Propofol b. braun 2 % 20 mg/ml

Summary of the product characteristics
SAMENVATTING VAN DE PRODUCTKENMERKEN
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml), emulsie voor injectie of infusie
2.
KWANTITATIEVE EN KWALITATIEVE SAMENSTELLING
Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml), emulsie voor injectie of infusie bevat:
Propofol
20 mg/ml
(1 glazen flacon van 50 ml bevat dus: 1000 mg propofol)
Sojaolie
Voor een volledige lijst van de hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3.
FARMACEUTISCHE VORM
Emulsie voor injectie of infusie.
Witte melkachtige emulsie met continue waterige fase.
4.
4.1
KLINISCHE GEGEVENS
Therapeutische indicaties
Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) is een algemeen anestheticum voor intraveneuze toediening, met
kortdurende en snelle werking, bestemd voor:
het inleiden en onderhouden van een algemene anesthesie,
de sedatie van patiënten die beademd worden op de afdeling intensieve zorgen.
4.2
Dosering en wijze van toediening
Dosering
Aanbevolen dosering
Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) wordt intraveneus toegediend. De dosis wordt geval per geval
aangepast afhankelijk van de reactie van de patiënt.
Algemene anesthesie bij volwassenen
Inductie van de anesthesie:
Propofol moet worden toegediend via infusie of via een trage bolus.
Om een anesthesie in te leiden moet men Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) (20 à 40 mg propofol om
de 10 seconden) doseren afhankelijk van de reactie van de patiënt tot de klinische tekenen aangeven
dat de anesthesie begint te werken. De totale vereiste dosis kan worden verlaagd door de
toedieningssnelheid te verlagen (20-50 mg/min). Bij de meeste volwassen patiënten jonger dan 55 jaar
bedraagt de vereiste dosis 1,5 à 2,5 mg/kg lichaamsgewicht.
1/12
Bij bejaarde patiënten of patiënten uit de ASA-klassen III en IV moet de toedieningssnelheid lager zijn
(ongeveer 20 mg om de 10 seconden).
Onderhouden van de anesthesie:
De anesthesie wordt onderhouden door de toediening van Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) door
continue infusie. De vereiste dosis ligt meestal tussen 4 en 12 mg/kg lichaamsgewicht/uur.
Bij bejaarde patiënten met een slechte algemene gezondheidstoestand, patiënten uit de ASA-klassen
III en IV en patiënten die lijden aan hypovolemie kan de dosis nog worden verlaagd afhankelijk van
de ernst van de toestand van de patiënt en de gebruikte anesthesietechniek.
Pediatrische patiënten
Algemene anesthesie bij kinderen ouder dan 3 jaar
Inductie van de anesthesie
Om een anesthesie in te leiden moet men traag Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) toedienen tot de
klinische tekenen aangeven dat de anesthesie begint te werken. De dosis moet worden aangepast aan
de leeftijd en/of het lichaamsgewicht van het kind.
De aanbevolen doses zijn:
- van 3 tot 8 jaar: 2,5 à 4 mg/kg
- ouder dan 8 jaar: ongeveer 2,5 mg/kg.
Wegens het gebrek aan klinische ervaring is het aanbevolen om lagere doses te gebruiken bij jonge
patiënten met een verhoogd risico (ASA-klassen III en IV).
Het is niet aangeraden om Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) bij kinderen van 1 maand tot 3 jaar te
gebruiken voor het inleiden van de anesthesie omdat de formule aan 2% bij jongere kinderen moeilijk
te doseren is, gezien de vereiste volumes in deze leeftijdscategorie bijzonder klein zijn (zie ook rubriek
4.4). Bij deze patiënten is het eerder aangeraden om Propofol B. Braun 1% (10 mg/ml) te gebruiken.
Onderhouden van de algemene anesthesie:
Het onderhouden wordt gewaarborgd door het toedienen van propofol via continue infusie of via
bolusinjecties. Voor het onderhouden van de algemene anesthesie wordt meestal een bevredigend
verdovingsniveau bereikt door continue infusie met een dosis tussen 9 en 15 mg/kg
lichaamsgewicht/uur.
De dosis moet geval per geval worden aangepast en er moet speciale aandacht worden besteed aan de
toediening van aangepaste pijnstillers indien dit nodig is.
Het is niet aangeraden om Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) bij kinderen van 1 maand tot 3 jaar te
gebruiken voor het onderhouden van de anesthesie omdat de formule aan 2% bij jongere kinderen
moeilijk te doseren is, gezien de vereiste volumes in deze leeftijdscategorie bijzonder klein zijn (zie
ook rubriek 4.4). Bij deze patiënten is het eerder aangeraden om Propofol B. Braun 1% (10 mg/ml) te
gebruiken.
Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) mag niet worden gebruikt voor het inleiden en onderhouden van de
anesthesie bij kinderen jonger dan 1 maand.
Sedatie van patiënten die beademd worden op de afdeling intensieve zorgen
2
Voor de sedatie van patiënten in het kader van intensieve zorgen wordt de toediening van Propofol B.
Braun 2% (20 mg/ml) via continue infusie aangeraden. Het debiet van de infusie moet worden bepaald
op basis van de gewenste sedatiegraad. De meeste patiënten zijn voldoende gekalmeerd met een dosis
van 0,3 à 4 mg/kg/uur propofol (zie rubriek 4.4).
Het gebruik van propofol is niet aangewezen voor de sedatie van patiënten van 16 jaar of jonger op de
afdeling intensieve zorgen (zie rubriek 4.3). Het is niet aangeraden om het Diprifusor-systeem voor
gecontroleerde infusie te gebruiken voor de toediening van propofol voor de sedatie van patiënten op
de afdeling intensieve zorgen.
Wijze van toediening
Toedieningsmethode en -duur
Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) mag uitsluitend in ziekenhuizen of in naar behoren uitgeruste
dagverzorgingscentra worden toegediend door artsen-anesthesisten of artsen die zijn opgeleid voor het
toedienen van intensieve zorgen aan patiënten. De circulatie en de ademhaling van de patiënt moeten
constant worden bewaakt (bv. ecg, saturatie) en de apparatuur voor het vrijhouden van de luchtwegen,
voor kunstmatige beademing en reanimatie moet steeds onmiddellijk toegankelijk zijn. Meestal is het
nodig om bovenop Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) ook aanvullende pijnstillers toe te dienen.
Toedieningsmethode
Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) wordt intraveneus en in niet-verdunde vorm toegediend. De
verpakkingen moeten worden geschud voor gebruik.
Vóór gebruik moet het oppervlak van de rubberdop van de flacon worden gereinigd met behulp van
alcohol voor medische toepassingen (in sprayvorm of op een wattenstaafje). Na gebruik moeten de
doorboorde verpakkingen worden weggegooid.
Propofol B. Braun 2 % (20 mg/ml) bevat geen antimicrobieel bewaarmiddel en bevordert de groei van
micro-organismen. Bijgevolg moet Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) steriel worden opgevangen in
een steriele spuit of een steriele infusiekit onmiddellijk na verbreking van het dichtingssysteem van de
flacon. De toediening moet onmiddellijk gebeuren. De steriele toestand moet tijdens de hele infusie
behouden blijven, zowel voor het product Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) als voor het
infusiemateriaal.
Alle geneesmiddelen of vloeistoffen die toegevoegd worden tijdens de toediening van een infusie met
Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) moeten worden toegevoegd in de buurt van de plaats waar de
canule werd ingebracht. Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) mag niet worden toegediend via infuuskits
uitgerust met microbiologische filters.
De inhoud van elke flacon Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) en van elke spuit die Propofol B. Braun
2% (20 mg/ml) bevat, is bestemd voor eenmalig gebruik bij één enkele patiënt. Alle resten van deze
inhoud die overblijven na gebruik moeten worden weggegooid.
