Vaccin-serotype IPD3
97%
85 ­
30.258
100
NCKP: Klinische pneumonie met abnormale röntgenfoto van de borst
23.746 35%
4 ­ 56
NCKP: Acute Otitis Media (AOM)4
23.746
Totaal aantal episodes
7%
4 ­ 10
Terugkerende AOM (3 episodes in 6 maanden, of 4 episodes in 1 jaar)
9%
3 ­ 15
Terugkerende AOM (5 episodes in 6 maanden, of 6 episodes in 1 jaar)
23%
7 ­ 36
Plaatsing van een trommelvliesbuisje
20%
2 ­ 35
FinOM: AOM
1.662
Totaal aantal episodes
6%
-4 ­ 16
Alle pneumokokken AOM
34%
21 ­ 45
Vaccin-serotype AOM
57%
44 ­ 67
1 Per protocol
2 Vaccinwerkzaamheid
3 Oktober 1995 tot 20 april 1999
4 Oktober 1995 tot 30 april 1998
Effectiviteit van Prevenar (7-valent)
De effectiviteit (zowel direct als indirect effect) van 7-valent Prevenar tegen pneumokokkenziekte is
geëvalueerd in immunisatieprogramma's met zowel drie-doses als twee-doses primaire
zuigelingenseries, alle met boosterdoses (Tabel 4). Na wijdverbreid gebruik van Prevenar is de
incidentie van IPD consistent en substantieel gedaald.
Gebruikmakend van de screeningmethode betroffen schattingen van serotype-specifieke effectiviteit
voor 2 doses onder de leeftijd van 1 jaar in het VK respectievelijk 66% (-29 ­ 91%) en 100% (25 ­
100%) voor serotype 6B en 23F.
pneumokokkenziekte
Land
Aanbevolen schema
Ziektevermindering, %
95% CI
(jaar van introductie)
VK (Engeland &
2, 4, + 13 maanden
Vaccin serotypen:
49 ­ 95%
Wales)1 (2006)
Twee doses onder de leeftijd
van 1 jaar: 85%
VS (2000)
2, 4, 6, + 12 ­ 15
maanden
Kinderen <52
Vaccin serotypen: 98%
97 ­ 99%
Alle serotypen: 77%
73 ­ 79%
Personen 653
Vaccin serotypen: 76%
nvt
Alle serotypen: 38%
nvt
Canada (Quebec)4
2, 4, + 12 maanden
Alle serotypen: 73%
nvt
(2004)
Vaccin serotypen:
2-doses zuigelingenserie: 99%
92 - 100%
Volledig schema:100%
82 - 100%
1 Kinderen < 2 jaar. Berekende vaccineffectiviteit vanaf juni 2008 (Broome-methode).
2 2005 data.
3 2004 data.
4 Kinderen < 5 jaar. Januari 2005 tot december 2007. Volledige werkzaamheid voor routine 2+1
schema nog niet beschikbaar.
Acute otitis media
Effectiviteit van Prevenar in een 3+1 schema is ook waargenomen voor acute otitis media en
pneumonie sinds de introductie in een nationaal immunisatieprogramma. In een retrospectieve
evaluatie van een grote verzekeringsdatabase in de Verenigde Staten, waren AOM bezoeken
verminderd met 42,7% (95% CI, 42,4 ­ 43,1%) en voorschriften voor AOM met 41,9% bij kinderen
jonger dan 2 jaar, vergeleken met een baseline van voor registratie (2004 versus 1997-1999). In een
vergelijkbare analyse waren ziekenhuisopnames en poliklinische bezoeken voor pneumonie door alle
oorzaken verminderd met respectievelijk 52,4% en 41,1%. Voor gebeurtenissen specifiek
geïdentificeerd als pneumokokken pneumonie was de waargenomen afname in ziekenhuisopnames en
poliklinische bezoeken respectievelijk 57,6% en 46,9%, bij kinderen jonger dan 2 jaar oud, vergeleken
met een baseline van voor registratie (2004 versus 1997-1999). Hoewel een direct oorzaak-en-gevolg
niet kan worden vastgesteld middels dit type observationele analyses, suggereren deze bevindingen dat
Prevenar een belangrijke rol speelt in het verminderen van de last van mucosale ziekten (AOM en
pneumonie) in de 'target' populatie.
Studie naar de werkzaamheid bij volwassenen van 65 jaar en ouder
De werkzaamheid tegen vaccintype (VT) pneumokokken-CAP en IPD is beoordeeld in een
grootschalige gerandomiseerde, dubbelblinde, placebogecontroleerde studie (Community-Acquired
Pneumonia Immunization Trial in Adults­CAPiTA) in Nederland. Personen van 65 jaar en ouder
(n=84.496) kregen een enkele vaccinatie met Prevenar 13 of placebo in een 1:1 randomisatie.
In de CAPiTA-studie werden vrijwilligers 65 jaar opgenomen van wie de demografische
eigenschappen en gezondheidskenmerken kunnen afwijken van die van personen die zich in de
praktijk laten vaccineren.
Een eerste episode van in het ziekenhuis door een thoraxröntgenfoto bevestigde pneumonie werd
vastgesteld bij ongeveer 2% van deze populatie (n=1.814 personen), waarvan 329 gevallen bevestigd
werden als pneumokokken-CAP en 182 gevallen VT pneumokokken-CAP waren in de per-protocol-
en aangepaste intent-to-treat (mITT)-populaties.
De werkzaamheid werd aangetoond voor de primaire en secundaire eindpunten in de per-
protocolpopulatie (Tabel 5).
CAPiTA-studie (per-protocolpopulatie)
Gevallen
VW (%)
Werkzaamheidseindpunt
p-waarde
Prevenar 13-
Placebo-
(95,2% BI)
Totaal
groep
groep
Primair eindpunt
Eerste episode van bevestigde VT
139
49
90
45,56
0,0006
pneumokokken-CAP
(21,82; 62,49)
Secundaire eindpunten