Bij de toediening van Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) via een continue infusie is het aanbevolen om
systematisch buretten, druppeltellers, spuitpompen of volumetrische infuuspompen te gebruiken om
het debiet van het infuus te controleren. Zoals bepaald voor iedere parenterale toediening van vette
emulsies, mag de duur van de continue infusie met Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) toegediend met
behulp van eenzelfde infusiesysteem maximaal 12 uur bedragen. De buisjes en het reservoir van het
3
infuus met Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) moeten uiterlijk na maximaal 12 uur worden
weggegooid en vervangen. Alle resten van Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) die overblijven na het
einde van de infusie of na de vervanging van de infuusapparatuur, moeten worden weggegooid.
Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) mag niet worden gemengd met andere oplossingen bestemd voor
injectie of infusie. Het is echter wel mogelijk om Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) gelijktijdig toe te
dienen met een glucoseoplossing 5% M/V of een natriumchlorideoplossing 0,9% M/V, of met een
natriumchlorideoplossing 0,18% M/V met een glucoseoplossing 4% M/V door middel van een Y-
verbinding in de buurt van de injectieplaats.
Om de pijn bij de eerste injectie te beperken, kan bij het inleiden van een algemene anesthesie
onmiddellijk voor de toediening van Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) lidocaïne worden geïnjecteerd.
Voor informatie over de specifieke risico’s gekoppeld aan lidocaïne, zie rubrieken 4.4 en 4.8.
Onmiddellijk na het einde van de injectie van Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) is het aangeraden om
de buisjes te spoelen alvorens de spierverslappers zoals atracurium of mivacurium toe te dienen via
dezelfde intraveneuze buisjes.
Toedieningsduur
Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) mag gedurende maximaal 7 dagen worden toegediend.
4.3
Contra-indicaties
Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) mag niet worden gebruikt in de volgende gevallen:
bekende overgevoeligheid voor propofol of voor een van de hulpstoffen van de emulsie;
allergie voor soja of pindanoten;
patiënten van 16 jaar of jonger indien het product gebruikt wordt voor sedatie op de afdeling
intensieve zorgen.
(Zie ook rubriek 4.4.).
4.4
Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
De nodige voorzorgen moeten in acht worden genomen bij patiënten met hart-, lever- of
nieraandoeningen of aandoeningen aan de ademhalingswegen, en bij hypovolemische of verzwakte
patiënten of patiënten met epilepsie. In deze gevallen moet Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) worden
toegediend aan een beperkt debiet (zie rubriek over de dosering). Hypovolemie, cardiale insufficiëntie,
circulatiestoornissen of wijzigingen van de ademhalingsfunctie moeten indien mogelijk worden
gecompenseerd voor de toediening van Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml).
Vooraleer anesthesie toe te dienen bij een patiënt die lijdt aan epilepsie, moet men controleren of de
patiënt zijn epilepsiemedicatie nauwgezet heeft ingenomen. Hoewel diverse studies de
doeltreffendheid van propofol bij de behandeling van epilepsieaanvallen aangetoond hebben, kan de
toediening van dit product bij epilepsiepatiënten ook het risico op een aanval verhogen.
Het gebruik van het product bij elektrische schokken is niet aanbevolen.
Bij patiënten met ernstige hartafwijkingen is het aanbevolen om Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml)
met alle nodige voorzorgen en onder strikte controle toe te dienen.
Het risico op relatieve vagotonie kan worden verhoogd omdat Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) geen
vagolytische activiteit vertoont. De intraveneuze toediening van een anticholinergicum voorafgaand
4
aan de inductie of tijdens het onderhouden van de anesthesie moet worden overwogen, vooral in
gevallen waarbij de vagale tonus zal domineren of bij het gebruik van Propofol B. Braun 2% (20
mg/ml) in combinatie met andere stoffen die bradycardie kunnen veroorzaken.
Propofol is niet aanbevolen als algemeen anestheticum bij kinderen jonger dan 1 maand.
Er is onvoldoende klinische ervaring met het gebruik van propofol 2 % bij kinderen jonger dan 3 jaar.
Bijgevolg is het niet aangeraden om Propofol B. Braun 2 % (20 mg/ml) in deze leeftijdsgroep te
gebruiken voor het inleiden en het onderhouden van de anesthesie. Bovendien is de formule aan 2 %
bij jonge kinderen moeilijk te doseren omdat de vereiste volumes bijzonder klein zijn. Het is eerder
aangeraden om voor deze patiënten Propofol B. Braun 1 % (10 mg/ml) te gebruiken. In elk geval
bedroeg de gebruiksduur bij studies over het onderhouden van de anesthesie met propofol bij kinderen
tussen 1 maand en 3 jaar meestal ongeveer 20 minuten, met een maximale duur van 75 minuten. Een
maximale gebruiksduur van ongeveer 60 minuten moet dus worden gerespecteerd, tenzij bij specifieke
indicaties die een langer gebruik rechtvaardigen, bv. bij maligne hyperthermie waarbij men het
gebruik van vluchtige agentia moet vermijden.
De onschadelijkheid en de doeltreffendheid van propofol voor (achtergrond)sedatie bij kinderen
jonger dan 16 jaar werden niet aangetoond.
Er werd wel geen enkel oorzakelijk verband aangetoond, maar er werden ernstige ongewenste
bijwerkingen gesignaleerd bij het niet-goedgekeurde gebruik van het product voor
(achtergrond)sedatie bij patiënten jonger dan 16 jaar (in sommige gevallen met fatale afloop). Deze
bijwerkingen waren voornamelijk het optreden van metabole acidose, hyperlipidemie, rhabdomyolyse
en/of hartfalen. Ze werden het vaakst waargenomen bij kinderen met luchtweginfecties aan wie een
hogere dosis werd toegediend dan deze aanbevolen voor sedatie bij volwassenen op de afdeling
intensieve zorgen.
Zo werden ook zeldzame gevallen gemeld van metabole acidose, rhabdomyolyse, hyperkaliëmie en/of
snel progressief hartfalen (in sommige gevallen met fatale afloop) bij volwassenen die gedurende meer
dan 58 uur behandeld werden met doseringen hoger dan 5 mg/kg lichaamsgewicht/uur, m.a.w.
doseringen hoger dan de maximale dosis van 4 mg/kg lichaamsgewicht/uur die momenteel aanbevolen
wordt voor de sedatie van patiënten op de afdeling intensieve zorgen. De meeste getroffen patiënten
(maar niet allemaal) hadden ernstige hoofdletsels met een verhoogde intracraniale druk. Het hartfalen
dat in deze gevallen werd vastgesteld, reageerde over het algemeen niet op een inotrope
ondersteuningsbehandeling.
De behandelende artsen worden eraan herinnerd om, indien mogelijk, de dosering van 4 mg/kg
lichaamsgewicht/uur niet te overschrijden. De voorschrijvende artsen moeten alert blijven voor deze
mogelijke ongewenste bijwerkingen en moeten bij de eerste tekenen van het optreden van symptomen
overwegen om de dosering propofol te verlagen of over te schakelen op een ander sedativum.
Patiënten met een verhoogde intracraniale druk moeten een gepaste behandeling krijgen om de
cerebrale perfusiedruk te handhaven tijdens deze veranderingen van behandeling.
De nodige aandacht moet worden besteed aan problemen met het lipidemetabolisme of pathologieën
waarbij speciale beperkingen gelden voor het gebruik van lipide-emulsies.
Speciale voorzorgen zijn noodzakelijk bij het gebruik van propofol als anestheticum bij jonge
kinderen tot 3 jaar, zelfs al hebben de momenteel beschikbare resultaten geen significante verschillen
aangetoond op gebied van veiligheid in vergelijking met kinderen ouder dan 3 jaar.
5
Bij parenterale voeding moet rekening worden gehouden met de hoeveelheid lipiden geleverd door de
toediening van Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) via infusie: 1,0 ml Propofol B. Braun 2% (20
mg/ml) bevat 0,1 g lipiden.
Tijdens de behandeling op de afdeling intensieve zorgen moet lipemie strikt worden opgevolgd na 3
dagen.
Door de hogere doseringen die meestal toegediend moeten worden aan patiënten met een ernstig
overgewicht, moet men rekening houden met een verhoogd risico op ongewenste hemodynamische
bijwerkingen.
Speciale voorzorgen moeten worden genomen bij de behandeling van patiënten met een verhoogde
intracraniale druk en een lage bloeddruk, wegens het risico op een aanzienlijke daling van de
intracerebrale perfusiedruk.
Om de pijn bij de eerste injectie te beperken, kan bij het inleiden van een algemene anesthesie
onmiddellijk voor de toediening van Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) lidocaïne worden geïnjecteerd.
Lidocaïne mag niet worden gebruikt bij patiënten met acute erfelijke porfyrie.
In geïsoleerde gevallen kan een periode van postoperatieve bewusteloosheid voorkomen, die gepaard
kan gaan met een verhoogde spiertonus. Het optreden van deze fenomenen is niet gerelateerd aan het
feit of de patiënt al dan niet uit zijn verdoving ontwaakte. Ook als ze spontaan weer bij bewustzijn
komen, moeten bewusteloze patiënten steeds onder strikt toezicht worden gehouden.
Vooraleer de patiënt ontslagen wordt, moet worden bevestigd dat hij volledig hersteld is van de
algemene anesthesie.
Voor meer informatie over het gebruik van het product bij borstvoeding, zie rubriek 4.6.
Wanneer propofol gebruikt wordt voor de sedatie van patiënten die beademd worden op de afdeling
intensieve zorgen, vooral bij langdurige sedatie met hoge doses propofol, moet de behandeling met
propofol progressief en stapsgewijs worden afgebouwd om het risico op ontwenningsverschijnselen te
beperken.
4.5
Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) kan worden gebruikt in combinatie met andere geneesmiddelen
voor anesthesie (premedicatie, vluchtige anesthetica, analgetica, spierverslappers, lokale anesthetica).
Tot nu toe werden nog geen ernstige wisselwerkingen met deze geneesmiddelen gemeld. Sommige
van deze centraal werkende stoffen kunnen een circulatoire of respiratoire depressie veroorzaken. Het
effect hiervan kan worden versterkt indien ze in combinatie met Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml)
worden gebruikt. Uit de verstrekte rapporten blijkt dat het gelijktijdig gebruik van benzodiazepines,
parasympatholytica of inhalatie-anesthetica de anesthesie kan verlengen en de ademhalingsfrequentie
kan vertragen.
De toediening van aanvullende premedicatie op basis van opioiden kan leiden tot een hogere
frequentie en langere duur van apneu.
Men moet er rekening mee houden dat gelijktijdig gebruik van propofol en geneesmiddelen bestemd
voor premedicatie, inhalatiemiddelen of analgetica, de anesthesie en de ongewenste cardiovasculaire
bijwerkingen kan versterken. Gelijktijdig gebruik van middelen die de werking van het centraal
zenuwstelsel onderdrukken - bv. alcohol, algemene anesthetica, narcotische analgetica - versterkt de
sedatieve effecten van deze laatste middelen.
6
Na toediening van fentanyl kan de bloedspiegel van propofol tijdelijk verhoogd zijn met een hogere
frequentie van apneu.
De begindosis voor de injectie met propofol kan worden verminderd bij patiënten die een
intramusculaire of intraveneuze premedicatie op basis van opiaten of een combinatie van opiaten en
sedatieven toegediend krijgen.
Bradycardie en hartstilstand kunnen zich voordoen na een behandeling met suxamethonium of met
neostigmine. Leuko-encefalopathie werd gesignaleerd bij de toediening van lipidenemulsies zoals
propofol aan patiënten die behandeld werden met ciclosporine.
4.6
Zwangerschap en borstvoeding
De veiligheid van propofol tijdens de zwangerschap werd niet aangetoond. Bijgevolg mag propofol
niet gebruikt worden bij zwangere vrouwen, tenzij dit uiterst noodzakelijk is. Propofol dringt door tot
in de placenta en kan neonatale depressie veroorzaken (zie ook rubriek 5.3). Het gebruik van hoge
doses (meer dan 2,5 mg/kg lichaamsgewicht voor het inleiden of 6 mg/kg lichaamsgewicht/uur voor
het onderhouden van de anesthesie) moet worden vermeden.
Studies over borstvoeding hebben aangetoond dat propofol in kleine hoeveelheden werd uitgescheiden
in de moedermelk. Bijgevolg moeten moeders stoppen met de borstvoeding en hun melk weggooien
gedurende 24 uur na de toediening van propofol.
4.7
Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Na de toediening van Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml), moet men de patiënt afraden om voertuigen
te besturen, machines te bedienen of in potentieel gevaarlijke omstandigheden te werken gedurende 24
uur volgend op de toediening van propofol.
4.8
Bijwerkingen
De meest geobserveerde ongewenste bijwerkingen bij propofol zijn hypotensie en
ademhalingsdepressie. Deze bijwerkingen zijn afhankelijk van de toegediende dosis propofol, maar
ook van het type premedicatie dat gebruikt werd en van de andere gelijktijdige behandelingen. Meer
bepaald werden de volgende ongewenste bijwerkingen vastgesteld:
Aandoeningen van het immuunsysteem
Zelden (≤ 1/1 000, > 1/10 000):
Ernstige overgevoeligheidsreacties (anafylaxie), vooral Quincke-oedeem, bronchospasmen, erythema
en hypotensie.
Psychiatrische aandoeningen
Zelden (≤ 1/1 000, > 1/10 000):
Euforie en verlies van seksuele geremdheid tijdens het bijkomen uit de narcose.
Aandoeningen van het zenuwstelsel
Vaak (≤ 1/10, > 1/100):
7
Tijdens de inductie van de anesthesie kunnen spontane bewegingen en myocloni worden vastgesteld.
Soms (≤ 1/100, > 1/1 000):
Dystonieën en andere onvrijwillige bewegingen.
Zelden (≤ 1/1 000, > 1/10 000):
Hoofdpijn, duizeligheid, rillingen en een koudegevoel tijdens het bijkomen uit de narcose.
Epileptiforme convulsies, met name opisthotonus.
Zeer zelden (≤ 1/10 000), inclusief geïsoleerde meldingen:
Met vertraging optredende epileptiforme aanvallen; deze vertraging kan variëren van enkele uren tot
meerdere dagen.
Bij epilepsiepatiënten werden convulsies vastgesteld na de toediening van propofol (geïsoleerde
gevallen).
Gevallen van postoperatieve bewusteloosheid, zie rubriek 4.4.
Hartaandoeningen
Zelden (≤ 1/1 000, > 1/10 000):
Hartaritmieën tijdens het bijkomen uit de narcose.
Bradycardie tijdens de algemene anesthesie, in bepaalde gevallen met progressieve ernst (tot
asystolie). De intraveneuze toediening van een anticholinergicum voor het inleiden of tijdens het
onderhouden van de anesthesie moet worden overwogen (zie ook rubriek 4.4.).
Vaataandoeningen
Vaak (≤ 1/10, > 1/100):
Lichte of matige hypotensie.
Soms (≤ 1/100, > 1/1 000):
Duidelijke hypotensie. In dit geval kan het nodig zijn om intraveneuze vloeibare stoffen,
vasoconstrictoren indien nodig, te gebruiken en de toediening van Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml)
te vertragen. Men moet rekening houden met het risico op een ernstige daling van de bloeddruk bij
patiënten met een verminderde coronaire of cerebrale perfusie of met hypovolemie.
Aandoeningen van het ademhalingsstelsel, de borstkas en het mediastinum
Vaak (≤ 1/10, > 1/100):
Hyperventilatie, voorbijgaande apneu, hoesten tijdens de inductie van de anesthesie.
Soms (≤ 1/100, > 1/1 000):
Hoesten tijdens het onderhouden van de anesthesie.