Eerste episode van bevestigde
NB/NI1 vaccintype pneumokokken-

93
33
60
45,00
0,0067
(14,21; 65,31)
CAP
Eerste episode van VT-IPD2
35
7
28
75,00
0,0005
(41,06; 90,87)
1NB/NI ­ niet-bacteriëmisch/niet-invasief
2VT-IPD ­ vaccintype invasieve pneumokokkenziekte
De beschermende werking tegen een eerste episode van VT pneumokokken-CAP,
NB/NI VT pneumokokken-CAP en VT-IPD hield aan gedurende de volledige studie van vier jaar.
De studie was niet opgezet om de werkzaamheid in subgroepen aan te tonen. Het aantal proefpersonen
85 jaar was niet voldoende om de werkzaamheid in deze leeftijdsgroep aan te tonen.
Er werd een post-hocanalyse gebruikt om de volgende uitkomsten voor de volksgezondheid tegen
klinische CAP te schatten (zoals omschreven in de CAPiTA-studie en gebaseerd op klinische
bevindingen ongeacht radiologisch infiltraat of etiologische bevestiging): vaccinwerkzaamheid (VW),
daling van de incidentiecijfers (IRR, Incidence Rate Reduction) en het aantal mensen dat gevaccineerd
moet worden om één bepaalde gebeurtenis te voorkomen (NNV, Number Needed to Vaccinate)
(Tabel 6).
IRR, ook wel genoemd incidentie van door vaccinatie te voorkomen ziekten, is het aantal gevallen
door vaccinatie te voorkomen ziekten per 100.000 persoonsjaren observatie.
In Tabel 6 is NNV een maat voor het kwantificeren van het aantal mensen dat gevaccineerd moet
worden om één klinisch geval van CAP te voorkomen.
Tabel 6: Vaccinwerkzaamheid (VW) tegen klinische CAP*
Episodes
Vaccinwerkzaamheid1
Incidentie per 100.000
Daling
NNV3
% (95% BI)
persoonsjaren
incidentie-
(1-zijdige p-waarde)
observatie
cijfer2
Prevenar
Placebo
Prevenar
Placebo
(95% BI)
13
13
Analyse
1.375
1.495
8,1
819,1
891,2
72,2
277
van alle
(-0,6; 16,1)
(-5,3;
episodes
(0,034)
149,6)
Analyse
1.126
1.214
7,3
670,7
723,7
53,0
378
van
(-0,4; 14,4)
(-2,7;
eerste
(0,031)
108,7)
episode
* Patiënten met ten minste 2 van de volgende verschijnselen: hoesten; purulent sputum, temperatuur >38°C of
<36,1°C; pneumonie (auscultatorische bevindingen); leukocytose; C-reactieve proteïnewaarde hoger dan 3 keer de
bovengrens van de normaalwaarde; hypoxemie met een partiële zuurstofdruk <60 mm Hg terwijl kamerlucht wordt
ingeademd.
1 Een Poisson regressiemodel met willekeurige effecten werd gebruikt om de VW te berekenen.
2 Per 100.000 persoonsjaren observatie. IRR wordt berekend als de incidentie in de placebogroep minus de incidentie
Immunogeniciteitsonderzoek bij volwassenen 18 jaar en ouderen
Bij volwassenen is geen drempel vastgesteld voor de antilichaamconcentratie voor de
serotypespecifieke pneumokokkenpolysaccharide IgG-binding die bescherming geeft. In alle
klinische hoofdonderzoeken werd een serotypespecifieke opsonofagocytoseproef (OPA) als surrogaat
gebruikt voor de bepaling van de potentiële effectiviteit tegen invasieve pneumokokkenziekte en
pneumonie. De OPA geometrisch gemiddelde titers (GMT's), gemeten 1 maand na elke vaccinatie,
werden berekend. De OPA-titers zijn uitgedrukt als het omgekeerd evenredige van de hoogste
serumverdunning die de overleving van de pneumokokken met ten minste 50% reduceert.
De hoofdonderzoeken voor Prevenar 13 werden opgezet om aan te tonen dat de functionele OPA-
antilichaamrespons voor de 13 serotypen niet-inferieur zijn en voor sommige serotypen superieur aan
de 12 serotypen die Prevenar 13 gemeenschappelijk heeft met het geregistreerde 23-valente
pneumokokkenpolysaccharidevaccin [1, 3, 4, 5, 6B, 7F, 9V, 14, 18C, 19A, 19F, 23F] een maand na
toediening van het vaccin. De respons op serotype 6A, dat uniek is voor Prevenar 13, werd aangetoond
door een 4-voudige toename van de specifieke OPA-titer boven het niveau van voor de immunisatie.
In Europa en de VS werden vijf klinische studies naar de immunogeniciteit van Prevenar 13 in
verschillende leeftijdsgroepen tussen 18 en 95 jaar verricht. Uit klinische studies met Prevenar 13 zijn
momenteel immunogeniciteitsdata van Prevenar 13 bekend bij volwassenen van 18 jaar en ouder,
onder wie volwassenen van 65 jaar en ouder die 5 jaar voor het onderzoek waren gevaccineerd met
een of meer doses van 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin. Elke studie omvatte gezonde en
immuuncompetente volwassenen met stabiele onderliggende aandoeningen waarvan bekend is dat zij
predisponerend zijn voor pneumokokkeninfectie (bijvoorbeeld chronische cardiovasculaire
aandoeningen, chronische longaandoeningen inclusief astma, nieraandoeningen, diabetes mellitus,
chronische leveraandoeningen inclusief leveraandoeningen door alcohol) en volwassenen met
risicofactoren zoals roken en alcoholmisbruik.
De immunogeniciteit en veiligheid van Prevenar 13 zijn aangetoond bij volwassenen van 18 jaar en
ouder met inbegrip van personen die eerder waren gevaccineerd met een pneumokokkenpolysaccha-
ridevaccin.
Volwassenen, niet eerder gevaccineerd met 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin
In een head-to-head, vergelijkend onderzoek bij volwassenen van 60-64 jaar kregen de proefpersonen
een enkele dosis van Prevenar 13 of 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin. In hetzelfde
onderzoek kreeg een andere groep volwassenen van 50-59 jaar oud en een andere groep volwassenen
van 18-49 jaar oud een enkele dosis Prevenar 13.
In tabel 7 worden de OPA GMT's 1 maand na vaccinatie bij 60-64-jarigen die een enkele dosis van
Prevenar 13 of 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin kregen vergeleken met de OPA GMT's
bij 50-59-jarigen die een enkele dosis Prevenar 13 kregen.
pneumokokkenpolysaccharidevaccin (PPSV23) kregen en volwassenen van 50-59 jaar die
Prevenar 13 kregen
a,b,c
Prevenar 13 Prevenar 13 PPSV23
Prevenar 13
Prevenar 13
vergeleken met
50-59 vergeleken met
50-59 jaar
60-64 jaar
60-64 jaar
PPSV23,
60-64 jaar
N=350-384
N=359-404
N=367-402
60-64 jaar
Serotype
GMT
GMT
GMT
GMR
(95% CI)
GMR
(95% CI)
1
200
146
104
1,4
(1,08, 1,73)
1,4
(1,10, 1,78)
3
91
93
85
1,0
(0,81, 1,19)
1,1
(0,90, 1,32)
4
2833
2062
1295
1,4
(1,07, 1,77)
1,6
(1,19, 2,13)
5
269
199
162
1,4
(1,01, 1,80)
1,2
(0,93, 1,62)
6A
4328
2593
213
1,7
(1,30, 2,15)
12,1
(8,63, 17,08)
6B
3212
1984
788
1,6
(1,24, 2,12)
2,5
(1,82, 3,48)
7F
1520
1120
405
1,4
(1,03, 1,79)
2,8
(1,98, 3,87)
9V
1726
1164
407
1,5
(1,11, 1,98)
2,9
(2,00, 4,08)
14
957
612
692
1,6
(1,16, 2,12)
0,9
(0,64, 1,21)
18C
1939
1726
925
1,1
(0,86, 1,47)
1,9
(1,39, 2,51)
19A
956
682
352
1,4
(1,16, 1,69)
1,9
(1,56, 2,41)
19F
599
517
539
1,2
(0,87, 1,54)
1,0
(0,72, 1,28)
23F
494
375
72
1,3
(0,94, 1,84)
5,2
(3,67, 7,33)
a Niet-inferioriteit werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor GMR hoger was
dan 0,5.
b Statistisch significant hogere respons werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI
voor GMR hoger was dan 1.
c Voor serotype 6A, uniek voor Prevenar 13, werd een statistisch significant hogere respons
vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor de GMR hoger was dan 2.
Bij volwassenen van 60-64 jaar waren de OPA GMT's voor Prevenar 13 niet-inferieur aan de OPA
GMT's teweeggebracht door het 23-valente pneumokokkenpolysaccharidevaccin voor de twaalf
serotypen die beide vaccins gemeenschappelijk hebben. Voor 9 serotypen werd aangetoond dat de
OPA-titers statistisch significant hoger waren bij personen die Prevenar 13 kregen.
Bij volwassenen van 50-59 jaar waren de OPA GMT's voor alle 13 serotypen van Prevenar 13 niet-
inferieur aan de responsen op Prevenar 13 bij volwassenen van 60-64 jaar. Voor 9 serotypen waren de
immuunresponsen afhankelijk van de leeftijd: volwassenen in de groep tussen 50-59 jaar hadden
statistisch significant hogere responsen dan volwassenen van 60-64 jaar.
Bij alle volwassenen van 50 jaar en ouder die een enkele dosis Prevenar 13 kregen, waren de OPA-
titers voor serotype 6A significant hoger dan bij volwassenen van 60 jaar en ouder die een enkele
dosis 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin kregen.
Een jaar na vaccinatie met Prevenar 13 waren de OPA-titers afgenomen ten opzichte van een maand
na vaccinatie; de OPA-titers waren voor alle serotypen echter nog steeds hoger dan op baseline:
OPA GMT-niveaus op
OPA GMT-niveaus 1 jaar na
baseline
Prevenar 13
Volwassenen 50-59 jaar die niet eerder
gevaccineerd waren met 23-valent
5 tot 45
20 tot 1.234
pneumokokkenpolysaccharidevaccin
Volwassenen 60-64 jaar die niet eerder
gevaccineerd waren met 23-valent
5 tot 37
19 tot 733
pneumokokkenpolysaccharidevaccin
Tabel 8: OPA GMT's bij volwassenen van 18-49 jaar oud en van 60-64 jaar oud die Prevenar
13a,b
kregen
18-49 jaar
60-64 jaar
18-49 jaar vergeleken met
N=836-866
N=359-404
60-64 jaar
Serotype
GMTb
GMTb
GMR
(95% CIc)
1
353
146
2,4
(2,03, 2,87)
3
91
93
1,0
(0,84, 1,13)
4
4747
2062
2,3
(1,92, 2,76)
5
386
199
1,9
(1,55, 2,42)
6A
5746
2593
2,2
(1,84, 2,67)
6B
9813
1984
4,9
(4,13, 5,93)
7F
3249
1120
2,9
(2,41, 3,49)
9V
3339
1164
2,9
(2,34, 3,52)
14
2983
612
4,9
(4,01, 5,93)
18C
3989
1726
2,3
(1,91, 2,79)
19A
1580
682
2,3
(2,02, 2,66)
19F
1533
517
3,0
(2,44, 3,60)
23F
1570
375
4,2
(3,31, 5,31)
a Niet-inferioriteit werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor GMR hoger was
dan 0,5.
b Statistisch significant hogere respons werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI
voor GMR hoger was dan 1.
c c De betrouwbaarheidsintervallen (CI) voor de ratio zijn inverse transformaties van een
betrouwbaarheidsinterval op basis van de Student-t-verdeling voor het gemiddelde verschil van de
logaritmen van de metingen.
Bij volwassenen van 18-49 jaar waren de OPA GMT's voor alle 13 serotypen in Prevenar 13 niet-
inferieur aan de responsen op Prevenar 13 bij volwassenen van 60-64 jaar.
Eén jaar na vaccinatie met Prevenar 13 waren de OPA-titers afgenomen vergeleken met één maand na
vaccinatie, maar de OPA-titers voor alle serotypen bleven hoger dan de niveaus op baseline.
OPA GMT niveaus op
OPA GMT niveaus één jaar na
baseline
Prevenar 13
Volwassenen van 18-49 jaar, niet
eerder gevaccineerd met 23-valent
5 tot 186
23 tot 2.948
pneumokokkenpolysaccharidevacci
n
Volwassenen, eerder gevaccineerd met 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin
De immuunresponsen voor Prevenar 13 en 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin werden
vergeleken in een head-to-head onderzoek bij volwassenen van 70 jaar en ouder die ten minste 5 jaar
voor de onderzoeksvaccinatie een enkele dosis pneumokokkenpolysaccharidevaccin hadden gekregen.
In tabel 9 worden de OPA GMT's 1 maand na vaccinatie vergeleken bij met
pneumokokkenpolysaccharidevaccin geïmmuniseerde volwassenen van 70 jaar en ouder die een
enkele dosis van Prevenar 13 of 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin kregen.
70 jaar, die
Prevenar 13 of 23-
valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin (PPSV23) kregena,b,c
Prevenar 13
PPSV23
Prevenar OPA GMT
N=400-426
N=395-445
vergeleken met PPSV23
Serotype
OPA GMT
OPA GMT
GMR
(95% CI)
1
81
55
1,5
(1,17; 1,88)
3
55
49
1,1
(0,91; 1,35)
4
545
203
2,7
(1,93; 3,74)
5
72
36
2,0
(1,55; 2,63)
6A
903
94
9,6
(7,00; 13,26)
6B
1.261
417
3,0
(2,21; 4,13)
7F
245
160
1,5
(1,07; 2,18)
9V
181
90
2,0
(1,36; 2,97)
14
280
285
1,0
(0,73; 1,33)
18C
907
481
1,9
(1,42; 2,50)
19A
354
200
1,8
(1,43; 2,20)
19F
333
214
1,6
(1,17; 2,06)
23F
158
43
3,7
(2,69; 5,09)
a Niet-inferioriteit werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor GMR hoger was
dan 0,5.
b Statistisch significant hogere respons werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI
voor GMR hoger was dan 1.
c Voor serotype 6A, uniek voor Prevenar 13, werd een statistisch significant hogere respons
vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor de GMR hoger was dan 2.
Bij volwassenen die ten minste 5 jaar voor het klinisch onderzoek gevaccineerd waren met
pneumokokkenpolysaccharidevaccin waren de OPA GMT's voor Prevenar 13 niet-inferieur aan de
responsen op het 23-valente pneumokokkenpolysaccharidevaccin voor de 12 serotypen die beide
vaccins gemeenschappelijk hebben. Bovendien werden in dit onderzoek statistisch significant hogere
OPA GMT's aangetoond voor 10 van de 12 gemeenschappelijke serotypes. De immuunresponsen
voor serotype 6A waren statistisch significant hoger na vaccinatie met Prevenar 13 dan na 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin.
Een jaar na vaccinatie met Prevenar 13 in volwassenen van 70 jaar en ouder die ten minste 5 jaar voor
het onderzoek met 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin gevaccineerd waren, waren de
OPA-titers afgenomen ten opzichte van een maand na vaccinatie. De OPA-titers waren voor alle
serotypen echter nog steeds hoger dan op baseline:
OPA GMT-niveaus op
OPA GMT-niveaus 1 jaar
baseline
na Prevenar 13
Volwassenen 70 jaar, ten minste 5
jaar voor het onderzoek gevaccineerd
9 tot 122
18 tot 381
met 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin
Immuunresponsen in speciale populaties
Voor personen met de hieronder beschreven aandoeningen geldt een verhoogd risico op
pneumokokkenziekte. De klinische relevantie van de antilichaamspiegels veroorzaakt door Prevenar
13 in deze speciale populaties is onbekend.
Sikkelcelziekte
Een open-label eenarmige studie in Frankrijk, Italië, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten,
Libanon, Egypte en Saoedi-Arabië met 2 doses Prevenar 13, 6 maanden na elkaar gegeven, werd
Aanvullende Prevenar (7-valent) immunogeniciteitsgegevens: kinderen met sikkelcelziekte
De immunogeniciteit van Prevenar is onderzocht in een open-label, multicenter studie onder
49 zuigelingen met sikkelcelziekte. De kinderen werden gevaccineerd met Prevenar (3 doses met een
maand tussen de doses vanaf de leeftijd van 2 maanden) en 46 van deze kinderen kregen ook een
23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin op de leeftijd van 15-18 maanden. Na de eerste
immunisatie had 95,6% van de proefpersonen antilichaamniveaus van ten minste 0,35 µg/ml voor alle
zeven serotypen die in Prevenar aanwezig zijn. Er werd een significante stijging gezien in de
concentraties van antilichamen tegen de zeven serotypen na de polysaccharidevaccinatie, wat
suggereert dat het immunologisch geheugen goed tot stand gekomen was.
Hiv-infectie
Kinderen en volwassenen niet eerder gevaccineerd met een pneumokokkenvaccin
Hiv-geïnfecteerde kinderen en volwassenen met CD4 200 cellen/µl (gemiddeld 717,0 cellen/l),
virusaantal < 50.000 kopieën/ml (gemiddeld 2090,0 kopieën/ml), vrij van actieve aids-gerelateerde
ziekte en niet eerder gevaccineerd met een pneumokokkenvaccin, ontvingen 3 doses Prevenar 13. In
navolging van de algemene aanbevelingen werd vervolgens een enkele dosis 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin toegediend. De vaccins werden met intervallen van 1 maand
toegediend. De immuunresponsen werden bij 259-270 evalueerbare proefpersonen bepaald ongeveer
1 maand na elke vaccindosis. Na de eerste dosis veroorzaakte Prevenar 13 antilichaamspiegels,
gemeten met zowel IgG GMC's als OPA GMT's, die statistisch significant hoger waren dan de
spiegels voorafgaand aan vaccinatie. Na de tweede en derde dosis Prevenar 13 waren de
immuunresponsen vergelijkbaar met of hoger dan die na de eerste dosis.
Volwassenen eerder gevaccineerd met 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin
Hiv-geïnfecteerde volwassenen 18 jaar oud met CD4 200 cellen/µl (gemiddeld 609,1 cellen/µl) en
virusaantal <50.000 kopieën/ml (gemiddeld 330,6 kopieën/ml), die vrij waren van actieve aids-
gerelateerde ziekte en die ten minste 6 maanden voorafgaand aan inclusie waren gevaccineerd met
23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin, kregen 3 doses Prevenar 13 toegediend, bij inclusie,
6 maanden en 12 maanden na de eerste dosis Prevenar 13. De immuunresponsen werden beoordeeld
bij 231-255 beoordeelbare proefpersonen, ongeveer 1 maand na elke dosis Prevenar 13.
Na de eerste dosis veroorzaakte Prevenar 13 antilichaamresponsen gemeten met zowel IgG GMC's als
OPA GMT's die statistisch significant hoger waren dan de spiegels voorafgaand aan vaccinatie. Na de
tweede en derde dosis Prevenar 13 waren de immuunresponsen vergelijkbaar met of hoger dan die na
de eerste dosis. In de studie hadden 162 proefpersonen een eerdere dosis 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin ontvangen, 143 proefpersonen 2 eerdere doses en
26 proefpersonen meer dan 2 eerdere doses 23-valent polysaccharidevaccin. De proefpersonen die
twee of meer eerdere doses 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin kregen, vertoonden een
immuunrespons die vergelijkbaar was met die van proefpersonen die één eerdere dosis kregen.
Hematopoëtische stamceltransplantatie
Kinderen en volwassenen met een allogene hematopoëtische stamceltransplantatie (HSCT) op een
leeftijd van 2 jaar oud met volledige hematologische remissie van onderliggende ziekte of met zeer
goede gedeeltelijke remissie in geval van lymfoom en myeloom, ontvingen drie doses Prevenar 13 met
een interval van ten minste 1 maand tussen de doses. De eerste dosis werd 3 tot 6 maanden na HSCT
toegediend. Een vierde (booster) dosis Prevenar 13 werd 6 maanden na de derde dosis toegediend. In
5.2
Farmacokinetische eigenschappen
Niet van toepassing.
5.3
Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Niet-klinische gegevens duiden niet op een speciaal risico voor mensen. Deze gegevens zijn afkomstig
van conventioneel onderzoek op het gebied van veiligheidsfarmacologie, toxiciteit bij eenmalige en
herhaalde dosering, lokale tolerantie en reproductie- en ontwikkelingstoxiciteit.
6.
FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6.1
Lijst van hulpstoffen
Natriumchloride
Barnsteenzuur
Polysorbaat 80
Water voor injecties
Voor adjuvantia, zie rubriek 2.
6.2
Gevallen van onverenigbaarheid
Bij gebrek aan onderzoek naar onverenigbaarheden, mag dit geneesmiddel niet met andere
geneesmiddelen gemengd worden.
6.3
Houdbaarheid
3 jaar.
6.4
Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Bewaren in de koelkast (2°C ­ 8°C). Niet in de vriezer bewaren.
Prevenar 13 is gedurende 4 dagen stabiel bij temperaturen tot 25oC. Aan het eind van deze periode
dient Prevenar 13 te worden gebruikt of afgevoerd. Deze gegevens zijn bedoeld als leidraad voor
beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg in geval van tijdelijke temperatuur afwijkingen.
6.5
Aard en inhoud van de verpakking
0,5 ml suspensie voor injectie in een voorgevulde spuit (Type I glas) met een zuiger (latexvrij
chlorobutylrubber) en een tip-beschermdopje (latexvrij isopreen bromobutylrubber).
Verpakkingsgroottes van 1, 10 en 50, met of zonder naald.
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
Speciale voorzorgsmaatregelen voor verwijderen en andere instructies
Tijdens opslag kan een witte neerslag en een helder supernatant worden waargenomen. Dit is geen
teken van bederf.
Het vaccin moet goed worden geschud om een homogene, witte suspensie te verkrijgen voordat lucht
uit de spuit verwijderd wordt en moet vóór toediening visueel worden gecontroleerd op vaste deeltjes
en/of een verandering in het fysieke voorkomen. Niet gebruiken als de inhoud er anders uitziet.
Geen bijzondere vereisten voor verwijdering.
Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale
voorschriften.
7.
HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Pfizer Europe MA EEIG
Boulevard de la Plaine 17
1050 Brussel
België
8.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
EU/1/09/590/001
EU/1/09/590/002
EU/1/09/590/003
EU/1/09/590/004
EU/1/09/590/005
EU/1/09/590/006
9.
DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN
DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 09 december 2009
Datum van laatste verlenging: 18 september 2014
10.
DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees
Geneesmiddelenbureau (http://www.ema.europa.eu).
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Prevenar 13 suspensie voor injectie in een injectieflacon met een enkelvoudige dosis.
pneumokokkenpolysaccharidenconjugaatvaccin (13-valent, geadsorbeerd)
2.
KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
1 dosis (0,5 ml) bevat:
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 11
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 31
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 41
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 51
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 6A1
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 6B1
4,4 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 7F1
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 9V1
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 141
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 18C1
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 19A1
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 19F1
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 23F1
2,2 µg
1Geconjugeerd aan het dragereiwit CRM197, geadsorbeerd aan aluminiumfosfaat.
1 dosis (0,5 ml) bevat ongeveer 32 µg dragereiwit CRM197 en 0,125 mg aluminium.
Hulpstoffen met bekend effect:
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3.
FARMACEUTISCHE VORM
Suspensie voor injectie in een injectieflacon met een enkelvoudige dosis.
Het vaccin is een homogene witte suspensie.
4.
KLINISCHE GEGEVENS
4.1
Therapeutische indicaties
Actieve immunisatie voor de preventie van invasieve ziekten, pneumonie en acute otitis media
veroorzaakt door Streptococcus pneumoniae bij zuigelingen, kinderen en adolescenten in de leeftijd
van 6 weken tot en met 17 jaar.
Actieve immunisatie voor de preventie van invasieve ziekten en pneumonie veroorzaakt door
Streptococcus pneumoniae bij volwassenen 18 jaar en ouderen.
Zie de rubrieken 4.4 en 5.1 voor informatie over bescherming tegen specifieke
pneumokokkenserotypen.
Het gebruik van Prevenar 13 dient te worden bepaald op basis van officiële aanbevelingen waarbij
rekening wordt gehouden met zowel het risico op invasieve ziekten en pneumonie in verschillende
leeftijdsgroepen en onderliggende comorbiditeiten als met de variabiliteit van de epidemiologie van
serotypen in verschillende geografische gebieden.
Dosering en wijze van toediening
De immunisatieschema's voor Prevenar 13 dienen gebaseerd te zijn op officiële aanbevelingen.
Dosering
Zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar
Het wordt aanbevolen dat zuigelingen die een eerste dosis Prevenar 13 krijgen het vaccinatieschema
met Prevenar 13 afmaken.
Zuigelingen van 6 weken - 6 maanden
Drie-doses primaire serie
De aanbevolen immunisatieserie bestaat uit vier doses, elk van 0,5 ml. De primaire zuigelingenserie
bestaat uit drie doses, de eerste dosis gewoonlijk gegeven op de leeftijd van 2 maanden en met een
interval van ten minste 1 maand tussen de doses. De eerste dosis mag ook al bij zes weken worden
gegeven. De vierde (booster) dosis wordt aanbevolen bij een leeftijd tussen 11 en 15 maanden.
Twee-doses primaire serie
Als Prevenar 13 wordt toegediend als onderdeel van een routinematig immunisatieprogramma voor
zuigelingen, kan ook een schema dat bestaat uit 3 doses, elk van 0,5 ml, worden gegeven. De eerste
dosis kan worden toegediend vanaf een leeftijd van 2 maanden met een tweede dosis 2 maanden later.
De derde (booster) dosis wordt aanbevolen bij een leeftijd tussen 11 en 15 maanden (zie rubriek 5.1).
Te vroeg geboren zuigelingen (zwangerschap < 37 weken)
Bij te vroeg geboren zuigelingen bestaat de aanbevolen immunisatieserie uit vier doses, elk van 0,5
ml. De primaire serie voor zuigelingen bestaat uit drie doses, waarbij de eerste dosis wordt gegeven op
de leeftijd van 2 maanden en er een interval van ten minste 1 maand tussen de doses wordt toegepast.
De eerste dosis mag al bij zes weken worden gegeven. De vierde (booster) dosis wordt aanbevolen bij
een leeftijd tussen 11 en 15 maanden (zie rubrieken 4.4 en 5.1).
Ongevaccineerde zuigelingen en kinderen 7 maanden
Zuigelingen van 7 - 11 maanden
Twee doses, elk van 0,5 ml, met een interval van ten minste 1 maand tussen de doses. Een derde dosis
wordt aanbevolen in het tweede levensjaar.
Kinderen van 12 - 23 maanden
Twee doses, elk van 0,5 ml, met een interval van ten minste 2 maanden tussen de doses (zie rubriek
5.1).
Kinderen en adolescenten van 2 - 17 jaar
Eén enkele dosis van 0,5 ml.
Prevenar 13 vaccinatieschema voor zuigelingen en kinderen voorheen gevaccineerd met Prevenar (7-
valent) (Streptococcus pneumoniae serotypen 4, 6B, 9V, 14, 18C, 19F en 23F)
Prevenar 13 bevat dezelfde 7 serotypen als Prevenar en gebruikt hetzelfde dragereiwit CRM197.
Zuigelingen en kinderen die de immunisatie zijn begonnen met Prevenar kunnen op elk moment in het
schema overstappen op Prevenar 13.
Jonge kinderen (12-59 maanden) die volledig zijn geïmmuniseerd met Prevenar (7-valent)
Kinderen en adolescenten van 5 - 17 jaar
Kinderen van 5 tot en met 17 jaar mogen één dosis Prevenar 13 toegediend krijgen indien zij eerder
zijn gevaccineerd met een of meer doses Prevenar. Deze dosis Prevenar 13 moet worden toegediend
ten minste 8 weken na de laatste dosis Prevenar (7-valent) (zie rubriek 5.1).
Volwassenen 18 jaar en ouderen
Eén enkele dosis.
De noodzaak van revaccinatie met een volgende dosis Prevenar 13 is niet vastgesteld.
Als het gebruik van een 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin zinvol wordt geacht, dient
eerst Prevenar 13 gegeven te worden, ongeacht de eerdere pneumokokkenvaccinatiestatus (zie de
rubrieken 4.5 en 5.1).
Speciale populaties
Personen die onderliggende aandoeningen hebben waardoor ze gevoelig zijn voor invasieve
pneumokokkenziekte (zoals sikkelcelziekte of hiv-infectie), waaronder diegenen die eerder zijn
gevaccineerd met een of meerdere doses 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin, mogen
minimaal één dosis Prevenar 13 toegediend krijgen (zie rubriek 5.1).
Bij personen met een hematopoëtische stamceltransplantatie (HSCT) bestaat de aanbevolen
immunisatieserie uit vier doses Prevenar 13 van elk 0,5 ml. De primaire serie bestaat uit drie doses,
waarbij de eerste dosis 3 tot 6 maanden na HSCT wordt gegeven en met een interval van ten minste 1
maand tussen de doses. Een vierde (booster) dosis wordt aanbevolen 6 maanden na de derde dosis (zie
rubriek 5.1).
Wijze van toediening
Het vaccin dient te worden toegediend als intramusculaire injectie. De voorkeursplaatsen zijn het
anterolaterale aspect van de dij (musculus vastus lateralis) bij de zuigeling of de deltoïdeusspier van de
bovenarm bij kinderen en volwassenen.
4.3
Contra-indicaties
Overgevoeligheid voor de werkzame stoffen of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen of
voor het difterietoxoïd.
Zoals dat ook voor andere vaccins geldt, dient de toediening van Prevenar 13 te worden uitgesteld bij
patiënten die aan een acute, ernstige ziekte met koorts lijden. Echter, aanwezigheid van een milde
infectie, zoals een verkoudheid, dient geen uitstel van vaccinatie tot gevolg te hebben.
4.4
Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Prevenar 13 mag niet intravasculair worden toegediend.
Zoals bij alle injecteerbare vaccins dienen passende medische behandeling en toezicht altijd direct
beschikbaar te zijn voor het geval zich in zeldzame gevallen een anafylactische reactie voordoet na
toediening van het vaccin.
Dit vaccin mag niet worden gegeven als een intramusculaire injectie aan personen met
trombocytopenie of een stollingsstoornis die een contra-indicatie zou vormen voor een intramusculaire
Prevenar 13 zal alleen beschermen tegen serotypen van Streptococcus pneumoniae die zich in het
vaccin bevinden, en zal geen bescherming bieden tegen andere micro-organismen die invasieve
ziekten, pneumonie of otitis media veroorzaken. Zoals voor elk vaccin geldt, kan het zijn dat
Prevenar 13 niet alle personen die het vaccin krijgen beschermt tegen pneumokokkenziekte.
Raadpleeg de desbetreffende nationale organisatie voor de meest recente epidemiologische informatie
in uw land.
Bij personen met verminderde immuunresponsiviteit, door het gebruik van immunosuppressiva,
genetische afwijkingen, hiv (humaan immunodeficiëntievirus-)infectie of andere oorzaken, kan de
antilichaamrespons op actieve immunisatie verminderd zijn.
Over een beperkt aantal personen met sikkelcelziekte, hiv-infectie of een hematopoëtische
stamceltransplantatie zijn veiligheids- en immunogeniciteitsgegevens beschikbaar (zie rubriek 5.1).
Over personen uit andere specifieke immuungecompromitteerde groepen (bijvoorbeeld maligniteiten
of nefrotisch syndroom) zijn geen veiligheids- en immunogeniciteitsgegevens voor Prevenar 13
beschikbaar. Vaccinatie dient dan op individuele basis te worden overwogen.
Dit geneesmiddel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per dosis, dat wil zeggen dat het in
essentie 'natriumvrij' is.
Zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar
In klinische studies bracht Prevenar 13 een immuunrespons teweeg voor alle dertien serotypen in het
vaccin. De immuunrespons voor serotype 3 was na de boosterdosis niet toegenomen boven het niveau
na de zuigelingenvaccinatieseries; de klinische relevantie van deze observatie voor de inductie van
immunologisch geheugen voor serotype 3 is onbekend (zie rubriek 5.1).
Het aandeel van functionele antilichaamresponders (OPA-titers 1:8) op serotypen 1, 3 en 5 was
hoog. Echter, de OPA geometrische gemiddelde titers waren lager dan die voor elk van de
overgebleven additionele vaccinserotypen; de klinische relevantie van deze waarneming voor de
beschermende werkzaamheid is niet bekend (zie rubriek 5.1).
Beperkte gegevens hebben aangetoond dat Prevenar 7-valent (primaire serie van drie doses) een
acceptabele immuunrespons induceert bij kinderen met sikkelcelziekte met een veiligheidsprofiel
vergelijkbaar met dat wat bij niet-hoog-risicogroepen werd waargenomen (zie rubriek 5.1).
Kinderen onder de 2 jaar dienen de bij de leeftijd passende Prevenar 13-vaccinatieserie te krijgen (zie
rubriek 4.2). Het gebruik van pneumokokkenconjugaatvaccin vervangt niet het gebruik van 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin bij kinderen 2 jaar met aandoeningen die hen een groter risico
opleveren voor invasieve ziekten veroorzaakt door Streptococcus pneumoniae (zoals sikkelcelziekte,
asplenie, hiv-infectie, chronische ziekten, of zij die immuungecompromitteerd zijn). Wanneer
aanbevolen dienen kinderen met een leeftijd 24 maanden die risico lopen en al eerder Prevenar 13
('priming') hebben gehad het 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin te ontvangen. Het
interval tussen de toediening van het 13-valent pneumokokkenconjugaatvaccin (Prevenar 13) en het
23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin dient niet minder dan 8 weken te bedragen. Er zijn
geen gegevens beschikbaar die aangeven of toediening van 23-valent pneumokokkenpolysaccharide-
vaccin aan ongevaccineerde kinderen of kinderen die eerder Prevenar 13 hebben gehad zou kunnen
resulteren in hyporesponsiviteit op verdere doses Prevenar 13.
Bij toediening van de primaire immunisatieserie aan zeer premature kinderen (geboren 28 weken
zwangerschap) moet rekening worden gehouden met het potentiële risico op apneu en moet de
benodigde controle van de ademhaling gedurende 48-72 uur overwogen worden, vooral bij kinderen
Bij vaccinserotypen wordt verwacht dat de bescherming tegen otitis media lager is dan de
bescherming tegen invasieve ziekten. Aangezien otitis media wordt veroorzaakt door vele andere
organismen dan de pneumokokkenserotypen die in het vaccin gerepresenteerd worden, wordt
verwacht dat de bescherming tegen alle otitis media laag is (zie rubriek 5.1).
Wanneer Prevenar 13 gelijktijdig wordt toegediend met Infanrix hexa (DTPa-HBV-IPV/Hib), komt
het aantal koortsreacties dat optreedt overeen met het aantal dat wordt waargenomen bij gelijktijdige
toediening van Prevenar (7-valent) en Infanrix hexa (zie rubriek 4.8). Een verhoogd aantal meldingen
van convulsies (met of zonder koorts) en hypotonisch hyporesponsieve episode (HHE) zijn
waargenomen bij gelijktijdige toediening van Prevenar 13 en Infanrix hexa (zie rubriek 4.8).
Antipyretische behandeling dient te worden gestart in overeenstemming met de plaatselijke
behandelingsrichtlijnen voor kinderen met epileptische stoornissen of kinderen met een
voorgeschiedenis van koortsstuipen en voor alle kinderen die Prevenar 13 tegelijkertijd krijgen
toegediend met vaccins die volledige cellen van pertussis bevatten.
4.5
Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar
Prevenar 13 kan gelijktijdig worden toegediend met elk van de volgende vaccinantigenen, hetzij als
monovalent of als combinatievaccins: difterie, tetanus, acellulaire pertussis of pertussis met volledige
cellen, Haemophilus influenzae type b, geïnactiveerde poliomyelitis, hepatitis B (zie rubriek 4.4 voor
advies over Infanrix hexa), meningokokken serogroep C, mazelen, de bof, rubella, varicella en het
vaccin tegen rotavirus.
Prevenar 13 kan ook gelijktijdig worden toegediend tussen 12-23 maanden met het tetanustoxoïd-
meningokokkenpolysaccharideconjugaatvaccin serogroepen A, C, W en Y aan kinderen die voldoende
geprimed zijn met Prevenar 13 (volgens lokale aanbevelingen).
Gegevens uit een klinische postmarketingstudie die de impact van het profylactisch gebruik van
antipyretica evalueerde (ibuprofen en paracetamol) op de immuunrespons van Prevenar 13 suggereren
dat toediening van paracetamol, gelijktijdig of op dezelfde dag als de vaccinatie, de immuunrespons
van Prevenar 13 na de zuigelingenseries kan reduceren. Responsen op de boosterdosis toegediend bij
12 maanden waren onveranderd. De klinische significantie van deze observatie is niet bekend.
Kinderen en adolescenten van 6 tot en met 17 jaar
Momenteel zijn geen gegevens beschikbaar over het gelijktijdig gebruik met andere vaccins.
Volwassenen van 18 tot en met 49 jaar
Er zijn geen gegevens beschikbaar over het gelijktijdig gebruik met andere vaccins.
Volwassenen van 50 jaar en ouder
Prevenar 13 kan gelijktijdig met het trivalente geïnactiveerde seizoenvaccin tegen influenza (TIV)
worden toegediend.
In twee onderzoeken bij volwassenen van 50-59 jaar en 65 jaar en ouder werd aangetoond dat
Prevenar 13 gelijktijdig met het trivalente geïnactiveerde influenzavaccin (TIV) kan worden
toegediend. De respons op alle drie TIV-antigenen was vergelijkbaar wanneer TIV alleen of
gelijktijdig met Prevenar 13 werd gegeven.
In een derde onderzoek bij volwassenen in de leeftijd van 50-93 jaar werd aangetoond dat Prevenar 13
gelijktijdig met het quadrivalente geïnactiveerde seizoenvaccin tegen influenza (QIV) kan worden
toegediend. De immuunresponsen op alle vier QIV-stammen waren niet inferieur als Prevenar 13
gelijktijdig met QIV werd toegediend in vergelijking met de toediening van QIV alleen.
De immuunresponsen op Prevenar 13 waren niet inferieur als Prevenar 13 gelijktijdig met QIV werd
toegediend in vergelijking met de toediening van Prevenar 13 alleen. Zoals bij gelijktijdige toediening
met trivalente vaccins, waren de immuunresponsen op sommige pneumokokkenserotypen lager als
beide vaccins gelijktijdig werden toegediend.
Gelijktijdig gebruik met andere vaccins is niet onderzocht.
Verschillende injecteerbare vaccins moeten altijd op verschillende vaccinatieplaatsen worden
toegediend.
Gelijktijdige toediening van Prevenar 13 en 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin is niet
onderzocht. Als in klinisch onderzoek Prevenar 13 1 jaar na 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin werd toegediend, waren de immuunresponsen voor alle
serotypen lager dan als Prevenar 13 werd toegediend aan proefpersonen die niet eerder waren
geïmmuniseerd met het 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin. De klinische significantie
hiervan is niet bekend.
4.6
Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Er zijn geen gegevens over het gebruik van 13-valent pneumokokkenconjugaatvaccin bij zwangere
vrouwen. Daarom dient het gebruik van Prevenar 13 vermeden te worden tijdens de zwangerschap.
Borstvoeding
Het is niet bekend of 13-valent pneumokokkenconjugaatvaccin wordt uitgescheiden in de
moedermelk.
Vruchtbaarheid
De resultaten van dieronderzoek duiden niet op directe of indirecte schadelijke effecten wat betreft
reproductietoxiciteit (zie rubriek 5.3).
4.7
Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Prevenar 13 heeft geen of een verwaarloosbare invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om
machines te bedienen. Sommige bijwerkingen die genoemd worden in rubriek 4.8 'Bijwerkingen'
kunnen echter de rijvaardigheid of het vermogen om machines te bedienen tijdelijk beïnvloeden.
4.8
Bijwerkingen
Analyse van postmarketingmeldingen suggereren een potentieel verhoogd risico op convulsies, met of
zonder koorts, en HHE bij vergelijking van groepen die Prevenar 13 met Infanrix hexa gebruiken ten
opzichte van groepen die alleen Prevenar 13 gebruiken.
De bijwerkingen die gerapporteerd werden in klinische studies of uit postmarketingervaring worden
voor alle leeftijdsgroepen weergegeven per systeem/orgaanklasse, naar afnemende frequentie en ernst.
Zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar
De veiligheid van het vaccin werd beoordeeld in verschillende gecontroleerde klinische studies
waarbij 14.267 doses werden gegeven aan 4.429 gezonde zuigelingen van 6 weken bij de eerste
vaccinatie en 11-16 maanden bij de boosterdosis. Bij alle zuigelingenstudies werd Prevenar 13
gelijktijdig toegediend met routinematig toegediende kindervaccins (zie rubriek 4.5).
De veiligheid werd ook beoordeeld bij 354 voorheen ongevaccineerde kinderen (met een leeftijd van 7
maanden tot en met 5 jaar).
De meest gemelde bijwerkingen bij kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar waren reacties op de plaats
van vaccinatie, koorts, prikkelbaarheid, verminderde eetlust en meer en/of minder slapen.
In een klinische studie bij zuigelingen die werden gevaccineerd op de leeftijd van 2, 3 en 4 maanden
waren er meer meldingen van koorts 38°C bij de kinderen die Prevenar (7-valent) gelijktijdig kregen
toegediend met Infanrix hexa (28,3% tot 42,3%) dan bij kinderen die alleen Infanrix hexa kregen
(15,6% tot 23,1%). Na een boosterdosis op de leeftijd van 12 tot en met 15 maanden werd koorts
38°C gemeld bij 50% van de kinderen die Prevenar (7-valent) en Infanrix hexa gelijktijdig kregen
toegediend, in vergelijking met 33,6% van de kinderen die alleen Infanrix hexa kregen toegediend.
Deze koortsreacties waren meestal matig ernstig (lager dan of gelijk aan 39 °C) en van voorbijgaande
aard.
Een verhoging van reacties op de plaats van vaccinatie werd gemeld bij kinderen ouder dan 12
maanden vergeleken met de percentages waargenomen bij zuigelingen gedurende de primaire series
met Prevenar 13.
Bijwerkingen uit klinische studies
In klinische studies was het veiligheidsprofiel van Prevenar 13 vergelijkbaar met dat van Prevenar. De
volgende frequenties zijn gebaseerd op bijwerkingen die zijn beoordeeld in klinische studies met Prevenar 13:
Immuunsysteemaandoeningen:
Zelden:
Overgevoeligheidsreacties inclusief gezichtsoedeem, dyspneu, bronchospasme
Zenuwstelselaandoeningen:
Soms:
Insulten (inclusief febriele insulten)
Zelden:
Hypotoon-hyporesponsieve episode
Maagdarmstelselaandoeningen:
Zeer vaak:
Verminderde eetlust
Vaak:
Braken, diarree
Huid- en onderhuidaandoeningen:
Vaak:
Uitslag
Soms:
Urticaria of urticaria-achtige uitslag
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen:
Zeer vaak:
Pyrexie, prikkelbaarheid, erytheem op de plaats van vaccinatie, induratie/zwelling of
pijn/gevoeligheid, slaperigheid, slecht slapen
Erytheem op de plaats van vaccinatie of induratie/zwelling 2,5 cm­7,0 cm (na de
boosterdosis en bij oudere kinderen [leeftijd 2 tot en met 5 jaar])
Vaak:
Pyrexie > 39°C, bewegingsbeperking op de plaats van vaccinatie (door pijn),
erytheem op de plaats van vaccinatie of induratie/zwelling 2,5 cm ­ 7,0 cm (na de
zuigelingenserie)
Erytheem op de plaats van vaccinatie, induratie/zwelling >7,0 cm, huilen
Aanvullende informatie in speciale populaties
Apneu bij zeer premature kinderen ( 28 weken zwangerschap) (zie rubriek 4.4).
Kinderen en adolescenten van 6 tot en met 17 jaar
De veiligheid werd geëvalueerd bij 592 kinderen (294 kinderen van 5 tot en met 10 jaar die eerder
waren geïmmuniseerd met ten minste één dosis Prevenar, en bij 298 kinderen van 10 tot en met 17 jaar
die niet eerder een pneumokokkenvaccin hadden gekregen).
De meest voorkomende bijwerkingen bij kinderen en adolescenten van 6 tot en met 17 jaar waren:
Zenuwstelselaandoeningen:
Vaak:
Hoofdpijn
Maagdarmstelselaandoeningen:
Zeer vaak:
Verminderde eetlust
Vaak:
Braken, diarree
Huid- en onderhuidaandoeningen:
Vaak:
Huiduitslag, urticaria of urticaria-achtige huiduitslag
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen:
Zeer vaak:
Prikkelbaarheid, erytheem op de vaccinatieplaats, induratie/zwelling of
pijn/gevoeligheid, slaperigheid, slecht slapen, gevoeligheid op de vaccinatieplaats
(inclusief bewegingsbeperking)
Vaak:
Koorts
Andere bijwerkingen die eerder zijn waargenomen bij zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met
5 jaar kunnen ook op deze leeftijdsgroep van toepassing zijn, maar zijn niet in dit onderzoek
waargenomen, mogelijk door de kleine steekproefgrootte.
Aanvullende informatie over speciale populaties
Kinderen en adolescenten met sikkelcelziekte, hiv-infectie of een hematopoëtische
stamceltransplantatie hebben vergelijkbare frequenties van bijwerkingen, behalve dat hoofdpijn,
braken, diarree, pyrexie, vermoeidheid, artralgie en myalgie zeer vaak voorkwamen.
Volwassenen 18 jaar en ouderen
De veiligheid werd beoordeeld in 7 klinische onderzoeken met 91.593 volwassenen in de leeftijd van
18 tot en met 101 jaar. Prevenar 13 werd toegediend aan 48.806 volwassenen; 2.616 (5,4%) in de
leeftijd van 50 tot en met 64 jaar en 45.291 (92,8%) van 65 jaar en ouder. Aan een van de 7
onderzoeken nam een groep volwassenen deel (n=899) met een leeftijd die varieerde van 18 tot en met
49 jaar die Prevenar 13 kregen en die niet eerder waren gevaccineerd met 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin. Van de volwassenen die Prevenar 13 kregen, waren er 1.916
eerder gevaccineerd met het 23-valente pneumokokkenpolysaccharidevaccin ten minste 3 jaar voor de
onderzoeksvaccinatie; 46.890 hadden niet eerder het 23-valente pneumokokkenpolysaccharidevaccin
gekregen.
Een trend naar een lagere frequentie van bijwerkingen werd geassocieerd met hogere leeftijd;
volwassenen > 65 jaar oud (ongeacht eerdere pneumokokkenvaccinatiestatus) meldden minder
bijwerkingen dan jongere volwassenen, waarbij de bijwerkingen in het algemeen het vaakst
voorkwamen bij de jongste volwassenen, namelijk die van 18 tot en met 29 jaar oud.
In het algemeen waren de frequentiecategorieën in alle leeftijdsgroepen vergelijkbaar, met
uitzondering van braken, wat zeer vaak voorkwam ( 1/10) bij volwassenen van 18 tot en met 49 jaar
Bijwerkingen uit klinische studies
In 6 studies werden de lokale en systemische reacties na elke vaccinatie 14 dagen lang bijgehouden; in
de resterende studie gebeurde dit gedurende 7 dagen. De volgende frequenties zijn gebaseerd op
bijwerkingen beoordeeld in klinische studies van Prevenar 13 bij volwassenen:
Voedings- en stofwisselingsstoornissen:
Zeer vaak:
Verminderde eetlust
Zenuwstelselaandoeningen:
Zeer vaak:
Hoofdpijn
Maagdarmstelselaandoeningen:
Zeer vaak:
Diarree, braken (bij volwassenen van 18 tot en met 49 jaar)
Vaak:
Braken (bij volwassenen van 50 jaar en ouder)
Soms:
Misselijkheid
Immuunsysteemaandoeningen:
Soms:
Overgevoeligheidsreacties, waaronder oedeem in het gezicht, dyspnoe,
bronchospasmen
Huid- en onderhuidaandoeningen:
Zeer vaak:
Huiduitslag
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen:
Zeer vaak:
Koude rillingen, vermoeidheid, roodheid op de vaccinatieplaats, induratie of zwelling
op de vaccinatieplaats; pijn/gevoeligheid op de vaccinatieplaats (ernstige
pijn/gevoeligheid op de vaccinatieplaats komt zeer vaak voor bij volwassenen van 18
tot en met 39 jaar); beperking van de armbeweging (ernstige beperking van de
armbeweging komt zeer vaak voor bij volwassenen van 18 tot en met 39 jaar).
Vaak:
Koorts (komt zeer vaak voor bij volwassenen van 18 tot en met 29 jaar).
Soms:
Lymfadenopathie in het gebied van de vaccinatieplaats.
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen:
Zeer vaak:
Spier- en gewrichtspijn.
In het algemeen werden geen significante verschillen in de frequentie van bijwerkingen waargenomen
bij toediening van Prevenar 13 aan volwassenen die eerder geïmmuniseerd waren met het
pneumokokkenpolysaccharidevaccin.
Aanvullende informatie over speciale populaties
Volwassenen met hiv-infectie hebben vergelijkbare frequenties van bijwerkingen, behalve dat pyrexie
en braken zeer vaak voorkwamen en misselijkheid vaak.
Volwassenen met een hematopoëtische stamceltransplantatie hebben vergelijkbare frequenties van
bijwerkingen, behalve dat pyrexie en braken zeer vaak voorkwamen.
Als Prevenar 13 gelijktijdig met trivalent, geïnactiveerd influenzavaccin (TIV) werd toegediend,
werden hogere frequenties van een aantal bijgehouden systemische reacties waargenomen dan bij
toediening van TIV alleen (hoofdpijn, koude rillingen, huiduitslag, verminderde eetlust, gewrichtspijn
en spierpijn) of Prevenar 13 alleen (hoofdpijn, vermoeidheid, koude rillingen, verminderde eetlust en
gewrichtspijn).
Bloed- en lymfestelselaandoeningen:
Lymfadenopathie (gelokaliseerd in het gebied rond de vaccinatieplaats)
Immuunsysteemaandoeningen
:
Anafylactische/anafylactoïde reacties waaronder shock, angio-oedeem
Huid- en onderhuidaandoeningen:
Erythema multiforme
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen:
Urticaria op de vaccinatieplaats, dermatitis op de vaccinatieplaats, pruritus op de
vaccinatieplaats, blozen
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op
deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico's van het geneesmiddel voortdurend worden
gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen
te melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in aanhangsel V.
4.9
Overdosering
Overdosering met Prevenar 13 is niet waarschijnlijk wegens de presentatie als een injectieflacon met een
enkelvoudige dosis. Echter bij zuigelingen en kinderen zijn er meldingen geweest van overdosering met
Prevenar 13 gedefinieerd als gevallen van opvolgende doses die dichter op elkaar zijn toegediend dan is
aanbevolen. Bijwerkingen die gemeld zijn bij overdosering zijn in het algemeen vergelijkbaar met de
bijwerkingen die gemeld worden bij doses in het aanbevolen schema van Prevenar 13 voor kinderen.
5.
FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: vaccins, pneumokokkenvaccins, ATC-code: J07AL02.
Prevenar 13 bevat de 7 pneumokokken capsulaire polysacchariden die ook in Prevenar zitten (4, 6B,
9V, 14, 18C, 19F, 23F) plus 6 additionele polysacchariden (1, 3, 5, 6A, 7F, 19A), alle geconjugeerd
aan CRM197 dragereiwit.
Ziektelast
Zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar oud
Gebaseerd op serotype surveillance in Europa uitgevoerd vóór de introductie van Prevenar, wordt
geschat dat Prevenar 13 een dekking heeft van 73-100% (afhankelijk van het land) van serotypen die
invasieve pneumokokkenziekten (IPD) veroorzaken bij kinderen jonger dan 5 jaar. In deze
leeftijdsgroep dragen serotypen 1, 3, 5, 6A, 7F en 19A voor 15,6% tot 59,7% bij aan invasieve ziekte,
afhankelijk van het land, de bestudeerde tijdsperiode en het gebruik van Prevenar.
Acute otitis media (AOM) is een algemene kinderziekte met verschillende etiologieën. Bacteriën
kunnen verantwoordelijk zijn voor 60-70% van de klinische episoden van AOM. S. pneumoniae is
wereldwijd één van de meest voorkomende oorzaken van bacteriële AOM.
Kinderen en adolescenten van 6 tot en met 17 jaar
Bij kinderen en adolescenten van 6 tot en met 17 jaar is de incidentie van pneumokokkenziekte laag,
maar er is een grotere kans op morbiditeit en mortaliteit bij personen met onderliggende
comorbiditeiten.
Volwassenen 18 jaar en ouderen
Pneumonie is de meest voorkomende klinische verschijningsvorm van pneumokokkenziekte bij
volwassenen.
De gemelde incidentie van buiten het ziekenhuis opgelopen pneumonie (CAP) en IPD in Europa
verschilt per land, neemt vanaf het vijftigste levensjaar toe met de jaren en is het hoogst bij mensen
65 jaar. S. pneumoniae is de meest voorkomende oorzaak van CAP, en is in ontwikkelde landen
verantwoordelijk voor naar schatting circa 30% van alle gevallen van CAP bij volwassenen waarbij
ziekenhuisopname noodzakelijk is.
Bacteriëmische pneumonie (ongeveer 80% van de IPD-gevallen bij volwassenen), bacteriëmie zonder
een focus en meningitis zijn de meest voorkomende manifestaties van IPD bij volwassenen. Uit
surveillance gegevens blijkt dat na de introductie van Prevenar maar voor de introductie van
Prevenar 13 in jeugdvaccinatieprogramma's de pneumokokkenserotypen in Prevenar 13
verantwoordelijk kunnen zijn voor ten minste 50-76% (afhankelijk van het land) van de IPD-gevallen
bij volwassenen.
Het risico op CAP en IPD bij volwassenen is ook hoger bij onderliggende chronische medische
aandoeningen, met name anatomische of functionele asplenie, diabetes mellitus, astma, chronische
cardiovasculaire, pulmonale, nier- of leveraandoening, en is het hoogst bij diegenen bij wie sprake is
van immuunsuppressie zoals bij personen met een maligne hematologische aandoening of hiv-infectie.
Prevenar 13 klinische immunogeniciteitsstudies bij zuigelingen, kinderen en adolescenten
De beschermende werkzaamheid van Prevenar 13 tegen IPD is niet bestudeerd. Zoals aanbevolen door
de World Health Organization (WHO) is de beoordeling van de mogelijke werkzaamheid tegen IPD
bij zuigelingen en jonge kinderen gebaseerd op een vergelijking van immuunresponsen op de zeven
gemeenschappelijke serotypen, aanwezig in zowel Prevenar 13 als Prevenar, waarvoor beschermende
werkzaamheid is bewezen (voor werkzaamheid van Prevenar (7-valent) bij zuigelingen en kinderen,
zie hieronder). Immuunresponsen op de overige 6 serotypen werden ook gemeten.
Immuunresponsen na een drie-doses primaire zuigelingenserie
Klinische studies zijn uitgevoerd in een aantal Europese landen en in de Verenigde Staten waarbij
gebruik is gemaakt van meerdere vaccinatieschema's, waaronder twee gerandomiseerde non-
inferioriteitstudies (Duitsland, waar een 2, 3, 4 maanden primaire serie werd gebruikt [006] en de
Verenigde Staten waar een 2, 4, 6 maanden primaire serie werd gebruikt [004]). In deze twee studies
werden pneumokokken-immuunresponsen vergeleken met behulp van een aantal non-
inferioriteitscriteria, waaronder het percentage proefpersonen met serum anti-polysaccharide serotype-
specifiek IgG 0,35 g/ml één maand na de primaire serie en de vergelijking van IgG geometrisch
gemiddelde concentraties (ELISA GMC's); eveneens werden functionele antilichaamtiters (OPA)
tussen proefpersonen die Prevenar 13 en Prevenar kregen vergeleken. Voor de zes overige serotypen
werden deze waarden vergeleken met de laagste respons onder alle zeven gemeenschappelijke
serotypen bij degenen die Prevenar kregen.
Non-inferioriteit werd bereikt voor de 6 additionele serotypen gebaseerd op het deel van de
zuigelingen dat antilichaamconcentraties van 0,35 g/ml bereikte en vergelijking van IgG ELISA
GMC's in studie 006 en werd bereikt voor 5 van de 6 serotypen, met uitzondering van serotype 3 in
studie 004. Voor serotype 3 waren de percentages kinderen met serum IgG 0,35 g/ml die
Prevenar 13 hadden gekregen 98,2% (studie 006) en 63,5% (studie 004).
Tabel 1: Vergelijking van het deel van de proefpersonen dat een pneumokokkenanti-
polysaccharide IgG antilichaamconcentratie bereikten van 0,35 g/ml na dosis 3 van de
zuigelingen series ­ studie 006
Prevenar 13
7-valent Prevenar
%
%
Verschil
Serotypen
(N=282-285)
(N=277-279)
(95% CI)
7-valent Prevenar serotypen
4
98,2
98,2
0,0 (-2,5 ­ 2,6)
6B
77,5
87,1
-9,6 (-16,0 ­ -3,3)
9V
98,6
96,4
2,2 (-0,4 ­ 5,2)
14
98,9
97,5
1,5 (-0,9 ­ 4,1)
18C
97,2
98,6
-1,4 (-4,2 ­ 1,2)
19F
95,8
96,0
-0,3 (-3,8 ­ 3,3)
23F
88,7
89,5
-0,8 (-6,0 ­ 4,5)
Additionele serotypen in Prevenar 13
1
96,1
87,1*
9,1 (4,5 ­ 13,9)
3
98,2
87,1
11,2 (7,0 ­ 15,8)
5
93,0
87,1
5,9 (0,8 ­ 11,1)
6A
91,9
87,1
4,8 (-0,3 ­ 10,1)
7F
98,6
87,1
11,5 (7,4 ­ 16,1)
19A
99,3
87,1
12,2 (8,3 ­ 16,8)
* Het serotype in Prevenar met het laagste responspercentage was 6B in studie 006 (87,1%)
Prevenar 13 wekte functionele antilichamen tegen alle 13 vaccinserotypen in studies 004 en 006 op.
Voor de 7 gemeenschappelijke serotypen waren er geen verschillen tussen de groepen in het deel van
de proefpersonen met OPA-titers 1:8. Voor elk van de zeven gemeenschappelijke serotypen
bereikten > 96% en > 90% van de kinderen die Prevenar 13 kregen een OPA-titer 1:8 één maand na
de primaire serie in respectievelijk studie 006 en 004.
Voor elk van de 6 additionele serotypen wekte Prevenar 13 OPA-titers 1:8 bij 91,4% tot 100% van
de gevaccineerden op, één maand na de primaire serie in studies 004/006. De functionele antilichaam
(OPA) geometrische gemiddelde titers voor serotypen 1, 3 en 5 waren lager dan de titers voor elk van
de andere additionele serotypen; de klinische relevantie van deze waarneming op beschermende
werkzaamheid is onbekend.
De immunogeniciteit na twee doses bij zuigelingen is gedocumenteerd in vier studies. Het deel van de
zuigelingen dat een pneumokokken anti-capsulaire polysaccharide IgG-concentratie 0,35 g/ml
bereikte één maand na de tweede dosis varieerde van 79,6% tot 98,5% voor 11 van de
13 vaccinserotypen. Een kleiner deel van de zuigelingen bereikte deze drempel voor de
antilichaamconcentratie voor serotype 6B (27,9% tot 57,3%) en 23F (55,8% tot 68,1%) voor alle
studies met een schema met vaccinaties op 2 en 4 maanden, vergeleken met 58,4% voor serotype 6B
en 68,6% voor 23F voor een studie met een schema met vaccinaties op 3 en 5 maanden. Na de
boosterdosis hadden alle vaccinserotypen, inclusief 6B en 23F, immuunresponsen consistent met een
adequate 'priming' in een twee-doses primaire serie. In een studie in het Verenigd Koninkrijk waren
de functionele antilichaamresponsen (OPA) vergelijkbaar voor alle serotypen inclusief 6B en 23F in
de Prevenar- en Prevenar 13-armen na de primaire serie bij 2 en 4 maanden en na de boosterdosis bij
een leeftijd van 12 maanden. Voor de kinderen die Prevenar 13 kregen, was het percentage responders
met een OPA-titer 1:8 ten minste 87% na de zuigelingenserie en ten minste 93% na de boosterdosis.
De OPA geometrische gemiddelde titers voor serotypen 1, 3 en 5 waren lager dan de titers voor elk
van de andere additionele serotypen; de klinische relevantie van deze waarneming is onbekend.
Boosterresponsen na primaire series van twee doses en drie doses bij zuigelingen
Na de boosterdosis stegen de antilichaamconcentraties ten opzichte van het pre-boosterniveau voor
alle 13 serotypen. Post-booster antilichaamconcentraties waren hoger voor 12 serotypen dan de
concentraties die werden behaald na de primaire zuigelingenserie. Deze waarnemingen zijn in
overeenstemming met adequate priming (de inductie van immunologisch geheugen). De
immuunrespons voor serotype 3 volgend op de boosterdosis was niet hoger geworden dan boven de
niveaus gezien na de zuigelingenvaccinatieserie; de klinische relevantie van deze observatie
aangaande de inductie van serotype 3 immuungeheugen is onbekend.
Antilichaamresponsen op boosterdoses na de twee-doses of drie-doses primaire zuigelingenserie
waren vergelijkbaar voor alle 13 vaccinserotypen.
Voor kinderen in de leeftijd van 7 maanden tot en met 5 jaar resulteerden catch-up
immunisatieschema's, passend bij de leeftijd (zoals beschreven in rubriek 4.2) in niveaus van anti-
capsulaire polysaccharide IgG-antilichaamresponsen op elk van de 13 serotypen die ten minste
vergelijkbaar waren met die van een drie-doses primaire serie bij zuigelingen.
Antilichaampersistentie en immunologisch geheugen zijn geëvalueerd in een onderzoek bij gezonde
kinderen die een enkele dosis Prevenar 13 kregen. Dit gebeurde ten minste 2 jaar nadat ze eerder
waren geïmmuniseerd met ofwel 4 doses Prevenar, een zuigelingenserie van 3 doses Prevenar gevolgd
door Prevenar 13 op de leeftijd van 12 maanden, of met 4 doses Prevenar 13.
De enkele dosis Prevenar 13 induceerde bij kinderen van ongeveer 3,4 jaar oud (ongeacht
voorgeschiedenis van vaccinatie met Prevenar of Prevenar 13) een sterke antilichaamrespons voor
zowel de 7 gemeenschappelijke serotypen als de 6 overige serotypen in Prevenar 13.
Sinds de introductie van 7-valent Prevenar in 2000 hebben gegevens van
pneumokokkenziektensurveillance niet aangetoond dat de immuniteit opgewekt door Prevenar tijdens
de kindertijd over de tijd is afgenomen.
Te vroeg geboren zuigelingen
De veiligheid en immunogeniciteit van Prevenar 13 gegeven na 2, 3, 4 en 12 maanden werd
beoordeeld bij ongeveer 100 premature zuigelingen (gemiddelde Estimated Gestational Age [EGA]
31 weken; bereik 26 tot 36 weken) en vergeleken met ongeveer 100 zuigelingen die voldragen werden
geboren (gemiddelde EGA 39 weken; bereik 37 tot 42 weken).
Meer dan 85% bereikte een pneumokokkenpolysaccharide IgG-bindende antilichaamconcentratie
0,35 µg/ml 1 maand na de vaccinatieserie bij zuigelingen, behalve voor serotypen 5 (71,7%), 6A
(82,7%) en 6B (72,7%) in de te vroeg geboren groep. Voor deze 3 serotypen was het percentage
responders onder de te vroeg geboren zuigelingen significant lager dan onder de voldragen
zuigelingen. Ongeveer een maand na de dosis voor peuters was het percentage proefpersonen in elke
groep dat dezelfde antilichaamconcentratiedrempel bereikte >97%, behalve voor serotype 3 (71% bij
de te vroeg geboren zuigelingen en 79% bij de voldragen zuigelingen). Het is onbekend of het
immunologisch geheugen voor alle serotypen geïnduceerd wordt bij te vroeg geboren zuigelingen. In
het algemeen waren de serotypespecifieke IgG GMC's lager voor te vroeg geboren dan voor
voldragen zuigelingen.
Na de vaccinatieserie bij zuigelingen waren de OPA GMT's hetzelfde bij te vroeg geboren zuigelingen
als bij voldragen zuigelingen, behalve voor serotype 5, welke lager was bij te vroeg geboren
zuigelingen. De OPA GMT's na de peuterdosis gerelateerd aan die na de zuigelingenserie waren
vergelijkbaar of lager voor 4 serotypen (4, 14, 18C en 19F) en waren statistisch significant hoger voor
6 van de 13 serotypen (1, 3, 5, 7F, 9V en 19A) bij te vroeg geboren zuigelingen in vergelijking met 10
van de 13 serotypen (1, 3, 4, 5, 6A, 7F, 9V, 18C, 19A en 23F) bij voldragen zuigelingen.
Kinderen (12-59 maanden) die volledig zijn geïmmuniseerd met Prevenar (7-valent)
Na toediening van een enkele dosis Prevenar 13 aan kinderen (12-59 maanden) die werden beschouwd
als volledig geïmmuniseerd met Prevenar (7-valent) (primaire serie van 2 of 3 doses plus booster) was
het aandeel dat serum-IgG-spiegels 0,35µg/ml en OPA-titers 1:8 bereikte ten minste 90%. Echter,
3 (serotype 1, 5 en 6A) van de 6 overige serotypen vertoonden een lagere IgG GMC en OPA GMT in
vergelijking met kinderen die ten minste één eerdere vaccinatie met Prevenar 13 hadden gekregen. De
klinische relevantie van de lagere GMC's en GMT's is op dit moment niet bekend.
Ongevaccineerde kinderen (12-23 maanden)
Studies met Prevenar (7-valent) bij ongevaccineerde kinderen (12 - 23 maanden) toonden aan dat
2 doses nodig waren om serum-IgG-concentraties voor 6B en 23F te bereiken die vergelijkbaar waren
met die geïnduceerd via een zuigelingenserie van 3 doses.
Kinderen en adolescenten van 5 tot en met 17 jaar
In een open-labelonderzoek bij 592 gezonde kinderen en adolescenten inclusief diegenen met astma
(17,4%) die mogelijk meer vatbaar zijn voor pneumokokkeninfectie, wekte Prevenar 13 een
immuunrespons op voor alle 13 serotypen. Een eenmalige dosis Prevenar 13 was toegediend aan
kinderen van 5 tot en met 10 jaar die eerder waren gevaccineerd met ten minste 1 dosis Prevenar, en
aan kinderen en adolescenten van 10 tot en met 17 jaar die niet eerder een pneumokokkenvaccin
toegediend hadden gekregen.
Bij zowel de kinderen van 5 tot en met 10 jaar als de kinderen en adolescenten van 10 tot en met
17 jaar was de immuunrespons op Prevenar 13 niet inferieur aan Prevenar voor de
7 gemeenschappelijke serotypen en voor Prevenar 13 voor de 6 additionele serotypen, in vergelijking
met de immuunrespons na de vierde dosis bij zuigelingen gevaccineerd op een leeftijd van 2, 4, 6 en
12-15 maanden, zoals gemeten met serum IgG.
Bij kinderen en adolescenten van 10 tot en met 17 jaar waren de OPA GMT's 1 maand na vaccinatie
niet inferieur aan de OPA GMT's in de leeftijdsgroep van 5 tot en met 10 jaar voor 12 van de
13 serotypen (uitgezonderd serotype 3).
Subcutane toediening van Prevenar 13 is geëvalueerd in een niet-vergelijkende studie bij 185 gezonde
Japanse zuigelingen en kinderen die vier doses toegediend kregen toen zij 2, 4, 6 en 12-15 maanden
oud waren. De studie toonde aan dat veiligheid en immunogeniciteit over het algemeen vergelijkbaar
waren met waarnemingen uit studies bij intramusculaire toediening.
Effectiviteit van Prevenar 13
Invasieve pneumokokkenziekte
Data gepubliceerd door Public Health England liet zien dat vier jaar na de introductie van Prevenar als
een primaire zuigelingserie van twee doses met boosterdosis in het tweede levensjaar en met een
opname van het vaccin van 94% er in Engeland en Wales een afname van 98% was (95% BI 95; 99)
van door de 7 vaccinserotypen veroorzaakte ziekte. Vier jaar na de overstap naar Prevenar 13
varieerde de verdere daling van de incidentie van IPD als gevolg van de 7 serotypen in Prevenar
vervolgens van 76% bij kinderen jonger dan 2 jaar tot 91% bij kinderen in de leeftijd van 5-14 jaar.
Tabel 2 toont de serotype-specifieke dalingen voor elk van de 5 additionele serotypen in Prevenar 13
(er werden geen gevallen van IPD van het serotype 5 waargenomen) per leeftijdsgroep. Deze dalingen
varieerden van 68% (serotype 3) tot 100% (serotype 6A) bij kinderen jonger dan 5 jaar. In oudere
leeftijdsgroepen die niet met Prevenar 13 waren gevaccineerd, werden eveneens significante dalingen
in de incidentie waargenomen (indirect effect).
Tabel 2: Aantal serotype-specifieke gevallen en dalingen van de incidentie van IPD in 2013/2014
vergeleken met 2008/2009-2009/2010 (2008/2010), per leeftijdsgroep, in Engeland en Wales
< 5 jaar
5 t/m 64 jaar
65 jaar
2008-
2013/
% Daling
2008-
2013/
% Daling
2008-
2013/
% Daling
2010§
2014§
incidentie
2010§
2014§
incidentie
2010§
2014§
incidentie
(95% CI*)
(95% CI*)
(95% CI*)
Additionele serotypen die worden gedekt door Prevenar 13
1
59 (54)
5 (5)
91%
458
77
83%
102 (89)
13
87%
(382)
(71)
(13)
(98%;
(88%;
(94%;
68%)**
74%)**
72%)**
3
26 (24)
8 (8)
68%
178
73
59%
256
143
44%
(148)
(68)
(224)
(146)
(89%; 6%)
(72%;
(57%;
38%)**
27%)**
6A
10 (9)
0 (0)
100%
53 (44)
5 (5)
90%
94 (82)
5 (5)
95%
(100%;
(97%;
(99%;
62%)**
56%)**
81%)**
7F
90 (82)
8 (8)
91%
430
160
63%
173
75
56%
(361)
(148)
(152)
(77)
(97%;
(71%;
(70%;
74%)**
50%)**
37%)**
19A
85 (77)
7 (7)
91%
225
104
54%
279
97
65%
(191)
(97)
(246)
(99)
(97%;
(65%;
(75%;
75%)**
32%)**
53%)**
Gecorrigeerd voor het aantal geserotypeerde monsters, ontbrekende leeftijd, noemer vergeleken met
2009/2010 en voor de trend in de totale invasieve pneumokokkenziekte tot 2009/2010 (waarna geen
trendcorrectie werd toegepast).
*
95%-BI bepaald op basis van een poissonverdeling met overdispersieparameter 2,1, gemodelleerd op
data van alle IPD-gegevens van 2000-2006 voorafgaand aan de introductie van Prevenar.
** p < 0,005 voor de dekking van 6A waarbij p = 0,002
Otitis media (OM)
In een gepubliceerd onderzoek uitgevoerd in Israël, waarin gebruik werd gemaakt van een primaire
serie van 2 doses plus boosterdosis in het tweede levensjaar, werd het effect van Prevenar 13 op OM
gedocumenteerd in een populatie-gebaseerd, actief surveillancesysteem, waar Israëlische kinderen
jonger dan 2 jaar met OM een kweek van vocht uit het middenoor werd afgenomen via
tympanocentese.
Na de introductie van Prevenar en vervolgens Prevenar 13 daalde de incidentie van 2,1 naar 0,1
gevallen per 1.000 kinderen (95%) voor wat betreft de Prevenar-serotypen plus serotype 6A en nam de
incidentie af van 0,9 naar 0,1 gevallen per 1.000 kinderen (89%) voor wat betreft de additionele
serotypen 1, 3, 5, 7F en 19A in Prevenar 13. De algemene incidentie van pneumokokken-OM op
jaarbasis nam af van 9,6 naar 2,1 gevallen per 1.000 kinderen (78%) tussen juli 2004 (vóór de
introductie van Prevenar) en juni 2013 (na de introductie van Prevenar 13).
Pneumonie
In een observationeel multicenteronderzoek in Frankrijk, waarin de perioden voor en na de overstap
van Prevenar naar Prevenar 13 werden vergeleken, nam op eerstehulpafdelingen het totale aantal
gevallen van buiten het ziekenhuis opgelopen pneumonie (CAP) bij kinderen in de leeftijd van
1 maand tot 15 jaar met 16% (van 2.060 naar 1.725 gevallen) af. De dalingen bedroegen 53% (van 167
naar 79 gevallen) (p < 0,001) voor gevallen van CAP met pleurale effusie en 63% (van 64 naar
24 gevallen) (p < 0,001) voor microbiologisch bevestigde gevallen van door pneumokokken
veroorzaakte CAP. In het tweede jaar na de introductie van Prevenar 13 nam het totale aantal CAP-
gevallen, als gevolg van de 6 additionele vaccinserotypen in Prevenar 13, af van 27 naar 7 isolaten
(74%).
De afname van pneumoniegevallen ongeacht de oorzaak was het meest uitgesproken in de jongere
gevaccineerde leeftijdsgroepen met een afname van respectievelijk 31,8% (van 757 naar 516 gevallen)
en 16,6% (van 833 naar 695 gevallen) in de leeftijdsgroepen < 2 jaar en 2 tot en met 5 jaar. De
incidentie bij de oudere, overwegend niet-gevaccineerde kinderen (> 5 jaar) veranderde niet in de loop
van het onderzoek.
In een lopend surveillancesysteem (2004 tot en met 2013) werd de impact van Prevenar en vervolgens
Prevenar 13 op CAP gedocumenteerd bij kinderen jonger dan 5 jaar in het zuiden van Israël die
werden behandeld met een primaire serie met twee doses met een boosterdosis in het tweede
levensjaar. Na de introductie van Prevenar 13 namen het aantal poliklinische bezoeken en het aantal
ziekenhuisopnames wegens alveolaire CAP af met respectievelijk 68% (95% BI 73; 61) en 32% (95%
BI 39; 22) in vergelijking met de periode voordat Prevenar werd geïntroduceerd.
Effect op nasofaryngeaal dragerschap
Bij een surveillance studie in Frankrijk waarbij kinderen verschijnselen van een acute
middenoorontsteking vertoonden, zijn veranderingen van nasofaryngeaal (NP) dragerschap van
pneumokokkenserotypen geëvalueerd na introductie van Prevenar (7-valent) en vervolgens
Prevenar 13. Prevenar 13 reduceerde significant het NP dragerschap van de 6 additionele serotypen
(en serotype 6C) gecombineerd en de individuele serotypen 6C, 7F, 19A in vergelijking met Prevenar.
Een reductie in dragerschap werd ook gezien bij serotype 3 (2,5% vs. 1,1%; p=0,1). Er werd geen
dragerschap van serotypen 1 en 5 waargenomen.
Prevenar (7-valent vaccin) beschermingswerkzaamheid bij zuigelingen en kinderen
De werkzaamheid van 7-valent Prevenar is geëvalueerd in twee belangrijke studies ­ de 'Northern
California Kaiser Permanente' (NCKP) studie en de 'Finnish Otitis Media' (FinOM) studie. Beide
studies waren gerandomiseerde, dubbelblinde, actief-gecontroleerde studies waarbij zuigelingen
werden gerandomiseerd naar toediening van ofwel Prevenar ofwel een controlevaccin (NCKP,
meningokokken serogroep C CRM-conjugaat [MnCC] vaccin; FinOM, hepatitis B-vaccin) in een vier-
doses serie op een leeftijd van 2, 4, 6, en 12-15 maanden. De resultaten van de werkzaamheid in deze
studies (voor invasieve pneumokokkenziekte, pneumonie en acute otitis media) staan hieronder
weergegeven (Tabel 3).
Tabel 3: Samenvatting van de werkzaamheid van 7-valent Prevenar1
Test
N
VE2
95% CI
NCKP: Vaccin-serotype IPD3
97%
85 ­
30.258
100
NCKP: Klinische pneumonie met abnormale röntgenfoto van de borst
23.746 35%
4 ­ 56
NCKP: Acute Otitis Media (AOM)4
23.746
Totaal aantal episodes
7%
4 ­ 10
Terugkerende AOM (3 episodes in 6 maanden, of 4 episodes in 1 jaar)
9%
3 ­ 15
Terugkerende AOM (5 episodes in 6 maanden, of 6 episodes in 1 jaar)
23%
7 ­ 36
Plaatsing van een trommelvliesbuisje
20%
2 ­ 35
FinOM: AOM
1.662
Totaal aantal episodes
6%
-4 ­ 16
Alle pneumokokken AOM
34%
21 ­ 45
Vaccin-serotype AOM
57%
44 ­ 67
1 Per protocol
2 Vaccinwerkzaamheid
3 Oktober 1995 tot 20 april 1999
4 Oktober 1995 tot 30 april 1998
Effectiviteit van Prevenar (7-valent)
De effectiviteit (zowel direct als indirect effect) van 7-valent Prevenar tegen pneumokokkenziekte is
geëvalueerd in immunisatieprogramma's met zowel drie-doses als twee-doses primaire
zuigelingenseries, alle met boosterdoses (Tabel 4). Na wijdverbreid gebruik van Prevenar is de
incidentie van IPD consistent en substantieel gedaald.
Gebruikmakend van de screeningmethode betroffen schattingen van serotype-specifieke effectiviteit
voor 2 doses onder de leeftijd van 1 jaar in het VK respectievelijk 66% (-29 ­ 91%) en 100% (25 -
100%) voor serotype 6B en 23F.
pneumokokkenziekte
Land
Aanbevolen schema
Ziektevermindering, %
95% CI
(jaar van introductie)
VK (Engeland &
2, 4, + 13 maanden
Vaccin serotypen:
49 ­ 95%
Wales)1 (2006)
Twee doses onder de leeftijd
van 1 jaar: 85%
VS (2000)
2, 4, 6, + 12 ­ 15
maanden
Kinderen <52
Vaccin serotypen: 98%
97 ­ 99%
Alle serotypen: 77%
73 ­ 79%
Personen 653
Vaccin serotypen: 76%
nvt
Alle serotypen: 38%
nvt
Canada (Quebec)4
2, 4, + 12 maanden
Alle serotypen: 73%
nvt
(2004)
Vaccin serotypen:
2-doses zuigelingenserie: 99%
92 - 100%
Volledig schema:100%
82 - 100%
1 Kinderen < 2 jaar. Berekende vaccineffectiviteit vanaf juni 2008 (Broome-methode).
2 2005 data.
3 2004 data.
4 Kinderen < 5 jaar. Januari 2005 tot december 2007. Volledige werkzaamheid voor routine 2+1
schema nog niet beschikbaar.
Acute otitis media
Effectiviteit van Prevenar in een 3+1 schema is ook waargenomen voor acute otitis media en
pneumonie sinds de introductie in een nationaal immunisatieprogramma. In een retrospectieve
evaluatie van een grote verzekeringsdatabase in de Verenigde Staten, waren AOM bezoeken
verminderd met 42,7% (95% CI, 42,4 ­ 43,1%) en voorschriften voor AOM met 41,9% bij kinderen
jonger dan 2 jaar, vergeleken met een baseline van voor registratie (2004 versus 1997-1999). In een
vergelijkbare analyse waren ziekenhuisopnames en poliklinische bezoeken voor pneumonie door alle
oorzaken verminderd met respectievelijk 52,4% en 41,1%. Voor gebeurtenissen specifiek
geïdentificeerd als pneumokokken pneumonie was de waargenomen afname in ziekenhuisopnames en
poliklinische bezoeken respectievelijk 57,6% en 46,9%, bij kinderen jonger dan 2 jaar oud, vergeleken
met een baseline van voor registratie (2004 versus 1997-1999). Hoewel een direct oorzaak-en-gevolg
niet kan worden vastgesteld middels dit type observationele analyses, suggereren deze bevindingen dat
Prevenar een belangrijke rol speelt in het verminderen van de last van mucosale ziekten (AOM en
pneumonie) in de 'target' populatie.
Studie naar de werkzaamheid bij volwassenen van 65 jaar en ouder
De werkzaamheid tegen vaccintype (VT) pneumokokken-CAP en IPD is beoordeeld in een
grootschalige gerandomiseerde, dubbelblinde, placebogecontroleerde studie (Community-Acquired
Pneumonia Immunization Trial in Adults­CAPiTA) in Nederland. Personen van 65 jaar en ouder
(n=84.496) kregen een enkele vaccinatie met Prevenar 13 of placebo in een 1:1 randomisatie.
In de CAPiTA-studie werden vrijwilligers 65 jaar opgenomen van wie de demografische
eigenschappen en gezondheidskenmerken kunnen afwijken van die van personen die zich in de
praktijk laten vaccineren.
Een eerste episode van in het ziekenhuis door een thoraxröntgenfoto bevestigde pneumonie werd
vastgesteld bij ongeveer 2% van deze populatie (n=1.814 personen), waarvan 329 gevallen bevestigd
werden als pneumokokken-CAP en 182 gevallen VT pneumokokken-CAP waren in de per-protocol-
en aangepaste intent-to-treat (mITT)-populaties.
De werkzaamheid werd aangetoond voor de primaire en secundaire eindpunten in de per-
protocolpopulatie (Tabel 5).
CAPiTA-studie (per-protocolpopulatie)
Gevallen
VW (%)
Werkzaamheidseindpunt
p-waarde
Prevenar 13-
Placebo-
(95,2% BI)
Totaal
groep
groep
Primair eindpunt
Eerste episode van bevestigde VT
139
49
90
45,56
0,0006
pneumokokken-CAP
(21,82; 62,49)
Secundaire eindpunten