Zelden (≤ 1/1 000, > 1/10 000):
Hoesten tijdens het bijkomen uit de narcose.
Zeer zelden (≤ 1/10 000), inclusief geïsoleerde meldingen:
Pulmonair oedeem na de toediening van propofol (geïsoleerde gevallen).
Aandoeningen van het maag-darmstelsel
Vaak (≤ 1/10, > 1/100):
8
Hik tijdens de inductie van de anesthesie.
Zelden (≤ 1/1 000, > 1/10 000):
Misselijkheid of braken tijdens het bijkomen uit de narcose.
Zeer zelden (≤ 1/10 000), inclusief geïsoleerde meldingen:
Pancreatitis na de toediening van propofol. Er kon echter geen enkel oorzakelijk verband worden
aangetoond.
Aandoeningen van de nieren en de urinewegen
Zelden (≤ 1/1 000, > 1/10 000):
Verkleuring van de urine na langdurige toediening van Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml).
Algemene aandoeningen en stoornissen op de toedieningsplaats
Vaak (≤ 1/10, > 1/100):
Warmteopwellingen tijdens de inductie van de anesthesie.
Zelden (≤ 1/1 000, > 1/10 000):
Gevallen van postoperatieve koorts.
Zeer zelden (≤ 1/10 000), inclusief geïsoleerde meldingen:
Geïsoleerde gevallen van ernstige ongewenste bijwerkingen werden gemeld in de vorm van een
symptomentabel met de volgende gevallen: rhabdomyolyse, metabole acidose, hyperkaliëmie en
hartfalen, soms met fatale afloop. Deze bijwerkingen werden gemeld bij patiënten die op de afdeling
intensieve zorgen behandeld werden met doses hoger dan 4 mg/kg/uur. Voor meer informatie, zie
rubriek 4.4.
Zeer vaak (> 1/10):
Lokale pijn bij de initiële injectie. Voor prophylaxis of behandeling, zie hieronder.
Zelden (≤ 1/1 000, > 1/10 000):
Trombose en flebitis.
Zeer zelden (≤ 1/10 000), inclusief geïsoleerde meldingen:
Ernstige weefselreacties na een toevallige extravasculaire toediening (geïsoleerde gevallen).
Lokale pijn bij de initiële injectie met Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) kan tot een minimum worden
beperkt door gelijktijdig lidocaïne toe te dienen (zie rubriek 4.2 “Infusie van verdunde Propofol B.
Braun 2% (20 mg/ml)”) en door injectie of infusie in de grootste aders van de onderarm en de
elleboogholte. Gelijktijdige toediening van lidocaïne kan de volgende ongewenste bijwerkingen
veroorzaken: duizeligheid, braken, slaperigheid, convulsies, bradycardie, hartaritmieën en cardiogene
shock.
4.9
Overdosering
Een toevallige overdosis van het product kan een cardiovasculaire en respiratoire depressie
veroorzaken. De respiratoire depressie wordt behandeld door het toedienen van kunstmatige
beademing. Bij cardiovasculaire depressie kan het nodig zijn om het hoofd van de patiënt lager te
leggen en plasmavervangingsmiddelen en een bloeddrukverhogend middel toe te dienen.
9
5.
5.1
FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: andere algemene anaesthetica.
ATC-code: N01AX10.
Na de intraveneuze injectie van Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) treedt het hypnotische effect snel
op. Afhankelijk van het debiet van de injectie bedraagt de tijd voor het inleiden van de anesthesie 30 à
40 seconden. De werkingsduur van het product na toediening van één enkele bolus is kort wegens het
snelle metabolisme en de snelle uitscheiding (4 à 6 minuten).
Met de aanbevolen dosering werd geen klinisch relevante accumulatie van propofol vastgesteld na
herhaalde bolusinjectie of infusie van het product.
De patiënten komen snel weer bij bewustzijn.
Incidenteel kunnen bradycardie en hypotensie optreden tijdens het inleiden van de anesthesie,
waarschijnlijk bij gebrek aan vagolytische activiteit. De cardiovasculaire toestand normaliseert zich
meestal tijdens het onderhouden van de anesthesie.
5.2
Farmacokinetische eigenschappen
Na de intraveneuze toediening bindt ongeveer 98 % van de propofol zich aan plasma-eiwitten.
Na de intraveneuze toediening in bolus, daalt de initiële bloedspiegel van propofol snel door de snelle
verdeling over de verschillende compartimenten (-fase). Volgens de berekeningen bedraagt de
distributiehalfwaardetijd 2 à 4 minuten.
Tijdens de eliminatiefase dalen de concentraties in het bloed trager. De eliminatiehalfwaardetijd
tijdens de
α-fase
ligt tussen 30 en 60 minuten. Daarna wordt een derde compartiment waarneembaar,
dat de redistributie van propofol vanuit weinig doorbloede weefsels weerspiegelt.
De klaring bij kinderen ligt hoger dan bij volwassenen.
Het centrale verdelingsvolume ligt tussen 0,2 en 0,79 l/kg lichaamsgewicht; het steady-state-
distributievolume ligt tussen 1,8 en 5,3 l/kg lichaamsgewicht. Propofol wordt snel geëlimineerd uit het
organisme (totale klaring van ongeveer 2 l/min). De klaring vindt plaats door metabolisme,
voornamelijk in de lever, waarbij glucuronides van propofol en glucuronides en sulfaatverbindingen
van chinol gevormd worden. Alle metabolieten zijn inactief. Ongeveer 88% van de toegediende dosis
wordt in de urine uitgescheiden in de vorm van metabolieten. Slechts 0,3% van deze dosis wordt in
ongewijzigde vorm uitgescheiden in de urine.
5.3
Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
De preklinische gegevens gebaseerd op conventionele studies naar de toxiciteit bij herhaalde
toediening en de genotoxiciteit hebben geen speciale risico’s voor de mens aangetoond. De
carcinogeniteit werd niet onderzocht.
Bij studies naar de reproductietoxiciteit werden effecten waargenomen die samenhangen met de
farmacodynamische eigenschappen van propofol, maar uitsluitend bij hoge doses. Er werden geen
teratogene effecten waargenomen.
Lokale tolerantiestudies toonden bij intramusculaire injectie weefselbeschadigingen aan rond de
injectieplaats.
10
6.
6.1
FARMACEUTSICHE GEGEVENS
Lijst van hulpstoffen
Sojaolie
Triglyceriden met middellange keten
Glycerol
Eilecithine
Natriumoleaat
Water voor injecties
6.2
Gevallen van onverenigbaarheid
Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) mag niet worden gemengd met andere oplossingen voor injectie of
infusie (zie rubriek 4.2).
6.3
Houdbaarheid
2 jaar.
Na verbreking van het dichtingssysteem van de flacon, onmiddellijk gebruiken.
Alle ongebruikte resten van het product moeten worden weggegooid.
6.4
Speciale voorzorgsmaatregelen bij het bewaren
Te bewaren beneden 25°C.
Niet in de vriezer bewaren.
De flacons in de buitenverpakking bewaren.
6.5
Aard en inhoud van de verpakking
Dit product wordt geleverd in de volgende vormen:
glazen flacons van 50 ml.
Formaat van de dozen: dozen met 1 en 10 stuks.
De glazen flacons zijn van kleurloos glas, in overeenstemming met de Europose farmacopee.
De flacons zijn afgedicht met een rubberen dopje van bromobutyl en een aluminium kapje.
Het is mogelijk dat niet alle vormen op de markt worden gebracht.
6.6
Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies
De verpakkingen moeten geschud worden voor gebruik.
Uitsluitend bestemd voor eenmalig gebruik. Alle ongebruikte resten van het product moeten worden
weggegooid (zie rubrieken 4.2 en 4.4).
Indien na het schudden twee verschillende lagen zichtbaar zijn, mag het product niet worden gebruikt .
7.
HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
11
B. Braun Melsungen AG
Carl-Braun-Strasse 1
34212 Melsungen
Duitsland
Postadres:
D-34209 Melsungen
Duitsland
8.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING(EN) VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
BE369765
9.