Eerste episode van bevestigde
NB/NI1 vaccintype pneumokokken-

93
33
60
45,00
0,0067
(14,21; 65,31)
CAP
Eerste episode van VT-IPD2
35
7
28
75,00
0,0005
(41,06; 90,87)
1NB/NI ­ niet-bacteriëmisch/niet-invasief
2VT-IPD ­ vaccintype invasieve pneumokokkenziekte
De beschermende werking tegen een eerste episode van VT pneumokokken-CAP,
NB/NI VT pneumokokken-CAP en VT-IPD hield aan gedurende de volledige studie van vier jaar.
De studie was niet opgezet om de werkzaamheid in subgroepen aan te tonen. Het aantal proefpersonen
85 jaar was niet voldoende om de werkzaamheid in deze leeftijdsgroep aan te tonen.
Er werd een post-hocanalyse gebruikt om de volgende uitkomsten voor de volksgezondheid tegen
klinische CAP te schatten (zoals omschreven in de CAPiTA-studie en gebaseerd op klinische
bevindingen ongeacht radiologisch infiltraat of etiologische bevestiging): vaccinwerkzaamheid (VW),
daling van de incidentiecijfers (IRR, Incidence Rate Reduction) en het aantal mensen dat gevaccineerd
moet worden om één bepaalde gebeurtenis te voorkomen (NNV, Number Needed to Vaccinate)
(Tabel 6).
IRR, ook wel genoemd incidentie van door vaccinatie te voorkomen ziekten, is het aantal gevallen
door vaccinatie te voorkomen ziekten per 100.000 persoonsjaren observatie.
In Tabel 6 is NNV een maat voor het kwantificeren van het aantal mensen dat gevaccineerd moet
worden om één klinisch geval van CAP te voorkomen.
Tabel 6: Vaccinwerkzaamheid (VW) tegen klinische CAP*
Episodes
Vaccinwerkzaamheid1
Incidentie per 100.000
Daling
NNV3
% (95% BI)
persoonsjaren
incidentie-
(1-zijdige p-waarde)
observatie
cijfer2
Prevenar
Placebo
Prevenar
Placebo
(95% BI)
13
13
Analyse
1.375
1.495
8,1
819,1
891,2
72,2
277
van alle
(-0,6; 16,1)
(-5,3;
episodes
(0,034)
149,6)
Analyse
1.126
1.214
7,3
670,7
723,7
53,0
378
van
(-0,4; 14,4)
(-2,7;
eerste
(0,031)
108,7)
episode
* Patiënten met ten minste 2 van de volgende verschijnselen: hoesten; purulent sputum, temperatuur >38°C of
<36,1°C; pneumonie (auscultatorische bevindingen); leukocytose; C-reactieve proteïnewaarde hoger dan 3 keer de
bovengrens van de normaalwaarde; hypoxemie met een partiële zuurstofdruk <60 mm Hg terwijl kamerlucht wordt
ingeademd.
1 Een Poisson regressiemodel met willekeurige effecten werd gebruikt om de VW te berekenen.
2 Per 100.000 persoonsjaren observatie. IRR wordt berekend als de incidentie in de placebogroep minus de incidentie
Immunogeniciteitsonderzoek bij volwassenen 18 jaar en ouderen
Bij volwassenen is geen drempel vastgesteld voor de antilichaamconcentratie voor de
serotypespecifieke pneumokokkenpolysaccharide IgG-binding die bescherming geeft. In alle klinische
hoofdonderzoeken werd een serotypespecifieke opsonofagocytoseproef (OPA) als surrogaat gebruikt
voor de bepaling van de potentiële effectiviteit tegen invasieve pneumokokkenziekte en pneumonie.
De OPA geometrisch gemiddelde titers (GMT's) gemeten 1 maand na elke vaccinatie, werden
berekend. De OPA-titers zijn uitgedrukt als het omgekeerd evenredige van de hoogste
serumverdunning die de overleving van de pneumokokken met ten minste 50% reduceert.
De hoofdonderzoeken voor Prevenar 13 werden opgezet om aan te tonen dat de functionele OPA-
antilichaamrespons voor de 13 serotypen niet-inferieur zijn en voor sommige serotypen superieur aan
de 12 serotypen die Prevenar 13 gemeenschappelijk heeft met het geregistreerde 23-valente
pneumokokkenpolysaccharidevaccin [1, 3, 4, 5, 6B, 7F, 9V, 14, 18C, 19A, 19F, 23F] een maand na
toediening van het vaccin. De respons op serotype 6A, dat uniek is voor Prevenar 13, werd aangetoond
door een 4-voudige toename van de specifieke OPA-titer boven het niveau van voor de immunisatie.
In Europa en de VS werden vijf klinische studies naar de immunogeniciteit van Prevenar 13 in
verschillende leeftijdsgroepen tussen 18 en 95 jaar verricht. Uit klinische studies met Prevenar 13 zijn
momenteel immunogeniciteitsdata van Prevenar 13 bekend bij volwassenen van 18 jaar en ouder,
onder wie volwassenen van 65 jaar en ouder die 5 jaar voor het onderzoek waren gevaccineerd met
een of meer doses van 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin. Elke studie omvatte gezonde en
immuuncompetente volwassenen met stabiele onderliggende aandoeningen waarvan bekend is dat zij
predisponerend zijn voor pneumokokkeninfectie (bijvoorbeeld chronische cardiovasculaire
aandoeningen, chronische longaandoeningen inclusief astma, nieraandoeningen, diabetes mellitus,
chronische leveraandoeningen inclusief leveraandoeningen door alcohol) en volwassenen met
risicofactoren zoals roken en alcoholmisbruik.
De immunogeniciteit en veiligheid van Prevenar 13 zijn aangetoond bij volwassenen van 18 jaar en
ouder met inbegrip van personen die eerder waren gevaccineerd met een pneumokokkenpolysaccha-
ridevaccin.
Volwassenen, niet eerder gevaccineerd met 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin
In een head-to-head, vergelijkend onderzoek bij volwassenen van 60-64 jaar kregen de proefpersonen
een enkele dosis van Prevenar 13 of 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin. In hetzelfde
onderzoek kreeg een andere groep volwassenen van 50-59 jaar oud en een andere groep volwassenen
van 18-49 jaar oud een enkele dosis Prevenar 13.
In tabel 7 worden de OPA GMT's 1 maand na vaccinatie bij 60-64-jarigen die een enkele dosis van
Prevenar 13 of 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin kregen vergeleken met de OPA GMT's
bij 50-59-jarigen die een enkele dosis Prevenar 13 kregen.
pneumokokkenpolysaccharidevaccin (PPSV23) kregen en volwassenen van 50-59 jaar die
Prevenar 13 kregen
a,b,c
Prevenar 13 Prevenar 13 PPSV23
Prevenar 13
Prevenar 13
vergeleken met
50-59 vergeleken met
50-59 jaar
60-64 jaar
60-64 jaar
PPSV23,
60-64 jaar
N=350-384
N=359-404
N=367-402
60-64 jaar
Serotype
GMT
GMT
GMT
GMR
(95% CI)
GMR
(95% CI)
1
200
146
104
1,4
(1,08, 1,73)
1,4
(1,10, 1,78)
3
91
93
85
1,0
(0,81, 1,19)
1,1
(0,90, 1,32)
4
2833
2062
1295
1,4
(1,07, 1,77)
1,6
(1,19, 2,13)
5
269
199
162
1,4
(1,01, 1,80)
1,2
(0,93, 1,62)
6A
4328
2593
213
1,7
(1,30, 2,15)
12,1
(8,63, 17,08)
6B
3212
1984
788
1,6
(1,24, 2,12)
2,5
(1,82, 3,48)
7F
1520
1120
405
1,4
(1,03, 1,79)
2,8
(1,98, 3,87)
9V
1726
1164
407
1,5
(1,11, 1,98)
2,9
(2,00, 4,08)
14
957
612
692
1,6
(1,16, 2,12)
0,9
(0,64, 1,21)
18C
1939
1726
925
1,1
(0,86, 1,47)
1,9
(1,39, 2,51)
19A
956
682
352
1,4
(1,16, 1,69)
1,9
(1,56, 2,41)
19F
599
517
539
1,2
(0,87, 1,54)
1,0
(0,72, 1,28)
23F
494
375
72
1,3
(0,94, 1,84)
5,2
(3,67, 7,33)
a Niet-inferioriteit werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor GMR hoger was
dan 0,5.
b Statistisch significant hogere respons werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI
voor GMR hoger was dan 1.
c Voor serotype 6A, uniek voor Prevenar 13, werd een statistisch significant hogere respons
vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor de GMR hoger was dan 2.
Bij volwassenen van 60-64 jaar waren de OPA GMT's voor Prevenar 13 niet-inferieur aan de OPA
GMT's teweeggebracht door het 23-valente pneumokokkenpolysaccharidevaccin voor de twaalf
serotypen die beide vaccins gemeenschappelijk hebben. Voor 9 serotypen werd aangetoond dat de
OPA-titers statistisch significant hoger waren bij personen die Prevenar 13 kregen.
Bij volwassenen van 50-59 jaar waren de OPA GMT's voor alle 13 serotypen van Prevenar 13 niet-
inferieur aan de responsen op Prevenar 13 bij volwassenen van 60-64 jaar. Voor 9 serotypen waren de
immuunresponsen afhankelijk van de leeftijd: volwassenen in de groep tussen 50-59 jaar hadden
statistisch significant hogere responsen dan volwassenen van 60-64 jaar.
Bij alle volwassenen van 50 jaar en ouder die een enkele dosis Prevenar 13 kregen, waren de OPA-
titers voor serotype 6A significant hoger dan bij volwassenen van 60 jaar en ouder die een enkele
dosis 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin kregen.
Een jaar na vaccinatie met Prevenar 13 waren de OPA-titers afgenomen ten opzichte van een maand
na vaccinatie; de OPA-titers waren voor alle serotypen echter nog steeds hoger dan op baseline:
OPA GMT-niveaus op
OPA GMT-niveaus 1 jaar na
baseline
Prevenar 13
Volwassenen 50-59 jaar die niet eerder
gevaccineerd waren met 23-valent
5 tot 45
20 tot 1.234
pneumokokkenpolysaccharidevaccin
Volwassenen 60-64 jaar die niet eerder
gevaccineerd waren met 23-valent
5 tot 37
19 tot 733
pneumokokkenpolysaccharidevaccin
Tabel 8: OPA GMT's bij volwassenen van 18-49 jaar oud en van 60-64 jaar oud die
Prevenar 13a,b
kregen
18-49 jaar
60-64 jaar
18-49 jaar vergeleken met
N=836-866
N=359-404
60-64 jaar
Serotype
GMTb
GMTb
GMR
(95% CIc)
1
353
146
2,4
(2,03, 2,87)
3
91
93
1,0
(0,84, 1,13)
4
4747
2062
2,3
(1,92, 2,76)
5
386
199
1,9
(1,55, 2,42)
6A
5746
2593
2,2
(1,84, 2,67)
6B
9813
1984
4,9
(4,13, 5,93)
7F
3249
1120
2,9
(2,41, 3,49)
9V
3339
1164
2,9
(2,34, 3,52)
14
2983
612
4,9
(4,01, 5,93)
18C
3989
1726
2,3
(1,91, 2,79)
19A
1580
682
2,3
(2,02, 2,66)
19F
1533
517
3,0
(2,44, 3,60)
23F
1570
375
4,2
(3,31, 5,31)
a Niet-inferioriteit werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor GMR hoger was
dan 0,5.
b Statistisch significant hogere respons werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI
voor GMR hoger was dan 1.
c c De betrouwbaarheidsintervallen (CI) voor de ratio zijn inverse transformaties van een
betrouwbaarheidsinterval op basis van de Student-t-verdeling voor het gemiddelde verschil van de
logaritmen van de metingen.
Bij volwassenen van 18-49 jaar waren de OPA GMT's voor alle 13 serotypen in Prevenar 13 niet-
inferieur aan de responsen op Prevenar 13 bij volwassenen van 60-64 jaar.
Eén jaar na vaccinatie met Prevenar 13 waren de OPA-titers afgenomen vergeleken met één maand na
vaccinatie, maar de OPA-titers voor alle serotypen bleven hoger dan de niveaus op baseline.
OPA GMT niveaus op
OPA GMT niveaus één jaar na
baseline
Prevenar 13
Volwassenen van 18-49 jaar, niet
eerder gevaccineerd met 23-valent
5 tot 186
23 tot 2.948
pneumokokkenpolysaccharidevacci
n
Volwassenen, eerder gevaccineerd met 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin
De immuunresponsen voor Prevenar 13 en 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin werden
vergeleken in een head-to-head onderzoek bij volwassenen van 70 jaar en ouder die ten minste 5 jaar
voor de onderzoeksvaccinatie een enkele dosis pneumokokkenpolysaccharidevaccin hadden gekregen.
In tabel 9 worden de OPA GMT's 1 maand na vaccinatie vergeleken bij met
pneumokokkenpolysaccharidevaccin geïmmuniseerde volwassenen van 70 jaar en ouder die een
enkele dosis van Prevenar 13 of 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin kregen.
70 jaar, die
Prevenar 13 of 23-
valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin (PPSV23) kregena,b,c
Prevenar 13
PPSV23
Prevenar OPA GMT
N=400-426
N=395-445
vergeleken met PPSV23
Serotype
OPA GMT
OPA GMT
GMR
(95% CI)
1
81
55
1,5
(1,17; 1,88)
3
55
49
1,1
(0,91; 1,35)
4
545
203
2,7
(1,93; 3,74)
5
72
36
2,0
(1,55; 2,63)
6A
903
94
9,6
(7,00; 13,26)
6B
1261
417
3,0
(2,21; 4,13)
7F
245
160
1,5
(1,07; 2,18)
9V
181
90
2,0
(1,36; 2,97)
14
280
285
1,0
(0,73; 1,33)
18C
907
481
1,9
(1,42; 2,50)
19A
354
200
1,8
(1,43; 2,20)
19F
333
214
1,6
(1,17; 2,06)
23F
158
43
3,7
(2,69; 5,09)
a Niet-inferioriteit werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor GMR hoger was
dan 0,5.
b Statistisch significant hogere respons werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI
voor GMR hoger was dan 1.
c Voor serotype 6A, uniek voor Prevenar 13, werd een statistisch significant hogere respons
vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor de GMR hoger was dan 2.
Bij volwassenen die ten minste 5 jaar voor het klinisch onderzoek gevaccineerd waren met
pneumokokkenpolysaccharidevaccin waren de OPA GMT's voor Prevenar 13 niet-inferieur aan de
responsen op het 23-valente pneumokokkenpolysaccharidevaccin voor de 12 serotypen die beide
vaccins gemeenschappelijk hebben. Bovendien werden in dit onderzoek statistisch significant hogere
OPA GMT's aangetoond voor 10 van de 12 gemeenschappelijke serotypes. De immuunresponsen
voor serotype 6A waren statistisch significant hoger na vaccinatie met Prevenar 13 dan na 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin.
Een jaar na vaccinatie met Prevenar 13 in volwassenen van 70 jaar en ouder die ten minste 5 jaar voor
het onderzoek met 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin gevaccineerd waren, waren de
OPA-titers afgenomen ten opzichte van een maand na vaccinatie. De OPA-titers waren voor alle
serotypen echter nog steeds hoger dan op baseline:
OPA GMT-niveaus op
OPA GMT-niveaus 1 jaar na
baseline
Prevenar 13
Volwassenen 70 jaar, ten minste 5
jaar voor het onderzoek gevaccineerd
9 tot 122
18 tot 381
met 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin
Immuunresponsen in speciale populaties
Voor personen met de hieronder beschreven aandoeningen geldt een verhoogd risico op
pneumokokkenziekte. De klinische relevantie van de antilichaamspiegels veroorzaakt door Prevenar
13 in deze speciale populaties is onbekend.
Sikkelcelziekte
Een open-label eenarmige studie in Frankrijk, Italië, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten,
Libanon, Egypte en Saoedi-Arabië met 2 doses Prevenar 13, 6 maanden na elkaar gegeven, werd
Aanvullende Prevenar (7-valent) immunogeniciteitsgegevens: kinderen met sikkelcelziekte
De immunogeniciteit van Prevenar is onderzocht in een open-label, multicenter studie onder
49 zuigelingen met sikkelcelziekte. De kinderen werden gevaccineerd met Prevenar (3 doses met een
maand tussen de doses vanaf de leeftijd van 2 maanden) en 46 van deze kinderen kregen ook een
23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin op de leeftijd van 15-18 maanden. Na de eerste
immunisatie had 95,6% van de proefpersonen antilichaamniveaus van ten minste 0,35 µg/ml voor alle
zeven serotypen die in Prevenar aanwezig zijn. Er werd een significante stijging gezien in de
concentraties van antilichamen tegen de zeven serotypen na de polysaccharidevaccinatie, wat
suggereert dat het immunologisch geheugen goed tot stand gekomen was.
Hiv-infectie
Kinderen en volwassenen niet eerder gevaccineerd met een pneumokokkenvaccin
Hiv-geïnfecteerde kinderen en volwassenen met CD4 200 cellen/µl (gemiddeld 717,0 cellen/l),
virusaantal < 50,000 kopieën/ml (gemiddeld 2090,0 kopieën/ml), vrij van actieve aids-gerelateerde
ziekte en niet eerder gevaccineerd met een pneumokokkenvaccin, ontvingen 3 doses Prevenar 13. In
navolging van de algemene aanbevelingen werd vervolgens een enkele dosis 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin toegediend. De vaccins werden met intervallen van 1 maand
toegediend. De immuunresponsen werden bij 259-270 evalueerbare proefpersonen bepaald ongeveer
1 maand na elke vaccindosis. Na de eerste dosis veroorzaakte Prevenar 13 antilichaamspiegels,
gemeten met zowel IgG GMC's als OPA GMT's, die statistisch significant hoger waren dan de
spiegels voorafgaand aan vaccinatie. Na de tweede en derde dosis Prevenar 13 waren de
immuunresponsen vergelijkbaar met of hoger dan die na de eerste dosis.
Volwassenen eerder gevaccineerd met 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin
Hiv-geïnfecteerde volwassenen 18 jaar oud met CD4 200 cellen/µl (gemiddeld 609,1 cellen/µl) en
virusaantal <50.000 kopieën/ml (gemiddeld 330,6 kopieën/ml), die vrij waren van actieve aids-
gerelateerde ziekte, en die ten minste 6 maanden voorafgaand aan inclusie waren gevaccineerd met 23-
valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin, kregen 3 doses Prevenar 13 toegediend, bij inclusie,
6 maanden en 12 maanden na de eerste dosis Prevenar 13. De immuunresponsen werden beoordeeld
bij 231-255 beoordeelbare proefpersonen, ongeveer 1 maand na elke dosis Prevenar 13.
Na de eerste dosis veroorzaakte Prevenar 13 antilichaamresponsen, gemeten met zowel IgG GMC's
als OPA GMT's, die statistisch significant hoger waren dan de spiegels voorafgaand aan vaccinatie.
Na de tweede en derde dosis Prevenar 13 waren de immuunresponsen vergelijkbaar met of hoger dan
die na de eerste dosis. In de studie hadden 162 proefpersonen een eerdere dosis 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin ontvangen, 143 proefpersonen 2 eerdere doses en
26 proefpersonen meer dan 2 eerdere doses 23-valent polysaccharidevaccin. De proefpersonen die
twee of meer eerdere doses 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin kregen, vertoonden een
immuunrespons die vergelijkbaar was met die van proefpersonen die één eerdere dosis kregen.
Hematopoëtische stamceltransplantatie
Kinderen en volwassenen met een allogene hematopoëtische stamceltransplantatie (HSCT) op een
leeftijd van 2 jaar oud met volledige hematologische remissie van onderliggende ziekte of met zeer
goede gedeeltelijke remissie in geval van lymfoom en myeloom, ontvingen drie doses Prevenar 13 met
een interval van ten minste 1 maand tussen de doses. De eerste dosis werd 3 tot 6 maanden na HSCT
toegediend. Een vierde (booster) dosis Prevenar 13 werd 6 maanden na de derde dosis toegediend. In
5.2
Farmacokinetische eigenschappen
Niet van toepassing.
5.3
Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Niet-klinische gegevens duiden niet op een speciaal risico voor mensen. Deze gegevens zijn afkomstig
van conventioneel onderzoek op het gebied van veiligheidsfarmacologie, toxiciteit bij eenmalige en
herhaalde dosering, lokale tolerantie en reproductie- en ontwikkelingstoxiciteit.
6.
FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6.1
Lijst van hulpstoffen
Natriumchloride
Barnsteenzuur
Polysorbaat 80
Water voor injecties
Voor adjuvantia, zie rubriek 2.
6.2
Gevallen van onverenigbaarheid
Bij gebrek aan onderzoek naar onverenigbaarheden, mag dit geneesmiddel niet met andere
geneesmiddelen gemengd worden.
6.3
Houdbaarheid
3 jaar.
6.4
Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Bewaren in de koelkast (2°C ­ 8°C). Niet in de vriezer bewaren.
6.5
Aard en inhoud van de verpakking
0,5 ml suspensie voor injectie in een injectieflacon (Type I glas) met een latexvrije grijze stop van
chloorbutylrubber en afgesloten met een aluminium flip-off-sluiting en een polypropyleen flip-off-
beschermdopje.
Verpakkingsgroottes van 1, 5, 10, 25 en 50.
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
6.6
Speciale voorzorgsmaatregelen voor verwijderen en andere instructies
Tijdens opslag kan een witte neerslag en een helder supernatant worden waargenomen. Dit is geen
teken van bederf.
Geen bijzondere vereisten voor verwijdering.
Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale
voorschriften.
7.
HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Pfizer Europe MA EEIG
Boulevard de la Plaine 17
1050 Brussel
België
8.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
EU/1/09/590/007
EU/1/09/590/008
EU/1/09/590/009
EU/1/09/590/010
EU/1/09/590/011
9.
DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN
DE VERGUNNING