DATUM VAN DE EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/HERNIEUWING
VAN DE VERGUNNING
Datum van eerste verlening van de vergunning: 25-05-2010
Datum van laatste hernieuwing:
10.
DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST – GOEDKEURING VAN DE TEKST
06/2010 – 11/2010
12

SAMENVATTING VAN DE PRODUCTKENMERKEN
1.
NAAM VAN HET GENEESMIDDEL
Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml), emulsie voor injectie of infusie
2.
KWANTITATIEVE EN KWALITATIEVE SAMENSTELLING
Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml), emulsie voor injectie of infusie bevat:
Propofol
20 mg/ml
(1 glazen flacon van 50 ml bevat dus: 1000 mg propofol)
Sojaolie
Voor een volledige lijst van de hulpstoffen, zie rubriek 6.1.
3.
FARMACEUTISCHE VORM
Emulsie voor injectie of infusie.
Witte melkachtige emulsie met continue waterige fase.
4.
KLINISCHE GEGEVENS
4.1
Therapeutische indicaties
Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) is een algemeen anestheticum voor intraveneuze toediening, met
kortdurende en snelle werking, bestemd voor:
·
het inleiden en onderhouden van een algemene anesthesie,
- de sedatie van patiënten die beademd worden op de afdeling intensieve zorgen.
4.2
Dosering en wijze van toediening
Dosering
Aanbevolen dosering
Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) wordt intraveneus toegediend. De dosis wordt geval per geval
aangepast afhankelijk van de reactie van de patiënt.
Algemene anesthesie bij volwassenen
Inductie van de anesthesie:
Propofol moet worden toegediend via infusie of via een trage bolus.
Om een anesthesie in te leiden moet men Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) (20 à 40 mg propofol om
de 10 seconden) doseren afhankelijk van de reactie van de patiënt tot de klinische tekenen aangeven
dat de anesthesie begint te werken. De totale vereiste dosis kan worden verlaagd door de
toedieningssnelheid te verlagen (20-50 mg/min).
Bij de meeste volwassen patiënten jonger dan 55 jaar
bedraagt de vereiste dosis 1,5 à 2,5 mg/kg lichaamsgewicht.
Onderhouden van de anesthesie:
De anesthesie wordt onderhouden door de toediening van Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) door
continue infusie. De vereiste dosis ligt meestal tussen 4 en 12 mg/kg lichaamsgewicht/uur.
Bij bejaarde patiënten met een slechte algemene gezondheidstoestand, patiënten uit de ASA-klassen
III en IV en patiënten die lijden aan hypovolemie kan de dosis nog worden verlaagd afhankelijk van
de ernst van de toestand van de patiënt en de gebruikte anesthesietechniek.
Pediatrische patiënten
Algemene anesthesie bij kinderen ouder dan 3 jaar
Inductie van de anesthesie
Om een anesthesie in te leiden moet men traag Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) toedienen tot de
klinische tekenen aangeven dat de anesthesie begint te werken. De dosis moet worden aangepast aan
de leeftijd en/of het lichaamsgewicht van het kind.
De aanbevolen doses zijn:
- van 3 tot 8 jaar: 2,5 à 4 mg/kg
- ouder dan 8 jaar: ongeveer 2,5 mg/kg.
Wegens het gebrek aan klinische ervaring is het aanbevolen om lagere doses te gebruiken bij jonge
patiënten met een verhoogd risico (ASA-klassen III en IV).
Het is niet aangeraden om Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) bij kinderen van 1 maand tot 3 jaar te
gebruiken voor het inleiden van de anesthesie omdat de formule aan 2% bij jongere kinderen moeilijk
te doseren is, gezien de vereiste volumes in deze leeftijdscategorie bijzonder klein zijn (zie ook rubriek
4.4). Bij deze patiënten is het eerder aangeraden om Propofol B. Braun 1% (10 mg/ml) te gebruiken.
Onderhouden van de algemene anesthesie:
Het onderhouden wordt gewaarborgd door het toedienen van propofol via continue infusie of via
bolusinjecties.
Voor het onderhouden van de algemene anesthesie wordt meestal een bevredigend
verdovingsniveau bereikt door continue infusie met een dosis tussen 9 en 15 mg/kg
lichaamsgewicht/uur.
De dosis moet geval per geval worden aangepast en er moet speciale aandacht worden besteed aan de
toediening van aangepaste pijnstillers indien dit nodig is.
Het is niet aangeraden om Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) bij kinderen van 1 maand tot 3 jaar te
gebruiken voor het onderhouden van de anesthesie omdat de formule aan 2% bij jongere kinderen
moeilijk te doseren is, gezien de vereiste volumes in deze leeftijdscategorie bijzonder klein zijn (zie
ook rubriek 4.4). Bij deze patiënten is het eerder aangeraden om Propofol B. Braun 1% (10 mg/ml) te
gebruiken.
Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) mag niet worden gebruikt voor het inleiden en onderhouden van de
anesthesie bij kinderen jonger dan 1 maand.
Sedatie van patiënten die beademd worden op de afdeling intensieve zorgen
Het gebruik van propofol is niet aangewezen voor de sedatie van patiënten van 16 jaar of jonger op de
afdeling intensieve zorgen (zie rubriek 4.3). Het is niet aangeraden om het Diprifusor-systeem voor
gecontroleerde infusie te gebruiken voor de toediening van propofol voor de sedatie van patiënten op
de afdeling intensieve zorgen.
Wijze van toediening
Toedieningsmethode en -duur
Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) mag uitsluitend in ziekenhuizen of in naar behoren uitgeruste
dagverzorgingscentra worden toegediend door artsen-anesthesisten of artsen die zijn opgeleid voor het
toedienen van intensieve zorgen aan patiënten. De circulatie en de ademhaling van de patiënt moeten
constant worden bewaakt (bv. ecg, saturatie) en de apparatuur voor het vrijhouden van de luchtwegen,
voor kunstmatige beademing en reanimatie moet steeds onmiddellijk toegankelijk zijn. Meestal is het
nodig om bovenop Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) ook aanvullende pijnstillers toe te dienen.
Toedieningsmethode
Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) wordt intraveneus en in niet-verdunde vorm toegediend. De
verpakkingen moeten worden geschud voor gebruik.
Vóór gebruik moet het oppervlak van de rubberdop van de flacon worden gereinigd met behulp van
alcohol voor medische toepassingen (in sprayvorm of op een wattenstaafje). Na gebruik moeten de
doorboorde verpakkingen worden weggegooid.
Propofol B. Braun 2 % (20 mg/ml) bevat geen antimicrobieel bewaarmiddel en bevordert de groei van
micro-organismen. Bijgevolg moet Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) steriel worden opgevangen in
een steriele spuit of een steriele infusiekit onmiddellijk na verbreking van het dichtingssysteem van de
flacon. De toediening moet onmiddellijk gebeuren. De steriele toestand moet tijdens de hele infusie
behouden blijven, zowel voor het product Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) als voor het
infusiemateriaal.
Alle geneesmiddelen of vloeistoffen die toegevoegd worden tijdens de toediening van een infusie met
Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) moeten worden toegevoegd in de buurt van de plaats waar de
canule werd ingebracht. Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) mag niet worden toegediend via infuuskits
uitgerust met microbiologische filters.
De inhoud van elke flacon Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) en van elke spuit die Propofol B. Braun
2% (20 mg/ml) bevat, is bestemd voor eenmalig gebruik bij één enkele patiënt. Alle resten van deze
inhoud die overblijven na gebruik moeten worden weggegooid.