Datum van eerste verlening van de vergunning: 09 december 2009
Datum van laatste verlenging: 18 september 2014
10.
DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees
Geneesmiddelenbureau (http://www.ema.europa.eu).
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Prevenar 13 suspensie voor injectie in een meervoudige dosis container.
pneumokokkenpolysaccharidenconjugaatvaccin (13-valent, geadsorbeerd)
2.
KWALITATIEVE EN KWANTITATIEVE SAMENSTELLING
1 dosis (0,5 ml) bevat:
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 11
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 31
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 41
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 51
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 6A1
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 6B1
4,4 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 7F1
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 9V1
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 141
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 18C1
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 19A1
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 19F1
2,2 µg
Pneumokokkenpolysaccharide serotype 23F1
2,2 µg
1Geconjugeerd aan het dragereiwit CRM197, geadsorbeerd aan aluminiumfosfaat.
1 dosis (0,5 ml) bevat ongeveer 32 µg dragereiwit CRM197 en 0,125 mg aluminium.
Hulpstoffen met bekend effect:
Voor de volledige lijst van hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
Dit is een meervoudige dosis presentatie. Zie rubriek 6.5 voor het aantal doses per container.
3.
FARMACEUTISCHE VORM
Suspensie voor injectie in een meervoudige dosis container (4 doses).
Het vaccin is een homogene witte suspensie.
4.
KLINISCHE GEGEVENS
4.1
Therapeutische indicaties
Actieve immunisatie voor de preventie van invasieve ziekten, pneumonie en acute otitis media
veroorzaakt door Streptococcus pneumoniae bij zuigelingen, kinderen en adolescenten in de leeftijd
van 6 weken tot en met 17 jaar.
Actieve immunisatie voor de preventie van invasieve ziekten en pneumonie veroorzaakt door
Streptococcus pneumoniae bij volwassenen 18 jaar en ouderen.
Zie de rubrieken 4.4 en 5.1 voor informatie over bescherming tegen specifieke
pneumokokkenserotypen.
Het gebruik van Prevenar 13 dient te worden bepaald op basis van officiële aanbevelingen waarbij
rekening wordt gehouden met zowel het risico op invasieve ziekten en pneumonie in verschillende
4.2
Dosering en wijze van toediening
De immunisatieschema's voor Prevenar 13 dienen gebaseerd te zijn op officiële aanbevelingen.
Dosering
Zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar
Het wordt aanbevolen dat zuigelingen die een eerste dosis Prevenar 13 krijgen het vaccinatieschema
met Prevenar 13 afmaken.
Zuigelingen van 6 weken - 6 maanden
Drie-doses primaire serie
De aanbevolen immunisatieserie bestaat uit vier doses, elk van 0,5 ml. De primaire zuigelingenserie
bestaat uit drie doses, de eerste dosis gewoonlijk gegeven op de leeftijd van 2 maanden en met een
interval van ten minste 1 maand tussen de doses. De eerste dosis mag ook al bij zes weken worden
gegeven. De vierde (booster) dosis wordt aanbevolen bij een leeftijd tussen 11 en 15 maanden.
Twee-doses primaire serie
Als Prevenar 13 wordt toegediend als onderdeel van een routinematig immunisatieprogramma voor
zuigelingen, kan ook een schema dat bestaat uit 3 doses, elk van 0,5 ml, worden gegeven. De eerste
dosis kan worden toegediend vanaf een leeftijd van 2 maanden met een tweede dosis 2 maanden later.
De derde (booster) dosis wordt aanbevolen bij een leeftijd tussen 11 en 15 maanden (zie rubriek 5.1).
Te vroeg geboren zuigelingen (zwangerschap < 37 weken)
Bij te vroeg geboren zuigelingen bestaat de aanbevolen immunisatieserie uit vier doses, elk van 0,5
ml. De primaire serie voor zuigelingen bestaat uit drie doses, waarbij de eerste dosis wordt gegeven op
de leeftijd van 2 maanden en er een interval van ten minste 1 maand tussen de doses wordt toegepast.
De eerste dosis mag al bij zes weken worden gegeven. De vierde (booster) dosis wordt aanbevolen bij
een leeftijd tussen 11 en 15 maanden (zie rubrieken 4.4 en 5.1).
Ongevaccineerde zuigelingen en kinderen 7 maanden
Zuigelingen van 7 - 11 maanden
Twee doses, elk van 0,5 ml, met een interval van ten minste 1 maand tussen de doses. Een derde dosis
wordt aanbevolen in het tweede levensjaar.
Kinderen van 12 - 23 maanden
Twee doses, elk van 0,5 ml, met een interval van ten minste 2 maanden tussen de doses (zie rubriek
5.1).
Kinderen en adolescenten van 2 - 17 jaar
Eén enkele dosis van 0,5 ml.
Prevenar 13 vaccinatieschema voor zuigelingen en kinderen voorheen gevaccineerd met Prevenar
(7-valent) (Streptococcus pneumoniae serotypen 4, 6B, 9V, 14, 18C, 19F en 23F)
Prevenar 13 bevat dezelfde 7 serotypen als Prevenar en gebruikt hetzelfde dragereiwit CRM197.
Zuigelingen en kinderen die de immunisatie zijn begonnen met Prevenar kunnen op elk moment in het
schema overstappen op Prevenar 13.
Kinderen en adolescenten van 5 - 17 jaar
Kinderen van 5 tot en met 17 jaar mogen één dosis Prevenar 13 toegediend krijgen indien zij eerder
zijn gevaccineerd met een of meer doses Prevenar. Deze dosis Prevenar 13 moet worden toegediend
ten minste 8 weken na de laatste dosis Prevenar (7-valent) (zie rubriek 5.1).
Volwassenen 18 jaar en ouderen
Eén enkele dosis.
De noodzaak van revaccinatie met een volgende dosis Prevenar 13 is niet vastgesteld.
Als het gebruik van een 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin zinvol wordt geacht, dient
eerst Prevenar 13 gegeven te worden, ongeacht de eerdere pneumokokkenvaccinatiestatus (zie de
rubrieken 4.5 en 5.1).
Speciale populaties
Personen die onderliggende aandoeningen hebben waardoor ze gevoelig zijn voor invasieve
pneumokokkenziekte (zoals sikkelcelziekte of hiv-infectie), waaronder diegenen die eerder zijn
gevaccineerd met een of meerdere doses 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin, mogen
minimaal één dosis Prevenar 13 toegediend krijgen (zie rubriek 5.1).
Bij personen met een hematopoëtische stamceltransplantatie (HSCT) bestaat de aanbevolen
immunisatieserie uit vier doses Prevenar 13 van elk 0,5 ml. De primaire serie bestaat uit drie doses,
waarbij de eerste dosis 3 tot 6 maanden na HSCT wordt gegeven en met een interval van ten minste
1 maand tussen de doses. Een vierde (booster) dosis wordt aanbevolen 6 maanden na de derde dosis
(zie rubriek 5.1).
Wijze van toediening
Het vaccin dient te worden toegediend als intramusculaire injectie. De voorkeursplaatsen zijn het
anterolaterale aspect van de dij (musculus vastus lateralis) bij de zuigeling of de deltoïdeusspier van de
bovenarm bij kinderen en volwassenen.
4.3
Contra-indicaties
Overgevoeligheid voor de werkzame stoffen of voor een van de in rubriek 6.1 vermelde hulpstoffen of
voor het difterietoxoïd.
Zoals dat ook voor andere vaccins geldt, dient de toediening van Prevenar 13 te worden uitgesteld bij
patiënten die aan een acute, ernstige ziekte met koorts lijden. Echter, aanwezigheid van een milde
infectie, zoals een verkoudheid, dient geen uitstel van vaccinatie tot gevolg te hebben.
4.4
Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
Prevenar 13 mag niet intravasculair worden toegediend.
Zoals bij alle injecteerbare vaccins dienen passende medische behandeling en toezicht altijd direct
beschikbaar te zijn voor het geval zich in zeldzame gevallen een anafylactische reactie voordoet na
toediening van het vaccin.
Prevenar 13 zal alleen beschermen tegen serotypen van Streptococcus pneumoniae die zich in het
vaccin bevinden, en zal geen bescherming bieden tegen andere micro-organismen die invasieve
ziekten, pneumonie of otitis media veroorzaken. Zoals voor elk vaccin geldt, kan het zijn dat
Prevenar 13 niet alle personen die het vaccin krijgen beschermt tegen pneumokokkenziekte.
Raadpleeg de desbetreffende nationale organisatie voor de meest recente epidemiologische informatie
in uw land.
Bij personen met verminderde immuunresponsiviteit, door het gebruik van immunosuppressiva,
genetische afwijkingen, hiv (humaan immunodeficiëntievirus-)infectie of andere oorzaken, kan de
antilichaamrespons op actieve immunisatie verminderd zijn.
Over een beperkt aantal personen met sikkelcelziekte, hiv-infectie of een hematopoëtische
stamceltransplantatie zijn veiligheids- en immunogeniciteitsgegevens beschikbaar (zie rubriek 5.1).
Over personen uit andere specifieke immuungecompromitteerde groepen (bijvoorbeeld maligniteiten
of nefrotisch syndroom) zijn geen veiligheids- en immunogeniciteitsgegevens voor Prevenar 13
beschikbaar. Vaccinatie dient dan op individuele basis te worden overwogen.
Dit geneesmiddel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per dosis, dat wil zeggen dat het in
essentie 'natriumvrij' is.
Zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar
In klinische studies bracht Prevenar 13 een immuunrespons teweeg voor alle dertien serotypen in het
vaccin. De immuunrespons voor serotype 3 was na de boosterdosis niet toegenomen boven het niveau
na de zuigelingenvaccinatieseries; de klinische relevantie van deze observatie voor de inductie van
immunologisch geheugen voor serotype 3 is onbekend (zie rubriek 5.1).
Het aandeel van functionele antilichaamresponders (OPA-titers 1:8) op serotypen 1, 3 en 5 was
hoog. Echter, de OPA geometrische gemiddelde titers waren lager dan die voor elk van de
overgebleven additionele vaccinserotypen; de klinische relevantie van deze waarneming voor de
beschermende werkzaamheid is niet bekend (zie rubriek 5.1).
Beperkte gegevens hebben aangetoond dat Prevenar 7-valent (primaire serie van drie doses) een
acceptabele immuunrespons induceert bij kinderen met sikkelcelziekte met een veiligheidsprofiel
vergelijkbaar met dat wat bij niet-hoog-risicogroepen werd waargenomen (zie rubriek 5.1).
Kinderen onder de 2 jaar dienen de bij de leeftijd passende Prevenar 13-vaccinatieserie te krijgen (zie
rubriek 4.2). Het gebruik van pneumokokkenconjugaatvaccin vervangt niet het gebruik van 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin bij kinderen 2 jaar met aandoeningen die hen een groter risico
opleveren voor invasieve ziekten veroorzaakt door Streptococcus pneumoniae (zoals sikkelcelziekte,
asplenie, hiv-infectie, chronische ziekten, of zij die immuungecompromitteerd zijn). Wanneer
aanbevolen dienen kinderen met een leeftijd 24 maanden die risico lopen en al eerder Prevenar 13
('priming') hebben gehad het 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin te ontvangen. Het
interval tussen de toediening van het 13-valent pneumokokkenconjugaatvaccin (Prevenar 13) en het
23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin dient niet minder dan 8 weken te bedragen. Er zijn
geen gegevens beschikbaar die aangeven of toediening van 23-valent pneumokokkenpolysaccharide-
vaccin aan ongevaccineerde kinderen of kinderen die eerder Prevenar 13 hebben gehad zou kunnen
resulteren in hyporesponsiviteit op verdere doses Prevenar 13.
Bij vaccinserotypen wordt verwacht dat de bescherming tegen otitis media lager is dan de
bescherming tegen invasieve ziekten. Aangezien otitis media wordt veroorzaakt door vele andere
organismen dan de pneumokokkenserotypen die in het vaccin gerepresenteerd worden, wordt
verwacht dat de bescherming tegen alle otitis media laag is (zie rubriek 5.1).
Wanneer Prevenar 13 gelijktijdig wordt toegediend met Infanrix hexa (DTPa-HBV-IPV/Hib), komt
het aantal koortsreacties dat optreedt overeen met het aantal dat wordt waargenomen bij gelijktijdige
toediening van Prevenar (7-valent) en Infanrix hexa (zie rubriek 4.8). Een verhoogd aantal meldingen
van convulsies (met of zonder koorts) en hypotonisch hyporesponsieve episode (HHE) zijn
waargenomen bij gelijktijdige toediening van Prevenar 13 en Infanrix hexa (zie rubriek 4.8).
Antipyretische behandeling dient te worden gestart in overeenstemming met de plaatselijke
behandelingsrichtlijnen voor kinderen met epileptische stoornissen of kinderen met een
voorgeschiedenis van koortsstuipen en voor alle kinderen die Prevenar 13 tegelijkertijd krijgen
toegediend met vaccins die volledige cellen van pertussis bevatten.
4.5
Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar
Prevenar 13 kan gelijktijdig worden toegediend met elk van de volgende vaccinantigenen, hetzij als
monovalent of als combinatievaccins: difterie, tetanus, acellulaire pertussis of pertussis met volledige
cellen, Haemophilus influenzae type b, geïnactiveerde poliomyelitis, hepatitis B (zie rubriek 4.4 voor
advies over Infanrix hexa), meningokokken serogroep C, mazelen, de bof, rubella, varicella en het
vaccin tegen rotavirus.
Prevenar 13 kan ook gelijktijdig worden toegediend tussen 12-23 maanden met het tetanustoxoïd-
meningokokkenpolysaccharideconjugaatvaccin serogroepen A, C, W en Y aan kinderen die voldoende
geprimed zijn met Prevenar 13 (volgens lokale aanbevelingen).
Gegevens uit een klinische postmarketingstudie die de impact van het profylactisch gebruik van
antipyretica evalueerde (ibuprofen en paracetamol) op de immuunrespons van Prevenar 13 suggereren
dat toediening van paracetamol, gelijktijdig of op dezelfde dag als de vaccinatie, de immuunrespons
van Prevenar 13 na de zuigelingenseries kan reduceren. Responsen op de boosterdosis toegediend bij
12 maanden waren onveranderd. De klinische significantie van deze observatie is niet bekend.
Kinderen en adolescenten van 6 tot en met 17 jaar
Momenteel zijn geen gegevens beschikbaar over het gelijktijdig gebruik met andere vaccins.
Volwassenen van 18 tot en met 49 jaar
Er zijn geen gegevens beschikbaar over het gelijktijdig gebruik met andere vaccins.
Volwassenen van 50 jaar en ouder
Prevenar 13 kan gelijktijdig met het trivalente geïnactiveerde seizoenvaccin tegen influenza (TIV)
worden toegediend.
In twee onderzoeken bij volwassenen van 50-59 jaar en 65 jaar en ouder werd aangetoond dat
Prevenar 13 gelijktijdig met het trivalente geïnactiveerde influenzavaccin (TIV) kan worden
Als Prevenar 13 gelijktijdig met TIV werd toegediend, was de immuunrespons op Prevenar 13 lager in
vergelijking met de toediening van Prevenar 13 alleen. Er was echter geen langetermijnimpact op de
circulerende antilichaamniveaus.
In een derde onderzoek bij volwassenen in de leeftijd van 50-93 jaar werd aangetoond dat Prevenar 13
gelijktijdig met het quadrivalente geïnactiveerde seizoenvaccin tegen influenza (QIV) kan worden
toegediend. De immuunresponsen op alle vier QIV-stammen waren niet inferieur als Prevenar 13
gelijktijdig met QIV werd toegediend in vergelijking met de toediening van QIV alleen.
De immuunresponsen op Prevenar 13 waren niet inferieur als Prevenar 13 gelijktijdig met QIV werd
toegediend in vergelijking met de toediening van Prevenar 13 alleen. Zoals bij gelijktijdige toediening
met trivalente vaccins, waren de immuunresponsen op sommige pneumokokkenserotypen lager als
beide vaccins gelijktijdig werden toegediend.
Gelijktijdig gebruik met andere vaccins is niet onderzocht.
Verschillende injecteerbare vaccins moeten altijd op verschillende vaccinatieplaatsen worden
toegediend.
Gelijktijdige toediening van Prevenar 13 en 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin is niet
onderzocht. Als in klinisch onderzoek Prevenar 13 1 jaar na 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin werd toegediend, waren de immuunresponsen voor alle
serotypen lager dan als Prevenar 13 werd toegediend aan proefpersonen die niet eerder waren
geïmmuniseerd met het 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin. De klinische significantie
hiervan is niet bekend.
4.6
Vruchtbaarheid, zwangerschap en borstvoeding
Zwangerschap
Er zijn geen gegevens over het gebruik van 13-valent pneumokokkenconjugaatvaccin bij zwangere
vrouwen. Daarom dient het gebruik van Prevenar 13 vermeden te worden tijdens de zwangerschap.
Borstvoeding
Het is niet bekend of 13-valent pneumokokkenconjugaatvaccin wordt uitgescheiden in de
moedermelk.
Vruchtbaarheid
De resultaten van dieronderzoek duiden niet op directe of indirecte schadelijke effecten wat betreft
reproductietoxiciteit (zie rubriek 5.3).
4.7
Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Prevenar 13 heeft geen of een verwaarloosbare invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om
machines te bedienen. Sommige bijwerkingen die genoemd worden in rubriek 4.8 'Bijwerkingen'
kunnen echter de rijvaardigheid of het vermogen om machines te bedienen tijdelijk beïnvloeden.
4.8
Bijwerkingen
Analyse van postmarketingmeldingen suggereren een potentieel verhoogd risico op convulsies, met of
zonder koorts, en HHE bij vergelijking van groepen die Prevenar 13 met Infanrix hexa gebruiken ten
opzichte van groepen die alleen Prevenar 13 gebruiken.
Zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar
De veiligheid van het vaccin werd beoordeeld in verschillende gecontroleerde klinische studies
waarbij 14.267 doses werden gegeven aan 4.429 gezonde zuigelingen van 6 weken bij de eerste
vaccinatie en 11-16 maanden bij de boosterdosis. Bij alle zuigelingenstudies werd Prevenar 13
gelijktijdig toegediend met routinematig toegediende kindervaccins (zie rubriek 4.5).
De veiligheid werd ook beoordeeld bij 354 voorheen ongevaccineerde kinderen (met een leeftijd van
7 maanden tot en met 5 jaar).
De meest gemelde bijwerkingen bij kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar waren reacties op de plaats
van vaccinatie, koorts, prikkelbaarheid, verminderde eetlust en meer en/of minder slapen.
In een klinische studie bij zuigelingen die werden gevaccineerd op de leeftijd van 2, 3 en 4 maanden
waren er meer meldingen van koorts 38°C bij de kinderen die Prevenar (7-valent) gelijktijdig kregen
toegediend met Infanrix hexa (28,3% tot 42,3%) dan bij kinderen die alleen Infanrix hexa kregen
(15,6% tot 23,1%). Na een boosterdosis op de leeftijd van 12 tot en met 15 maanden werd koorts
38°C gemeld bij 50% van de kinderen die Prevenar (7-valent) en Infanrix hexa gelijktijdig kregen
toegediend, in vergelijking met 33,6% van de kinderen die alleen Infanrix hexa kregen toegediend.
Deze koortsreacties waren meestal matig ernstig (lager dan of gelijk aan 39 °C) en van voorbijgaande
aard.
Een verhoging van reacties op de plaats van vaccinatie werd gemeld bij kinderen ouder dan
12 maanden vergeleken met de percentages waargenomen bij zuigelingen gedurende de primaire
series met Prevenar 13.
Bijwerkingen uit klinische studies
In klinische studies was het veiligheidsprofiel van Prevenar 13 vergelijkbaar met dat van Prevenar. De
volgende frequenties zijn gebaseerd op bijwerkingen die zijn beoordeeld in klinische studies met Prevenar 13:
Immuunsysteemaandoeningen:
Zelden:
Overgevoeligheidsreacties inclusief gezichtsoedeem, dyspneu, bronchospasme
Zenuwstelselaandoeningen:
Soms:
Insulten (inclusief febriele insulten)
Zelden:
Hypotoon-hyporesponsieve episode
Maagdarmstelselaandoeningen:
Zeer vaak:
Verminderde eetlust
Vaak:
Braken, diarree
Huid- en onderhuidaandoeningen:
Vaak:
Uitslag
Soms:
Urticaria of urticaria-achtige uitslag
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen:
Zeer vaak:
Pyrexie, prikkelbaarheid, erytheem op de plaats van vaccinatie, induratie/zwelling of
pijn/gevoeligheid, slaperigheid, slecht slapen
Erytheem op de plaats van vaccinatie of induratie/zwelling 2,5 cm­7,0 cm (na de
boosterdosis en bij oudere kinderen [leeftijd 2 tot en met 5 jaar])
Pyrexie > 39°C, bewegingsbeperking op de plaats van vaccinatie (door pijn),
erytheem op de plaats van vaccinatie of induratie/zwelling 2,5 cm ­ 7,0 cm (na de
zuigelingenserie)
Soms:
Erytheem op de plaats van vaccinatie, induratie/zwelling >7,0 cm, huilen
Aanvullende informatie in speciale populaties
Apneu bij zeer premature kinderen ( 28 weken zwangerschap) (zie rubriek 4.4).
Kinderen en adolescenten van 6 tot en met 17 jaar
De veiligheid werd geëvalueerd bij 592 kinderen (294 kinderen van 5 tot en met 10 jaar die eerder
waren geïmmuniseerd met ten minste één dosis Prevenar, en bij 298 kinderen van 10 tot en met 17 jaar
die niet eerder een pneumokokkenvaccin hadden gekregen).
De meest voorkomende bijwerkingen bij kinderen en adolescenten van 6 tot en met 17 jaar waren:
Zenuwstelselaandoeningen:
Vaak:
Hoofdpijn
Maagdarmstelselaandoeningen:
Zeer vaak:
Verminderde eetlust
Vaak:
Braken, diarree
Huid- en onderhuidaandoeningen:
Vaak:
Huiduitslag, urticaria of urticaria-achtige huiduitslag
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen:
Zeer vaak:
Prikkelbaarheid, erytheem op de vaccinatieplaats, induratie/zwelling of
pijn/gevoeligheid, slaperigheid, slecht slapen, gevoeligheid op de vaccinatieplaats
(inclusief bewegingsbeperking)
Vaak:
Koorts
Andere bijwerkingen die eerder zijn waargenomen bij zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met
5 jaar kunnen ook op deze leeftijdsgroep van toepassing zijn, maar zijn niet in dit onderzoek
waargenomen, mogelijk door de kleine steekproefgrootte.
Aanvullende informatie over speciale populaties
Kinderen en adolescenten met sikkelcelziekte, hiv-infectie of een hematopoëtische
stamceltransplantatie hebben vergelijkbare frequenties van bijwerkingen, behalve dat hoofdpijn,
braken, diarree, pyrexie, vermoeidheid, artralgie en myalgie zeer vaak voorkwamen.
Volwassenen 18 jaar en ouderen
De veiligheid werd beoordeeld in 7 klinische onderzoeken met 91.593 volwassenen in de leeftijd van
18 tot en met 101 jaar. Prevenar 13 werd toegediend aan 48.806 volwassenen; 2.616 (5,4%) in de
leeftijd van 50 tot en met 64 jaar en 45.291 (92,8%) van 65 jaar en ouder. Aan een van de
7 onderzoeken nam een groep volwassenen deel (n=899) met een leeftijd die varieerde van 18 tot en
met 49 jaar die Prevenar 13 kregen en die niet eerder waren gevaccineerd met 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin. Van de volwassenen die Prevenar 13 kregen, waren er 1.916
eerder gevaccineerd met het 23-valente pneumokokkenpolysaccharidevaccin ten minste 3 jaar voor de
onderzoeksvaccinatie; 46.890 hadden niet eerder het 23-valente pneumokokkenpolysaccharidevaccin
gekregen.
Een trend naar een lagere frequentie van bijwerkingen werd geassocieerd met hogere leeftijd;
volwassenen > 65 jaar oud (ongeacht eerdere pneumokokkenvaccinatiestatus) meldden minder
bijwerkingen dan jongere volwassenen, waarbij de bijwerkingen in het algemeen het vaakst
voorkwamen bij de jongste volwassenen, namelijk die van 18 tot en met 29 jaar oud.
Bijwerkingen uit klinische studies
In 6 studies werden de lokale en systemische reacties na elke vaccinatie 14 dagen lang bijgehouden; in
de resterende studie gebeurde dit gedurende 7 dagen. De volgende frequenties zijn gebaseerd op
bijwerkingen beoordeeld in klinische studies van Prevenar 13 bij volwassenen:
Voedings- en stofwisselingsstoornissen:
Zeer vaak:
Verminderde eetlust
Zenuwstelselaandoeningen:
Zeer vaak:
Hoofdpijn
Maagdarmstelselaandoeningen:
Zeer vaak:
Diarree, braken (bij volwassenen van 18 tot en met 49 jaar)
Vaak:
Braken (bij volwassenen van 50 jaar en ouder)
Soms:
Misselijkheid
Immuunsysteemaandoeningen:
Soms:
Overgevoeligheidsreacties, waaronder oedeem in het gezicht, dyspnoe,
bronchospasmen
Huid- en onderhuidaandoeningen:
Zeer vaak:
Huiduitslag
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen:
Zeer vaak:
Koude rillingen, vermoeidheid, roodheid op de vaccinatieplaats, induratie of zwelling
op de vaccinatieplaats; pijn/gevoeligheid op de vaccinatieplaats (ernstige
pijn/gevoeligheid op de vaccinatieplaats komt zeer vaak voor bij volwassenen van 18
tot en met 39 jaar); beperking van de armbeweging (ernstige beperking van de
armbeweging komt zeer vaak voor bij volwassenen van 18 tot en met 39 jaar).
Vaak:
Koorts (komt zeer vaak voor bij volwassenen van 18 tot en met 29 jaar).
Soms:
Lymfadenopathie in het gebied van de vaccinatieplaats.
Skeletspierstelsel- en bindweefselaandoeningen:
Zeer vaak:
Spier- en gewrichtspijn.
In het algemeen werden geen significante verschillen in de frequentie van bijwerkingen waargenomen
bij toediening van Prevenar 13 aan volwassenen die eerder geïmmuniseerd waren met het
pneumokokkenpolysaccharidevaccin.
Aanvullende informatie over speciale populaties
Volwassenen met hiv-infectie hebben vergelijkbare frequenties van bijwerkingen, behalve dat pyrexie
en braken zeer vaak voorkwamen en misselijkheid vaak.
Volwassenen met een hematopoëtische stamceltransplantatie hebben vergelijkbare frequenties van
bijwerkingen, behalve dat pyrexie en braken zeer vaak voorkwamen.
Als Prevenar 13 gelijktijdig met trivalent, geïnactiveerd influenzavaccin (TIV) werd toegediend,
werden hogere frequenties van een aantal bijgehouden systemische reacties waargenomen dan bij
Bijwerkingen van Prevenar 13 tijdens postmarketingervaring
De volgende geneesmiddelbijwerkingen worden beschouwd als bijwerkingen van Prevenar 13; omdat
deze reacties zijn gebaseerd op spontane meldingen, konden de frequenties niet worden bepaald en
worden deze daarom als niet bekend beschouwd.
Bloed- en lymfestelselaandoeningen:
Lymfadenopathie (gelokaliseerd in het gebied rond de vaccinatieplaats)
Immuunsysteemaandoeningen:
Anafylactische/anafylactoïde reacties waaronder shock, angio-oedeem
Huid- en onderhuidaandoeningen:
Erythema multiforme
Algemene aandoeningen en toedieningsplaatsstoornissen:
Urticaria op de vaccinatieplaats, dermatitis op de vaccinatieplaats, pruritus op de
vaccinatieplaats, blozen
Melding van vermoedelijke bijwerkingen
Het is belangrijk om na toelating van het geneesmiddel vermoedelijke bijwerkingen te melden. Op
deze wijze kan de verhouding tussen voordelen en risico's van het geneesmiddel voortdurend worden
gevolgd. Beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg wordt verzocht alle vermoedelijke bijwerkingen
te melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in aanhangsel V.
4.9
Overdosering
Bij zuigelingen en kinderen zijn er meldingen geweest van overdosering met Prevenar 13 gedefinieerd als
gevallen van opvolgende doses die dichter op elkaar zijn toegediend dan is aanbevolen. Bijwerkingen die
gemeld zijn bij overdosering zijn in het algemeen vergelijkbaar met de bijwerkingen die gemeld worden bij
doses in het aanbevolen schema van Prevenar 13 voor kinderen.
5.
FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1 Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: vaccins, pneumokokkenvaccins, ATC-code: J07AL02.
Prevenar 13 bevat de 7 pneumokokken capsulaire polysacchariden die ook in Prevenar zitten (4, 6B,
9V, 14, 18C, 19F, 23F) plus 6 additionele polysacchariden (1, 3, 5, 6A, 7F, 19A), alle geconjugeerd
aan CRM197 dragereiwit.
Ziektelast
Zuigelingen en kinderen van 6 weken tot en met 5 jaar oud
Gebaseerd op serotype surveillance in Europa uitgevoerd vóór de introductie van Prevenar, wordt
geschat dat Prevenar 13 een dekking heeft van 73-100% (afhankelijk van het land) van serotypen die
invasieve pneumokokkenziekten (IPD) veroorzaken bij kinderen jonger dan 5 jaar. In deze
leeftijdsgroep dragen serotypen 1, 3, 5, 6A, 7F en 19A voor 15,6% tot 59,7% bij aan invasieve ziekte,
afhankelijk van het land, de bestudeerde tijdsperiode en het gebruik van Prevenar.
Geschat wordt dat Prevenar 13 een dekking geeft van 90% van de serotypen die antimicrobieel
resistente IPD veroorzaken.
Kinderen en adolescenten van 6 tot en met 17 jaar
Bij kinderen en adolescenten van 6 tot en met 17 jaar is de incidentie van pneumokokkenziekte laag,
maar er is een grotere kans op morbiditeit en mortaliteit bij personen met onderliggende
comorbiditeiten.
Volwassenen 18 jaar en ouderen
Pneumonie is de meest voorkomende klinische verschijningsvorm van pneumokokkenziekte bij
volwassenen.
De gemelde incidentie van buiten het ziekenhuis opgelopen pneumonie (CAP) en IPD in Europa
verschilt per land, neemt vanaf het vijftigste levensjaar toe met de jaren en is het hoogst bij mensen
65 jaar. S. pneumoniae is de meest voorkomende oorzaak van CAP, en is in ontwikkelde landen
verantwoordelijk voor naar schatting circa 30% van alle gevallen van CAP bij volwassenen waarbij
ziekenhuisopname noodzakelijk is.
Bacteriëmische pneumonie (ongeveer 80% van de IPD-gevallen bij volwassenen), bacteriëmie zonder
een focus en meningitis zijn de meest voorkomende manifestaties van IPD bij volwassenen. Uit
surveillance gegevens blijkt dat na de introductie van Prevenar maar voor de introductie van
Prevenar 13 in jeugdvaccinatieprogramma's de pneumokokkenserotypen in Prevenar 13
verantwoordelijk kunnen zijn voor ten minste 50-76% (afhankelijk van het land) van de IPD-gevallen
bij volwassenen.
Het risico op CAP en IPD bij volwassenen is ook hoger bij onderliggende chronische medische
aandoeningen, met name anatomische of functionele asplenie, diabetes mellitus, astma, chronische
cardiovasculaire, pulmonale, nier- of leveraandoening, en is het hoogst bij diegenen bij wie sprake is
van immuunsuppressie zoals bij personen met een maligne hematologische aandoening of hiv-infectie.
Prevenar 13 klinische immunogeniciteitsstudies bij zuigelingen, kinderen en adolescenten
De beschermende werkzaamheid van Prevenar 13 tegen IPD is niet bestudeerd. Zoals aanbevolen door
de World Health Organization (WHO) is de beoordeling van de mogelijke werkzaamheid tegen IPD
bij zuigelingen en jonge kinderen gebaseerd op een vergelijking van immuunresponsen op de zeven
gemeenschappelijke serotypen, aanwezig in zowel Prevenar 13 als Prevenar, waarvoor beschermende
werkzaamheid is bewezen (voor werkzaamheid van Prevenar (7-valent) bij zuigelingen en kinderen,
zie hieronder). Immuunresponsen op de overige 6 serotypen werden ook gemeten.
Studie van Prevenar 13 dat 2-fenoxyethanol (2-PE) als conserveermiddel bevat:
De veiligheid en immunogeniciteit van Prevenar 13 dat het conserveermiddel 2-PE bevat (geleverd in
een meervoudige dosis container) gegeven aan gezonde zuigelingen op de leeftijd van 8, 12 en
16 weken werden vergeleken met Prevenar 13 zonder het toegevoegde conserveermiddel
(250 zuigelingen per groep).
De pneumokokken-immuunresponsen werden vergeleken met behulp van non-inferioriteitscriteria,
inclusief het percentage proefpersonen met een serum anti-polysaccharide serotype-specifieke IgG-
concentratie van 0,35 g/ml en de vergelijking van IgG GMC's één maand na de zuigelingenserie.
Daarnaast werden de GMT's van functionele antilichaamtiters (OPA's) vergeleken tussen
proefpersonen die Prevenar 13 met of zonder 2-PE kregen.
De OPA GMT's waren in beide groepen hetzelfde, behalve voor serotype 3, welke lager was, en voor
serotype 18C, welke hoger was, in de groep die Prevenar 13 met 2-PE kreeg.
Studies van Prevenar 13 zonder 2-PE als conserveermiddel
Immuunresponsen na een drie-doses primaire zuigelingenserie
Klinische studies zijn uitgevoerd in een aantal Europese landen en in de Verenigde Staten waarbij
gebruik is gemaakt van meerdere vaccinatieschema's, waaronder twee gerandomiseerde non-
inferioriteitstudies (Duitsland, waar een 2, 3, 4 maanden primaire serie werd gebruikt [006] en de
Verenigde Staten waar een 2, 4, 6 maanden primaire serie werd gebruikt [004]). In deze twee studies
werden pneumokokken-immuunresponsen vergeleken met behulp van een aantal non-
inferioriteitscriteria, waaronder het percentage proefpersonen met serum anti-polysaccharide serotype-
specifiek IgG 0,35 g/ml één maand na de primaire serie en de vergelijking van IgG geometrisch
gemiddelde concentraties (ELISA GMC's); eveneens werden functionele antilichaamtiters (OPA)
tussen proefpersonen die Prevenar 13 en Prevenar kregen vergeleken. Voor de zes overige serotypen
werden deze waarden vergeleken met de laagste respons onder alle zeven gemeenschappelijke
serotypen bij degenen die Prevenar kregen.
De non-inferioriteit immuunresponsvergelijkingen voor studie 006, gebaseerd op het deel van de
zuigelingen dat anti-polysaccharide IgG-concentraties 0,35 g/ml bereikte, zijn weergegeven in
Tabel 1. De resultaten voor studie 004 waren vergelijkbaar. Prevenar 13 non-inferioriteit (ondergrens
van het 95% betrouwbaarheidsinterval voor het verschil in percentage van responders bij 0,35 µg/ml
tussen de groepen was > -10%) werd aangetoond voor alle 7 gemeenschappelijke serotypen behalve
voor serotype 6B in studie 006 en serotypen 6B en 9V in studie 004 welke het met een kleine marge
niet haalden. Alle zeven gemeenschappelijke serotypen bereikten de vooraf gedefinieerde non-
inferioriteitscriteria voor IgG ELISA GMC's. Prevenar 13 wekte vergelijkbare, hoewel gering lagere,
antilichaamniveaus op met Prevenar voor de 7 gemeenschappelijke serotypen. De klinische
significantie van deze verschillen is niet bekend.
Non-inferioriteit werd bereikt voor de 6 additionele serotypen gebaseerd op het deel van de
zuigelingen dat antilichaamconcentraties van 0,35 g/ml bereikte en vergelijking van IgG ELISA
GMC's in studie 006 en werd bereikt voor 5 van de 6 serotypen, met uitzondering van serotype 3 in
studie 004. Voor serotype 3 waren de percentages kinderen met serum IgG 0,35 g/ml die
Prevenar 13 hadden gekregen 98,2% (studie 006) en 63,5% (studie 004).
polysaccharide IgG antilichaamconcentratie bereikte van 0,35 g/ml na dosis 3 van de
zuigelingen series ­ studie 006
Prevenar 13
7-valent Prevenar
%
%
Verschil
Serotypen
(N=282-285)
(N=277-279)
(95 % CI)
7-valent Prevenar serotypen
4
98,2
98,2
0,0 (-2,5 ­ 2,6)
6B
77,5
87,1
-9,6 (-16,0 ­ -3,3)
9V
98,6
96,4
2,2 (-0,4 ­ 5,2)
14
98,9
97,5
1,5 (-0,9 ­ 4,1)
18C
97,2
98,6
-1,4 (-4,2 ­ 1,2)
19F
95,8
96,0
-0,3 (-3,8 ­ 3,3)
23F
88,7
89,5
-0,8 (-6,0 ­ 4,5)
Additionele serotypen in Prevenar 13
1
96,1
87,1*
9,1 (4,5 ­ 13,9)
3
98,2
87,1
11,2 (7,0 ­ 15,8)
5
93,0
87,1
5,9 (0,8 ­ 11,1)
6A
91,9
87,1
4,8 (-0,3 ­ 10,1)
7F
98,6
87,1
11,5 (7,4 ­ 16,1)
19A
99,3
87,1
12,2 (8,3 ­ 16,8)
* Het serotype in Prevenar met het laagste responspercentage was 6B in studie 006 (87,1%)
Prevenar 13 wekte functionele antilichamen tegen alle 13 vaccinserotypen in studies 004 en 006 op.
Voor de 7 gemeenschappelijke serotypen waren er geen verschillen tussen de groepen in het deel van
de proefpersonen met OPA-titers 1:8. Voor elk van de zeven gemeenschappelijke serotypen
bereikten > 96% en > 90% van de kinderen die Prevenar 13 kregen een OPA-titer 1:8 één maand na
de primaire serie in respectievelijk studie 006 en 004.
Voor elk van de 6 additionele serotypen wekte Prevenar 13 OPA-titers 1:8 bij 91,4% tot 100% van
de gevaccineerden op, één maand na de primaire serie in studies 004/006. De functionele antilichaam
(OPA) geometrische gemiddelde titers voor serotypen 1, 3 en 5 waren lager dan de titers voor elk van
de andere additionele serotypen; de klinische relevantie van deze waarneming op beschermende
werkzaamheid is onbekend.
Immuunresponsen op een twee-doses primaire serie bij zuigelingen
De immunogeniciteit na twee doses bij zuigelingen is gedocumenteerd in vier studies. Het deel van de
zuigelingen dat een pneumokokken anti-capsulaire polysaccharide IgG-concentratie 0,35 g/ml
bereikte één maand na de tweede dosis varieerde van 79,6% tot 98,5% voor 11 van de
13 vaccinserotypen. Een kleiner deel van de zuigelingen bereikte deze drempel voor de
antilichaamconcentratie voor serotype 6B (27,9% tot 57,3%) en 23F (55,8% tot 68,1%) voor alle
studies met een schema met vaccinaties op 2 en 4 maanden, vergeleken met 58,4% voor serotype 6B
en 68,6% voor 23F voor een studie met een schema met vaccinaties op 3 en 5 maanden. Na de
boosterdosis hadden alle vaccinserotypen, inclusief 6B en 23F, immuunresponsen consistent met een
adequate 'priming' in een twee-doses primaire serie. In een studie in het Verenigd Koninkrijk waren
de functionele antilichaamresponsen (OPA) vergelijkbaar voor alle serotypen inclusief 6B en 23F in
de Prevenar- en Prevenar 13-armen na de primaire serie bij 2 en 4 maanden en na de boosterdosis bij
een leeftijd van 12 maanden. Voor de kinderen die Prevenar 13 kregen, was het percentage responders
met een OPA-titer 1:8 ten minste 87% na de zuigelingenserie en ten minste 93% na de boosterdosis.
De OPA geometrische gemiddelde titers voor serotypen 1, 3 en 5 waren lager dan de titers voor elk
van de andere additionele serotypen; de klinische relevantie van deze waarneming is onbekend.
Na de boosterdosis stegen de antilichaamconcentraties ten opzichte van het pre-boosterniveau voor
alle 13 serotypen. Post-booster antilichaamconcentraties waren hoger voor 12 serotypen dan de
concentraties die werden behaald na de primaire zuigelingenserie. Deze waarnemingen zijn in
overeenstemming met adequate priming (de inductie van immunologisch geheugen). De
immuunrespons voor serotype 3 volgend op de boosterdosis was niet hoger geworden dan de niveaus
gezien na de zuigelingenvaccinatieserie; de klinische relevantie van deze observatie aangaande de
inductie van serotype 3 immuungeheugen is onbekend.
Antilichaamresponsen op boosterdoses na de twee-doses of drie-doses primaire zuigelingenseries
waren vergelijkbaar voor alle 13 vaccinserotypen.
Voor kinderen in de leeftijd van 7 maanden tot en met 5 jaar resulteerden catch-up
immunisatieschema's, passend bij de leeftijd (zoals beschreven in rubriek 4.2) in niveaus van anti-
capsulaire polysaccharide IgG-antilichaamresponsen op elk van de 13 serotypen die ten minste
vergelijkbaar waren met die van een drie-doses primaire serie bij zuigelingen.
Antilichaampersistentie en immunologisch geheugen zijn geëvalueerd in een onderzoek bij gezonde
kinderen die een enkele dosis Prevenar 13 kregen. Dit gebeurde ten minste 2 jaar nadat ze eerder
waren geïmmuniseerd met ofwel 4 doses Prevenar, een zuigelingenserie van 3 doses Prevenar gevolgd
door Prevenar 13 op de leeftijd van 12 maanden, of met 4 doses Prevenar 13.
De enkele dosis Prevenar 13 induceerde bij kinderen van ongeveer 3,4 jaar oud (ongeacht
voorgeschiedenis van vaccinatie met Prevenar of Prevenar 13) een sterke antilichaamrespons voor
zowel de 7 gemeenschappelijke serotypen als de 6 overige serotypen in Prevenar 13.
Sinds de introductie van 7-valent Prevenar in 2000 hebben gegevens van
pneumokokkenziektensurveillance niet aangetoond dat de immuniteit opgewekt door Prevenar tijdens
de kindertijd over de tijd is afgenomen.
Te vroeg geboren zuigelingen
De veiligheid en immunogeniciteit van Prevenar 13 gegeven na 2, 3, 4 en 12 maanden werd
beoordeeld bij ongeveer 100 premature zuigelingen (gemiddelde Estimated Gestational Age [EGA]
31 weken; bereik 26 tot 36 weken) en vergeleken met ongeveer 100 zuigelingen die voldragen werden
geboren (gemiddelde EGA 39 weken; bereik 37 tot 42 weken).
De immuunresponsen bij te vroeg geboren en voldragen zuigelingen werden vergeleken met
gebruikmaking van het percentage proefpersonen dat een pneumokokkenpolysaccharide IgG-
bindende antilichaamconcentratie 0,35 g/ml bereikte, 1 maand na de zuigelingenserie. Deze
benadering werd gebruikt voor immunogeniciteitsvergelijkingen van Prevenar 13 met Prevenar op
basis van WHO-richtlijnen.
Meer dan 85% bereikte een pneumokokkenpolysaccharide IgG-bindende antilichaamconcentratie
0,35 µg/ml 1 maand na de vaccinatieserie bij zuigelingen, behalve voor serotypen 5 (71,7%), 6A
(82,7%) en 6B (72,7%) in de te vroeg geboren groep. Voor deze 3 serotypen was het percentage
responders onder de te vroeg geboren zuigelingen significant lager dan onder de voldragen
zuigelingen. Ongeveer een maand na de dosis voor peuters was het percentage proefpersonen in elke
groep dat dezelfde antilichaamconcentratiedrempel bereikte >97%, behalve voor serotype 3 (71% bij
de te vroeg geboren zuigelingen en 79% bij de voldragen zuigelingen). Het is onbekend of het
immunologisch geheugen voor alle serotypen geïnduceerd wordt bij te vroeg geboren zuigelingen. In
het algemeen waren de serotypespecifieke IgG GMC's lager voor te vroeg geboren dan voor
voldragen zuigelingen.
Na de vaccinatieserie bij zuigelingen waren de OPA GMT's hetzelfde bij te vroeg geboren zuigelingen
als bij voldragen zuigelingen, behalve voor serotype 5, welke lager was bij te vroeg geboren
Kinderen (12-59 maanden) die volledig zijn geïmmuniseerd met Prevenar (7-valent)
Na toediening van een enkele dosis Prevenar 13 aan kinderen (12-59 maanden) die werden beschouwd
als volledig geïmmuniseerd met Prevenar (7-valent) (primaire serie van 2 of 3 doses plus booster) was
het aandeel dat serum-IgG-spiegels 0,35µg/ml en OPA-titers 1:8 bereikte ten minste 90%. Echter,
3 (serotype 1, 5 en 6A) van de 6 overige serotypen vertoonden een lagere IgG GMC en OPA GMT in
vergelijking met kinderen die ten minste één eerdere vaccinatie met Prevenar 13 hadden gekregen. De
klinische relevantie van de lagere GMC's en GMT's is op dit moment niet bekend.
Ongevaccineerde kinderen (12-23 maanden)
Studies met Prevenar (7-valent) bij ongevaccineerde kinderen (12 - 23 maanden) toonden aan dat
2 doses nodig waren om serum-IgG-concentraties voor 6B en 23F te bereiken die vergelijkbaar waren
met die geïnduceerd via een zuigelingenserie van 3 doses.
Kinderen en adolescenten van 5 tot en met 17 jaar
In een open-labelonderzoek bij 592 gezonde kinderen en adolescenten inclusief diegenen met astma
(17,4%) die mogelijk meer vatbaar zijn voor pneumokokkeninfectie, wekte Prevenar 13 een
immuunrespons op voor alle 13 serotypen. Een eenmalige dosis Prevenar 13 was toegediend aan
kinderen van 5 tot en met 10 jaar die eerder waren gevaccineerd met ten minste 1 dosis Prevenar, en
aan kinderen en adolescenten van 10 tot en met 17 jaar die niet eerder een pneumokokkenvaccin
toegediend hadden gekregen.
Bij zowel de kinderen van 5 tot en met 10 jaar als de kinderen en adolescenten van 10 tot en met
17 jaar was de immuunrespons op Prevenar 13 niet inferieur aan Prevenar voor de
7 gemeenschappelijke serotypen en voor Prevenar 13 voor de 6 additionele serotypen, in vergelijking
met de immuunrespons na de vierde dosis bij zuigelingen gevaccineerd op een leeftijd van 2, 4, 6 en
12-15 maanden, zoals gemeten met serum IgG.
Bij kinderen en adolescenten van 10 tot en met 17 jaar waren de OPA GMT's 1 maand na vaccinatie
niet inferieur aan de OPA GMT's in de leeftijdsgroep van 5 tot en met 10 jaar voor 12 van de
13 serotypen (uitgezonderd serotype 3).
Immuunrespons na subcutane toediening
Subcutane toediening van Prevenar 13 is geëvalueerd in een niet-vergelijkende studie bij 185 gezonde
Japanse zuigelingen en kinderen die vier doses toegediend kregen toen zij 2, 4, 6 en 12-15 maanden
oud waren. De studie toonde aan dat veiligheid en immunogeniciteit over het algemeen vergelijkbaar
waren met waarnemingen uit studies bij intramusculaire toediening.
Effectiviteit van Prevenar 13
Invasieve pneumokokkenziekte
Data gepubliceerd door Public Health England liet zien dat vier jaar na de introductie van Prevenar als
een primaire zuigelingserie van twee doses met boosterdosis in het tweede levensjaar en met een
opname van het vaccin van 94% er in Engeland en Wales een afname van 98% was (95% BI 95; 99)
van door de 7 vaccinserotypen veroorzaakte ziekte. Vier jaar na de overstap naar Prevenar 13,
varieerde de verdere daling van de incidentie van IPD als gevolg van de 7 serotypen in Prevenar
vervolgens van 76% bij kinderen jonger dan 2 jaar tot 91% bij kinderen in de leeftijd van 5-14 jaar.
Tabel 2 toont de serotype-specifieke dalingen voor elk van de 5 additionele serotypen in Prevenar 13
(er werden geen gevallen van IPD van het serotype 5 waargenomen) per leeftijdsgroep. Deze dalingen
Tabel 2: Aantal serotype-specifieke gevallen en dalingen van de incidentie van IPD in
2013/2014 vergeleken met 2008/2009-2009/2010 (2008/2010), per leeftijdsgroep, in Engeland
en Wales
< 5 jaar
5 t/m 64 jaar
65 jaar
2008-
2013/
% Daling
2008-
2013/ % Daling
2008-
2013/
% Daling
2010§
2014
incidentie
2010§
2014
incidenti
2010§
2014
incidentie
§
(95% CI*)
§
e (95%
§
(95% CI*)
CI*)
Additionele serotypen die worden gedekt door Prevenar 13
1
59 (54)
5 (5)
91%
458
77
83%
102
13
87%
(98%;
(382)
(71)
(88%;
(89)
(13)
(94%;
68%)**
74%)**
72%)**
3
26 (24)
8 (8)
68%
178
73
59%
256
143
44%
(89%; 6%)
(148)
(68)
(72%;
(224)
(146)
(57%;
38%)**
27%)**
6A
10 (9)
0 (0)
100%
53 (44)
5 (5)
90%
94 (82)
5 (5)
95%
(100%;
(97%;
(99%;
62%)**
56%)**
81%)**
7F
90 (82)
8 (8)
91%
430
160
63%
173
75
56%
(97%;
(361)
(148
(71%;
(152)
(77)
(70%;
74%)**
)
50%)**
37%)**
19
85 (77)
7 (7)
91%
225
104
54%
279
97
65%
A
(97%;
(191)
(97)
(65%;
(246)
(99)
(75%;
75%)**
32%)**
53%)**
§
Gecorrigeerd voor het aantal geserotypeerde monsters, ontbrekende leeftijd, noemer
vergeleken met 2009/2010 en voor de trend in de totale invasieve pneumokokkenziekte tot
2009/2010 (waarna geen trendcorrectie werd toegepast).
*
95%-BI bepaald op basis van een poissonverdeling met overdispersieparameter 2,1,
gemodelleerd op data van alle IPD-gegevens van 2000-2006 voorafgaand aan de introductie
van Prevenar.
** p < 0,005 voor de dekking van 6A waarbij p = 0,002
Otitis media (OM)
In een gepubliceerd onderzoek uitgevoerd in Israël, waarin gebruik werd gemaakt van een primaire
serie van 2 doses plus boosterdosis in het tweede levensjaar, werd het effect van Prevenar 13 op OM
gedocumenteerd in een populatie-gebaseerd, actief surveillancesysteem, waar Israëlische kinderen
jonger dan 2 jaar met OM een kweek van vocht uit het middenoor werd afgenomen via
tympanocentese.
Na de introductie van Prevenar en vervolgens Prevenar 13 daalde de incidentie van 2,1 naar 0,1
gevallen per 1.000 kinderen (95%) voor wat betreft de Prevenar-serotypen plus serotype 6A en nam de
incidentie af van 0,9 naar 0,1 gevallen per 1.000 kinderen (89%) voor wat betreft de additionele
serotypen 1, 3, 5, 7F en 19A in Prevenar 13. De algemene incidentie van pneumokokken-OM op
jaarbasis nam af van 9,6 naar 2,1 gevallen per 1.000 kinderen (78%) tussen juli 2004 (vóór de
Pneumonie
In een observationeel multicenteronderzoek in Frankrijk, waarin de perioden voor en na de overstap
van Prevenar naar Prevenar 13 werden vergeleken, nam op eerstehulpafdelingen het totale aantal
gevallen van buiten het ziekenhuis opgelopen pneumonie (CAP) bij kinderen in de leeftijd van
1 maand tot 15 jaar met 16% (van 2.060 naar 1.725 gevallen) af. De dalingen bedroegen 53% (van 167
naar 79 gevallen) (p < 0,001) voor gevallen van CAP met pleurale effusie en 63% (van 64 naar
24 gevallen) (p < 0,001) voor microbiologisch bevestigde gevallen van door pneumokokken
veroorzaakte CAP. In het tweede jaar na de introductie van Prevenar 13 nam het totale aantal CAP-
gevallen, als gevolg van de 6 additionele vaccinserotypen in Prevenar 13, af van 27 naar 7 isolaten
(74%).
De afname van pneumoniegevallen ongeacht de oorzaak was het meest uitgesproken in de jongere
gevaccineerde leeftijdsgroepen met een afname van respectievelijk 31,8% (van 757 naar 516 gevallen)
en 16,6% (van 833 naar 695 gevallen) in de leeftijdsgroepen < 2 jaar en 2 tot en met 5 jaar. De
incidentie bij de oudere, overwegend niet-gevaccineerde kinderen (> 5 jaar) veranderde niet in de loop
van het onderzoek.
In een lopend surveillancesysteem (2004 tot en met 2013) werd de impact van Prevenar en vervolgens
Prevenar 13 op CAP gedocumenteerd bij kinderen jonger dan 5 jaar in het zuiden van Israël die
werden behandeld met een primaire serie met twee doses met een boosterdosis in het tweede
levensjaar. Na de introductie van Prevenar 13 namen het aantal poliklinische bezoeken en het aantal
ziekenhuisopnames wegens alveolaire CAP af met respectievelijk 68% (95% BI 73; 61) en 32% (95%
BI 39; 22) in vergelijking met de periode voordat Prevenar werd geïntroduceerd.
Effect op nasofaryngeaal dragerschap
Bij een surveillance studie in Frankrijk waarbij kinderen verschijnselen van een acute
middenoorontsteking vertoonden, zijn veranderingen van nasofaryngeaal (NP) dragerschap van
pneumokokkenserotypen geëvalueerd na introductie van Prevenar (7-valent) en vervolgens
Prevenar 13. Prevenar 13 reduceerde significant het NP dragerschap van de 6 additionele serotypen
(en serotype 6C) gecombineerd en de individuele serotypen 6C, 7F, 19A in vergelijking met Prevenar.
Een reductie in dragerschap werd ook gezien bij serotype 3 (2,5% vs. 1,1%; p=0,1). Er werd geen
dragerschap van serotypen 1 en 5 waargenomen.
Het effect van vaccinatie met het pneumokokkenconjugaat op nasofaryngeaal dragerschap werd
bestudeerd in een gerandomiseerde dubbelblinde studie waarbij kinderen van 2, 4, 6 en 12 maanden
oud in Israël hetzij Prevenar 13 hetzij Prevenar (7-valent) ontvingen. Prevenar 13 reduceerde
significant de nieuw geïdentificeerde NP acquisitie van de 6 additionele serotypen (en serotype 6C)
gecombineerd en van individuele serotypen 1, 6A, 6C, 7F, 19A in vergelijking met Prevenar. Er werd
geen reductie gezien bij serotype 3 en bij serotype 5 was de kolonisatie te zeldzaam om de impact te
kunnen beoordelen. Voor 6 van de overgebleven 7 normale serotypen werden vergelijkbare aantallen
van NP acquisitie waargenomen in beide vaccingroepen; voor serotype 19F werd een significante
reductie waargenomen.
In dit onderzoek werden verminderingen gedocumenteerd van S. pneumoniae serotypen 19A, 19F en
6A die niet gevoelig waren voor een aantal antibiotica. De verminderingen lopen uiteen tussen 34% en
62%, afhankelijk van serotype en antibioticum.
Prevenar (7-valent vaccin) beschermingswerkzaamheid bij zuigelingen en kinderen
De werkzaamheid van 7-valent Prevenar is geëvalueerd in twee belangrijke studies ­ de 'Northern
California Kaiser Permanente' (NCKP) studie en de 'Finnish Otitis Media' (FinOM) studie. Beide
studies waren gerandomiseerde, dubbelblinde, actief-gecontroleerde studies waarbij zuigelingen
werden gerandomiseerd naar toediening van ofwel Prevenar ofwel een controlevaccin (NCKP,
meningokokken serogroep C CRM-conjugaat [MnCC] vaccin; FinOM, hepatitis B-vaccin) in een vier-
doses serie op een leeftijd van 2, 4, 6, en 12-15 maanden. De resultaten van de werkzaamheid in deze
Tabel 3: Samenvatting van de werkzaamheid van 7-valent Prevenar1
Test
N
VE2
95% CI
NCKP: Vaccin-serotype IPD3
97%
85 ­
30.258
100
NCKP: Klinische pneumonie met abnormale röntgenfoto van de borst
23.746 35%
4 ­ 56
NCKP: Acute Otitis Media (AOM)4
23.746
Totaal aantal episodes
7%
4 ­ 10
Terugkerende AOM (3 episodes in 6 maanden, of 4 episodes in 1 jaar)
9%
3 ­ 15
Terugkerende AOM (5 episodes in 6 maanden, of 6 episodes in 1 jaar)
23%
7 ­ 36
Plaatsing van een trommelvliesbuisje
20%
2 ­ 35
FinOM: AOM
1.662
Totaal aantal episodes
6%
-4 ­ 16
Alle pneumokokken AOM
34%
21 ­ 45
Vaccin-serotype AOM
57%
44 ­ 67
1 Per protocol
2 Vaccinwerkzaamheid
3 Oktober 1995 tot 20 april 1999
4 Oktober 1995 tot 30 april 1998
Effectiviteit van Prevenar (7-valent)
De effectiviteit (zowel direct als indirect effect) van 7-valent Prevenar tegen pneumokokkenziekte is
geëvalueerd in immunisatieprogramma's met zowel drie-doses als twee-doses primaire
zuigelingenseries, alle met boosterdoses (Tabel 4). Na wijdverbreid gebruik van Prevenar is de
incidentie van IPD consistent en substantieel gedaald.
Gebruikmakend van de screeningmethode betroffen schattingen van serotype-specifieke effectiviteit
voor 2 doses onder de leeftijd van 1 jaar in het VK respectievelijk 66% (-29 ­ 91%) en 100% (25 ­
100%) voor serotype 6B en 23F.
Tabel 4: Samenvatting van werkzaamheid van 7-valent Prevenar voor invasieve
pneumokokkenziekte
Land
Aanbevolen schema
Ziektevermindering, %
95% CI
(jaar van introductie)
VK (Engeland &
2, 4, + 13 maanden
Vaccin serotypen:
49 ­ 95%
Wales)1 (2006)
Twee doses onder de leeftijd
van 1 jaar: 85%
VS (2000)
2, 4, 6, + 12 ­ 15
maanden
Kinderen <52
Vaccin serotypen: 98%
97 ­ 99%
Alle serotypen: 77%
73 ­ 79%
Personen 653
Vaccin serotypen: 76%
nvt
Alle serotypen: 38%
nvt
Canada (Quebec)4
2, 4, + 12 maanden
Alle serotypen: 73%
nvt
(2004)
Vaccin serotypen:
2-doses zuigelingenserie: 99%
92 - 100%
Volledig schema:100%
82 - 100%
1 Kinderen < 2 jaar. Berekende vaccineffectiviteit vanaf juni 2008 (Broome-methode).
2 2005 data.
3 2004 data.
4 Kinderen < 5 jaar. Januari 2005 tot december 2007. Volledige werkzaamheid voor routine 2+1
schema nog niet beschikbaar.
Studie naar de werkzaamheid bij volwassenen van 65 jaar en ouder
De werkzaamheid tegen vaccintype (VT) pneumokokken-CAP en IPD is beoordeeld in een
grootschalige gerandomiseerde, dubbelblinde, placebogecontroleerde studie (Community-Acquired
Pneumonia Immunization Trial in Adults­CAPiTA) in Nederland. Personen van 65 jaar en ouder
(n=84.496) kregen een enkele vaccinatie met Prevenar 13 of placebo in een 1:1 randomisatie.
In de CAPiTA-studie werden vrijwilligers 65 jaar opgenomen van wie de demografische
eigenschappen en gezondheidskenmerken kunnen afwijken van die van personen die zich in de
praktijk laten vaccineren.
Een eerste episode van in het ziekenhuis door een thoraxröntgenfoto bevestigde pneumonie werd
vastgesteld bij ongeveer 2% van deze populatie (n=1.814 personen), waarvan 329 gevallen bevestigd
werden als pneumokokken-CAP en 182 gevallen VT pneumokokken-CAP waren in de per-protocol-
en aangepaste intent-to-treat (mITT)-populaties.
De werkzaamheid werd aangetoond voor de primaire en secundaire eindpunten in de per-
protocolpopulatie (Tabel 5).
Tabel 5: Vaccinwerkzaamheid (VW) voor de primaire en secundaire eindpunten van de
CAPiTA-studie (per-protocolpopulatie)
Gevallen
VW (%)
Werkzaamheidseindpunt
p-waarde
Prevenar 13-
Placebo-
(95,2% BI)
Totaal
groep
groep
Primair eindpunt
Eerste episode van bevestigde VT
139
49
90
45,56
0,0006
pneumokokken-CAP
(21,82; 62,49)
Secundaire eindpunten