Bij de toediening van Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) via een continue infusie is het aanbevolen om
systematisch buretten, druppeltellers, spuitpompen of volumetrische infuuspompen te gebruiken om
het debiet van het infuus te controleren. Zoals bepaald voor iedere parenterale toediening van vette
emulsies, mag de duur van de continue infusie met Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) toegediend met
behulp van eenzelfde infusiesysteem maximaal 12 uur bedragen. De buisjes en het reservoir van het
Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) mag niet worden gemengd met andere oplossingen bestemd voor
injectie of infusie. Het is echter wel mogelijk om Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) gelijktijdig toe te
dienen met een glucoseoplossing 5% M/V of een natriumchlorideoplossing 0,9% M/V, of met een
natriumchlorideoplossing 0,18% M/V met een glucoseoplossing 4% M/V door middel van een Y-
verbinding in de buurt van de injectieplaats.
Om de pijn bij de eerste injectie te beperken, kan bij het inleiden van een algemene anesthesie
onmiddellijk voor de toediening van Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) lidocaïne worden geïnjecteerd.
Voor informatie over de specifieke risico's gekoppeld aan lidocaïne, zie rubrieken 4.4 en 4.8.
Onmiddellijk na het einde van de injectie van Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) is het aangeraden om
de buisjes te spoelen alvorens de spierverslappers zoals atracurium of mivacurium toe te dienen via
dezelfde intraveneuze buisjes.
Toedieningsduur
Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) mag gedurende maximaal 7 dagen worden toegediend.
4.3
Contra-indicaties
Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) mag niet worden gebruikt in de volgende gevallen:
· bekende overgevoeligheid voor propofol of voor een van de hulpstoffen van de emulsie;
· allergie voor soja of pindanoten;
· patiënten van 16 jaar of jonger indien het product gebruikt wordt voor sedatie op de afdeling
intensieve zorgen.
(Zie ook rubriek 4.4.).
4.4
Bijzondere waarschuwingen en voorzorgen bij gebruik
De nodige voorzorgen moeten in acht worden genomen bij patiënten met hart-, lever- of
nieraandoeningen of aandoeningen aan de ademhalingswegen, en bij hypovolemische of verzwakte
patiënten of patiënten met epilepsie. In deze gevallen moet Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) worden
toegediend aan een beperkt debiet (zie rubriek over de dosering). Hypovolemie, cardiale insufficiëntie,
circulatiestoornissen of wijzigingen van de ademhalingsfunctie moeten indien mogelijk worden
gecompenseerd voor de toediening van Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml).
Vooraleer anesthesie toe te dienen bij een patiënt die lijdt aan epilepsie, moet men controleren of de
patiënt zijn epilepsiemedicatie nauwgezet heeft ingenomen. Hoewel diverse studies de
doeltreffendheid van propofol bij de behandeling van epilepsieaanvallen aangetoond hebben, kan de
toediening van dit product bij epilepsiepatiënten ook het risico op een aanval verhogen.
Het gebruik van het product bij elektrische schokken is niet aanbevolen.
Bij patiënten met ernstige hartafwijkingen is het aanbevolen om Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml)
met alle nodige voorzorgen en onder strikte controle toe te dienen.
Het risico op relatieve vagotonie kan worden verhoogd omdat Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) geen
vagolytische activiteit vertoont. De intraveneuze toediening van een anticholinergicum voorafgaand
Propofol is niet aanbevolen als algemeen anestheticum bij kinderen jonger dan 1 maand.
Er is onvoldoende klinische ervaring met het gebruik van propofol 2 % bij kinderen jonger dan 3 jaar.
Bijgevolg is het niet aangeraden om Propofol B. Braun 2 % (20 mg/ml) in deze leeftijdsgroep te
gebruiken voor het inleiden en het onderhouden van de anesthesie. Bovendien is de formule aan 2 %
bij jonge kinderen moeilijk te doseren omdat de vereiste volumes bijzonder klein zijn. Het is eerder
aangeraden om voor deze patiënten Propofol B. Braun 1 % (10 mg/ml) te gebruiken. In elk geval
bedroeg de gebruiksduur bij studies over het onderhouden van de anesthesie met propofol bij kinderen
tussen 1 maand en 3 jaar meestal ongeveer 20 minuten, met een maximale duur van 75 minuten. Een
maximale gebruiksduur van ongeveer 60 minuten moet dus worden gerespecteerd, tenzij bij specifieke
indicaties die een langer gebruik rechtvaardigen, bv. bij maligne hyperthermie waarbij men het
gebruik van vluchtige agentia moet vermijden.
De onschadelijkheid en de doeltreffendheid van propofol voor (achtergrond)sedatie bij kinderen
jonger dan 16 jaar werden niet aangetoond.
Er werd wel geen enkel oorzakelijk verband aangetoond, maar er werden ernstige ongewenste
bijwerkingen gesignaleerd bij het niet-goedgekeurde gebruik van het product voor
(achtergrond)sedatie bij patiënten jonger dan 16 jaar (in sommige gevallen met fatale afloop). Deze
bijwerkingen waren voornamelijk het optreden van metabole acidose, hyperlipidemie, rhabdomyolyse
en/of hartfalen. Ze werden het vaakst waargenomen bij kinderen met luchtweginfecties aan wie een
hogere dosis werd toegediend dan deze aanbevolen voor sedatie bij volwassenen op de afdeling
intensieve zorgen.
Zo werden ook zeldzame gevallen gemeld van metabole acidose, rhabdomyolyse, hyperkaliëmie en/of
snel progressief hartfalen (in sommige gevallen met fatale afloop) bij volwassenen die gedurende meer
dan 58 uur behandeld werden met doseringen hoger dan 5 mg/kg lichaamsgewicht/uur, m.a.w.
doseringen hoger dan de maximale dosis van 4 mg/kg lichaamsgewicht/uur die momenteel aanbevolen
wordt voor de sedatie van patiënten op de afdeling intensieve zorgen. De meeste getroffen patiënten
(maar niet allemaal) hadden ernstige hoofdletsels met een verhoogde intracraniale druk. Het hartfalen
dat in deze gevallen werd vastgesteld, reageerde over het algemeen niet op een inotrope
ondersteuningsbehandeling.
De behandelende artsen worden eraan herinnerd om, indien mogelijk, de dosering van 4 mg/kg
lichaamsgewicht/uur niet te overschrijden. De voorschrijvende artsen moeten alert blijven voor deze
mogelijke ongewenste bijwerkingen en moeten bij de eerste tekenen van het optreden van symptomen
overwegen om de dosering propofol te verlagen of over te schakelen op een ander sedativum.
Patiënten met een verhoogde intracraniale druk moeten een gepaste behandeling krijgen om de
cerebrale perfusiedruk te handhaven tijdens deze veranderingen van behandeling.
De nodige aandacht moet worden besteed aan problemen met het lipidemetabolisme of pathologieën
waarbij speciale beperkingen gelden voor het gebruik van lipide-emulsies.
Speciale voorzorgen zijn noodzakelijk bij het gebruik van propofol als anestheticum bij jonge
kinderen tot 3 jaar, zelfs al hebben de momenteel beschikbare resultaten geen significante verschillen
aangetoond op gebied van veiligheid in vergelijking met kinderen ouder dan 3 jaar.
Tijdens de behandeling op de afdeling intensieve zorgen moet lipemie strikt worden opgevolgd na 3
dagen.
Door de hogere doseringen die meestal toegediend moeten worden aan patiënten met een ernstig
overgewicht, moet men rekening houden met een verhoogd risico op ongewenste hemodynamische
bijwerkingen.
Speciale voorzorgen moeten worden genomen bij de behandeling van patiënten met een verhoogde
intracraniale druk en een lage bloeddruk, wegens het risico op een aanzienlijke daling van de
intracerebrale perfusiedruk.
Om de pijn bij de eerste injectie te beperken, kan bij het inleiden van een algemene anesthesie
onmiddellijk voor de toediening van Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) lidocaïne worden geïnjecteerd.
Lidocaïne mag niet worden gebruikt bij patiënten met acute erfelijke porfyrie.