Eerste episode van bevestigde
NB/NI1 vaccintype pneumokokken-

93
33
60
45,00
0,0067
(14,21; 65,31)
CAP
Eerste episode van VT-IPD2
35
7
28
75,00
0,0005
(41,06; 90,87)
1NB/NI ­ niet-bacteriëmisch/niet-invasief
2VT-IPD ­ vaccintype invasieve pneumokokkenziekte
De beschermende werking tegen een eerste episode van VT pneumokokken-CAP,
NB/NI VT pneumokokken-CAP en VT-IPD hield aan gedurende de volledige studie van vier jaar.
Er werd een post-hocanalyse gebruikt om de volgende uitkomsten voor de volksgezondheid tegen
klinische CAP te schatten (zoals omschreven in de CAPiTA-studie en gebaseerd op klinische
bevindingen ongeacht radiologisch infiltraat of etiologische bevestiging): vaccinwerkzaamheid (VW),
daling van de incidentiecijfers (IRR, Incidence Rate Reduction) en het aantal mensen dat gevaccineerd
moet worden om één bepaalde gebeurtenis te voorkomen (NNV, Number Needed to Vaccinate)
(Tabel 6).
IRR, ook wel genoemd incidentie van door vaccinatie te voorkomen ziekten, is het aantal gevallen
door vaccinatie te voorkomen ziekten per 100.000 persoonsjaren observatie.
In Tabel 6 is NNV een maat voor het kwantificeren van het aantal mensen dat gevaccineerd moet
worden om één klinisch geval van CAP te voorkomen.
Tabel 6: Vaccinwerkzaamheid (VW) tegen klinische CAP*
Episodes
Vaccinwerkzaamheid1
Incidentie per 100.000
Daling
NNV3
% (95% BI)
persoonsjaren
incidentie-
(1-zijdige p-waarde)
observatie
cijfer2
Prevenar
Placebo
Prevenar
Placebo
(95% BI)
13
13
Analyse
1.375
1.495
8,1
819,1
891,2
72,2
277
van alle
(-0,6; 16,1)
(-5,3;
episodes
(0,034)
149,6)
Analyse
1.126
1.214
7,3
670,7
723,7
53,0
378
van
(-0,4; 14,4)
(-2,7;
eerste
(0,031)
108,7)
episode
* Patiënten met ten minste 2 van de volgende verschijnselen: hoesten; purulent sputum, temperatuur >38°C of
<36,1°C; pneumonie (auscultatorische bevindingen); leukocytose; C-reactieve proteïnewaarde hoger dan 3 keer de
bovengrens van de normaalwaarde; hypoxemie met een partiële zuurstofdruk <60 mm Hg terwijl kamerlucht wordt
ingeademd.
1 Een Poisson regressiemodel met willekeurige effecten werd gebruikt om de VW te berekenen.
2 Per 100.000 persoonsjaren observatie. IRR wordt berekend als de incidentie in de placebogroep minus de incidentie
in de vaccingroep, en was rekenkundig gelijkwaardig aan de VW × de incidentie in de placebogroep.
3 Gebaseerd op een 5-jarige beschermingsduur. NNV is geen percentage maar geeft het aantal gevallen aan dat
voorkomen wordt voor een bepaald aantal gevaccineerde personen. NNV omvat ook de duur van het onderzoek of
de beschermingsduur en wordt berekend als 1 gedeeld door het product van de IRR en de beschermingsduur (of de
duur van het onderzoek) (=1/(IRR × duur).
Immunogeniciteitsonderzoek bij volwassenen 18 jaar en ouderen
Bij volwassenen is geen drempel vastgesteld voor de antilichaamconcentratie voor de
serotypespecifieke pneumokokkenpolysaccharide IgG-binding die bescherming geeft. In alle klinische
hoofdonderzoeken werd een serotypespecifieke opsonofagocytoseproef (OPA) als surrogaat gebruikt
voor de bepaling van de potentiële effectiviteit tegen invasieve pneumokokkenziekte en pneumonie.
De OPA geometrisch gemiddelde titers (GMT's), gemeten 1 maand na elke vaccinatie, werden
berekend. De OPA-titers zijn uitgedrukt als het omgekeerd evenredige van de hoogste
serumverdunning die de overleving van de pneumokokken met ten minste 50% reduceert.
De hoofdonderzoeken voor Prevenar 13 werden opgezet om aan te tonen dat de functionele OPA-
antilichaamrespons voor de 13 serotypen niet-inferieur zijn en voor sommige serotypen superieur aan
de 12 serotypen die Prevenar 13 gemeenschappelijk heeft met het geregistreerde 23-valente
pneumokokkenpolysaccharidevaccin [1, 3, 4, 5, 6B, 7F, 9V, 14, 18C, 19A, 19F, 23F] een maand na
toediening van het vaccin. De respons op serotype 6A, dat uniek is voor Prevenar 13, werd aangetoond
door een 4-voudige toename van de specifieke OPA-titer boven het niveau van voor de immunisatie.
De immunogeniciteit en veiligheid van Prevenar 13 zijn aangetoond bij volwassenen van 18 jaar en
ouder met inbegrip van personen die eerder waren gevaccineerd met een pneumokokkenpolysaccha-
ridevaccin.
Volwassenen, niet eerder gevaccineerd met 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin
In een head-to-head, vergelijkend onderzoek bij volwassenen van 60-64 jaar kregen de proefpersonen
een enkele dosis van Prevenar 13 of 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin. In hetzelfde
onderzoek kreeg een andere groep volwassenen van 50-59 jaar oud en een andere groep volwassenen
van 18-49 jaar oud een enkele dosis Prevenar 13.
In tabel 7 worden de OPA GMT's 1 maand na vaccinatie bij 60-64-jarigen die een enkele dosis van
Prevenar 13 of 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin kregen vergeleken met de OPA GMT's
bij 50-59-jarigen die een enkele dosis Prevenar 13 kregen.
Tabel 7: OPA GMT's bij volwassenen van 60-64 jaar die Prevenar 13 of 23-
valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin (PPSV23) kregen en volwassenen van 50-59 jaar die
Prevenar 13 kregen
a,b,c
Prevenar 13
Prevenar 13
PPSV23
Prevenar 13
Prevenar 13 vergeleken
50-59 jaar
60-64 jaar
60-64 jaar
50-59 vergeleken met
met PPSV23,
N=350-384
N=359-404
N=367-402
60-64 jaar
60-64 jaar
Serotype
GMT
GMT
GMT
GMR
(95% CI)
GMR
(95% CI)
1
200
146
104
1,4
(1,08, 1,73)
1,4
(1,10, 1,78)
3
91
93
85
1,0
(0,81, 1,19)
1,1
(0,90, 1,32)
4
2833
2062
1295
1,4
(1,07, 1,77)
1,6
(1,19, 2,13)
5
269
199
162
1,4
(1,01, 1,80)
1,2
(0,93, 1,62)
6A
4328
2593
213
1,7
(1,30, 2,15)
12,1
(8,63, 17,08)
6B
3212
1984
788
1,6
(1,24, 2,12)
2,5
(1,82, 3,48)
7F
1520
1120
405
1,4
(1,03, 1,79)
2,8
(1,98, 3,87)
9V
1726
1164
407
1,5
(1,11, 1,98)
2,9
(2,00, 4,08)
14
957
612
692
1,6
(1,16, 2,12)
0,9
(0,64, 1,21)
18C
1939
1726
925
1,1
(0,86, 1,47)
1,9
(1,39, 2,51)
19A
956
682
352
1,4
(1,16, 1,69)
1,9
(1,56, 2,41)
19F
599
517
539
1,2
(0,87, 1,54)
1,0
(0,72, 1,28)
23F
494
375
72
1,3
(0,94, 1,84)
5,2
(3,67, 7,33)
a Niet-inferioriteit werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor GMR hoger was dan 0,5.
b Statistisch significant hogere respons werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor GMR
hoger was dan 1.
c Voor serotype 6A, uniek voor Prevenar 13, werd een statistisch significant hogere respons vastgesteld als de
ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor de GMR hoger was dan 2.
Bij volwassenen van 60-64 jaar waren de OPA GMT's voor Prevenar 13 niet-inferieur aan de OPA-
GMT's teweeggebracht door het 23-valente pneumokokkenpolysaccharidevaccin voor de twaalf
serotypen die beide vaccins gemeenschappelijk hebben. Voor 9 serotypen werd aangetoond dat de
OPA-titers statistisch significant hoger waren bij personen die Prevenar 13 kregen.
Bij volwassenen van 50-59 jaar waren de OPA GMT's voor alle 13 serotypen van Prevenar 13 niet-
inferieur aan de responsen op Prevenar 13 bij volwassenen van 60-64 jaar. Voor 9 serotypen waren de
Bij alle volwassenen van 50 jaar en ouder die een enkele dosis Prevenar 13 kregen, waren de OPA-
titers voor serotype 6A significant hoger dan bij volwassenen van 60 jaar en ouder die een enkele
dosis 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin kregen.
Een jaar na vaccinatie met Prevenar 13 waren de OPA-titers afgenomen ten opzichte van een maand
na vaccinatie; de OPA-titers waren voor alle serotypen echter nog steeds hoger dan op baseline:
OPA GMT-niveaus op
OPA GMT-niveaus 1 jaar na
baseline
Prevenar 13
Volwassenen 50-59 jaar die niet eerder
gevaccineerd waren met 23-valent
5 tot 45
20 tot 1.234
pneumokokkenpolysaccharidevaccin
Volwassenen 60-64 jaar die niet eerder
gevaccineerd waren met 23-valent
5 tot 37
19 tot 733
pneumokokkenpolysaccharidevaccin
Tabel 8 toont OPA GMT's aan 1 maand na een enkelvoudige dosis Prevenar 13 bij personen van 18-
49 jaar oud, vergeleken met personen van 60-64 jaar oud.
Tabel 8: OPA GMT's bij volwassenen van 18-49 jaar oud en van 60-64 jaar oud die Prevenar 13a,b
kregen
18-49 jaar
60-64 jaar
18-49 jaar vergeleken met
N=836-866
N=359-404
60-64 jaar
Serotype
GMTb
GMTb
GMR
(95% CIc)
1
353
146
2,4
(2,03, 2,87)
3
91
93
1,0
(0,84, 1,13)
4
4747
2062
2,3
(1,92, 2,76)
5
386
199
1,9
(1,55, 2,42)
6A
5746
2593
2,2
(1,84, 2,67)
6B
9813
1984
4,9
(4,13, 5,93)
7F
3249
1120
2,9
(2,41, 3,49)
9V
3339
1164
2,9
(2,34, 3,52)
14
2983
612
4,9
(4,01, 5,93)
18C
3989
1726
2,3
(1,91, 2,79)
19A
1580
682
2,3
(2,02, 2,66)
19F
1533
517
3,0
(2,44, 3,60)
23F
1570
375
4,2
(3,31, 5,31)
a Niet-inferioriteit werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor GMR hoger was dan 0,5.
b Statistisch significant hogere respons werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor GMR
hoger was dan 1.
c c De betrouwbaarheidsintervallen (CI) voor de ratio zijn inverse transformaties van een betrouwbaarheidsinterval
op basis van de Student-t-verdeling voor het gemiddelde verschil van de logaritmen van de metingen.
Bij volwassenen van 18-49 jaar waren de OPA GMT's voor alle 13 serotypen in Prevenar 13 niet-
inferieur aan de responsen op Prevenar 13 bij volwassenen van 60-64 jaar.
Eén jaar na vaccinatie met Prevenar 13 waren de OPA-titers afgenomen vergeleken met één maand na
vaccinatie, maar de OPA-titers voor alle serotypen bleven hoger dan de niveaus op baseline.
OPA GMT niveaus op
OPA GMT niveaus één jaar na
baseline
Prevenar 13
Volwassenen van 18-49 jaar, niet
eerder gevaccineerd met 23-valent
5 tot 186
23 tot 2.948
pneumokokkenpolysaccharidevaccin
In tabel 9 worden de OPA GMT's 1 maand na vaccinatie vergeleken bij met
pneumokokkenpolysaccharidevaccin geïmmuniseerde volwassenen van 70 jaar en ouder die een
enkele dosis van Prevenar 13 of 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin kregen.
Tabel 9: OPA GMT's bij met pneumokokkenpolysaccharidevaccin geïmmuniseerde volwassenen
70 jaar, die
Prevenar 13 of 23-
valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin (PPSV23) kregena,b,c
Prevenar 13
PPSV23
Prevenar OPA GMT
N=400-426
N=395-445
vergeleken met PPSV23
Serotype
OPA GMT
OPA GMT
GMR
(95% CI)
1
81
55
1,5
(1,17; 1,88)
3
55
49
1,1
(0,91; 1,35)
4
545
203
2,7
(1,93; 3,74)
5
72
36
2,0
(1,55; 2,63)
6A
903
94
9,6
(7,00; 13,26)
6B
1261
417
3,0
(2,21; 4,13)
7F
245
160
1,5
(1,07; 2,18)
9V
181
90
2,0
(1,36; 2,97)
14
280
285
1,0
(0,73; 1,33)
18C
907
481
1,9
(1,42; 2,50)
19A
354
200
1,8
(1,43; 2,20)
19F
333
214
1,6
(1,17; 2,06)
23F
158
43
3,7
(2,69; 5,09)
a Niet-inferioriteit werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor GMR hoger was
dan 0,5.
b Statistisch significant hogere respons werd vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI
voor GMR hoger was dan 1.
c Voor serotype 6A, uniek voor Prevenar 13, werd een statistisch significant hogere respons
vastgesteld als de ondergrens van het 2-zijdige 95% BI voor de GMR hoger was dan 2.
Bij volwassenen die ten minste 5 jaar voor het klinisch onderzoek gevaccineerd waren met
pneumokokkenpolysaccharidevaccin waren de OPA GMT's voor Prevenar 13 niet-inferieur aan de
responsen op het 23-valente pneumokokkenpolysaccharidevaccin voor de 12 serotypen die beide
vaccins gemeenschappelijk hebben. Bovendien werden in dit onderzoek statistisch significant hogere
OPA GMT's aangetoond voor 10 van de 12 gemeenschappelijke serotypes. De immuunresponsen
voor serotype 6A waren statistisch significant hoger na vaccinatie met Prevenar 13 dan na 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin.
Een jaar na vaccinatie met Prevenar 13 in volwassenen van 70 jaar en ouder die ten minste 5 jaar voor
het onderzoek met 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin gevaccineerd waren, waren de
OPA-titers afgenomen ten opzichte van een maand na vaccinatie. De OPA-titers waren voor alle
serotypen echter nog steeds hoger dan op baseline:
OPA GMT-niveaus op
OPA GMT-niveaus 1 jaar na
baseline
Prevenar 13
Volwassenen 70 jaar, ten minste 5
jaar voor het onderzoek gevaccineerd
9 tot 122
18 tot 381
met 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin
Voor personen met de hieronder beschreven aandoeningen geldt een verhoogd risico op pneumokok-
kenziekte. De klinische relevantie van de antilichaamspiegels veroorzaakt door Prevenar 13 in deze
speciale populaties is onbekend.
Sikkelcelziekte
Een open-label eenarmige studie in Frankrijk, Italië, het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten,
Libanon, Egypte en Saoedi-Arabië met 2 doses Prevenar 13, 6 maanden na elkaar gegeven, werd
uitgevoerd onder 158 kinderen en adolescenten 6 tot <18 jaar met sikkelcelziekte die ten minste
6 maanden voorafgaand aan inclusie waren gevaccineerd met een of meerdere doses 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin. Na de eerste vaccinatie veroorzaakte Prevenar 13
antilichaamspiegels gemeten met zowel IgG GMC's als OPA GMT's die statistisch significant hoger
waren dan de spiegels voorafgaand aan vaccinatie. Na de tweede dosis waren de immuunresponsen
vergelijkbaar met die na de eerste dosis. Een jaar na de tweede dosis waren de antilichaamspiegels,
gemeten met zowel IgG GMC's als OPA GMT's, hoger dan de spiegels voorafgaand aan de eerste
dosis Prevenar 13, behalve voor de IgG GMC's voor serotypen 3 en 5 die numeriek vergelijkbaar
waren.
Aanvullende Prevenar (7-valent) immunogeniciteitsgegevens: kinderen met sikkelcelziekte
De immunogeniciteit van Prevenar is onderzocht in een open-label, multicenter studie onder
49 zuigelingen met sikkelcelziekte. De kinderen werden gevaccineerd met Prevenar (3 doses met een
maand tussen de doses vanaf de leeftijd van 2 maanden) en 46 van deze kinderen kregen ook een
23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin op de leeftijd van 15-18 maanden. Na de eerste
immunisatie had 95,6% van de proefpersonen antilichaamniveaus van ten minste 0,35 µg/ml voor alle
zeven serotypen die in Prevenar aanwezig zijn. Er werd een significante stijging gezien in de
concentraties van antilichamen tegen de zeven serotypen na de polysaccharidevaccinatie, wat
suggereert dat het immunologisch geheugen goed tot stand gekomen was.
Hiv-infectie
Kinderen en volwassenen niet eerder gevaccineerd met een pneumokokkenvaccin
Hiv-geïnfecteerde kinderen en volwassenen met CD4 200 cellen/µl (gemiddeld 717,0 cellen/l),
virusaantal < 50,000 kopieën/ml (gemiddeld 2090,0 kopieën/ml), vrij van actieve aids-gerelateerde
ziekte en niet eerder gevaccineerd met een pneumokokkenvaccin, ontvingen 3 doses Prevenar 13. In
navolging van de algemene aanbevelingen werd vervolgens een enkele dosis 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin toegediend. De vaccins werden met intervallen van 1 maand
toegediend. De immuunresponsen werden bij 259-270 evalueerbare proefpersonen bepaald ongeveer
1 maand na elke vaccindosis. Na de eerste dosis veroorzaakte Prevenar 13 antilichaamspiegels,
gemeten met zowel IgG GMC's als OPA GMT's, die statistisch significant hoger waren dan de
spiegels voorafgaand aan vaccinatie. Na de tweede en derde dosis Prevenar 13 waren de
immuunresponsen vergelijkbaar met of hoger dan die na de eerste dosis.
Volwassenen eerder gevaccineerd met 23-valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin
Hiv-geïnfecteerde volwassenen 18 jaar oud met CD4 200 cellen/µl (gemiddeld 609,1 cellen/µl) en
virusaantal <50.000 kopieën/ml (gemiddeld 330,6 kopieën/ml), die vrij waren van actieve aids-
gerelateerde ziekte, en die ten minste 6 maanden voorafgaand aan inclusie waren gevaccineerd met 23-
valent pneumokokkenpolysaccharidevaccin, kregen 3 doses Prevenar 13 toegediend, bij inclusie,
6 maanden en 12 maanden na de eerste dosis Prevenar 13. De immuunresponsen werden beoordeeld
bij 231-255 beoordeelbare proefpersonen, ongeveer 1 maand na elke dosis Prevenar 13.
Na de eerste dosis veroorzaakte Prevenar 13 antilichaamresponsen, gemeten met zowel IgG GMC's
als OPA GMT's, die statistisch significant hoger waren dan de spiegels voorafgaand aan vaccinatie.
Na de tweede en derde dosis Prevenar 13 waren de immuunresponsen vergelijkbaar met of hoger dan
die na de eerste dosis. In de studie hadden 162 proefpersonen een eerdere dosis 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin ontvangen, 143 proefpersonen 2 eerdere doses en
26 proefpersonen meer dan 2 eerdere doses 23-valent polysaccharidevaccin. De proefpersonen die
Hematopoëtische stamceltransplantatie
Kinderen en volwassenen met een allogene hematopoëtische stamceltransplantatie (HSCT) op een
leeftijd van 2 jaar oud met volledige hematologische remissie van onderliggende ziekte of met zeer
goede gedeeltelijke remissie in geval van lymfoom en myeloom, ontvingen drie doses Prevenar 13 met
een interval van ten minste 1 maand tussen de doses. De eerste dosis werd 3 tot 6 maanden na HSCT
toegediend. Een vierde (booster) dosis Prevenar 13 werd 6 maanden na de derde dosis toegediend. In
navolging van de algemene aanbevelingen werd een enkele dosis 23-valent
pneumokokkenpolysaccharidevaccin toegediend 1 maand na de vierde dosis Prevenar 13. De
immuunresponsen zoals gemeten met IgG GMC's werden bij 168-211 evalueerbare proefpersonen
bepaald ongeveer 1 maand na vaccinatie. Prevenar 13 veroorzaakte verhoogde antilichaamspiegels na
elke dosis Prevenar 13. De immuunresponsen na de vierde dosis Prevenar 13 waren voor alle
serotypen significant verhoogd vergeleken met na de derde dosis. Functionele antilichaamtiters (OPA
titers) zijn niet gemeten in deze studie.
5.2
Farmacokinetische eigenschappen
Niet van toepassing.
5.3
Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
Niet-klinische gegevens duiden niet op een speciaal risico voor mensen. Deze gegevens zijn afkomstig
van conventioneel onderzoek op het gebied van veiligheidsfarmacologie, toxiciteit bij eenmalige en
herhaalde dosering, lokale tolerantie en reproductie- en ontwikkelingstoxiciteit.
6.
FARMACEUTISCHE GEGEVENS
6.1
Lijst van hulpstoffen
Natriumchloride
Barnsteenzuur
Polysorbaat 80
2-fenoxyethanol
Water voor injecties
Voor adjuvans, zie rubriek 2.
6.2
Gevallen van onverenigbaarheid
Bij gebrek aan onderzoek naar onverenigbaarheden, mag dit geneesmiddel niet met andere
geneesmiddelen gemengd worden.
6.3
Houdbaarheid
3 jaar
Na het eerste gebruik:
Eenmaal geopend, kan het product gedurende maximaal 28 dagen worden bewaard bij 2°C ­ 8°C.
Andere bewaartijden en -condities na opening zijn de verantwoordelijkheid van de gebruiker.
6.4
Speciale voorzorgsmaatregelen bij bewaren
Bewaren in de koelkast (2°C ­ 8°C). Niet in de vriezer bewaren.
6.5
Aard en inhoud van de verpakking
2 ml (4 x 0,5 ml doses) suspensie voor injectie in een container (Type I glas) met een latexvrije grijze
stop van chloorbutylrubber en afgesloten met een aluminium flip-off-sluiting en een polypropyleen
flip-off-beschermdopje.
Verpakkingsgroottes van 1, 5, 10, 25 en 50.
Niet alle genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
6.6
Speciale voorzorgsmaatregelen voor verwijderen en andere instructies
Tijdens opslag kan een witte neerslag en een helder supernatant worden waargenomen. Dit is geen
teken van bederf.
Het vaccin moet goed worden geschud om een homogene, witte suspensie te verkrijgen en moet vóór
toediening visueel worden gecontroleerd op vaste deeltjes en/of een verandering in het fysieke
voorkomen. Niet gebruiken als de inhoud er anders uitziet.
Geen bijzondere vereisten voor verwijdering.
Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale
voorschriften.
7.
HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Pfizer Europe MA EEIG
Boulevard de la Plaine 17
1050 Brussel
België
8.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
EU/1/09/590/012
EU/1/09/590/013
EU/1/09/590/014
EU/1/09/590/015
EU/1/09/590/016
9.
DATUM VAN EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/VERLENGING VAN
DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 09 december 2009
Datum van laatste verlenging: 18 september 2014
10.
DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST
Gedetailleerde informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees
Geneesmiddelenbureau (http://www.ema.europa.eu).
A. FABRIKANTEN VAN DE BIOLOGISCH WERKZAME STOFFEN
EN FABRIKANT VERANTWOORDELIJK VOOR VRIJGIFTE
B.
VOORWAARDEN OF BEPERKINGEN TEN AANZIEN VAN
LEVERING EN GEBRUIK
C.
ANDERE VOORWAARDEN EN EISEN DIE DOOR DE HOUDER
VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
MOETEN WORDEN NAGEKOMEN

D.
VOORWAARDEN OF BEPERKINGEN MET BETREKKING TOT
EEN VEILIG EN DOELTREFFEND GEBRUIK VAN HET
GENEESMIDDEL

FABRIKANTEN VAN DE BIOLOGISCH WERKZAME STOFFEN EN FABRIKANT
VERANTWOORDELIJK VOOR VRIJGIFTE

Naam en adres van de fabrikanten van de biologisch werkzame stoffen
Wyeth BioPharma Division of Wyeth Pharmaceuticals LLC
One Burtt Road
Andover, MA 01810
Verenigde Staten
Pfizer Ireland Pharmaceuticals
Grange Castle Business Park
Clondalkin
Dublin 22
Ierland
Wyeth Pharmaceutical, Division of Wyeth Holdings LLC
4300 Oak Park
Sanford, NC 27330
Verenigde Staten
Naam en adres van de fabrikant verantwoordelijk voor vrijgifte
Pfizer Manufacturing Belgium N.V.
Rijksweg 12
B-2870 Puurs
België
B.
VOORWAARDEN OF BEPERKINGEN TEN AANZIEN VAN LEVERING EN
GEBRUIK

Aan medisch voorschrift onderworpen geneesmiddel.

Officiële vrijgifte van de batch
In overeenstemming met artikel 114 van Richtlijn 2001/83/EG, zal de officiële vrijgifte van de batch
worden uitgevoerd door een rijkslaboratorium of een specifiek daartoe aangewezen laboratorium.
C.
ANDERE VOORWAARDEN EN EISEN DIE DOOR DE HOUDER VAN DE
VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN MOETEN WORDEN
NAGEKOMEN

Periodieke veiligheidsverslagen
De vereisten voor de indiening van periodieke veiligheidsverslagen worden vermeld in de lijst met
Europese referentie data (EURD-lijst), waarin voorzien wordt in artikel 107c, onder punt 7 van
Richtlijn 2001/83/EG en eventuele hierop volgende aanpassingen gepubliceerd op het Europese
webportaal voor geneesmiddelen.
VOORWAARDEN EN BEPERKINGEN MET BETREKKING TOT HET VEILIG EN
EFFECTIEF GEBRUIK VAN HET GENEESMIDDEL


Risk Management Plan (RMP)
De vergunninghouder voert de verplichte onderzoeken en maatregelen uit ten behoeve van de
geneesmiddelenbewaking, zoals uitgewerkt in het overeengekomen RMP en weergegeven in module
1.8.2 van de handelsvergunning, en in eventuele daaropvolgende overeengekomen RMP-
aanpassingen.
Een aanpassing van het RMP wordt ingediend:
op verzoek van het Europees Geneesmiddelenbureau;
steeds wanneer het risicomanagementsysteem gewijzigd wordt, met name als gevolg van het
beschikbaar komen van nieuwe informatie die kan leiden tot een belangrijke wijziging van de
bestaande verhouding tussen de voordelen en risico's of nadat een belangrijke mijlpaal (voor
geneesmiddelenbewaking of voor beperking van de risico's tot een minimum) is bereikt.
ETIKETTERING EN BIJSLUITER
KARTONNEN BUITENVERPAKKING
Verpakking van 1, 10 en 50 voorgevulde spuiten, met of zonder naald ­ INCLUSIEF BLUE
BOX

1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Prevenar 13 suspensie voor injectie
pneumokokkenpolysaccharidenconjugaatvaccin (13-valent, geadsorbeerd)
2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
1 dosis (0,5 ml) bevat 2,2 µg polysaccharide voor de serotypen 1, 3, 4, 5, 6A, 7F, 9V, 14, 18C, 19A,
19F, 23F en 4,4 µg voor serotype 6B geconjugeerd aan het dragereiwit CRM197, geadsorbeerd aan
aluminiumfosfaat. Eén dosis (0,5 ml) bevat 0,125 mg aluminium.
3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Natriumchloride, barnsteenzuur, polysorbaat 80 en water voor injecties.
4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Suspensie voor injectie
1 voorgevulde spuit met enkelvoudige dosis (0,5 ml) met aparte naald
1 voorgevulde spuit met enkelvoudige dosis (0,5 ml) zonder naald
10 voorgevulde spuiten met enkelvoudige dosis (0,5 ml) met aparte naalden
10 voorgevulde spuiten met enkelvoudige dosis (0,5 ml) zonder naald
50 voorgevulde spuiten met enkelvoudige dosis (0,5 ml) met aparte naalden
50 voorgevulde spuiten met enkelvoudige dosis (0,5 ml) zonder naald
5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Intramusculair gebruik.
Goed schudden voor gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN

Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP
9.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de koelkast.
Niet in de vriezer bewaren.
Prevenar 13 is gedurende 4 dagen stabiel bij temperaturen tot 25oC. Aan het eind van deze periode
dient Prevenar 13 te worden gebruikt of afgevoerd.
10.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)

11.
NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN

Pfizer Europe MA EEIG
Boulevard de la Plaine 17
1050 Brussel
België
12.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
EU/1/09/590/002 ­ 1 stuks verpakking met aparte naald
EU/1/09/590/001 ­ 1 stuks verpakking zonder naald
EU/1/09/590/004 ­ 10 stuks verpakking met aparte naalden
EU/1/09/590/003 ­ 10 stuks verpakking zonder naald
EU/1/09/590/006 ­ 50 stuks verpakking met aparte naalden
EU/1/09/590/005 ­ 50 stuks verpakking zonder naald
13.
PARTIJNUMMER
Lot
14.
ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING
15.
INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK
16.
INFORMATIE IN BRAILLE
Rechtvaardiging voor uitzondering van braille is aanvaardbaar
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK - 2D MATRIXCODE
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.
18.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK - VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
PC
SN
NN
Voorgevulde spuit
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Prevenar 13 suspensie voor injectie
IM
2.
WIJZE VAN TOEDIENING
Voor gebruik goed schudden.
3.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP
4.
PARTIJNUMMER
Lot
5.
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
1 dosis (0,5 ml)
6.
OVERIGE
KARTONNEN BUITENVERPAKKING
1, 5, 10, 25, 50 injectieflacons met enkelvoudige dosis
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Prevenar 13 suspensie voor injectie in een injectieflacon met enkelvoudige dosis
pneumokokkenpolysaccharidenconjugaatvaccin (13-valent, geadsorbeerd)
2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
1 dosis (0,5 ml) bevat 2,2 µg polysaccharide voor de serotypen 1, 3, 4, 5, 6A, 7F, 9V, 14, 18C, 19A,
19F, 23F en 4,4 µg voor serotype 6B geconjugeerd aan het dragereiwit CRM197, geadsorbeerd aan
aluminiumfosfaat. Eén dosis (0,5 ml) bevat 0,125 mg aluminium.
3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Natriumchloride, barnsteenzuur, polysorbaat 80 en water voor injecties.
4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Suspensie voor injectie
1 injectieflacon met enkelvoudige dosis (0,5 ml)
5 injectieflacons met enkelvoudige dosis (0,5 ml)
10 injectieflacons met enkelvoudige dosis (0,5 ml)
25 injectieflacons met enkelvoudige dosis (0,5 ml)
50 injectieflacons met enkelvoudige dosis (0,5 ml)
5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Intramusculair gebruik.
Goed schudden voor gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN

Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de koelkast.
Niet in de vriezer bewaren.
10.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)

11.
NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN

Pfizer Europe MA EEIG
Boulevard de la Plaine 17
1050 Brussel
België
12.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
EU/1/09/590/007 ­ verpakking met 1 injectieflacon
EU/1/09/590/008 ­ verpakking met 5 injectieflacons
EU/1/09/590/009 ­ verpakking met 10 injectieflacons
EU/1/09/590/010 ­ verpakking met 25 injectieflacons
EU/1/09/590/011 ­ verpakking met 50 injectieflacons
13.
PARTIJNUMMER
Lot
14.
ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING
15.
INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK
16.
INFORMATIE IN BRAILLE
Rechtvaardiging voor uitzondering van braille is aanvaardbaar
17.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK - 2D MATRIXCODE
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK - VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
PC
SN
NN
Etiket injectieflacon met enkelvoudige dosis
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Prevenar 13 suspensie voor injectie in een injectieflacon met enkelvoudige dosis
IM
2.
WIJZE VAN TOEDIENING
Voor gebruik goed schudden.
3.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP
4.
PARTIJNUMMER
Lot
5.
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
1 dosis (0,5 ml)
6.
OVERIGE
KARTONNEN BUITENVERPAKKING
1, 5, 10, 25, 50 meervoudige dosis containers
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Prevenar 13 suspensie voor injectie in een meervoudige dosis container
pneumokokkenpolysaccharidenconjugaatvaccin (13-valent, geadsorbeerd)
2.
GEHALTE AAN WERKZAME STOF(FEN)
1 dosis (0,5 ml) bevat 2,2 µg polysaccharide voor de serotypen 1, 3, 4, 5, 6A, 7F, 9V, 14, 18C, 19A,
19F, 23F en 4,4 µg voor serotype 6B geconjugeerd aan het dragereiwit CRM197, geadsorbeerd aan
aluminiumfosfaat. Eén dosis (0,5 ml) bevat 0,125 mg aluminium.
3.
LIJST VAN HULPSTOFFEN
Natriumchloride, barnsteenzuur, polysorbaat 80, 2-fenoxyethanol en water voor injecties
4.
FARMACEUTISCHE VORM EN INHOUD
Suspensie voor injectie in een meervoudige dosis container
1 meervoudige dosis container (4 x 0,5 ml doses)
5 meervoudige dosis containers (4 x 0,5 ml doses per container)
10 meervoudige dosis containers (4 x 0,5 ml doses per container)
25 meervoudige dosis containers (4 x 0,5 ml doses per container)
50 meervoudige dosis containers (4 x 0,5 ml doses per container)
5.
WIJZE VAN GEBRUIK EN TOEDIENINGSWEG(EN)
Intramusculair gebruik.
Goed schudden voor gebruik.
Lees voor het gebruik de bijsluiter.
6.
EEN SPECIALE WAARSCHUWING DAT HET GENEESMIDDEL BUITEN HET
ZICHT EN BEREIK VAN KINDEREN DIENT TE WORDEN GEHOUDEN

Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
7.
ANDERE SPECIALE WAARSCHUWING(EN), INDIEN NODIG
8.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR DE BEWARING
Bewaren in de koelkast.
Niet in de vriezer bewaren.
Na het eerste gebruik kan het product gedurende maximaal 28 dagen in de koelkast worden bewaard.
10.
BIJZONDERE VOORZORGSMAATREGELEN VOOR HET VERWIJDEREN VAN
NIET-GEBRUIKTE GENEESMIDDELEN OF DAARVAN AFGELEIDE
AFVALSTOFFEN (INDIEN VAN TOEPASSING)

11.
NAAM EN ADRES VAN DE HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE
HANDEL BRENGEN

Pfizer Europe MA EEIG
Boulevard de la Plaine 17
1050 Brussel
België
12.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
EU/1/09/590/012 ­ verpakking met 1 meervoudige dosis container
EU/1/09/590/013 ­ verpakking met 5 meervoudige dosis containers
EU/1/09/590/014 ­ verpakking met 10 meervoudige dosis containers
EU/1/09/590/015 ­ verpakking met 25 meervoudige dosis containers
EU/1/09/590/016 ­ verpakking met 50 meervoudige dosis containers
13.
PARTIJNUMMER
Lot
14.
ALGEMENE INDELING VOOR DE AFLEVERING
15.
INSTRUCTIES VOOR GEBRUIK
16.
INFORMATIE IN BRAILLE
Rechtvaardiging voor uitzondering van braille is aanvaardbaar.
17.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK - 2D MATRIXCODE
2D matrixcode met het unieke identificatiekenmerk.
UNIEK IDENTIFICATIEKENMERK - VOOR MENSEN LEESBARE GEGEVENS
PC
SN
NN
WORDEN VERMELD
Etiket meervoudige dosis containers
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL EN DE TOEDIENINGSWEG(EN)
Prevenar 13 suspensie voor injectie in een meervoudige dosis container
IM
2.
WIJZE VAN TOEDIENING
Voor gebruik goed schudden.
3.
UITERSTE GEBRUIKSDATUM
EXP
4.
PARTIJNUMMER
Lot
5.
INHOUD UITGEDRUKT IN GEWICHT, VOLUME OF EENHEID
4 x 0,5 ml doses
6.
OVERIGE
Prevenar 13 suspensie voor injectie
pneumokokkenpolysaccharidenconjugaatvaccin (13-valent, geadsorbeerd)
Lees goed de hele bijsluiter voordat u of uw kind dit vaccin ontvangt want er staat belangrijke
informatie in voor u.