In geïsoleerde gevallen kan een periode van postoperatieve bewusteloosheid voorkomen, die gepaard
kan gaan met een verhoogde spiertonus. Het optreden van deze fenomenen is niet gerelateerd aan het
feit of de patiënt al dan niet uit zijn verdoving ontwaakte. Ook als ze spontaan weer bij bewustzijn
komen, moeten bewusteloze patiënten steeds onder strikt toezicht worden gehouden.
Vooraleer de patiënt ontslagen wordt, moet worden bevestigd dat hij volledig hersteld is van de
algemene anesthesie.
Voor meer informatie over het gebruik van het product bij borstvoeding, zie rubriek 4.6.
Wanneer propofol gebruikt wordt voor de sedatie van patiënten die beademd worden op de afdeling
intensieve zorgen, vooral bij langdurige sedatie met hoge doses propofol, moet de behandeling met
propofol progressief en stapsgewijs worden afgebouwd om het risico op ontwenningsverschijnselen te
beperken.
4.5
Interacties met andere geneesmiddelen en andere vormen van interactie
Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) kan worden gebruikt in combinatie met andere geneesmiddelen
voor anesthesie (premedicatie, vluchtige anesthetica, analgetica, spierverslappers, lokale anesthetica).
Tot nu toe werden nog geen ernstige wisselwerkingen met deze geneesmiddelen gemeld. Sommige
van deze centraal werkende stoffen kunnen een circulatoire of respiratoire depressie veroorzaken. Het
effect hiervan kan worden versterkt indien ze in combinatie met Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml)
worden gebruikt. Uit de verstrekte rapporten blijkt dat het gelijktijdig gebruik van benzodiazepines,
parasympatholytica of inhalatie-anesthetica de anesthesie kan verlengen en de ademhalingsfrequentie
kan vertragen.
De toediening van aanvullende premedicatie op basis van opioiden kan leiden tot een hogere
frequentie en langere duur van apneu.
Men moet er rekening mee houden dat gelijktijdig gebruik van propofol en geneesmiddelen bestemd
voor premedicatie, inhalatiemiddelen of analgetica, de anesthesie en de ongewenste cardiovasculaire
bijwerkingen kan versterken. Gelijktijdig gebruik van middelen die de werking van het centraal
zenuwstelsel onderdrukken - bv. alcohol, algemene anesthetica, narcotische analgetica - versterkt de
sedatieve effecten van deze laatste middelen.
De begindosis voor de injectie met propofol kan worden verminderd bij patiënten die een
intramusculaire of intraveneuze premedicatie op basis van opiaten of een combinatie van opiaten en
sedatieven toegediend krijgen.
Bradycardie en hartstilstand kunnen zich voordoen na een behandeling met suxamethonium of met
neostigmine. Leuko-encefalopathie werd gesignaleerd bij de toediening van lipidenemulsies zoals
propofol aan patiënten die behandeld werden met ciclosporine.
4.6
Zwangerschap en borstvoeding
De veiligheid van propofol tijdens de zwangerschap werd niet aangetoond. Bijgevolg mag propofol
niet gebruikt worden bij zwangere vrouwen, tenzij dit uiterst noodzakelijk is. Propofol dringt door tot
in de placenta en kan neonatale depressie veroorzaken (zie ook rubriek 5.3). Het gebruik van hoge
doses (meer dan 2,5 mg/kg lichaamsgewicht voor het inleiden of 6 mg/kg lichaamsgewicht/uur voor
het onderhouden van de anesthesie) moet worden vermeden.
Studies over borstvoeding hebben aangetoond dat propofol in kleine hoeveelheden werd uitgescheiden
in de moedermelk. Bijgevolg moeten moeders stoppen met de borstvoeding en hun melk weggooien
gedurende 24 uur na de toediening van propofol.
4.7
Beïnvloeding van de rijvaardigheid en het vermogen om machines te bedienen
Na de toediening van Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml), moet men de patiënt afraden om voertuigen
te besturen, machines te bedienen of in potentieel gevaarlijke omstandigheden te werken gedurende 24
uur volgend op de toediening van propofol.
4.8
Bijwerkingen
De meest geobserveerde ongewenste bijwerkingen bij propofol zijn hypotensie en
ademhalingsdepressie. Deze bijwerkingen zijn afhankelijk van de toegediende dosis propofol, maar
ook van het type premedicatie dat gebruikt werd en van de andere gelijktijdige behandelingen. Meer
bepaald werden de volgende ongewenste bijwerkingen vastgesteld:
Aandoeningen van het immuunsysteem
Zelden ( 1/1 000, > 1/10 000):
Ernstige overgevoeligheidsreacties (anafylaxie), vooral Quincke-oedeem, bronchospasmen, erythema
en hypotensie.
Psychiatrische aandoeningen
Z
elden ( 1/1 000,
> 1/10 000
):
Euforie en verlies van seksuele geremdheid tijdens het bijkomen uit de narcose.
Aandoeningen van het zenuwstelsel
Vaak ( 1/10, > 1/100):
Soms ( 1/100, > 1/1 000):
Dystonieën en andere onvrijwillige bewegingen.
Zelden ( 1/1 000, > 1/10 000):
Hoofdpijn, duizeligheid, rillingen en een koudegevoel tijdens het bijkomen uit de narcose.
Epileptiforme convulsies, met name opisthotonus.
Zeer zelden ( 1/10 000), inclusief geïsoleerde meldingen:
Met vertraging optredende epileptiforme aanvallen; deze vertraging kan variëren van enkele uren tot
meerdere dagen.
Bij epilepsiepatiënten werden convulsies vastgesteld na de toediening van propofol (geïsoleerde
gevallen).
Gevallen van postoperatieve bewusteloosheid, zie rubriek 4.4.
Hartaandoeningen
Zelden ( 1/1 000, > 1/10 000):
Hartaritmieën tijdens het bijkomen uit de narcose.
Bradycardie tijdens de algemene anesthesie, in bepaalde gevallen met progressieve ernst (tot
asystolie). De intraveneuze toediening van een anticholinergicum voor het inleiden of tijdens het
onderhouden van de anesthesie moet worden overwogen (zie ook rubriek 4.4.).
Vaataandoeningen
Vaak ( 1/10, > 1/100):
Lichte of matige hypotensie.
Soms ( 1/100, > 1/1 000):
Duidelijke hypotensie. In dit geval kan het nodig zijn om intraveneuze vloeibare stoffen,
vasoconstrictoren indien nodig, te gebruiken en de toediening van Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml)
te vertragen. Men moet rekening houden met het risico op een ernstige daling van de bloeddruk bij
patiënten met een verminderde coronaire of cerebrale perfusie of met hypovolemie.
Aandoeningen van het ademhalingsstelsel, de borstkas en het mediastinum
Vaak ( 1/10, > 1/100):
Hyperventilatie, voorbijgaande apneu, hoesten tijdens de inductie van de anesthesie.
Soms ( 1/100, > 1/1 000):
Hoesten tijdens het onderhouden van de anesthesie.
Zelden ( 1/1 000, > 1/10 000):
Hoesten tijdens het bijkomen uit de narcose.
Zeer zelden ( 1/10 000), inclusief geïsoleerde meldingen:
Pulmonair oedeem na de toediening van propofol (geïsoleerde gevallen).
Aandoeningen van het maag-darmstelsel
V
aak ( 1 /10, > 1 /100):
Zelden ( 1/1 000, > 1/10 000):
Misselijkheid of braken tijdens het bijkomen uit de narcose.
Zeer zelden ( 1/10 000), inclusief geïsoleerde meldingen:
Pancreatitis na de toediening van propofol. Er kon echter geen enkel oorzakelijk verband worden
aangetoond.
Aandoeningen van de nieren en de urinewegen
Zelden ( 1/1 000, > 1/10 000):
Verkleuring van de urine na langdurige toediening van Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml).
Algemene aandoeningen en stoornissen op de toedieningsplaats
Vaak ( 1/10, > 1/100):
Warmteopwellingen tijdens de inductie van de anesthesie.