Bewaar deze bijsluiter. Misschien heeft u hem later weer nodig.
Heeft u nog vragen? Neem dan contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige.
Geef dit vaccin niet door aan anderen, want het is alleen aan u of uw kind voorgeschreven.
Krijgt u of uw kind last van een van de bijwerkingen die in rubriek 4 staan? Of krijgt u of uw
kind een bijwerking die niet in deze bijsluiter staat? Neem dan contact op met uw arts,
apotheker of verpleegkundige.
Inhoud van deze bijsluiter
1.
Wat is Prevenar 13 en waarvoor wordt dit middel gebruikt?
2.
Wanneer mag u of uw kind dit middel niet toegediend krijgen of moet u er extra voorzichtig
mee zijn?
3.
Hoe wordt dit middel toegediend?
4.
Mogelijke bijwerkingen
5.
Hoe bewaart u dit middel?
6.
Inhoud van de verpakking en overige informatie
1.
Wat is Prevenar 13 en waarvoor wordt dit middel gebruikt?
Prevenar 13 is een pneumokokkenvaccin dat wordt gegeven aan:

kinderen van 6 weken tot en met 17 jaar, ter bescherming tegen ziekten zoals meningitis
(hersenvliesontsteking), sepsis of bacteriëmie (bacteriën in het bloed), pneumonie
(longontsteking) en oorontstekingen

volwassenen van 18 jaar en ouder ter voorkoming van ziekten zoals pneumonie (longinfectie),
sepsis of bacteriëmie (bacteriën in het bloed) en meningitis (hersenvliesontsteking)
veroorzaakt door 13 typen van de bacterie Streptococcus pneumoniae.
Prevenar 13 biedt bescherming tegen 13 typen van de Streptococcus pneumoniae-bacterie en
vervangt Prevenar, dat bescherming bood tegen 7 typen.
Het vaccin werkt door het lichaam te helpen zijn eigen antistoffen aan te maken, die u of uw kind
tegen deze ziekten beschermen.
2.
Wanneer mag u of uw kind dit middel niet toegediend krijgen of moet u er extra
voorzichtig mee zijn?
Wanneer mag dit middel niet worden toegediend?
U bent/uw kind is allergisch voor een van de stoffen in dit geneesmiddel of voor een ander
vaccin dat difterietoxoïd bevat. De stoffen in dit geneesmiddel kunt u vinden in rubriek 6.
U of uw kind heeft een ernstige infectie met hoge koorts (boven 38°C). Als dit bij u of uw kind
het geval is, dan zal de vaccinatie worden uitgesteld totdat u of uw kind zich beter voelt. Een
milde infectie, zoals een verkoudheid, moet geen probleem zijn. Echter, overleg eerst met uw
arts, apotheker of verpleegkundige.
Neem contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige voordat de vaccinatie plaatsvindt als u of
uw kind:
nu of in het verleden medische klachten heeft of heeft gehad zoals een allergische reactie of
problemen met ademhalen na een dosis Prevenar of Prevenar 13.
bloedingsproblemen heeft of snel blauwe plekken krijgt.
een verzwakt immuunsysteem heeft (zoals bijv. door een hiv-infectie); het kan zijn dat u/zij/hij
niet alle voordelen van Prevenar 13 zal hebben.
epileptische aanvallen heeft ervaren omdat mogelijk geneesmiddelen genomen moeten worden
om koorts te laten zakken voordat Prevenar 13 wordt gegeven. Als uw kind niet reageert of
epileptische aanvallen (toevallen) ervaart na de vaccinatie, neem onmiddellijk contact op met
uw arts. Zie ook rubriek 4.
Neem contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige voordat de vaccinatie plaatsvindt als uw
kind veel te vroeg werd geboren (bij een zwangerschap van 28 weken of eerder), omdat abnormaal
lange adempauzes kunnen optreden gedurende 2-3 dagen na vaccinatie. Zie ook rubriek 4.
Zoals met alle vaccins zal Prevenar 13 niet alle personen beschermen die worden gevaccineerd.
Prevenar 13 zal bij kinderen alleen bescherming bieden tegen oorinfecties die worden veroorzaakt
door de typen Streptococcus pneumoniae waarvoor het vaccin is ontwikkeld. Het zal niet beschermen
tegen andere ziekteverwekkers die een oorontsteking kunnen veroorzaken.
Gebruikt u of uw kind nog andere geneesmiddelen/vaccins?
Uw arts kan u vragen om uw kind paracetamol of andere medicijnen die de koorts verlagen te geven
voordat Prevenar 13 wordt toegediend. Dit zal helpen om sommige bijwerkingen van Prevenar 13 te
verminderen.
Gebruikt u of uw kind naast Prevenar 13 nog andere geneesmiddelen, heeft u of uw kind dat kort
geleden gedaan of bestaat de mogelijkheid dat u of uw kind binnenkort andere geneesmiddelen gaat
gebruiken of heeft u of uw kind kort geleden een ander vaccin toegediend gekregen? Vertel dat dan uw
arts, apotheker of verpleegkundige.
Zwangerschap en borstvoeding
Bent u zwanger, denkt u zwanger te zijn, wilt u zwanger worden of geeft u borstvoeding? Neem dan
contact op met uw arts of apotheker voordat u dit geneesmiddel toegediend krijgt.
Rijvaardigheid en het gebruik van machines
Prevenar 13 heeft geen of een verwaarloosbare invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om
machines te bedienen. Sommige bijwerkingen die genoemd worden in rubriek 4 'Mogelijke
bijwerkingen' kunnen echter de rijvaardigheid of het vermogen om machines te bedienen, tijdelijk
beïnvloeden.
Prevenar 13 bevat natrium
Dit geneesmiddel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per dosis, dat wil zeggen dat het
geneesmiddel in essentie 'natriumvrij' is.
3.
Hoe wordt dit middel toegediend?
De arts of verpleegkundige zal de aanbevolen dosis (0,5 ml) van het vaccin injecteren
Zuigelingen in de leeftijd van 6 weken tot en met 6 maanden
Gewoonlijk moet er bij uw kind een beginserie van drie injecties van het vaccin toegediend worden
gevolgd door een booster dosis.
De eerste injectie mag gegeven worden vanaf een leeftijd van zes weken.
Elke injectie zal minimaal een maand na de vorige worden gegeven.
Een vierde injectie (booster) zal worden gegeven bij een leeftijd tussen 11 en 15 maanden.
Er zal u worden verteld wanneer uw kind terug moet komen voor een volgende injectie.
Volgens officiële aanbevelingen in uw land kan ook een alternatief schema door zorgverleners worden
gebruikt. Neem contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige voor meer informatie.
Te vroeg geboren zuigelingen
Uw kind krijgt een eerste kuur van drie injecties. De eerste injectie mag bij zes weken worden gegeven
met minimaal een maand tussen de doses. Als hij/zij tussen de 11 en 15 maanden oud is, krijgt uw
kind een vierde injectie (booster).
Ongevaccineerde zuigelingen, kinderen ouder dan 7 maanden en jongeren
Zuigelingen in de leeftijd van
7 tot en met 11 maanden dienen twee injecties te krijgen. Elke injectie
zal minimaal een maand na de vorige worden gegeven. Een derde injectie zal worden gegeven in het
tweede levensjaar.
Kinderen in de leeftijd van
12 tot en met 23 maanden dienen twee injecties te krijgen. De injecties
zullen met een interval van minimaal twee maanden worden gegeven.
Kinderen in de leeftijd van
2 tot en met 17 jaar dienen één injectie te krijgen.
Zuigelingen, kinderen en jongeren eerder gevaccineerd met Prevenar
Zuigelingen en kinderen die eerder Prevenar hebben gekregen, kunnen Prevenar 13 krijgen om het
injectieschema af te maken.
Voor kinderen in de leeftijd van
1 tot en met 5 jaar die eerder zijn gevaccineerd met Prevenar, zal uw
arts of verpleegkundige adviseren hoeveel injecties van Prevenar 13 nodig zijn.
Kinderen en jongeren van
6 tot en met 17 jaar dienen één injectie te krijgen
Het is belangrijk om de instructies van de arts, apotheker of verpleegkundige te volgen, zodat uw kind
het injectieschema afmaakt.
Als u een afspraak bent vergeten, vraag dan de arts, apotheker of verpleegkundige om advies.
Volwassenen
Volwassenen dienen één injectie te krijgen.
Vertel het uw arts, apotheker of verpleegkundige als u eerder een pneumokokkenvaccin heeft
gekregen.
Heeft u nog andere vragen over het gebruik van dit geneesmiddel? Neem dan contact op met uw arts,
apotheker of verpleegkundige.
Personen die een hoger risico op pneumokokkeninfectie hebben (zoals diegenen met sikkelcelziekte of
hiv-infectie), met inbegrip van diegenen die eerder zijn gevaccineerd met het 23-valente
pneumokokkenpolysaccharidevaccin, mogen minimaal een dosis Prevenar 13 toegediend krijgen.
Personen met een bloedvormende stamceltransplantatie mogen drie injecties ontvangen, waarbij de
eerste 3 tot 6 maanden na de transplantatie wordt gegeven en met een interval van ten minste 1 maand
tussen de doses. Een vierde (booster) injectie wordt aanbevolen 6 maanden na de derde injectie.
4.
Mogelijke bijwerkingen
Zoals elk vaccin kan ook dit vaccin bijwerkingen hebben, al krijgt niet iedereen daarmee te maken.
De volgende bijwerkingen zijn gemeld voor Prevenar 13 bij zuigelingen en kinderen (van 6
weken tot en met 5 jaar oud):

Zeer vaak voorkomende bijwerkingen (deze kunnen optreden bij meer dan 1 op de 10 doses van het
vaccin) zijn:
Verminderde eetlust
Koorts, prikkelbaarheid, pijn, gevoeligheid, roodheid, zwelling of verharding van de
vaccinatieplaats, slaperigheid, rusteloze slaap
Roodheid, verharding, zwelling van 2,5 cm tot 7,0 cm van de vaccinatieplaats (na de
boosterdosis en bij oudere kinderen [leeftijd van 2 tot en met 5 jaar])
Vaak voorkomende bijwerkingen (deze kunnen optreden bij minder dan 1 op de 10 doses van het
vaccin) zijn:
Braken, diarree
Koorts van 39°C of meer, gevoeligheid van de vaccinatieplaats die beweging belemmert,
roodheid, verharding, zwelling van 2,5 cm tot 7,0 cm van de vaccinatieplaats (na de eerste
injectiereeks)
Huiduitslag
Soms voorkomende bijwerkingen (deze kunnen optreden bij minder dan 1 op de 100 doses van het
vaccin) zijn:
Stuipen (toevallen), inclusief stuipen veroorzaakt door een hoge temperatuur
Netelroos (urticaria of urticaria-achtige uitslag)
Roodheid, zwelling of verharding van de vaccinatieplaats van meer dan 7 cm, huilen
Zelden voorkomende bijwerkingen (deze kunnen optreden bij minder dan 1 op de 1.000 doses van
het vaccin) zijn:
In elkaar zakken of shockachtige staat (hypotoon-hyporesponsieve episode)
Allergische (overgevoeligheids-) reactie, inclusief zwelling van het gezicht en/of de lippen,
moeite met ademhalen
Zeer vaak voorkomende bijwerkingen (deze kunnen optreden bij meer dan 1 op 10 doses van het
vaccin) zijn:
Verminderde eetlust
Prikkelbaarheid, pijn, gevoeligheid, roodheid, zwelling of verharding van de vaccinatieplaats,
slaperigheid, onrustige slaap, gevoeligheid van de vaccinatieplaats met bewegingsbeperking
Vaak voorkomende bijwerkingen (deze kunnen optreden bij minder dan 1 op 10 doses van het
vaccin) zijn:
Hoofdpijn
Braken, diarree
Huiduitslag, netelroos (urticaria of urticaria-achtige uitslag)
Koorts
Kinderen en jongeren met ofwel hiv-infectie, sikkelcelziekte of een bloedvormende
stamceltransplantatie hadden vergelijkbare bijwerkingen, behalve dat hoofdpijn, braken, diarree,
koorts, vermoeidheid en gewrichts- en spierpijn zeer vaak voorkwamen.
Bij zeer prematuur geboren baby's (na of voor 28 weken zwangerschap) kunnen langere adempauzes
dan normaal voorkomen gedurende 2-3 dagen na vaccinatie.
De volgende bijwerkingen zijn gemeld voor Prevenar 13 bij volwassenen:
Zeer vaak voorkomende bijwerkingen (deze kunnen optreden bij meer dan 1 op de 10 doses van het
vaccin) zijn:
Verminderde eetlust, hoofdpijn, diarree, overgeven (voor personen van 18 tot en met 49 jaar
oud)
Koude rillingen, vermoeidheid, uitslag, pijn, roodheid, zwelling, verharding of gevoeligheid van
de vaccinatieplaats die beweging van de arm belemmert (ernstige pijn of gevoeligheid van de
vaccinatieplaats voor personen van 18 tot en met 39 jaar oud en ernstige beperking van de
armbeweging voor personen van 18 tot en met 39 jaar oud)
Ergere of nieuwe pijn in uw gewrichten, ergere of nieuwe pijn in uw spieren
Koorts (voor personen van 18 tot en met 29 jaar oud)
Vaak voorkomende bijwerkingen (deze kunnen optreden bij minder dan 1 op de 10 doses van het
vaccin) zijn:
Overgeven (voor personen van 50 jaar en ouder), koorts (voor personen van 30 jaar en ouder)
Soms voorkomende bijwerkingen (deze kunnen optreden bij minder dan 1 op de 100 doses van het
vaccin) zijn:
Misselijkheid
Allergische (overgevoeligheids-)reactie, inclusief zwelling van het gezicht en/of de lippen,
moeite met ademhalen
Vergrote lymfeknopen of -klieren (lymfadenopathie) bij de vaccinatieplaats, zoals in de oksel
Volwassenen met hiv-infectie hadden vergelijkbare bijwerkingen behalve dat koorts en braken zeer
vaak voorkwamen en misselijkheid vaak voorkwam.
De volgende aanvullende bijwerkingen zijn gezien met Prevenar 13 na het in de handel
brengen

Ernstige allergische reactie inclusief shock (cardiovasculaire collaps), angio-oedeem (zwelling
van lippen, gezicht of keel)
Netelroos (urticaria), roodheid en irritatie (dermatitis) en jeuk (pruritus) op de vaccinatieplaats,
blozen
Vergroting van de lymfeknopen of -klieren (lymfadenopathie) in het gebied rond de
vaccinatieplaats, zoals onder de arm of in de lies
Huiduitslag die jeukende, rode vlekken veroorzaakt (erythema multiforme)
Het melden van bijwerkingen
Krijgt u of uw kind last van bijwerkingen, neem dan contact op met uw arts, apotheker of
verpleegkundige. Dit geldt ook voor mogelijke bijwerkingen die niet in deze bijsluiter staan. U kunt
bijwerkingen ook rechtstreeks melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in aanhangsel V.
Door bijwerkingen te melden, kunt u ons helpen meer informatie te verkrijgen over de veiligheid van
dit geneesmiddel.
5.
Hoe bewaart u dit middel?
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
Gebruik dit geneesmiddel niet meer na de uiterste houdbaarheidsdatum. Die vindt u op de doos en het
etiket na EXP. Daar staat een maand en een jaar. De laatste dag van die maand is de uiterste
houdbaarheidsdatum.
Bewaren in de koelkast (2°C ­ 8°C).
Niet in de vriezer bewaren.
Prevenar 13 is gedurende 4 dagen stabiel bij temperaturen tot 25oC. Aan het eind van deze periode
dient Prevenar 13 te worden gebruikt of afgevoerd. Deze gegevens zijn bedoeld als leidraad voor
beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg in geval van tijdelijke temperatuur afwijkingen.
Spoel geneesmiddelen niet door de gootsteen of de WC en gooi ze niet in de vuilnisbak. Vraag uw
apotheker wat u met geneesmiddelen moet doen die u niet meer gebruikt. Als u geneesmiddelen op de
juiste manier afvoert worden ze op een verantwoorde manier vernietigd en komen ze niet in het milieu
terecht.
6.
Inhoud van de verpakking en overige informatie
Welke stoffen zitten er in dit middel?
De werkzame stoffen in dit middel zijn polysaccharide CRM197-conjugaten bestaande uit:
2,2 µg polysaccharide voor serotypen 1, 3, 4, 5, 6A, 7F, 9V, 14, 18C, 19A, 19F en 23F
4,4 µg polysaccharide voor serotype 6B
1 dosis (0,5 ml) bevat ongeveer 32 µg dragereiwit CRM197, geadsorbeerd aan aluminiumfosfaat
(0,125 mg aluminium).
De andere stoffen in dit middel zijn natriumchloride, barnsteenzuur, polysorbaat 80 en water voor
injecties.
Het vaccin is een witte suspensie voor injectie en wordt geleverd in een voorgevulde spuit met een
enkelvoudige dosis (0,5 ml).
Verpakkingsgrootten van 1, 10 en 50, met of zonder naald. Niet alle genoemde verpakkingsgrootten
worden in de handel gebracht.
Houder van de vergunning voor het in de handel brengen en fabrikant
Houder van de vergunning voor het in de handel
Fabrikant verantwoordelijk voor partijvrijgifte:
brengen:
Pfizer Manufacturing Belgium N.V.
Pfizer Europe MA EEIG
Rijksweg 12
Boulevard de la Plaine 17
B-2870 Puurs
1050 Brussel
België
België
Neem voor alle informatie over dit geneesmiddel contact op met de lokale vertegenwoordiger van de
houder van de vergunning voor het in de handel brengen:
België/Belgique/Belgien
Lietuva
Luxembourg/Luxemburg
Pfizer Luxembourg SARL filialas Lietuvoje
Pfizer NV/SA
Tel. + 370 52 51 4000
Tél/Tel: + 32 (0)2 554 62 11

Magyarország
,
Pfizer Kft
Tel: +36 1 488 3700
Te: +359 2 970 4333
Ceská Republika
Malta
Pfizer, spol. s r.o.
Vivian Corporation Ltd.
Tel: +420 283 004 111
Tel: + 35621 344610
Danmark
Nederland
Pfizer ApS
Pfizer bv
Tlf: + 45 44 201 100
Tel: +31 (0)10 406 43 01
Deutschland
Norge
Pfizer Pharma GmbH
Pfizer AS
Tel: + 49 (0)30 550055-51000
Tlf: +47 67 52 61 00
Eesti
Österreich
Pfizer Luxembourg SARL Eesti filiaal
Pfizer Corporation Austria Ges.m.b.H
Tel: +372 666 7500
Tel: + 43 (0)1 521 15-0

Polska
Pfizer A.E.
Pfizer Polska Sp. z o.o.
.: +30 210 6785 800
Tel.: +48 22 335 61 00
España
Portugal
Pfizer, S.L.
Laboratórios Pfizer, Lda.
Télf:+34914909900
Tel: +351 21 423 5500
France
România
Pfizer
Pfizer Romania S.R.L
Tél +33 1 58 07 34 40
Tel: +40 (0) 21 207 28 00
Slovenija
Pfizer Croatia d.o.o.
Pfizer Luxembourg SARL
Tel: + 385 1 3908 777
Pfizer, podruznica za svetovanje s podrocja
farmacevtske dejavnosti, Ljubljana
Tel.: + 386 (0) 1 52 11 400
Ireland
Slovenská republika
Pfizer Healthcare Ireland
Pfizer Luxembourg SARL,
Tel: 1800 633 363 (toll free)
organizacná zlozka
+44 (0)1304 616161
Tel: + 421 2 3355 5500
Ísland
Suomi/Finland
Icepharma hf
Pfizer Oy
Simi: + 354 540 8000
Puh/Tel: +358 (0)9 430 040
Italia
Sverige
Pfizer S.r.l.
Pfizer AB
Tel: +39 06 33 18 21
Tel: +46 (0)8 550 520 00
K
United Kingdom (Northern Ireland)
Pfizer A.E. (Cyprus Branch)
Pfizer Limited
T: +357 22 817690
Tel: +44 (0) 1304 616161
Latvija
Pfizer Luxembourg SARL filile Latvij
Tel.: + 371 670 35 775
Deze bijsluiter is voor het laatst goedgekeurd in
Andere informatiebronnen
Meer informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees
Geneesmiddelenbureau: http://www.ema.europa.eu.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
De volgende informatie is alleen bestemd voor beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg:
Tijdens opslag kan een witte neerslag en helder supernatant worden waargenomen. Dit is geen teken
van bederf.
Inspecteer visueel op vreemde deeltjes en / of abnormaal fysiek uiterlijk; niet gebruiken indien één of
allebei wordt gevonden.
Voordat lucht uit de spuit wordt verwijderd, schud goed om een homogene witte suspensie te krijgen.
De volledige dosis toedienen.
Prevenar 13 is uitsluitend bedoeld voor intramusculair gebruik. Niet intravasculair toedienen.
Prevenar 13 mag niet worden gemengd met andere vaccins in dezelfde injectiespuit.
Prevenar 13 kan gegeven worden op hetzelfde moment als de andere vaccins voor kinderen, in dat
geval moeten verschillende vaccinatieplaatsen worden gebruikt.
Prevenar 13 kan aan volwassenen van 50 jaar en ouder tegelijk met het trivalente of quadrivalente
geïnactiveerde influenzavaccin gegeven worden.
Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale
voorschriften.
Prevenar 13 suspensie voor injectie in een injectieflacon met een enkelvoudige dosis
pneumokokkenpolysaccharidenconjugaatvaccin (13-valent, geadsorbeerd)
Lees goed de hele bijsluiter voordat u of uw kind dit vaccin ontvangt want er staat belangrijke
informatie in voor u.

Bewaar deze bijsluiter. Misschien heeft u hem later weer nodig.
Heeft u nog vragen? Neem dan contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige.
Geef dit vaccin niet door aan anderen, want het is alleen aan u of uw kind voorgeschreven.
Krijgt u of uw kind last van een van de bijwerkingen die in rubriek 4 staan? Of krijgt u of uw
kind een bijwerking die niet in deze bijsluiter staat? Neem dan contact op met uw arts,
apotheker of verpleegkundige.
Inhoud van deze bijsluiter
1.
Wat is Prevenar 13 en waarvoor wordt dit middel gebruikt?
2.
Wanneer mag u of uw kind dit middel niet toegediend krijgen of moet u er extra voorzichtig
mee zijn?
3.
Hoe wordt dit middel toegediend?
4.
Mogelijke bijwerkingen
5.
Hoe bewaart u dit middel?
6.
Inhoud van de verpakking en overige informatie
1.
Wat is Prevenar 13 en waarvoor wordt dit middel gebruikt?
Prevenar 13 is een pneumokokkenvaccin dat wordt gegeven aan:

kinderen van 6 weken tot en met 17 jaar, ter bescherming tegen ziekten zoals meningitis
(hersenvliesontsteking), sepsis of bacteriëmie (bacteriën in het bloed), pneumonie
(longontsteking) en oorontstekingen

volwassenen van 18 jaar en ouder ter voorkoming van ziekten zoals pneumonie (longinfectie),
sepsis of bacteriëmie (bacteriën in het bloed) en meningitis (hersenvliesontsteking)
veroorzaakt door 13 typen van de bacterie Streptococcus pneumoniae.
Prevenar 13 biedt bescherming tegen 13 typen van de Streptococcus pneumoniae-bacterie en
vervangt Prevenar, dat bescherming bood tegen 7 typen.
Het vaccin werkt door het lichaam te helpen zijn eigen antistoffen aan te maken, die u of uw kind
tegen deze ziekten beschermen.
2.
Wanneer mag u of uw kind dit middel niet toegediend krijgen of moet u er extra
voorzichtig mee zijn?
Wanneer mag dit middel niet worden toegediend?
U bent/uw kind is allergisch voor een van de stoffen in dit geneesmiddel of voor een ander
vaccin dat difterietoxoïd bevat. De stoffen in dit geneesmiddel kunt u vinden in rubriek 6.
U of uw kind heeft een ernstige infectie met hoge koorts (boven 38°C). Als dit bij u of uw kind
het geval is, dan zal de vaccinatie worden uitgesteld totdat u of uw kind zich beter voelt. Een
milde infectie, zoals een verkoudheid, moet geen probleem zijn. Echter, overleg eerst met uw
arts, apotheker of verpleegkundige.
Neem contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige voordat de vaccinatie plaatsvindt als u of
uw kind:
nu of in het verleden medische klachten heeft of heeft gehad zoals een allergische reactie of
problemen met ademhalen na een dosis Prevenar of Prevenar 13.
bloedingsproblemen heeft of snel blauwe plekken krijgt.
een verzwakt immuunsysteem heeft (zoals bijv. door een hiv-infectie); het kan zijn dat u/zij/hij
niet alle voordelen van Prevenar 13 zal hebben.
epileptische aanvallen heeft ervaren omdat mogelijk geneesmiddelen genomen moeten worden
om koorts te laten zakken voordat Prevenar 13 wordt gegeven. Als uw kind niet reageert of
epileptische aanvallen (toevallen) ervaart na de vaccinatie, neem onmiddellijk contact op met
uw arts. Zie ook rubriek 4.
Neem contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige voordat de vaccinatie plaatsvindt als uw
kind veel te vroeg werd geboren (bij een zwangerschap van 28 weken of eerder), omdat abnormaal
lange adempauzes kunnen optreden gedurende 2-3 dagen na vaccinatie. Zie ook rubriek 4.
Zoals met alle vaccins zal Prevenar 13 niet alle personen beschermen die worden gevaccineerd.
Prevenar 13 zal bij kinderen alleen bescherming bieden tegen oorinfecties die worden veroorzaakt
door de typen Streptococcus pneumoniae waarvoor het vaccin is ontwikkeld. Het zal niet beschermen
tegen andere ziekteverwekkers die een oorontsteking kunnen veroorzaken.
Gebruikt u of uw kind nog andere geneesmiddelen/vaccins?
Uw arts kan u vragen om uw kind paracetamol of andere medicijnen die de koorts verlagen te geven
voordat Prevenar 13 wordt toegediend. Dit zal helpen om sommige bijwerkingen van Prevenar 13 te
verminderen.
Gebruikt u of uw kind naast Prevenar 13 nog andere geneesmiddelen, heeft u of uw kind dat kort
geleden gedaan of bestaat de mogelijkheid dat u of uw kind binnenkort andere geneesmiddelen gaat
gebruiken of heeft u of uw kind kort geleden een ander vaccin toegediend gekregen? Vertel dat dan uw
arts, apotheker of verpleegkundige.
Zwangerschap en borstvoeding
Bent u zwanger, denkt u zwanger te zijn, wilt u zwanger worden of geeft u borstvoeding? Neem dan
contact op met uw arts of apotheker voordat u dit geneesmiddel toegediend krijgt.
Rijvaardigheid en het gebruik van machines
Prevenar 13 heeft geen of een verwaarloosbare invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om
machines te bedienen. Sommige bijwerkingen die genoemd worden in rubriek 4 'Mogelijke
bijwerkingen' kunnen echter de rijvaardigheid of het vermogen om machines te bedienen, tijdelijk
beïnvloeden.
Prevenar 13 bevat natrium
Dit geneesmiddel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per dosis, dat wil zeggen dat het
geneesmiddel in essentie 'natriumvrij' is.
3.
Hoe wordt dit middel toegediend?
De arts of verpleegkundige zal de aanbevolen dosis (0,5 ml) van het vaccin injecteren
Zuigelingen in de leeftijd van 6 weken tot en met 6 maanden
Gewoonlijk moet er bij uw kind een beginserie van drie injecties van het vaccin toegediend worden
gevolgd door een booster dosis.
De eerste injectie mag gegeven worden vanaf een leeftijd van zes weken.
Elke injectie zal minimaal een maand na de vorige worden gegeven.
Een vierde injectie (booster) zal worden gegeven bij een leeftijd tussen 11 en 15 maanden.
Er zal u worden verteld wanneer uw kind terug moet komen voor een volgende injectie.
Volgens officiële aanbevelingen in uw land kan ook een alternatief schema door zorgverleners worden
gebruikt. Neem contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige voor meer informatie.
Te vroeg geboren zuigelingen
Uw kind krijgt een eerste kuur van drie injecties. De eerste injectie mag bij zes weken worden
gegeven, met minimaal een maand tussen de doses. Als hij/zij tussen de 11 en 15 maanden oud is,
krijgt uw kind een vierde injectie (booster).
Ongevaccineerde zuigelingen, kinderen ouder dan 7 maanden en jongeren
Zuigelingen in de leeftijd van
7 tot en met 11 maanden dienen twee injecties te krijgen. Elke injectie
zal minimaal een maand na de vorige worden gegeven. Een derde injectie zal worden gegeven in het
tweede levensjaar.
Kinderen in de leeftijd van
12 tot en met 23 maanden dienen twee injecties te krijgen. De injecties
zullen met een interval van minimaal twee maanden worden gegeven.
Kinderen in de leeftijd van
2 tot en met 17 jaar dienen één injectie te krijgen.
Zuigelingen, kinderen en jongeren eerder gevaccineerd met Prevenar
Zuigelingen en kinderen die eerder Prevenar hebben gekregen, kunnen Prevenar 13 krijgen om het
injectieschema af te maken.
Voor kinderen in de leeftijd van
1 tot en met 5 jaar die eerder zijn gevaccineerd met Prevenar, zal uw
arts of verpleegkundige adviseren hoeveel injecties van Prevenar 13 nodig zijn.
Kinderen en jongeren van
6 tot en met 17 jaar dienen één injectie te krijgen
Het is belangrijk om de instructies van de arts, apotheker of verpleegkundige te volgen, zodat uw kind
het injectieschema afmaakt.
Als u een afspraak bent vergeten, vraag dan de arts, apotheker of verpleegkundige om advies.
Volwassenen
Volwassenen dienen één injectie te krijgen.
Vertel het uw arts, apotheker of verpleegkundige als u eerder een pneumokokkenvaccin heeft
gekregen.
Heeft u nog andere vragen over het gebruik van dit geneesmiddel? Neem dan contact op met uw arts,
apotheker of verpleegkundige.
Personen die een hoger risico op pneumokokkeninfectie hebben (zoals diegenen met sikkelcelziekte of
hiv-infectie), met inbegrip van diegenen die eerder zijn gevaccineerd met het 23-valente
pneumokokkenpolysaccharidevaccin, mogen minimaal een dosis Prevenar 13 toegediend krijgen.
Personen met een bloedvormende stamceltransplantatie mogen drie injecties ontvangen, waarbij de
eerste 3 tot 6 maanden na de transplantatie wordt gegeven en met een interval van ten minste 1 maand
tussen de doses. Een vierde (booster) injectie wordt aanbevolen 6 maanden na de derde injectie.
4.
Mogelijke bijwerkingen
Zoals elk vaccin kan ook dit vaccin bijwerkingen hebben, al krijgt niet iedereen daarmee te maken.
De volgende bijwerkingen zijn gemeld voor Prevenar 13 bij zuigelingen en kinderen (van 6
weken tot en met 5 jaar oud):

Zeer vaak voorkomende bijwerkingen (deze kunnen optreden bij meer dan 1 op de 10 doses van het
vaccin) zijn:
Verminderde eetlust
Koorts, prikkelbaarheid, pijn, gevoeligheid, roodheid, zwelling of verharding van de
vaccinatieplaats, slaperigheid, rusteloze slaap
Roodheid, verharding, zwelling van 2,5 cm tot 7,0 cm van de vaccinatieplaats (na de
boosterdosis en bij oudere kinderen [leeftijd van 2 tot en met 5 jaar])
Vaak voorkomende bijwerkingen (deze kunnen optreden bij minder dan 1 op de 10 doses van het
vaccin) zijn:
Braken, diarree
Koorts van 39°C of meer, gevoeligheid van de vaccinatieplaats die beweging belemmert,
roodheid, verharding, zwelling van 2,5 cm tot 7,0 cm van de vaccinatieplaats (na de eerste
injectiereeks)
Huiduitslag
Soms voorkomende bijwerkingen (deze kunnen optreden bij minder dan 1 op de 100 doses van het
vaccin) zijn:
Stuipen (toevallen), inclusief stuipen veroorzaakt door een hoge temperatuur
Netelroos (urticaria of urticaria-achtige uitslag)
Roodheid, zwelling of verharding van de vaccinatieplaats van meer dan 7 cm, huilen
Zelden voorkomende bijwerkingen (deze kunnen optreden bij minder dan 1 op de 1.000 doses van
het vaccin) zijn:
In elkaar zakken of shockachtige staat (hypotoon-hyporesponsieve episode)
Allergische (overgevoeligheids-) reactie, inclusief zwelling van het gezicht en/of de lippen,
moeite met ademhalen
De volgende bijwerkingen van Prevenar 13 zijn gemeld bij kinderen en jongeren (6 tot en met
17 jaar oud):

Zeer vaak voorkomende bijwerkingen (deze kunnen optreden bij meer dan 1 op 10 doses van het
vaccin) zijn:
Verminderde eetlust
Prikkelbaarheid, pijn, gevoeligheid, roodheid, zwelling of verharding van de vaccinatieplaats,
slaperigheid, onrustige slaap, gevoeligheid van de vaccinatieplaats met bewegingsbeperking
Vaak voorkomende bijwerkingen (deze kunnen optreden bij minder dan 1 op 10 doses van het
vaccin) zijn:
Hoofdpijn
Braken, diarree
Huiduitslag, netelroos (urticaria of urticaria-achtige uitslag)
Koorts
Kinderen en jongeren met ofwel hiv-infectie, sikkelcelziekte of een bloedvormende
stamceltransplantatie hadden vergelijkbare bijwerkingen, behalve dat hoofdpijn, braken, diarree,
koorts, vermoeidheid en gewrichts- en spierpijn zeer vaak voorkwamen.
Bij zeer prematuur geboren baby's (na of voor 28 weken zwangerschap) kunnen langere adempauzes
dan normaal voorkomen gedurende 2-3 dagen na vaccinatie.
De volgende bijwerkingen zijn gemeld voor Prevenar 13 bij volwassenen:
Zeer vaak voorkomende bijwerkingen (deze kunnen optreden bij meer dan 1 op de 10 doses van het
vaccin) zijn:
Verminderde eetlust, hoofdpijn, diarree, overgeven (voor personen van 18 tot en met 49 jaar
oud)
Koude rillingen, vermoeidheid, uitslag, pijn, roodheid, zwelling, verharding of gevoeligheid van
de vaccinatieplaats die beweging van de arm belemmert (ernstige pijn of gevoeligheid van de
vaccinatieplaats voor personen van 18 tot en met 39 jaar oud en ernstige beperking van de
armbeweging voor personen van 18 tot en met 39 jaar oud)
Ergere of nieuwe pijn in uw gewrichten, ergere of nieuwe pijn in uw spieren
Koorts (voor personen van 18 tot en met 29 jaar oud)
Vaak voorkomende bijwerkingen (deze kunnen optreden bij minder dan 1 op de 10 doses van het
vaccin) zijn:
Overgeven (voor personen van 50 jaar en ouder), koorts (voor personen van 30 jaar en ouder)
Soms voorkomende bijwerkingen (deze kunnen optreden bij minder dan 1 op de 100 doses van het
vaccin) zijn:
Misselijkheid
Allergische (overgevoeligheids-)reactie, inclusief zwelling van het gezicht en/of de lippen,
moeite met ademhalen
Vergrote lymfeknopen of -klieren (lymfadenopathie) bij de vaccinatieplaats, zoals in de oksel
Volwassenen met hiv-infectie hadden vergelijkbare bijwerkingen behalve dat koorts en braken zeer
vaak voorkwamen en misselijkheid vaak voorkwam.
Volwassenen met een bloedvormende stamceltransplantatie hadden vergelijkbare bijwerkingen
behalve dat koorts en braken zeer vaak voorkwamen.
Ernstige allergische reactie inclusief shock (cardiovasculaire collaps), angio-oedeem (zwelling
van lippen, gezicht of keel)
Netelroos (urticaria), roodheid en irritatie (dermatitis) en jeuk (pruritus) op de vaccinatieplaats,
blozen
Vergroting van de lymfeknopen of -klieren (lymfadenopathie) in het gebied rond de
vaccinatieplaats, zoals onder de arm of in de lies
Huiduitslag die jeukende, rode vlekken veroorzaakt (erythema multiforme)
Het melden van bijwerkingen
Krijgt u of uw kind last van bijwerkingen, neem dan contact op met uw arts, apotheker of
verpleegkundige. Dit geldt ook voor mogelijke bijwerkingen die niet in deze bijsluiter staan. U kunt
bijwerkingen ook rechtstreeks melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in aanhangsel V.
Door bijwerkingen te melden, kunt u ons helpen meer informatie te verkrijgen over de veiligheid van
dit geneesmiddel.
5.
Hoe bewaart u dit middel?
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
Gebruik dit geneesmiddel niet meer na de uiterste houdbaarheidsdatum. Die vindt u op de doos en het
etiket na EXP. Daar staat een maand en een jaar. De laatste dag van die maand is de uiterste
houdbaarheidsdatum.
Bewaren in de koelkast (2°C ­ 8°C).
Niet in de vriezer bewaren.
Spoel geneesmiddelen niet door de gootsteen of de WC en gooi ze niet in de vuilnisbak. Vraag uw
apotheker wat u met geneesmiddelen moet doen die u niet meer gebruikt. Als u geneesmiddelen op de
juiste manier afvoert worden ze op een verantwoorde manier vernietigd en komen ze niet in het milieu
terecht.
6.
Inhoud van de verpakking en overige informatie
Welke stoffen zitten er in dit middel?
De werkzame stoffen in dit middel zijn polysaccharide CRM197-conjugaten bestaande uit:
2,2 µg polysaccharide voor serotypen 1, 3, 4, 5, 6A, 7F, 9V, 14, 18C, 19A, 19F en 23F
4,4 µg polysaccharide voor serotype 6B
1 dosis (0,5 ml) bevat ongeveer 32 µg dragereiwit CRM197, geadsorbeerd aan aluminiumfosfaat
(0,125 mg aluminium).
De andere stoffen in dit middel zijn natriumchloride, barnsteenzuur, polysorbaat 80 en water voor
injecties.
Hoe ziet Prevenar 13 eruit en hoeveel zit er in een verpakking?
Het vaccin is een witte suspensie voor injectie en wordt geleverd in een injectieflacon met een
enkelvoudige dosis (0,5 ml). Verpakkingsgrootten van 1, 5, 10, 25 en 50 injectieflacons. Niet alle
genoemde verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
Houder van de vergunning voor het in de handel
Fabrikant verantwoordelijk voor partijvrijgifte:
brengen:
Pfizer Manufacturing Belgium N.V.
Pfizer Europe MA EEIG
Rijksweg 12
Boulevard de la Plaine 17
B-2870 Puurs
1050 Brussel
België
België
Neem voor alle informatie over dit geneesmiddel contact op met de lokale vertegenwoordiger van de
houder van de vergunning voor het in de handel brengen:
België/Belgique/Belgien
Lietuva
Luxembourg/Luxemburg
Pfizer Luxembourg SARL filialas Lietuvoje
Pfizer NV/SA
Tel. + 370 52 51 4000
Tél/Tel: + 32 (0)2 554 62 11

Magyarország
,
Pfizer Kft
Tel: +36 1 488 3700
Te: +359 2 970 4333
Ceská Republika
Malta
Pfizer, spol. s r.o.
Vivian Corporation Ltd.
Tel: +420 283 004 111
Tel: + 35621 344610
Danmark
Nederland
Pfizer ApS
Pfizer bv
Tlf: + 45 44 201 100
Tel: +31 (0)10 406 43 01
Deutschland
Norge
Pfizer Pharma GmbH
Pfizer AS
Tel: + 49 (0)30 550055-51000
Tlf: +47 67 52 61 00
Eesti
Österreich
Pfizer Luxembourg SARL Eesti filiaal
Pfizer Corporation Austria Ges.m.b.H
Tel: +372 666 7500
Tel: + 43 (0)1 521 15-0

Polska
Pfizer A.E.
Pfizer Polska Sp. z o.o.
.: +30 210 6785 800
Tel.: +48 22 335 61 00
España
Portugal
Pfizer, S.L.
Laboratórios Pfizer, Lda.
Télf:+34914909900
Tel: +351 21 423 5500
France
România
Pfizer
Pfizer Romania S.R.L
Tél +33 1 58 07 34 40
Tel: +40 (0) 21 207 28 00
Hrvatska
Slovenija
Pfizer Croatia d.o.o.
Pfizer Luxembourg SARL
Tel: + 385 1 3908 777
Pfizer, podruznica za svetovanje s podrocja
farmacevtske dejavnosti, Ljubljana
Tel.: + 386 (0) 1 52 11 400
Slovenská republika
Pfizer Healthcare Ireland
Pfizer Luxembourg SARL,
Tel: 1800 633 363 (toll free)
organizacná zlozka
+44 (0)1304 616161
Tel: + 421 2 3355 5500
Ísland
Suomi/Finland
Icepharma hf
Pfizer Oy
Simi: + 354 540 8000
Puh/Tel: +358 (0)9 430 040
Italia
Sverige
Pfizer S.r.l.
Pfizer AB
Tel: +39 06 33 18 21
Tel: +46 (0)8 550 520 00
K
United Kingdom (Northern Ireland)
Pfizer A.E. (Cyprus Branch)
Pfizer Limited
T: +357 22 817690
Tel: +44 (0) 1304 616161
Latvija
Pfizer Luxembourg SARL filile Latvij
Tel.: + 371 670 35 775
Deze bijsluiter is voor het laatst goedgekeurd in
Andere informatiebronnen
Meer informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees
Geneesmiddelenbureau: http://www.ema.europa.eu.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
De volgende informatie is alleen bestemd voor beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg:
Tijdens opslag kan een witte neerslag en helder supernatant worden waargenomen. Dit is geen teken
van bederf.
Inspecteer visueel op vreemde deeltjes en / of abnormaal fysiek uiterlijk; niet gebruiken indien één of
allebei wordt gevonden.
Goed schudden vóór gebruik om een homogene witte suspensie te krijgen.
De volledige dosis toedienen.
Prevenar 13 is uitsluitend bedoeld voor intramusculair gebruik. Niet intravasculair toedienen.
Prevenar 13 mag niet worden gemengd met andere vaccins in dezelfde injectiespuit.
Prevenar 13 kan gegeven worden op hetzelfde moment als de andere vaccins voor kinderen, in dat
geval moeten verschillende vaccinatieplaatsen worden gebruikt.
Prevenar 13 kan aan volwassenen van 50 jaar en ouder tegelijk met het trivalente of quadrivalente
geïnactiveerde influenzavaccin gegeven worden.
Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale
voorschriften.
Prevenar 13 suspensie voor injectie in een meervoudige dosis container
pneumokokkenpolysaccharidenconjugaatvaccin (13-valent, geadsorbeerd)
Lees goed de hele bijsluiter voordat u of uw kind dit vaccin ontvangt want er staat belangrijke
informatie in voor u.

Bewaar deze bijsluiter. Misschien heeft u hem later weer nodig.
Heeft u nog vragen? Neem dan contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige.
Geef dit vaccin niet door aan anderen, want het is alleen aan u of uw kind voorgeschreven.
Krijgt u of uw kind last van een van de bijwerkingen die in rubriek 4 staan? Of krijgt u of uw
kind een bijwerking die niet in deze bijsluiter staat? Neem dan contact op met uw arts,
apotheker of verpleegkundige.
Inhoud van deze bijsluiter
1.
Wat is Prevenar 13 en waarvoor wordt dit middel gebruikt?
2.
Wanneer mag u of uw kind dit middel niet toegediend krijgen of moet u er extra voorzichtig
mee zijn?
3.
Hoe wordt dit middel toegediend?
4.
Mogelijke bijwerkingen
5.
Hoe bewaart u dit middel?
6.
Inhoud van de verpakking en overige informatie
1.
Wat is Prevenar 13 en waarvoor wordt dit middel gebruikt?
Prevenar 13 is een pneumokokkenvaccin dat wordt gegeven aan:

kinderen van 6 weken tot en met 17 jaar, ter bescherming tegen ziekten zoals meningitis
(hersenvliesontsteking), sepsis of bacteriëmie (bacteriën in het bloed), pneumonie
(longontsteking) en oorontstekingen

volwassenen van 18 jaar en ouder ter voorkoming van ziekten zoals pneumonie (longinfectie),
sepsis of bacteriëmie (bacteriën in het bloed) en meningitis (hersenvliesontsteking)
veroorzaakt door 13 typen van de bacterie Streptococcus pneumoniae.
Prevenar 13 biedt bescherming tegen 13 typen van de Streptococcus pneumoniae-bacterie en
vervangt Prevenar, dat bescherming bood tegen 7 typen.
Het vaccin werkt door het lichaam te helpen zijn eigen antistoffen aan te maken, die u of uw kind
tegen deze ziekten beschermen.
2.
Wanneer mag u of uw kind dit middel niet toegediend krijgen of moet u er extra
voorzichtig mee zijn?
Wanneer mag dit middel niet worden toegediend?
U bent/uw kind is allergisch voor een van de stoffen in dit geneesmiddel of voor een ander
vaccin dat difterietoxoïd bevat. De stoffen in dit geneesmiddel kunt u vinden in rubriek 6.
U of uw kind heeft een ernstige infectie met hoge koorts (boven 38°C). Als dit bij u of uw kind
het geval is, dan zal de vaccinatie worden uitgesteld totdat u of uw kind zich beter voelt. Een
milde infectie, zoals een verkoudheid, moet geen probleem zijn. Echter, overleg eerst met uw
arts, apotheker of verpleegkundige.
Neem contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige voordat de vaccinatie plaatsvindt als u of
uw kind:
nu of in het verleden medische klachten heeft of heeft gehad zoals een allergische reactie of
problemen met ademhalen na een dosis Prevenar of Prevenar 13.
bloedingsproblemen heeft of snel blauwe plekken krijgt.
een verzwakt immuunsysteem heeft (zoals bijv. door een hiv-infectie); het kan zijn dat u/zij/hij
niet alle voordelen van Prevenar 13 zal hebben.
epileptische aanvallen heeft ervaren omdat mogelijk geneesmiddelen genomen moeten worden
om koorts te laten zakken voordat Prevenar 13 wordt gegeven. Als uw kind niet reageert of
epileptische aanvallen (toevallen) ervaart na de vaccinatie, neem onmiddellijk contact op met
uw arts. Zie ook rubriek 4.
Neem contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige voordat de vaccinatie plaatsvindt als uw
kind veel te vroeg werd geboren (bij een zwangerschap van 28 weken of eerder), omdat abnormaal
lange adempauzes kunnen optreden gedurende 2-3 dagen na vaccinatie. Zie ook rubriek 4.
Zoals met alle vaccins zal Prevenar 13 niet alle personen beschermen die worden gevaccineerd.
Prevenar 13 zal bij kinderen alleen bescherming bieden tegen oorinfecties die worden veroorzaakt
door de typen Streptococcus pneumoniae waarvoor het vaccin is ontwikkeld. Het zal niet beschermen
tegen andere ziekteverwekkers die een oorontsteking kunnen veroorzaken.
Gebruikt u of uw kind nog andere geneesmiddelen/vaccins?
Uw arts kan u vragen om uw kind paracetamol of andere medicijnen die de koorts verlagen te geven
voordat Prevenar 13 wordt toegediend. Dit zal helpen om sommige bijwerkingen van Prevenar 13 te
verminderen.
Gebruikt u of uw kind naast Prevenar 13 nog andere geneesmiddelen, heeft u of uw kind dat kort
geleden gedaan of bestaat de mogelijkheid dat u of uw kind binnenkort andere geneesmiddelen gaat
gebruiken of heeft u of uw kind kort geleden een ander vaccin toegediend gekregen? Vertel dat dan uw
arts, apotheker of verpleegkundige.
Zwangerschap en borstvoeding
Bent u zwanger, denkt u zwanger te zijn, wilt u zwanger worden of geeft u borstvoeding? Neem dan
contact op met uw arts of apotheker voordat u dit geneesmiddel toegediend krijgt.
Rijvaardigheid en het gebruik van machines
Prevenar 13 heeft geen of een verwaarloosbare invloed op de rijvaardigheid en op het vermogen om
machines te bedienen. Sommige bijwerkingen die genoemd worden in rubriek 4 'Mogelijke
bijwerkingen' kunnen echter de rijvaardigheid of het vermogen om machines te bedienen, tijdelijk
beïnvloeden.
Prevenar 13 bevat natrium
Dit geneesmiddel bevat minder dan 1 mmol natrium (23 mg) per dosis, dat wil zeggen dat het
geneesmiddel in essentie 'natriumvrij' is.
3.
Hoe wordt dit middel toegediend?
De arts of verpleegkundige zal de aanbevolen dosis (0,5 ml) van het vaccin injecteren
Zuigelingen in de leeftijd van 6 weken tot en met 6 maanden
Gewoonlijk moet er bij uw kind een beginserie van drie injecties van het vaccin toegediend worden
gevolgd door een booster dosis.
De eerste injectie mag gegeven worden vanaf een leeftijd van zes weken.
Elke injectie zal minimaal een maand na de vorige worden gegeven.
Een vierde injectie (booster) zal worden gegeven bij een leeftijd tussen 11 en 15 maanden.
Er zal u worden verteld wanneer uw kind terug moet komen voor een volgende injectie.
Volgens officiële aanbevelingen in uw land kan ook een alternatief schema door zorgverleners worden
gebruikt. Neem contact op met uw arts, apotheker of verpleegkundige voor meer informatie.
Te vroeg geboren zuigelingen
Uw kind krijgt een eerste kuur van drie injecties. De eerste injectie mag bij zes weken worden
gegeven, met minimaal een maand tussen de doses. Als hij/zij tussen de 11 en 15 maanden oud is,
krijgt uw kind een vierde injectie (booster).
Ongevaccineerde zuigelingen, kinderen ouder dan 7 maanden en jongeren
Zuigelingen in de leeftijd van
7 tot en met 11 maanden dienen twee injecties te krijgen. Elke injectie
zal minimaal een maand na de vorige worden gegeven. Een derde injectie zal worden gegeven in het
tweede levensjaar.
Kinderen in de leeftijd van
12 tot en met 23 maanden dienen twee injecties te krijgen. De injecties
zullen met een interval van minimaal twee maanden worden gegeven.
Kinderen in de leeftijd van
2 tot en met 17 jaar dienen één injectie te krijgen.
Zuigelingen, kinderen en jongeren eerder gevaccineerd met Prevenar
Zuigelingen en kinderen die eerder Prevenar hebben gekregen, kunnen Prevenar 13 krijgen om het
injectieschema af te maken.
Voor kinderen in de leeftijd van
1 tot en met 5 jaar die eerder zijn gevaccineerd met Prevenar, zal uw
arts of verpleegkundige adviseren hoeveel injecties van Prevenar 13 nodig zijn.
Kinderen en jongeren van
6 tot en met 17 jaar dienen één injectie te krijgen
Het is belangrijk om de instructies van de arts, apotheker of verpleegkundige te volgen, zodat uw kind
het injectieschema afmaakt.
Als u een afspraak bent vergeten, vraag dan de arts, apotheker of verpleegkundige om advies.
Volwassenen
Volwassenen dienen één injectie te krijgen.
Vertel het uw arts, apotheker of verpleegkundige als u eerder een pneumokokkenvaccin heeft
gekregen.
Heeft u nog andere vragen over het gebruik van dit geneesmiddel? Neem dan contact op met uw arts,
apotheker of verpleegkundige.
Personen die een hoger risico op pneumokokkeninfectie hebben (zoals diegenen met sikkelcelziekte of
hiv-infectie), met inbegrip van diegenen die eerder zijn gevaccineerd met het 23-valente
pneumokokkenpolysaccharidevaccin, mogen minimaal een dosis Prevenar 13 toegediend krijgen.
Personen met een bloedvormende stamceltransplantatie mogen drie injecties ontvangen, waarbij de
eerste 3 tot 6 maanden na de transplantatie wordt gegeven en met een interval van ten minste 1 maand
tussen de doses. Een vierde (booster) injectie wordt aanbevolen 6 maanden na de derde injectie.
4.
Mogelijke bijwerkingen
Zoals elk vaccin kan ook dit vaccin bijwerkingen hebben, al krijgt niet iedereen daarmee te maken.
De volgende bijwerkingen zijn gemeld voor Prevenar 13 bij zuigelingen en kinderen (van 6
weken tot en met 5 jaar oud):

Zeer vaak voorkomende bijwerkingen (deze kunnen optreden bij meer dan 1 op de 10 doses van het
vaccin) zijn:
Verminderde eetlust
Koorts, prikkelbaarheid, pijn, gevoeligheid, roodheid, zwelling of verharding van de
vaccinatieplaats, slaperigheid, rusteloze slaap
Roodheid, verharding, zwelling van 2,5 cm tot 7,0 cm van de vaccinatieplaats (na de
boosterdosis en bij oudere kinderen [leeftijd van 2 tot en met 5 jaar])
Vaak voorkomende bijwerkingen (deze kunnen optreden bij minder dan 1 op de 10 doses van het
vaccin) zijn:
Braken, diarree
Koorts van 39°C of meer, gevoeligheid van de vaccinatieplaats die beweging belemmert,
roodheid, verharding, zwelling van 2,5 cm tot 7,0 cm van de vaccinatieplaats (na de eerste
injectiereeks)
Huiduitslag
Soms voorkomende bijwerkingen (deze kunnen optreden bij minder dan 1 op de 100 doses van het
vaccin) zijn:
Stuipen (toevallen), inclusief stuipen veroorzaakt door een hoge temperatuur
Netelroos (urticaria of urticaria-achtige uitslag)
Roodheid, zwelling of verharding van de vaccinatieplaats van meer dan 7 cm, huilen
Zelden voorkomende bijwerkingen (deze kunnen optreden bij minder dan 1 op de 1.000 doses van
het vaccin) zijn:
In elkaar zakken of shockachtige staat (hypotoon-hyporesponsieve episode)
Allergische (overgevoeligheids-) reactie, inclusief zwelling van het gezicht en/of de lippen,
moeite met ademhalen
De volgende bijwerkingen van Prevenar 13 zijn gemeld bij kinderen en jongeren (6 tot en met
17 jaar oud):

Zeer vaak voorkomende bijwerkingen (deze kunnen optreden bij meer dan 1 op 10 doses van het
vaccin) zijn:
Verminderde eetlust
Prikkelbaarheid, pijn, gevoeligheid, roodheid, zwelling of verharding van de vaccinatieplaats,
slaperigheid, onrustige slaap, gevoeligheid van de vaccinatieplaats met bewegingsbeperking
Vaak voorkomende bijwerkingen (deze kunnen optreden bij minder dan 1 op 10 doses van het
vaccin) zijn:
Hoofdpijn
Braken, diarree
Huiduitslag, netelroos (urticaria of urticaria-achtige uitslag)
Koorts
Kinderen en jongeren met ofwel hiv-infectie, sikkelcelziekte of een bloedvormende
stamceltransplantatie hadden vergelijkbare bijwerkingen, behalve dat hoofdpijn, braken, diarree,
koorts, vermoeidheid en gewrichts- en spierpijn zeer vaak voorkwamen.
Bij zeer prematuur geboren baby's (na of voor 28 weken zwangerschap) kunnen langere adempauzes
dan normaal voorkomen gedurende 2-3 dagen na vaccinatie.
De volgende bijwerkingen zijn gemeld voor Prevenar 13 bij volwassenen:
Zeer vaak voorkomende bijwerkingen (deze kunnen optreden bij meer dan 1 op de 10 doses van het
vaccin) zijn:
Verminderde eetlust, hoofdpijn, diarree, overgeven (voor personen van 18 tot en met 49 jaar
oud)
Koude rillingen, vermoeidheid, uitslag, pijn, roodheid, zwelling, verharding of gevoeligheid van
de vaccinatieplaats die beweging van de arm belemmert (ernstige pijn of gevoeligheid van de
vaccinatieplaats voor personen van 18 tot en met 39 jaar oud en ernstige beperking van de
armbeweging voor personen van 18 tot en met 39 jaar oud)
Ergere of nieuwe pijn in uw gewrichten, ergere of nieuwe pijn in uw spieren
Koorts (voor personen van 18 tot en met 29 jaar oud)
Vaak voorkomende bijwerkingen (deze kunnen optreden bij minder dan 1 op de 10 doses van het
vaccin) zijn:
Overgeven (voor personen van 50 jaar en ouder), koorts (voor personen van 30 jaar en ouder)
Soms voorkomende bijwerkingen (deze kunnen optreden bij minder dan 1 op de 100 doses van het
vaccin) zijn:
Misselijkheid
Allergische (overgevoeligheids-)reactie, inclusief zwelling van het gezicht en/of de lippen,
moeite met ademhalen
Vergrote lymfeknopen of -klieren (lymfadenopathie) bij de vaccinatieplaats, zoals in de oksel
Volwassenen met hiv-infectie hadden vergelijkbare bijwerkingen behalve dat koorts en braken zeer
vaak voorkwamen en misselijkheid vaak voorkwam.
Volwassenen met een bloedvormende stamceltransplantatie hadden vergelijkbare bijwerkingen
behalve dat koorts en braken zeer vaak voorkwamen.
Ernstige allergische reactie inclusief shock (cardiovasculaire collaps), angio-oedeem (zwelling
van lippen, gezicht of keel)
Netelroos (urticaria), roodheid en irritatie (dermatitis) en jeuk (pruritus) op de vaccinatieplaats,
blozen
Vergroting van de lymfeknopen of -klieren (lymfadenopathie) in het gebied rond de
vaccinatieplaats, zoals onder de arm of in de lies
Huiduitslag die jeukende, rode vlekken veroorzaakt (erythema multiforme)
Het melden van bijwerkingen
Krijgt u of uw kind last van bijwerkingen, neem dan contact op met uw arts, apotheker of
verpleegkundige. Dit geldt ook voor mogelijke bijwerkingen die niet in deze bijsluiter staan. U kunt
bijwerkingen ook rechtstreeks melden via het nationale meldsysteem zoals vermeld in aanhangsel V.
Door bijwerkingen te melden, kunt u ons helpen meer informatie te verkrijgen over de veiligheid van
dit geneesmiddel.
5.
Hoe bewaart u dit middel?
Buiten het zicht en bereik van kinderen houden.
Gebruik dit geneesmiddel niet meer na de uiterste houdbaarheidsdatum. Die vindt u op de doos en het
etiket na EXP. Daar staat een maand en een jaar. De laatste dag van die maand is de uiterste
houdbaarheidsdatum.
Bewaren in de koelkast (2°C ­ 8°C).
Niet in de vriezer bewaren.
Na het eerste gebruik kan het product gedurende maximaal 28 dagen in de koelkast worden bewaard.
Spoel geneesmiddelen niet door de gootsteen of de WC en gooi ze niet in de vuilnisbak. Vraag uw
apotheker wat u met geneesmiddelen moet doen die u niet meer gebruikt. Als u geneesmiddelen op de
juiste manier afvoert worden ze op een verantwoorde manier vernietigd en komen ze niet in het milieu
terecht.
6.
Inhoud van de verpakking en overige informatie
Welke stoffen zitten er in dit middel?
De werkzame stoffen in dit middel zijn polysaccharide CRM197-conjugaten bestaande uit:
2,2 µg polysaccharide voor serotypen 1, 3, 4, 5, 6A, 7F, 9V, 14, 18C, 19A, 19F en 23F
4,4 µg polysaccharide voor serotype 6B
1 dosis (0,5 ml) bevat ongeveer 32 µg dragereiwit CRM197, geadsorbeerd aan aluminiumfosfaat
(0,125 mg aluminium).
De andere stoffen in dit middel zijn natriumchloride, barnsteenzuur, polysorbaat 80, 2-fenoxyethanol
en water voor injecties.
Hoe ziet Prevenar 13 eruit en hoeveel zit er in een verpakking?
Het vaccin is een witte suspensie voor injectie en wordt geleverd in een meervoudige dosis container
(4 x 0,5 ml doses). Verpakkingsgrootten van 1, 5, 10, 25 en 50 containers. Niet alle genoemde
verpakkingsgrootten worden in de handel gebracht.
Houder van de vergunning voor het in de handel
Fabrikant verantwoordelijk voor partijvrijgifte:
brengen:
Pfizer Manufacturing Belgium N.V.
Pfizer Europe MA EEIG
Rijksweg 12
Boulevard de la Plaine 17
B-2870 Puurs
1050 Brussel
België
België
Neem voor alle informatie over dit geneesmiddel contact op met de lokale vertegenwoordiger van de
houder van de vergunning voor het in de handel brengen:
België/Belgique/Belgien
Lietuva
Luxembourg/Luxemburg
Pfizer Luxembourg SARL filialas Lietuvoje
Pfizer NV/SA
Tel. + 370 52 51 4000
Tél/Tel: + 32 (0)2 554 62 11

Magyarország
,
Pfizer Kft
Tel: +36 1 488 3700
Te: +359 2 970 4333
Ceská Republika
Malta
Pfizer, spol. s r.o.
Vivian Corporation Ltd.
Tel: +420 283 004 111
Tel: + 35621 344610
Danmark
Nederland
Pfizer ApS
Pfizer bv
Tlf: + 45 44 201 100
Tel: +31 (0)10 406 43 01
Deutschland
Norge
Pfizer Pharma GmbH
Pfizer AS
Tel: + 49 (0)30 550055-51000
Tlf: +47 67 52 61 00
Eesti
Österreich
Pfizer Luxembourg SARL Eesti filiaal
Pfizer Corporation Austria Ges.m.b.H
Tel: +372 666 7500
Tel: + 43 (0)1 521 15-0

Polska
Pfizer A.E.
Pfizer Polska Sp. z o.o.
.: +30 210 6785 800
Tel.: +48 22 335 61 00
España
Portugal
Pfizer, S.L.
Laboratórios Pfizer, Lda.
Télf:+34914909900
Tel: +351 21 423 5500
France
România
Pfizer
Pfizer Romania S.R.L
Tél +33 1 58 07 34 40
Tel: +40 (0) 21 207 28 00
Hrvatska
Slovenija
Pfizer Croatia d.o.o.
Pfizer Luxembourg SARL
Tel: + 385 1 3908 777
Pfizer, podruznica za svetovanje s podrocja
farmacevtske dejavnosti, Ljubljana
Tel.: + 386 (0) 1 52 11 400
Slovenská republika
Pfizer Healthcare Ireland
Pfizer Luxembourg SARL,
Tel: 1800 633 363 (toll free)
organizacná zlozka
+44 (0)1304 616161
Tel: + 421 2 3355 5500
Ísland
Suomi/Finland
Icepharma hf
Pfizer Oy
Simi: + 354 540 8000
Puh/Tel: +358 (0)9 430 040
Italia
Sverige
Pfizer S.r.l.
Pfizer AB
Tel: +39 06 33 18 21
Tel: +46 (0)8 550 520 00
K
United Kingdom (Northern Ireland)
Pfizer A.E. (Cyprus Branch)
Pfizer Limited
T: +357 22 817690
Tel: +44 (0) 1304 616161
Latvija
Pfizer Luxembourg SARL filile Latvij
Tel.: + 371 670 35 775
Deze bijsluiter is voor het laatst goedgekeurd in
Andere informatiebronnen
Meer informatie over dit geneesmiddel is beschikbaar op de website van het Europees
Geneesmiddelenbureau: http://www.ema.europa.eu.
---------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
De volgende informatie is alleen bestemd voor beroepsbeoefenaren in de gezondheidszorg:
Tijdens opslag kan een witte neerslag en helder supernatant worden waargenomen. Dit is geen teken
van bederf.
Inspecteer visueel op vreemde deeltjes en / of abnormaal fysiek uiterlijk; niet gebruiken indien één of
allebei wordt gevonden.
Goed schudden vóór gebruik om een homogene witte suspensie te krijgen.
De volledige dosis toedienen.
Prevenar 13 is uitsluitend bedoeld voor intramusculair gebruik. Niet intravasculair toedienen.
Prevenar 13 mag niet worden gemengd met andere vaccins in dezelfde injectiespuit.
Prevenar 13 kan gegeven worden op hetzelfde moment als de andere vaccins voor kinderen, in dat
geval moeten verschillende vaccinatieplaatsen worden gebruikt.
Prevenar 13 kan aan volwassenen van 50 jaar en ouder tegelijk met het trivalente of quadrivalente
geïnactiveerde influenzavaccin gegeven worden.
Na het eerste gebruik kan het product gedurende maximaal 28 dagen in de koelkast worden bewaard.
Al het ongebruikte geneesmiddel of afvalmateriaal dient te worden vernietigd overeenkomstig lokale
voorschriften.

Heb je dit medicijn gebruikt? Prevenar 13 te vormen.

Je ervaring helpt anderen een beeld over het gebruik van Prevenar 13 te vormen.

Deel als eerste jouw ervaring over Prevenar 13

Opgepast

  • Gebruik geen geneesmiddelen zonder het advies van je geneesheer
  • Vertrouw enkel de bijsluiter die meegeleverd werd met je geneesmiddel
  • Gebruik geen geneesmiddelen waarvan de houdbaarheidsdatum verstreken is
  • Bijsluiters zijn aangeleverd door het FAGG
  • FAGG