Zelden ( 1/1 000, > 1/10 000):
Gevallen van postoperatieve koorts.
Zeer zelden ( 1/10 000), inclusief geïsoleerde meldingen:
Geïsoleerde gevallen van ernstige ongewenste bijwerkingen werden gemeld in de vorm van een
symptomentabel met de volgende gevallen: rhabdomyolyse, metabole acidose, hyperkaliëmie en
hartfalen, soms met fatale afloop. Deze bijwerkingen werden gemeld bij patiënten die op de afdeling
intensieve zorgen behandeld werden met doses hoger dan 4 mg/kg/uur. Voor meer informatie, zie
rubriek 4.4.
Zeer vaak (> 1/10):
Lokale pijn bij de initiële injectie. Voor prophylaxis of behandeling, zie hieronder.
Zelden ( 1/1 000, > 1/10 000):
Trombose en flebitis.
Zeer zelden ( 1/10 000), inclusief geïsoleerde meldingen:
Ernstige weefselreacties na een toevallige extravasculaire toediening (geïsoleerde gevallen).
Lokale pijn bij de initiële injectie met Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) kan tot een minimum worden
beperkt door gelijktijdig lidocaïne toe te dienen (zie rubriek 4.2 'Infusie van verdunde Propofol B.
Braun 2% (20 mg/ml)') en door injectie of infusie in de grootste aders van de onderarm en de
elleboogholte. Gelijktijdige toediening van lidocaïne kan de volgende ongewenste bijwerkingen
veroorzaken: duizeligheid, braken, slaperigheid, convulsies, bradycardie, hartaritmieën en cardiogene
shock.
4.9
Overdosering
Een toevallige overdosis van het product kan een cardiovasculaire en respiratoire depressie
veroorzaken. De respiratoire depressie wordt behandeld door het toedienen van kunstmatige
beademing. Bij cardiovasculaire depressie kan het nodig zijn om het hoofd van de patiënt lager te
leggen en plasmavervangingsmiddelen en een bloeddrukverhogend middel toe te dienen.
FARMACOLOGISCHE EIGENSCHAPPEN
5.1
Farmacodynamische eigenschappen
Farmacotherapeutische categorie: andere algemene anaesthetica.
ATC-code: N01AX10.
Na de intraveneuze injectie van Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) treedt het hypnotische effect snel
op. Afhankelijk van het debiet van de injectie bedraagt de tijd voor het inleiden van de anesthesie 30 à
40 seconden. De werkingsduur van het product na toediening van één enkele bolus is kort wegens het
snelle metabolisme en de snelle uitscheiding (4 à 6 minuten).
Met de aanbevolen dosering werd geen klinisch relevante accumulatie van propofol vastgesteld na
herhaalde bolusinjectie of infusie van het product.
De patiënten komen snel weer bij bewustzijn.
Incidenteel kunnen bradycardie en hypotensie optreden tijdens het inleiden van de anesthesie,
waarschijnlijk bij gebrek aan vagolytische activiteit. De cardiovasculaire toestand normaliseert zich
meestal tijdens het onderhouden van de anesthesie.
5.2
Farmacokinetische eigenschappen
Na de intraveneuze toediening bindt ongeveer 98 % van de propofol zich aan plasma-eiwitten.
Na de intraveneuze toediening in bolus, daalt de initiële bloedspiegel van propofol snel door de snelle
verdeling over de verschillende compartimenten (-fase). Volgens de berekeningen bedraagt de
distributiehalfwaardetijd 2 à 4 minuten.
Tijdens de eliminatiefase dalen de concentraties in het bloed trager. De eliminatiehalfwaardetijd
tijdens de -fase ligt tussen 30 en 60 minuten. Daarna wordt een derde compartiment waarneembaar,
dat de redistributie van propofol vanuit weinig doorbloede weefsels weerspiegelt.
De klaring bij kinderen ligt hoger dan bij volwassenen.
Het centrale verdelingsvolume ligt tussen 0,2 en 0,79 l/kg lichaamsgewicht; het steady-state-
distributievolume ligt tussen 1,8 en 5,3 l/kg lichaamsgewicht. Propofol wordt snel geëlimineerd uit het
organisme (totale klaring van ongeveer 2 l/min). De klaring vindt plaats door metabolisme,
voornamelijk in de lever, waarbij glucuronides van propofol en glucuronides en sulfaatverbindingen
van chinol gevormd worden. Alle metabolieten zijn inactief. Ongeveer 88% van de toegediende dosis
wordt in de urine uitgescheiden in de vorm van metabolieten. Slechts 0,3% van deze dosis wordt in
ongewijzigde vorm uitgescheiden in de urine.
5.3
Gegevens uit het preklinisch veiligheidsonderzoek
De preklinische gegevens gebaseerd op conventionele studies naar de toxiciteit bij herhaalde
toediening en de genotoxiciteit hebben geen speciale risico's voor de mens aangetoond. De
carcinogeniteit werd niet onderzocht.
Bij studies naar de reproductietoxiciteit werden effecten waargenomen die samenhangen met de
farmacodynamische eigenschappen van propofol, maar uitsluitend bij hoge doses. Er werden geen
teratogene effecten waargenomen.
Lokale tolerantiestudies toonden bij intramusculaire injectie weefselbeschadigingen aan rond de
injectieplaats.
FARMACEUTSICHE GEGEVENS
6.1
Lijst van hulpstoffen
Sojaolie
Triglyceriden met middellange keten
Glycerol
Eilecithine
Natriumoleaat
Water voor injecties
6.2
Gevallen van onverenigbaarheid
Propofol B. Braun 2% (20 mg/ml) mag niet worden gemengd met andere oplossingen voor injectie of
infusie (zie rubriek 4.2).
6.3
Houdbaarheid
2 jaar.
Na verbreking van het dichtingssysteem van de flacon, onmiddellijk gebruiken.
Alle ongebruikte resten van het product moeten worden weggegooid.
6.4
Speciale voorzorgsmaatregelen bij het bewaren
Te bewaren beneden 25°C.
Niet in de vriezer bewaren.
De flacons in de buitenverpakking bewaren.
6.5
Aard en inhoud van de verpakking
Dit product wordt geleverd in de volgende vormen:
glazen flacons van 50 ml.
Formaat van de dozen: dozen met 1 en 10 stuks.
De glazen flacons zijn van kleurloos glas, in overeenstemming met de Europose farmacopee.
De flacons zijn afgedicht met een rubberen dopje van bromobutyl en een aluminium kapje.
Het is mogelijk dat niet alle vormen op de markt worden gebracht.
6.6
Speciale voorzorgsmaatregelen voor het verwijderen en andere instructies
De verpakkingen moeten geschud worden voor gebruik.
Uitsluitend bestemd voor eenmalig gebruik. Alle ongebruikte resten van het product moeten worden
weggegooid (zie rubrieken 4.2 en 4.4).
Indien na het schudden twee verschillende lagen zichtbaar zijn, mag het product niet worden gebruikt .
7.
HOUDER VAN DE VERGUNNING VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
Postadres:
D-34209 Melsungen
Duitsland

8.
NUMMER(S) VAN DE VERGUNNING(EN) VOOR HET IN DE HANDEL BRENGEN
BE369765
9.
DATUM VAN DE EERSTE VERLENING VAN DE VERGUNNING/HERNIEUWING
VAN DE VERGUNNING

Datum van eerste verlening van de vergunning: 25-05-2010
Datum van laatste hernieuwing:
10.
DATUM VAN HERZIENING VAN DE TEKST ­ GOEDKEURING VAN DE TEKST
06/2010 ­ 11/2010

Opgepast

  • Gebruik geen geneesmiddelen zonder het advies van je geneesheer
  • Vertrouw enkel de bijsluiter die meegeleverd werd met je geneesmiddel
  • Gebruik geen geneesmiddelen waarvan de houdbaarheidsdatum verstreken is
  • Bijsluiters zijn aangeleverd door het FAGG
  • FAGG